CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Concept Raadsbesluit Verordening Wmo gemeente Duiven 2023.docx

Politieke Avond 13 april 2023, gemeente DuivenBij agendapunt: 21.35 – 22.30 - Verordening Wmo Duiven / ronde tafel21.917 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Minimaal 60% van de begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde hbo-opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. Deze hbo-professional begeleidt de resultaten (ontwikkeldoelen en methodisch trainen van vaardigheden). De overige begeleiding wordt uitgevoerd door een met een afgeronde mbo-4 opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en de opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. Groepsbegeleiding wordt ondersteund uitgevoerd door een professional die aanwezig is op de groep.

Artikel 3.6.2. Criteria Groepsbegeleiding Stabiel 1. Bij het product Groepsbegeleiding stabiel ligt de focus op het stabiel houden van de situatie van de cliënt. Er is geen concreet ontwikkeldoel geformuleerd voor de cliënt. 2. Groepsbegeleiding bestaat uit activiteiten waarbij de vaardigheden van een cliënt worden getraind of onderhouden zodat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat hierbij om vaardigheden met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een belangrijke afweging om voor groepsbegeleiding te kiezen is dat ingeschat wordt dat begeleiding van de cliënt in een groep passender is dan individuele begeleiding. 3. Groepsbegeleiding stabiel is bedoel voor cliënten met verstandelijke, zintuiglijke, lichamelijke, psychische en/of geriatrische (dementie) beperking waarbij sprake is van een zelfredzaamheidsvraagstuk: a. Die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of; b. Die de pensioengerechtigde leeftijd niet hebben bereikt en waarvoor Activerend Werk niet passend is of; 4. Het doel is het stabiel houden van de fysieke en/of cognitieve zelfredzaamheid van de cliënt. 5. Resultaten: a. Het bieden van structuur. b. Het ontlasten van de mantelzorger.

Pagina 20

c. Het aanbieden van een gevarieerd aanbod van activiteiten gericht op het fysiek en mentaal welbevinden en een gezonde leefstijl (voeding, beweging etc.). d. Prikkelen tot ontwikkeling (indien mogelijk). e. Ondersteuning op algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). f. Waarvan de mantelzorger structureel te zwaar belast is. 6. Minimaal 20% van de begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde hbo-opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en de opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. 7. De overige begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde mbo-4 opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en de opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. 8. Er is geen sprake van groepsbegeleiding wanneer: a. Het hoofddoel het ontmoeten van anderen is in het kader van bestrijding van eenzaamheid of bevorderen van sociale zelfredzaamheid. Het lokale team kijkt samen met de cliënt wat een passend aanbod is in de wijk waaraan hij zelf of eventueel met behulp van eigen netwerk, vrijwilligers of aangestuurd door een ambulant begeleider kan deelnemen. b. Het hoofddoel het leveren van een bijdrage aan anderen/de maatschappij is. c. De cliënt in aanmerking komt voor zorg uit de Wlz. Paragraaf 3.7.

Huishoudelijke ondersteuning Artikel 3.7.1. Criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Door de huishoudelijke ondersteuning is de cliënt in staat langer zelfstandig thuis te wonen of wordt ontlast. Er is geen eigen regie over het huishouden of licht verminderde eigen regie. 2. Voor de uitvoering maatwerkvoorziening HO wordt uitgegaan van de volgende doelgroepen: a. Zelfstandig wonende cliënten vanaf 18 jaar waarbij sprake is van zodanig fysieke beperkingen dat men langdurig niet in staat is het huishouden te doen. b. Cliënten die zelf niet de (volledige) regie kunnen voeren en ondersteuning/sturing nodig hebben bij de uitvoering van het huishouden. c. Inwoners voor wie de Algemene voorziening Huishoudelijke ondersteuning (AV-HO) niet toereikend is. 3. Het doel is het bieden van ondersteuning aan volwassenen, die niet of onvoldoende in staat is zijn regie te voeren en niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren. 4. Huishoudelijke ondersteuning is gericht op: a. Activeren van de cliënt zodat hij/zij een eigen huishouden kan (blijven) voeren. b. Aanleren van huishoudelijke taken. c. Stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt in de huishouding via instructie, advies en voorlichting. d.

Organiseren en structureren van de dagelijkse huishoudelijke taken en dagelijks leven. e. Indien een cliënt licht verminderd of geen eigen regie over het huishouden kan voeren wordt ondersteuning geboden bij regie. f. Overname van huishoudelijke taken wanneer activeren en aanleren niet mogelijk is. g. Sturen op afschalen 5. Medewerkers zijn opgeleid en getraind conform de CAO voor Thuiszorg (VVT).

Pagina 21

Artikel 3.7.2. Criteria combi-ondersteuning thuis 1. Cliënten blijven langer zelfstandig thuis wonen, waarbij hun problematiek verzwaard. Hierdoor stijgt het aantal situaties waarbij huishoudelijke ondersteuning alleen niet meer toereikend is. Met het combineren van huishoudelijke ondersteuning (maatwerkvoorziening) en begeleiding (maatwerkvoorziening) door één zorgverlener, ontstaat het geïntegreerde aanbod van Combi-ondersteuning thuis (COT). Om te kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis, een gestructureerd huishouden en regie over het dagelijks leven heeft de cliënt COT nodig voor het geheel of gedeeltelijk overnemen van bepaalde huishoudelijke taken, ondersteuning bij de organisatie van het huishouden en ondersteuning bij het aanbrengen van (dag)structuur. 2. Combi ondersteuning thuis is bedoeld voor volwassenen die vanwege zware en/of complexe problematiek niet of onvoldoende in staat zijn op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren. Er is geen of sterk verminderde eigen regie over het huishouden als gevolg van bijvoorbeeld verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen en/of een psychische stoornis. 3. De maatwerkvoorziening COT is, naast de maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning, gericht op: a.

Activeren van de cliënt zodat hij/zij een eigen huishouden kan (blijven) voeren. b. Aanleren van huishoudelijke taken. c. Stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt in de huishouding via instructie, advies en voorlichting. d. Organiseren en structureren van de dagelijkse huishoudelijke taken en dagelijks leven. e. Regie voeren of ondersteunen bij regie voeren. f. Overname van huishoudelijke taken wanneer activeren en aanleren niet mogelijk zijn. g. Sturen op afschalen. h. De medewerker COT heeft een actieve signalerende functie t.a.v. de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt. 4. Medewerkers zijn opgeleid en getraind conform de CAO voor Thuiszorg (VVT). Het niveau van de geleverde hulp is minimaal gebaseerd op het kwalificatie niveau of aantoonbare gelijkwaardige kennis, ervaring en relevante competenties, waarmee wordt voldaan aan de benodigde kennis en ervaring om COT te realiseren. Paragraaf 3.8. Vervoersvoorziening Artikel 3.8.1. Algemene voorwaarden vervoersvoorziening 1. Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening dient er sprake te zijn van een structureel vervoersprobleem in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Er is sprake van een structureel vervoersprobleem als een inwoner meerdere malen per maand een vervoersprobleem heeft. 2.

Een vervoersvoorziening is niet bedoeld voor vervoer naar werk of onderwijs. Verder zijn reizen, bestemmingen en reisdoelen uitgesloten waarbij de inwoner gebruik kan maken van eigen kracht of voorliggende voorzieningen. Dit betreft in ieder geval: a. Lopen en rollen, met gebruikelijke hulpmiddelen; b. Vervoer met eigen vervoermiddelen, waaronder fiets, auto of scootmobiel; c. Openbaar vervoer (met of zonder begeleiding);

Pagina 22

d. het incidenteel inzetten van een taxibedrijf, of gebruik maken van een deelauto, wanneer andere vervoerwijzen niet beschikbaar zijn; e. Vervoer naar dagbesteding of dagbehandeling op grond van de Wlz; f. Vervoer naar jeugdhulp, of ander jeugdvervoer op grond van de Jeugdwet of de Wlz; g. Vervoer naar medische behandeling, wanneer op grond van de Zorgverzekering recht op zittend ziekenvervoer bestaat; h. Vervoer op grond van de Participatiewet, bijvoorbeeld naar sociale werkplaats of re-integratie; i. Vervoer op grond van een andere publieke regeling; j. Vervoer dat door een vrijwilligersorganisatie kan worden geleverd; k. Vervoer dat door of vanuit de bestemming tegen een redelijk tarief kan worden geleverd; l. Vervoer naar afspraken die ook digitaal kunnen plaatsvinden, zoals bepaalde consulten met de huisarts; m. Vervoer dat kan worden vervangen door bezoek, dienstverlening of levering aan huis (bijv. boodschappen). NB: voor boodschappen wordt verwezen naar boodschappenservices die o.a. vanuit verschillende supermarkten worden aangeboden of (indien van toepassing) de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning, tenzij dit noodzakelijk is voor participatie.

Artikel 3.8.2 Criteria Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) 1. De voorziening is beperkt tot het vervoersprobleem op lokaal en regionaal niveau (tot 25 kilometer van de woning), met een maximum van 1500 kilometer per jaar (kilometerbudget). Voor een vervoersprobleem op grotere afstand van de woning kan de gemeente een verklaring afgeven waarmee de inwoner toegang krijgt tot bovenregionaal gehandicaptenvervoer (Valys). 2. Om te bepalen of de inwoner een deel van het vervoerprobleem kan oplossen controleert de gemeente of aan de inwoner andere voorzieningen zijn toegekend zoals hulpmiddelen, vervoermiddelen en huishoudelijke hulp. 3. Degene die in aanmerking komt voor CVV uitgevoerd door een gecontracteerde vervoerder, ontvangt voor het gebruik daarvan een vervoerspas. Deze: a. geeft recht op reizen met betreffende vervoerder, en; b. kent een verlaagd reizigerstarief dat vergelijkbaar is met de kosten van openbaar vervoer, en; c. kent een jaarlijks kilometerbudget, en; d. is verbonden aan het vervoerreglement van betreffende vervoerder. 2. Het jaarlijks kilometerbudget wordt vastgesteld door het college op basis van het vervoersprobleem van de inwoner. De hoogte van dit km-budget wordt vastgesteld op maat van het structurele vervoerprobleem van de inwoner op basis van de volgende berekening: a.

het vervoersprobleem met behulp van reisafstanden en reisfrequenties te vertalen in een totaal aantal kilometers per jaar; b. te bepalen in welk deel van het vervoerprobleem kan worden voorzien met eigen kracht, voorliggende voorzieningen, gebruikelijke hulp, beschikbare mantelzorg, hulp van het sociale netwerk en andere verstrekte vervoersvoorzieningen; c. voor het resterende deel kilometers toe te kennen, met een maximum van 1500 kilometer per jaar. d. Voor periodes korter dan 12 maanden wordt het km-budget op maandbasis gecorrigeerd. 3. Als een inwoner gebruik maakt van een scootmobiel of vergelijkbaar vervoermiddel, gelden de volgende regels:

Pagina 23

a. De inwoner mag de scootmobiel niet meenemen in het CVV, tenzij hiervoor een specifieke vervoersindicatie is afgegeven. b. De inwoner wordt geacht met gebruik van de scootmobiel in de helft van het structurele vervoersprobleem te kunnen voorzien en hierdoor wordt het kilometerbudget gehalveerd. Artikel 3.8.3. Criteria bijzondere fietsen 1. Een aanvrager komt in aanmerking voor deze voorziening indien: a. de aanvrager problemen ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis als gevolg van een belemmering in de sta- en loopfunctie en; b. de aanvrager een dagelijkse vervoersbehoefte binnen een straal van ongeveer acht kilometer rondom zijn woning heeft, waarin niet met een andere voorziening aan kan worden voldaan. Artikel 3.8.4. Criteria scootmobiel 1. Bij structureel gebruik (minstens drie keer per week) van de scootmobiel komt de cliënt in aanmerking voor een individuele scootmobiel. Hiervoor moet een rijvaardigheidstest met goed resultaat worden afgelegd. 2. Een aanvrager komt in aanmerking voor een individuele scootmobiel, indien: b. de aanvrager (objectief) kan aantonen, dat hij ernstige belemmeringen ervaart in de sta- en loopfunctie en zonder hulpmiddel zich minder dan 400 meter kan verplaatsen. Met als gevolg, dat er problemen zijn bij het verplaatsen buitenshuis, en; c.

de aanvrager geen gebruik kan maken van de fiets, auto, openbaar vervoer, rolstoel, rollator, brommer/scooter of een wandelstok om in zijn vervoersbehoefte te voorzien, en; d. de aanvrager voldoende overdekte en afgesloten stallingsruimte beschikbaar heeft. 3. Er wordt geen scootmobiel verstrekt, indien deze niet bijdraagt aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Artikel 3.8.5. Criteria autoaanpassing 1. Om in aanmerking te komen voor autoaanpassingen gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. er is een medische indicatie voor individueel vervoer per eigen auto (elke vorm van taxivervoer is medisch niet verantwoord); of b. er is een indicatie voor individueel (rolstoel)taxivervoer; én c. de aanvrager dient volledig afhankelijk te zijn van de auto voor het dagelijks vervoer; én d. belanghebbende beschikt over een eigen auto die niet ouder is dan 5 jaar; én e. het gebruik van de eigen auto is verantwoord; én f. de kosten van aanpassing zijn niet hoger dan de kosten die uitgegeven zouden worden aan een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar. 2. Alleen de kosten voor aanpassingen die medisch noodzakelijk zijn komen voor vergoeding in aanmerking. De aan te passen auto is geschikt voor normaal gebruik. 3. Alleen de vervoersbehoefte van de cliënt wordt gecompenseerd, niet de vervoersbehoefte van het gehele gezin. 4.

De autoaanpassing wordt vergoed op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen op basis van inlevering/opgevraagde offertes, maximaal een keer per zeven jaar, tenzij de aanpassing niet meer adequaat is.

Pagina 24

Artikel 3.8.6. Criteria gesloten buitenwagen 1. Een gesloten buitenwagen wordt enkel verstrekt als op basis van een medisch advies andere voorzieningen worden uitgesloten. 2. De aanvrager dient veilig en verantwoord gebruik te kunnen maken van een gesloten buitenwagen. Artikel 3.8.7 Criteria vervoer naar de groepsbegeleiding of activerend werk 1. Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een voorziening voor vervoer van en naar een locatie waar de groepsbegeleiding of activerend werk wordt geboden als de cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. 2. Het vervoer wordt vergoed naar de dichtstbijzijnde locatie waar passende groepsbegeleiding wordt geboden. 3. Indien een cliënt een Wlz-indicatie heeft dan wordt het vervoer niet vergoed vanuit de gemeente. Paragraaf 3.9. Woonvoorzieningen Artikel 3.9.1. Algemene criteria woonvoorzieningen 1. Woonvoorzieningen hebben tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning door de persoon met beperking in de weg staan, te compenseren. De medische noodzaak kan blijken uit een medisch advies die wordt opgevraagd bij onduidelijke medische situaties. 2.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning boven de €7.500,- geldt het primaat van verhuizen. Dit houdt in dat de voorkeur aan verhuizen wordt gegeven, indien dit een goedkopere en passende oplossing is. Hierbij moet rekening worden gehouden met: a. Het evenredigheidsbeginsel: er moet een redelijke afweging plaatsvinden tussen het algemeen belang (de kosten van de gemeente) en het particulier belang (de belangen van de cliënt). b. De kosten voor het wonen (de woonlasten) moeten betaalbaar zijn voor de cliënt. c. De termijn waarbinnen verhuist kan worden. Uit een medisch advies kan blijken wat een medisch verantwoordelijke termijn is. Indien een geschikte woning niet tijdig beschikbaar is dan kan het primaat van verhuizen niet worden gehanteerd. Bij het zoeken naar een woning kan een makelaar, de woningbouwstichting of de gemeente benaderd worden voor advies en informatie. d. Sociale factoren zoals de voorkeur van de cliënt, de binding met de woning en de woonomgeving, de nabijheid van belangrijke voorzieningen, de nabijheid van vrienden, kennissen, familie en mantelzorg. e. De duur van de medische prognose.

Is de verwachting dat de gezondheidssituatie van de cliënt verslechterd en daardoor de woning maar tijdelijk volstaat dan moet dit worden meegewogen in het oordeel van een passende oplossing. 3. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor een woning in de gemeente Duiven indien: a. de aanpassing van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben en die geschikt is om het hele jaar door te worden bewoond en daarmee voldoende toegankelijk en doorgankelijk is, als een verhuizing geen adequate oplossing biedt voor de cliënt.

Pagina 25

b. het bezoekbaar maken van een woning waarin de cliënt die in een instelling verblijft, regelmatig komt, in de zin dat de woonkamer en het toilet door hem bereikt en gebruikt kunnen worden en er, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, niet eerder in de gemeente Duiven of een andere gemeente een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt. 4. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, voor zover de te verlaten woning in de gemeente Duiven staat. Deze kosten kunnen bestaan uit: a. Verhuiskosten; b. Inrichtingskosten. 5. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing of inrichting, als: a. de cliënt belemmeringen ervaart in het gebruik van zijn woning als gevolg van plotseling optredende beperkingen en een woonvoorziening geen goedkopere oplossing biedt; én b. de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om in samenspraak met de verhuurder de belemmeringen in het gebruik van de woning te doen wegnemen; én c. er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van belemmeringen in het gebruik van de woning. Artikel 3.9.2. Soorten woonvoorzieningen 2. Woonvoorzieningen zijn te onderscheiden in woningaanpassingen en overige woonvoorzieningen. 3.

Een woningaanpassing is een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woning om de woning geschikt te maken. Woningaanpassingen zijn: a. Geschikt maken van de woning: de woning moet betreden/verlaten kunnen worden. b. Badkamer: het vervangen van een bad door een douche indien de aanvrager vanwege medische redenen geen gebruik kan maken van het bad. Hierbij wordt rekening gehouden met de staat van de badkamer. Het is algemeen gebruikelijk om verouderde badkamers te vernieuwen. c. Keuken: het verstellen van de keuken (hoog/laag) waardoor met een rolstoel (zelfstandig) gebruik kan worden gemaakt van de keuken. d. Traplift: indien de aanvrager problemen ondervindt bij het normaal gebruik van de woning en de elementaire functies (badkamer en/of slaapkamer) zich niet op de begane grond bevinden. e. Aanbouw: indien de aanvrager niet in staat is om zich naar een hogere verdieping te verplaatsen (ook niet met een traplift). In dit geval kan voor een aanbouw worden gekozen zodat de elementaire functies op de begane grond worden gemaakt. 4. Overige woonvoorzieningen zijn verplaatsbaar. Een overige woonvoorziening is: a. Een tillift: een aanvrager is niet in staat zelfstandig gebruik te maken van sanitair. b. Douche – toiletvoorzieningen: een aanvrager is niet in staat zelfstandig gebruik te maken van sanitair. Artikel 3.9.3. Niet verstrekken woonvoorziening 1.

Een woonvoorziening wordt niet verstrekt indien: a. de hulpvraag voorzienbaar was;

Pagina 26

b. de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de woning schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. het gaat om noodvoorzieningen of voorzieningen niet bedoeld voor de elementaire woonfuncties; d. het gaat om een voorziening met een therapeutisch doel; e. het gaat om een aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking; f. de belemmeringen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten; g. het gaat om een woonvoorziening voor verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen, tweede woning of andere niet voor permanente bewoning bedoelde verblijven. Artikel 3.9.4 .Terugbetalen bij verkoop woning 1. De eigenaar-bewoner, die een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereed melding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. 2.

De meerwaarde van de woning als gevolg van de aangebrachte woonvoorziening dient volgens een door het college vastgesteld afschrijvingsschema te worden terugbetaald, uitgaande van een jaarlijkse waardedaling van 10% gerekend vanaf het eerste jaar van de realisering van de woonvoorziening. Paragraaf 3.10 Verplaatsingsvoorzieningen Artikel 3.10.1. Algemene criteria verplaatsingsvoorzieningen 1. De aanvrager kan in aanmerking komen voor een verplaatsingsvoorziening, indien hij beperkingen ondervindt in het lokaal verplaatsen en het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening m.b.t. vervoer- of een aanpassing van een vervoersmiddel geldt het primaat van de collectieve voorziening, zoals het CVV. Artikel 3.10.2. Criteria rolstoel 3. Om in aanmerking te komen voor een rolstoel gelden de volgende aanvullende criteria: a. de aanvrager ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is niet in staat om zich met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator te verplaatsen; b. de aanvrager kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; c. de beperkingen zijn langdurend van aard. Artikel 3.10.3. Criteria elektrische rolstoel 2.

Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel gelden de volgende aanvullende criteria: a. aanvrager ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is permanent afhankelijk van een rolstoel én;

Pagina 27

b. aanvrager is niet in staat om zich over een afstand van meer dan 10 meter of 1 minuut achtereen lopend te verplaatsen of kan zichzelf door middel van armbewegingen of onvoldoende uithoudingsvermogen niet voortbewegen. Artikel 3.10.4. Criteria sportrolstoel 1. Aanvrager komt in aanmerking voor een sportrolstoel als is voldaan aan de volgende aanvullende voorwaarden: a. aanvrager maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; b. aanvrager is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. aanvrager is lid van een sportvereniging. Hoofdstuk 4: Kwaliteitseisen zorgaanbieders Artikel 4.1. Kwaliteitseisen 1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten en subsidieafspraken met de aanbieders. 2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3.

De zorgaanbieder is zelf bekwaam en gekwalificeerd en/of beschikt over aantoonbaar bekwame en gekwalificeerde medewerkers voor het uitvoeren van de gevraagde dienstverlening, zet gekwalificeerde medewerkers in en dient dit op ieder moment aan opdrachtgever te kunnen aantonen. In hoofdstuk 3 is per maatwerkvoorziening omschreven welk opleidingsniveau minimaal is vereist. 4. Bestuurders (conform uittreksel KvK) en alle hulpverleners (alle medewerkers, inclusief uitzendkrachten, zzp’ers, stagiaires en vrijwilligers), die direct contact hebben met cliënten zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met functieprofiel 45 ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ die bij indiensttreding niet ouder is dan 3 maanden en bij het inzetten op de gecontracteerde zorg, niet ouder dan 3 jaar. 5. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 6. De voorzieningen worden afgestemd op andere vormen van zorg en welzijn. 7. De aanbieder stemt voorzieningen af op de persoonlijke situatie van de cliënt; 8. De aanbieder ziet er bij het leveren van voorzieningen op toe dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 9.

De aanbieder legt de afspraken met de cliënt concreet vast in een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan wordt in ieder geval opgenomen: a. De kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van de cliënt en welke hulp/ondersteuning wordt geboden. b. Welke doelafspraken cliënt en opdrachtnemer maken en hoe zij deze gaan bereiken. c. Binnen welk tijdsbestek deze doelen moeten worden behaald en hoeveel uur daarvoor nodig is. d. Binnen welk tijdsbestek er kan worden afgeschaald naar minder uren en/of een eenvoudigere ondersteuningsinzet.

Pagina 28

e. Hoe opdrachtnemer de nazorg vormgeeft en de eventuele overdracht naar andere zorgvormen. f. Wanneer geëvalueerd wordt (datum vastgelegd). g. De inzet van en afstemming met algemene voorzieningen (indien van toepassing). h. In het plan staat de naam van de eerstverantwoordelijke (medewerker van de opdrachtnemer) vermeld. De eerstverantwoordelijke of diens vervanger is goed bereikbaar. i. In het plan staat vermeld wie de casusregisseur of coördinator is (in het geval van meervoudige, complexe problematiek dient een regisseur te zijn aangewezen. j. De inbreng van een multidisciplinair team (indien van toepassing) is beschreven in het ondersteuningsplan. k. De afstemming tussen dagbesteding, werk en wonen (indien van toepassing), is beschreven in het ondersteuningsplan. l. De afstemming op andere vormen van geboden hulp en zorg is beschreven in het ondersteuningsplan. 10. De aanbieder werkt aan zelfregie van zorg waar dit mogelijk is. Er wordt verwacht van de aanbieder dat hij aantoonbaar de zelfredzaamheid van de cliënten verbetert en/of verslechtering voorkomt of de zelfredzaamheid stabiel houdt. Ook zal de aanbieder aantoonbaar investeren in het innoveren en eventueel afbouwen van zorg, dat wil zeggen het verkorten van de zorgduur en het verminderen van het aantal begeleidingsuren.

De aanbieder werkt waar mogelijk aan het afbouwen van de ondersteuning, naar lichtere vormen van maatwerkvoorzieningen en/of naar voorliggende wettelijke voorzieningen en/of naar de inzet van het sociaal netwerk, bij voorkeur met behulp van sociale netwerkstrategieёn. 11. De aanbieder evalueert tenminste 6 weken voor afloop van de indicatie, het ondersteuningsplan en de uitvoering daarvan. Wanneer het traject langer duurt dan een jaar vinden er in overleg meerdere evaluaties plaats. Elke evaluatie wordt besproken met de cliënt en er wordt een verslag gemaakt, dat ondertekend is door de cliënt en/of wettelijke vertegenwoordiger, zodat helder is dat deze evaluatie is besproken met de desbetreffende cliënt. De datum van de eerstvolgende evaluatie staat in het plan genoteerd. 12. In geval van meervoudige, complexe problematiek is één regisseur of coördinator aangewezen die de nodige samenhang en continuïteit bewaakt. 13. De aanbieder waarborgt de veiligheid van de cliënt door het tijdig signaleren van risico’s. Ook houdt de aanbieder zich aan de veiligheidseisen, neemt daarvoor de benodigde acties en handelt daar naar. 14. De aanbieder houdt zich bij de verlening van ondersteuning aan de toepassing van de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 15.

De aanbieder werk met zoveel mogelijk vaste medewerkers en zorgt voor passende vervanging bij afwezigheid van de vaste medeweker. 16. De aanbieder verleent de ondersteuning met respect en in achtneming van de rechten van de cliënt. 17. De aanbieder verwerkt in het kader van de uitvoering van de ondersteuning persoonsgegevens in overeenstemming met de geldende privacywetgeving (AVG). Artikel 4.2. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

Pagina 29

2.

3.

4.

5.

i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel i. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht conform de geldende Cao; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. verzekeringskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid.

Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Hoofdstuk 5: Pgb beleid Artikel 5.1. Voorwaarden pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, beoordeelt het college of wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zoals omschreven in artikel 2.3.6 van de wet. 2. Het college beoordeelt of de cliënt, eventueel met behulp van zijn pgb-beheerder, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De cliënt dient in ieder geval: a. Een goed overzicht van zijn situatie te hebben; b. Te weten welke regels horen bij een pgb; c. Een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. Zelf de communicatie met de gemeente, de zorgverzekeraar of zorgkantoor, de Sociale verzekeringsbank (Svb) en zorgverleners te doen; e. Zelfstandig te handelen en zelf zorgverleners te kiezen; f. Zelf afspraken te maken en deze afspraken bij de houden en zich hieraan houden; g. Te beoordelen of een pgb bij hem past; h. Zelf de zorg te regelen met 1 of meerdere zorgverleners; i. Te fungeren als werkgever of opdrachtgever voor de zorgverlener. 3.

De kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders, zoals genoemd in artikel 4.1 van deze verordening. Bij de aanvraag van een pgb beoordeeld het college in ieder geval of de pgb-aanbieder voldoet aan de volgende criteria:

Pagina 30

a. De aanbieder is zelf bekwaam en gekwalificeerd en/of beschikt over aantoonbaar bekwame en gekwalificeerde medewerkers voor het uitvoeren van de gevraagde dienstverlening, zet gekwalificeerde medewerkers in en dient dit op ieder moment aan de gemeente te kunnen aantonen; b. Bestuurders (conform uittreksel KvK) en alle zorgverleners (alle medewerkers, inclusief uitzendkrachten, zzp’ers, stagiaires en vrijwilligers), die direct contact hebben met cliënten zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die bij indiensttreding niet ouder is dan 3 maanden en bij het inzetten op de ondersteuning, niet ouder dan 3 jaar. Voor alle medewerkers met direct cliëntcontact geldt screeningsprofiel “Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier”; c. De aanbieder legt de afspraken met de cliënt concreet vast in een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan wordt in ieder geval opgenomen: i. De kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van de cliënt en welke ondersteuning wordt geboden. ii. Welke doelafspraken cliënt en opdrachtnemer maken en hoe zij deze gaan bereiken. iii. Binnen welk tijdsbestek deze doelen moeten worden behaald en hoeveel uur daarvoor nodig is. iv. Binnen welk tijdsbestek er kan worden afgeschaald naar minder uren en/of een eenvoudigere ondersteuningsinzet. v. Hoe opdrachtnemer de nazorg vormgeeft en de eventuele overdracht naar andere zorgvormen. vi.

Wanneer geëvalueerd wordt (datum vastgelegd). vii. De inzet van en afstemming met algemene voorzieningen (indien van toepassing). viii. In het plan staat de naam van de eerstverantwoordelijke (medewerker van de opdrachtnemer) vermeld. De eerstverantwoordelijke of diens vervanger is goed bereikbaar. ix. In het plan staat vermeld wie de casusregisseur of coördinator is (in het geval van meervoudige, complexe problematiek dient een regisseur te zijn aangewezen. x. De inbreng van een multidisciplinair team (indien van toepassing) is beschreven in het ondersteuningsplan. xi. De afstemming tussen dagbesteding, werk en wonen (indien van toepassing), is beschreven in het ondersteuningsplan. xii. De afstemming op andere vormen van geboden hulp en zorg is beschreven in het ondersteuningsplan. Artikel 5.2. Pgb voor ondersteuning door een informele aanbieder 1. Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het sociale netwerk (waaronder bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad): a. als de cliënt een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent, b. als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de cliënt, en; c. als er voldoende draagkracht, tijd en bekwaamheid is voor de inzet van een Pgb. 2.

Indien de ondersteuning geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele aanbieder.

Pagina 31

3. Onder bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad wordt verstaan: kinderen, kleinkinderen, ouders, grootouders, broers, zussen, schoonouders, schoonzussen en zwagers. Artikel 5.3. Beheren van het pgb 1. Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder. 2. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 3. Een pgb-beheerder wordt geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; b. hij niet tevens uitvoerder is van de jeugdhulp die met het pgb wordt ingekocht; c. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder; d.

er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; 4. Een cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb worden afgewezen. Artikel 5.4. Pgb wordt niet verstrekt 1. Het college verstrekt geen pgb als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 2.5, vierde lid. 2. Het college verstrekt geen pgb indien deze is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij er toestemming is gegeven door de toegang op basis van behoefte in lijn met de reguliere ondersteuning. 3. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd in de 4 jaren voorafgaand aan de aanvraag. 4. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een zorgverlener indien er twijfels zijn over de integriteit van de zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de zorgverlener: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c.

bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband

Pagina 32

f.

onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie;

Artikel 5.5. Hoogte van een pgb 1. De hoogte van een Pgb: a. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 2. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen: a. Professionele aanbieder: tot deze groep behoren personen die: • werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het handelsregister en voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 5.1 lid 4 en 5. • aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het handelsregister en voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 5.1 lid 4 en 5. b.

Informele aanbieder sociaal netwerk: tot deze groep behoren personen die tot het sociale netwerk behoren, zoals familie, vrienden, kennissen met uitzondering van een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad. c. Informele aanbieder bloed- of aanverwant: tot deze groep behoren kinderen, kleinkinderen, ouders, grootouders, broers, zussen, schoonouders, schoonzussen en zwagers ongeacht of zij voldoen aan de voorwaarden voor een professionele aanbieder. 3. De hoogte van het pgb voor dienstverlening door een professionele aanbieder bedraagt 80% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4. De hoogte van het pgb voor dienstverlening door een informele aanbieder sociaal netwerk bedraagt: a. € 20,- per uur, tenzij passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht; of b. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij de ondersteuning van de cliënt kan worden ingekocht met een lagere tegemoetkoming; of c. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.

De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 5. De hoogte van het pgb voor dienstverlening door een informele aanbieder bloed- of aanverwant bedraagt: a. het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of

Pagina 33

ouder met een 36-urige werkweek. Dit tarief is ongeacht de diploma’s en werkervaring van de informele-aanbieder; of b. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij de ondersteuning van de cliënt kan worden ingekocht met een lagere tegemoetkoming; of c. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 6. De hoogte van een pgb voor een roerende zaak wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; 7. De hoogte van een pgb voor een autoaanpassing of woningaanpassing wordt vastgesteld op het laagst geoffreerde bedrag. Auto- en woningaanpassingen worden maximaal één keer per zeven jaar verstrekt, tenzij de aanpassing niet meer adequaat is. 8.

De hoogte van een pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding wordt vastgesteld op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren; 9. De hoogte van een pgb voor taxi- en rolstoeltaxivervoer wordt vastgesteld op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometer per jaar; of maximaal 750 kilometer per jaar als men zich in de directe woonomgeving zelfstandig met een vervoermiddel kan verplaatsen. 10. De hoogte van een pgb voor verhuis- en herinrichtingskosten worden vastgesteld op basis van inlevering/opgevraagde offertes met een maximum van € 5.000,00. Hiervan wordt maximaal € 2.500,00 toegekend voor de verhuiskosten en maximaal € 2.500 voor de stofferings-en herinrichtingskosten. De mate van inzet van derden, zowel formeel als informeel, alleen verhuizen of ook inrichten, is afhankelijk van de noodzakelijke ondersteuning van de cliënt. Hiermee is dit onderwerp van het keukentafel gesprek. 11.

De hoogte van een pgb voor aanschaf en onderhoud van sportvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de laagste prijs en het laagste tarief die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier tot een maximumbedrag van € 3.000,00 en deze wordt één keer per drie jaar verstrekt. 12. Het pgb wordt uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren of dagdelen. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan, tenzij de voorziening als een maand- of jaarbudget wordt verstrekt. 13. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 14. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; 15. Het college kan de Svb gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Pagina 34

Artikel 5.6. Pgb weigeren en afwijzen 1. Het college kan een pgb weigeren als: a. er eerder een pgb is ingetrokken of beëindigd door de gemeente vanwege het handelen door de cliënt; b. voor het deel dat de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten voor de ZINvoorziening (voor een vergelijkbaar product); 2. Het college kan een pgb afwijzen als: a. als de client en/of diens vertegenwoordiger niet voldoende pgb-vaardig zijn; b. als de kwaliteit van de jeugdhulp onvoldoende is geborgd of de zorgverlener niet aan de kwaliteitseisen voldoet; c. er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 5.4 van deze verordening.

Hoofdstuk 6: Bijdrage in de kosten Artikel 6.1. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Een cliënt kan een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten voor: a. het gebruik van Collectief Aanvullend Vervoer; b. uitstapjes en het gebruik van consumpties en maaltijden bij inloop, c. dag- en nachtopvang; d. het gebruik van materialen bij algemene voorzieningen; e. het gebruik van maaltijden bij algemene voorzieningen; f. het gebruik van woonruimte; g. duurzame hulprelatie (bijvoorbeeld algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning). 2. De bijdrage, bedoeld in het vorige lid, wordt vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals richtlijnen van het NIBUD, tarief van het openbaar stadsvervoer of landelijke modellen voor de berekening van de huurprijs van woonruimte en bedragen niet meer dan de kostprijs voor de aanbieder van de voorziening. 3. Voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vervoersvoorzieningen, is de cliënt de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning, verschuldigd en deze worden geïnd door het CAK. 4.

Een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige pgb of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt. 5. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6. De eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen worden vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft. 7. De eigen bijdrage voor een voorziening voor CVV bestaat uit een jaarlijkse bijdrage welke vastgesteld wordt door het college. Daarnaast worden ritgebonden kosten in rekening gebracht bestaande uit en een bedrag per instap en een bedrag per kilometer, waarvan de hoogte wordt vastgesteld door de BVO DRAN op basis van de regionale tarieven voor openbaar vervoer per bus. De tarieven voor CCV worden per

Pagina 35

rit geïnd door de BVO DRAN en jaarlijks vastgesteld door de BVO DRAN in navolging van de vaststelling van de tarieven voor openbaar vervoer door de provincie. 8. Bij de verstrekking van een woningaanpassing voor een cliënt onder de 18 jaar kan een bijdrage in de kosten worden opgelegd. 9. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen, een doventolk, activerend werk, het maatschappelijk werk en kindvoorzieningen met uitzondering van woningaanpassingen. 10. De aanbieder maakt aan de cliënt kenbaar wat de hoogte van de eigen bijdrage is. Hoofdstuk 7: Mantelzorgers, klachten en medezeggenschap Artikel 7.1. Waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. 3. Voor mantelzorgers die overbelast zijn of overbelast dreigen te geraken is een Regeling Huishoudelijke hulptoelage (HHT) opgesteld, waarmee men tegen gereduceerd tarief huishoudelijke hulp bij een van de door de gemeente gecontracteerde aanbieders kan inkopen. Artikel 7.2. Klachtregeling 1.

Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 7.3. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 7.4. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.

Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

Pagina 36

3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid. Hoofdstuk 8: Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Artikel 8.1. Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college treft de nodige maatregelen om misbruik of het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen tegen te gaan. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en misbruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. het college wijst toezichthouders aan die toezicht houden op de kwaliteit en de rechtmatigheid van de verstrekte voorzieningen. c. het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontrole en productieverantwoordingen zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; d. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. e.

het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties; f. het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een Pgb op: i. de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 5.1 lid 2. ii. de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt en de pgbaanbieder te overleggen ondersteuningsplan mede met het oog op de te bereiken resultaten conform artikel 5.1 lid 3; iii. het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. Artikel 8.2. Aanwijzen toezichthouder 1. Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met: a. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en; b. het onderzoek doen naar calamiteiten en geweldsincidenten en het adviseren van het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 2. De toezichthouder functioneert onafhankelijk. 3. De aangewezen toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de cliënt of de pgbbeheerder; d. vorderen van identificatie; e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f.

het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

Pagina 37

h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de cliënt of de Pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; i. controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd. 4. Een ieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. 5. De toezichthouder maakt zijn onderzoeksrapport actief openbaar en werkt in overeenstemming met de geldende privacywetgeving (AVG). Artikel 8.3. Rechtmatigheids- en/of kwaliteitsonderzoek 1. Een toezichthouder kan een zowel een rechtmatigheidsonderzoek als een kwaliteitsonderzoek uitvoeren. 2. Een toezichthouder kan het rechtmatigheids- en/of kwaliteitsonderzoek proactief en reactief uitvoeren. 3. Bij een proactief rechtmatigheids- en/of kwaliteitsonderzoek wordt op basis van objectieve criteria prioriteiten, thema’s of risicoprofielen opgesteld. Deze risicoprofielen mogen niet leiden tot een verboden onderscheid. 4. Bij een reactief rechtmatigheids- en/of kwaliteitsonderzoek wordt na aanleiding van een signaal een onderzoek uitgevoerd. 5. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van rechtmatigheids- en/of kwaliteitsonderzoek. Artikel 8.5. Onderzoek naar aanleiding van calamiteiten en geweld 1.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening op grond van de wet. 2. Zorgverleners melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van een maatwerkvoorziening op grond van de wet onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. Het college kan bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld. Artikel 8.6. Melden nieuwe feiten en omstandigheden 1. Het college informeert de cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. De cliënt doet melding op verzoek of uit eigen beweging aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande het recht op een voorziening. Artikel 8.7. Beëindiging 1. Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien uit onderzoek blijkt dat: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening; b.

de inwoner zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening; c. de inwoner is overleden, of; d. de inwoner geen ingezetene meer is van de gemeente.

Pagina 38

Artikel 8.8. Herziening en intrekking 1. Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien: a. niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening; b. de inwoner de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen; 2. Het college kan een beslissing tot verlening van een pgb intrekken indien blijkt dat de inwoner het pgb binnen zes maanden na toekenning niet heeft ingezet. Artikel 8.9. Terugvordering 1. Als uit onderzoek blijkt dat de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt kan het college, zoals genoemd in artikel 2.4.1 van de wet, indien de aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken: a. het ten onrechte genoten betaalde pgb terugvorderen; b. de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen. 2. Als uit onderzoek blijkt dat een derde (bijvoorbeeld de zorgaanbieder) opzettelijk daaraan medewerking heeft verleend kan het geld bij zowel de cliënt als bij de derde worden teruggevorderd. Hoofdstuk 9: Slotbepalingen Artikel 9.1. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt elke vier jaar na inwerkingtreding van deze verordening geëvalueerd.

Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening en de daarbij horende nadere regelgeving en beleidsregels in de praktijk. Artikel 9.2. Hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van cliënt af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn. Er is sprake van bijzondere of onvoorziene hardheid als de toepassing van de verordening tot een onredelijk gevolg leidt en dat gevolg niet de bedoeling van de verordening kan zijn geweest. Of sprake is van een onredelijk gevolg zal per geval beoordeeld worden. Artikel 9.3. Overgangsbepaling 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Duiven 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=abac083c-0e2d-4577-9196-157a8f9c9d7d