CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

1a. Bijlage 1 Motivering Scheefkelk 2 Duiven

Raadsavond 12 november 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: Adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit Scheefkelk 2 Duiven13.677 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.6

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

29

6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Met een initiatief moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Binnen een initiatief dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het initiatief kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 'Besluit bouwwerken leefomgeving' (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2

Onderzoek

Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd, waarvan een fragment in onderstaande afbeelding is weergegeven. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de functiewijziging van een kantoorpand naar twaalf wooneenheden. Met het initiatief is sprake van een nieuw kwetsbaar object. Het bestaande pand is groen omkaderd.

Fragment Risicokaart Nederland ter plaatse van het projectgebied

Het projectgebied, en specifiek het pand, ligt binnen een explosieaandachtsgebied. Deze is afkomstig van de spoorlijn Arnhem - Zevenaar. Het pand is afkomstig uit 1995. Ten tijde van de bouw van het pand was de

30

Betuweroute nog niet in gebruik. Sinds de ingebruikname van de Betuweroute in 2007 zijn het aantal transportbewegingen met gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem - Zevenaar sterk afgenomen. Daarnaast dient het pand reeds aangepast te zijn op het vervoer van gevaarlijke stoffen in de periode tussen 1995 en 2007. Om deze reden kan worden aangenomen dat er geen problemen ontstaan op het gebied van omgevingsveiligheid. 6.6.3

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het projectgebied.

6.7

Bedrijven en milieuzonering

6.7.1

Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het projectgebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.

De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. 6.7.2

Toetsing

Het projectgebied en haar omgeving maakt gezien de aanwezige functies deel uit van een 'gemengd gebied'. Hinderveroorzakende functies in het projectgebied In het projectgebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De nieuwe woningen kunnen worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het projectgebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het projectgebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het projectgebied. Er zijn drie functies in de omgeving van het projectgebied die eventuele hinder kunnen veroorzaken: 1. 2. 3. 4.

Bedrijfsperceel, gelegen aan de Zilverschoon/Parallelweg; Lucky Burger & Zo, Parallelweg 29; Station Duiven; Nutsvoorzieningen.

Volgens het vigerende bestemmingsplan mag er ter plaatse van de bedrijven aan de Zilverschoon maximaal een bedrijf in de milieucategorie 2 gevestigd zijn. Deze hebben een standaard richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk en 10 meter tot een gemengd gebied. De navolgende tabel laat zien hoe de functies kunnen worden gecategoriseerd op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarnaast geeft de tabel de minimaal aanbevolen richtafstanden (in meters) aan voor deze functies tot een gemengd gebied:

31

Functie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

1. Bedrijf in milieucategorie 2 2. Restaurant 3. Spoorwegen - stations 4. Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen < 10 MVA

0 0 0

0 0 0

0 50 10

10 30 10

Grootste afstand 10 10 50 10

Werkelijke afstand circa 80 m circa 45 m circa 30 m circa 110 m

Het projectgebied valt buiten de richtafstanden van het bedrijfsperceel, het restaurant en alle nutsvoorzieningen in de buurt. Het projectgebied valt echter wel binnen de richtafstanden voor stations. Het station betreft hier een perron zonder gebouw of grootschalige overkapping. Tevens zijn er geen winkels aanwezig. Voor wat betreft het aspect geluid kan beargumenteerd worden dat het meeste geluid afkomstig is van de treinen. Hiervoor is een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is behandeld in paragraaf 6.4. Hieruit blijkt dat er op het gebied van geluid geen belemmeringen zijn om de woningen te realiseren. Voor wat betreft het aspect gevaar zijn er geen functies op of rondom het station die gevaar kunnen veroorzaken. Om deze reden kan de richtafstand van gevaar met één afstandsstap worden verkleind. Hiermee voldoet het projectgebied aan de 30 meter voor gevaar. Bedrijven worden met de ontwikkeling niet belemmerd in de (toekomstige) bedrijfsvoering. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat de woningen goed ingepast kunnen worden in een gebied met overwegend woningen. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 6.7.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen initiatief.

6.8

Water

6.8.1

(Wettelijk) kader

In artikel 5.37 van het Bkl is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In paragraaf 5.4 van deze motivering is het beleid van het waterschap inclusief de weging van het waterschap (met de Digitale Watertoets) beschreven. Navolgende subparagraaf laat het resultaat van de Digitale Watertoets zien en welke conclusies hieraan verbonden zijn voor het initiatief in het projectgebied. 6.8.2

Onderzoek

Het projectgebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 4 juli 2024 de digitale watertoets doorlopen. Deze is als Bijlage 4 bijgevoegd. Ten aanzien van wateradvies geldt er voor het initiatief een normale procedure. De verharding in het nieuwe plan neemt nauwelijks toe. Vanwege de toevoeging van meer dan tien woningen in het projectgebied geldt echter de normale procedure. 6.8.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen initiatief.

32

6.9

Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2

Onderzoek

Op grond van het vigerend bestemmingsplan geldt voor het gehele projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting'. Daarbij heeft het perceel de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5'. Voor het uitvoeren van bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5 meter dient een archeologisch rapport overlegd te worden. Onderhavige initiatief heeft betrekking op de functiewijziging van een kantoorpand naar twaalf wooneenheden. Buiten het pand worden in totaal twaalf kleine bergingen geplaatst van circa 5 m2 per stuk, met een totaal van circa 60 m2. Het kantoorgebouw heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan archeologie of cultuurhistorie niet noodzakelijk. 6.9.3

Conclusie

Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

6.10 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.10.1 (Wettelijk) kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen.

In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen.

33

6.10.2 Onderzoek Onderhavig initiatief heeft betrekking op de functiewijziging van een kantoorpand naar twaalf wooneenheden. Met het initiatief vinden geen inpandige verbouwingen plaats, met uitzondering van de realisatie van balkons. Om deze reden is door Natuurbank Overijssel in augustus 2024 een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in de navolgende alinea's samengevat. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft 'Rijntakken', dat gelegen is op een afstand van circa 2,5 kilometer ten westen van het projectgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Het projectgebied ligt buiten de zones van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). De kernkwaliteiten worden met de ontwikkeling niet aangetast.

Soortenbescherming Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Stikstof Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Rijntakken' op circa 2,5 kilometer afstand.

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Daarnaast betreft het initiatief grotendeels een inpandige verbouwing van een voormalig kantoorpand naar woningen. Wel worden er een aantal bergingen geplaatst in de buitenruimte. Omdat de werkzaamheden grotendeels inpandig zijn en hiervoor geen grote machines zoals hijskranen benodigd zijn, komt de enige uitstoot van de verkeersbewegingen van de bouwvakkers. In de huidige situatie kunnen 106 verkeersbewegingen per dag kunnen worden toegeschreven aan het gebruik (zie paragraaf 6.11). De verwachting is dat er tijdens de realisatiefase geen 106 verkeersbewegingen per dag plaatsvinden. De bouwvakkers zullen één keer heen en één keer terug rijden. Hiermee zal het aantal verkeersbewegingen in de realisatiefase afnemen, waardoor er per saldo altijd sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Een AERIUS-berekening voor de realisatiefase kan daarom achterwege worden gelaten. Voor wat betreft de gebruiksfase ontstaat er ook een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase is berekend op 76 per dag (zie paragraaf 6.11).

In de huidige situatie is er sprake van 106 verkeersbewegingen per dag. Hiermee zullen er minder verkeersbewegingen per dag zijn en is er sprake van een verbetering ten opzichte van de huisde situatie. Tevens worden de nieuwe woningen gasloos opgeleverd, waardoor de enige stikstof uitstoot toe te schrijven is aan het aantal verkeersbewegingen. Tot slot kan ook beargumenteerd worden dat gezien de afstand tot openbaar vervoer, het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk lager zal zijn. Een AERIUS-berekening voor de gebruiksfase kan daarom achterwege worden gelaten.

34

6.10.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

6.11 Verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.11.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Duiven heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe initiatieven/ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten onderbouwd en indien noodzakelijk onderzocht worden. 6.11.2 Onderzoek Verkeer In de huidige situatie is er sprake van een kantoorgebouw zonder baliefunctie.

Volgens de kengetallen van het CROW is het aantal verkeersbewegingen, uitgaande van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom', maximaal 9,6 per 100 m2 bvo per dag. Dit komt voor de huidige situatie, uitgaande van circa 1.100 m2 bvo, neer op 106 verkeersbewegingen per dag. In de toekomstige situatie is er sprake van twaalf wooneenheden (aangemerkt als 'koop, appartement, goedkoop'). Uitgaande van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk', het gebiedstype 'rest bebouwde kom' is het aantal verkeersbewegingen maximaal 6,0 per woning. Dit komt voor de toekomstige situatie, uitgaande van twaalf wooneenheden, neer op 72 verkeersbewegingen per dag. Dit betekent dat met het initiatief het aantal verkeersbewegingen afneemt. Daarbij wordt verwacht dat, gezien de afstand tot openbaar vervoer, het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk lager zal zijn. Verder is de omliggende verkeersstructuur voldoende berekend op dergelijke verkeersstromen. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is er gekeken naar de Parkeernormennota van de gemeente Duiven. Deze nota is vastgesteld op 3 februari 2018. In de huidige situatie is er sprake van een kantoorpand.

Volgens de Parkeernormennota is het benodigde aantal parkeerplaatsen 2,1 per 100 m2 bvo. Dit komt voor de huidige situatie, uitgaande van circa 1.100 m2 bvo, neer op afgerond 24 parkeerplaatsen. Het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt in de huidige situatie niet behaald. In de toekomstige situatie is er sprake van twaalf wooneenheden. Deze worden allen onderverdeeld in de categorie 'Woning klein (kleiner dan 90 m2 gbo) in het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Volgens de Parkeernormnota is de parkeernorm 1,6 per woning. In totaal zijn er (12 x 1,6 = 19,2) afgrond 20 parkeerplaatsen benodigd voor het initiatief. Op eigen terrein is er plaats voor maximaal 15 parkeerplaatsen. De overige 5 benodigde parkeerplaatsen dienen in de openbare ruimte te worden opgelost. Om deze reden is er door de initiatiefnemer een parkeeronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Op basis van de 32 metingen op de drie locaties zijn er van de 49 openbare parkeerplekken gemiddeld 29,35 vrije openbare parkeerplekken beschikbaar. Oftewel gemiddeld is 60% van de openbare parkeerplekken

35

beschikbaar en open voor gebruik. De 5 benodigde parkeerplaatsen kunnen in de openbare ruimte worden opgelost. 6.11.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking 6.12.1 (Wettelijk) kader Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.12.2 Onderzoek Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 12 woningen. Hiermee dient het in beginsel aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het besluitgebied kan wel worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied.

Indien een stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt en voorziet in een behoefte dan is voldaan aan de Ladder (ABRvS 20 januari 2016; ECLI:NL:RVS:2016:125). Het initiatief voorziet in de behoefte van betaalbare woningen (betaalbare koop - hoog) in de gemeente Duiven. Om die reden wordt automatisch voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking en kan nadere toetsing achterwege blijven. Wel dient de behoefte aan de woningen te worden aangetoond. Zie hiervoor paragrafen 5.3 en 5.5. 6.12.3 Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt:

36

Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld.

Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld. 6.13.2 Onderzoek Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich op de realisatie van twaalf nieuwe woningen in de vorm van appartementen in een woongebouw binnen een (stedelijke) omgeving waar de functie 'wonen' ook veel aanwezig is. Daarbij worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is echter tevens passend binnen de functie wonen en een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn. 6.13.3 Conclusie Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Onderzoek Gelet op de aard en schaal van het voorgenomen initiatief in het projectgebied zullen er geen aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving in het projectgebied en in de directe omgeving.

37

6.14.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

38

Hoofdstuk 7 7.1

Beperkingengebieden

Algemeen

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.

7.2

Conclusie

Het projectgebied ligt niet in een beperkingengebied. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

39

Hoofdstuk 8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid

8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De gemeente hoeft geen belangrijke voorinversteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de projectontwikkelaar. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar. 8.1.2

Kostenverhaal

Voorliggend project betreft een particulier initiatief dat op particulier grondeigendom plaatsvindt. Met initiatief zijn geen kosten voor de gemeente gemoeid, anders dan kosten die op basis van de gemeentelijke legesverordening in rekening zullen worden gebracht. Daarnaast wordt met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten om eventuele nadeelcompensatie te kunnen verhalen op de initiatiefnemer. Het initiatief betreft geen ontwikkeling die exploitatieplanplichtig is. 8.1.3

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het college maakt een omgevingsvergunning waarop volgens de reguliere procedure is beslist, bekend door toezending of uitreiking van het besluit aan de aanvrager. Het besluit treedt een dag na bekendmaking (reguliere procedure) in werking (artikel 16.79, eerste lid, onder a en b, van de Ow). Een verzoek om een voorlopige voorziening schort de termijn van vier weken op tot de rechter op het verzoek heeft beslist (artikel 16.79, vierde lid, Ow). Als inwerkingtreding van de vergunning spoedeisend is, kan opschorting buiten toepassing worden verklaard (artikel 16.79, vijfde lid, van de Ow).

40

Hoofdstuk 9

Conclusie

In voorgaande hoofdstukken is de functiewijziging van een kantoorpand op het perceel Scheefkelk 2 te Duiven besproken. In voorliggende motivering is een toets naar relevante beleids-, milieu- en omgevingsaspecten uitgevoerd. In dit hoofdstuk worden hier de voornaamste conclusies uitgetrokken. Voorliggend initiatief betreft de omvorming van een kantoorpand naar twaalf appartementen binnen de bestaande bebouwing van het complex. De transformatie voorkomt leegstand en aantasting van de sociale en economische vitaliteit van het gebied. Bovendien blijkt uit de toetsing aan de verschillende milieu- en haalbaarheidsaspecten dat er voldaan wordt aan de wet- en regelgeving voor wat betreft de diverse aspecten en er geen nadelige effecten op de bestaande situatie in en in de omgeving van het projectgebied te verwachten zijn. Het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=55f05e1f-64b9-4446-a6da-dbc3303cdfda