16. 201726831-Bijlage 11 bij de motivering - M.e.r.-beoordelingsnotitie
Tekst van het document
Sportpark Horsterstraat mer - beoordelingsnotitie - gemeente Duiven
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:
Sportpark Horsterstraat
Datum:
31 maart 2026
Projectnummer Buro SRO:
44.10.34
Opdrachtgever:
Gemeente Duiven
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:
Dhr. L. Arends
Bezoekadres vestiging Arnhem:
Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem
Telefoon:
026 - 35 23 125
E-mail:
arnhem@buro-sro.nl
Internet:
www.buro-sro.nl
2
Sportpark Horsterstraat
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging plangebied
5
1.3
Leeswijzer
5
Hoofdstuk 2
Wettelijk kader
6
2.1
Algemeen
6
2.2
Toetsing mer-beoordelingsplicht
7
2.3
Algemeen beoordelingskader
7
Hoofdstuk 3
Beschrijving potentiële effecten
9
3.1
Algemeen
9
3.2
Bodemkwaliteit
9
3.3
Luchtkwaliteit
9
3.4
Geluidhinder
9
3.5
Externe veiligheid
9
3.6
Milieuzonering
9
3.7
Water
10
3.8
Ecologische waarden
10
3.9
Cultuurhistorische en archeologische waarden
11
Hoofdstuk 4
M.e.r.-beoordeling
12
4.1
Beoordeling
12
4.2
Conclusie
12
Sportpark Horsterstraat
3
4
Sportpark Horsterstraat
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het bestaande sportpark in het noorden van Westervoort wordt verplaatst naar een locatie tussen de Horsterstraat en De Smidse in gemeente Duiven. Voor deze ontwikkeling wordt een wijziging omgevingsplan opgesteld. Het besluit betreft een niet-kaderstellend plan. Dit plan betreft de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject en valt daarmee onder nummer J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor een plan dat voorziet in aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt een mer-beoordelingsplicht. In het kader van de Omgevingswet dient te worden beoordeeld of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Voorliggende merbeoordelingsnotitie beschrijft de effecten van de ontwikkeling op het milieu en geeft aan of er aanzienlijke milieueffecten op (kunnen) treden.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen tussen Westervoort en sportpark Duiven, ter plaatse van huidige landbouwgrond binnen de gemeente Duiven. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)
1.3
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het wettelijk kader gegeven en wordt het plan getoetst aan het Omgevingsbesluit. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de mogelijke effecten van de ontwikkeling op het milieu beschreven. In hoofdstuk 4 is vervolgens de mer-beoordeling opgenomen.
Sportpark Horsterstraat
5
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Algemeen
Voor activiteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (mer) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken op basis van de Omgevingswet. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De mer onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een project en (milieuvriendelijker) alternatieven. De mer is wettelijk verankerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. Naast de Omgevingswet is het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11 en bijlage V) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een project de mer-procedure moet worden doorlopen. Voor een plan of project kan een mer-plicht bestaan waardoor een MER opgesteld moet worden. In bepaalde gevallen kan een merbeoordeling worden uitgevoerd, waarmee wordt getoetst of er bij het plan of project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Als hieruit blijkt dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten is er geen mer nodig en hoeft er geen MER te worden gemaakt. Zijn aanzienlijke milieueffecten niet uitgesloten, volgt een mer en moet een MER worden gemaakt. Directe merplicht In de volgende situaties is sprake van een directe mer-plicht: 1. Het besluit betreft een plan of programma dat kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal voor andere instrumenten per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Een plan of programma is kaderstellend als het criteria of modaliteiten bevat voor de goedkeuring of uitvoering van projecten door het bevoegd gezag, dat uiteindelijk toestemming moet geven voor een project. Bijvoorbeeld criteria voor de locatie, de omvang of de wijze van uitvoering. De inhoud van een plan of programma bepaalt dus deels of er een mer-plicht is. Een omgevingsplan is bijvoorbeeld kaderstellend als het omgevingsplan voor een bijlage V-project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (opa) voorschrijft. 2. Voor het plan of programma is een passende beoordeling voor natuur nodig. Er zijn een aantal gevallen waarvoor de mer-plicht niet geldt en in plaats van een plan-mer een planmer-beoordeling mag worden opgesteld: 1.
Als het plan kaderstellend is voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar die projecten niet in kolom 1 van bijlage V Omgevingsbesluit staan.
6
Sportpark Horsterstraat
2. Als het plan kaderstellend is voor projecten die wel in bijlage V Omgevingsbesluit staan, maar niet uitkomen boven de drempel van kolom 2. Een plan-mer-beoordeling is dan mogelijk als: a) het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft of b) als het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau, waarbij een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Een klein gebied op lokaal niveau is een gebied dat vergeleken met het grondgebied van de gemeente klein is. Een mer-plicht kan dus ontstaan alleen op grond van het feit dat er een passende beoordeling moet worden gemaakt, ongeacht de uitkomst daarvan. Dit kan ertoe leiden dat een milieueffectrapportage gemaakt moet worden voor een plan waarvan uit een voorafgaande passende beoordeling al is gebleken dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een mer-beoordeling, ook als een passende beoordeling nodig is. Het plan of programma moet dan wel aan de andere voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de passende beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook anderszins geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een MER niet verplicht.
2.2
Toetsing mer-beoordelingsplicht
Is geen sprake van een directe mer-plicht, dan dient gekeken te worden of conform Bijlage V van het Omgevingsbesluit sprake is van een mer-(beoordelings)plicht. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 het betreffende besluit staat dat wordt genomen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. -
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'merplicht'.
-
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'merbeoordelingsplicht'.
2.3
Algemeen beoordelingskader
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' dient bij de beoordeling van de milieueffecten ingegaan te worden op: •
Kenmerken van het project. Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.
•
Plaats van het project. De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het
Sportpark Horsterstraat
7
gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. •
Kenmerken van de potentiële effecten. De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.
8
Sportpark Horsterstraat
Hoofdstuk 3 3.1
Beschrijving potentiële effecten
Algemeen
Om het plan te beoordelen zoals de wijziging van het omgevingsplan dat mogelijk maakt, wordt in lijn met het kader als beschreven in par. 2.3 in deze paragraaf ingegaan op de verschillende milieuaspecten die van belang zijn voor de mer-beoordeling.
3.2
Bodemkwaliteit
Het plan maakt geen functies mogelijk die een potentieel risico voor de bodemkwaliteit ter plaatse en/of de omgeving kan vormen. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden zal conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit gewerkt worden waarmee alleen grond met de juiste milieuhygiënische kwaliteit wordt gebruikt. Negatieve effecten op de bodemkwaliteit als gevolg van het plan zijn dan ook uit te sluiten.
3.3
Luchtkwaliteit
Voor het plan is onderzoek naar de luchtkwaliteit in een memo gerapporteerd, welke is opgenomen als bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan. Hierin is beoordeeld dat er met het gebruik van het nieuwe sportpark geen sprake is van een in betekenende mate bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
3.4
Geluidhinder
Het plangebied wordt ontsloten via De Smidse. Vervolgens rijdt verkeer over een bedrijventerrein naar grotere wegen, waar het zich vermengd met bestaand verkeer. De extra verkeersbewegingen leiden niet tot geluidhinder voor geluidgevoelige functies in de omgeving.
3.5
Omgevingsveiligheid
Het plan maakt geen risicobronnen mogelijk die extra risico op rampen/ongevallen voor de omgeving met zich mee kunnen brengen.
3.6
Milieuzonering
Met het bestemmingsplan wordt het oprichten van milieubelastende activiteiten volgens het Bal mogelijk gemaakt (veldsportcomplex (met verlichting) en autoparkeerterrein). Hiervoor is in het kader van de wijziging van het omgevingsplan een quick scan milieuzonering opgesteld. Hieruit blijkt dat aan de richtafstanden voor een rustige woonwijk kan worden voldaan. Voor padelbanen wordt geconcludeerd dat deze in een rustige woonwijk een invloedsgebied van 200 meter hebben. In het plan is geregeld dat padelbanen alleen op een afstand van meer dan 200 meter van gevoelige functies mogelijk zijn.
Sportpark Horsterstraat
9
3.7
Water
Omliggende watergangen blijven met voorliggend plan gehandhaafd. Hemelwater wordt binnen het plan geborgen en via het bestaande watersysteem vertraagd afgevoerd. Hiervoor wordt voldoende groen aangelegd rondom de sportvelden, waar het water kan infiltreren. Op basis van voorstaande kan geconcludeerd worden dat het effect van het plan op de waterhuishouding beperkt is.
3.8
Ecologische waarden
Gebiedsbescherming Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer. Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat op basis van de voortoets (bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan) negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten. Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden. Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden.
Deze emissies vervallen met de beoogde ontwikkeling. De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.
10
Sportpark Horsterstraat
Voor het voorliggend plan zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Soortenbescherming Verder onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid in het plangebied van de bunzing, wezel, hermelijn, steenmarter, steenuil, kerkuil en teunisbloempijlstaart te bepalen. Echter zijn er als gevolg van het initiatief geen wezenlijke effecten op beschermde soorten in de omgeving of het plangebied te verwachten. Op dit moment is er voor de uitvoering van het plan geen vergunning noodzakelijk. In een latere fase kan de noodzaak voor een vergunning ontstaan, maar uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat, met de juiste maatregelen, deze te verkrijgen is. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn dan ook uit te sluiten.
3.9
Cultuurhistorische en archeologische waarden
In de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten en/of gebieden aanwezig waar het plan een effect op kan hebben. Tevens is het plangebied niet gesitueerd binnen belangrijk archeologisch gebied.
Sportpark Horsterstraat
11
Hoofdstuk 4 4.1
mer - beoordeling
Beoordeling
Op basis van de beoordeling van de verschillende haalbaarheidsaspecten in relatie tot dit plan zoals opgenomen in de voorgaande paragraaf, kan een conclusie worden getrokken over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Kenmerken van het project Het betreft een plan met een beperkte omvang. Dit gezien de schaal en oppervlakte van het plan in relatie tot de omvang van de plaats en de gemeente Westervoort. Het plan wordt uitgevoerd in samenhang met twee andere plannen ten behoeve van de gebiedsontwikkeling van Westervoort Noord. Echter is er gezien de afstand tussen de plangebieden en de omvang van de plannen geen sprake van cumulatieve negatieve effecten. In het plangebied zijn geen natuurlijke hulpbronnen aanwezig die door het plan beperkt of aangetast worden. Het plan leidt enkel bedrijfsafval vanuit het sportcomplex. Het produceren van bijzondere afvalstoffen die kunnen leiden tot een milieueffect is niet aan de orde, dit geldt ook voor verontreinigingen en hinder zoals deze in hoofdstuk 3 zijn behandeld. Ook is er gezien de aard van het plan geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid omdat het plan het gebruik van risicovolle stoffen en/of technologieën niet mogelijk maakt. Plaats van het project Op dit moment wordt het plangebied gebruikt als akkerland.
Het gehele plangebied wordt intensief gebruikt en/of beheerd. Er is geen sprake van bestaande natuurlijke hulpbronnen in het plangebied die worden aangetast. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 ligt het plangebied buiten gebieden met gevoelige ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of archeologische waarden. Kenmerken van de potentiële effecten Met het plan wordt een sportpark mogelijk gemaakt, deze wordt voor permanent gebruik gerealiseerd en is niet van tijdelijke aard. Het betreft een functie met een zeer beperkte uitstraling naar de omgeving. Zoals uit hoofdstuk 3 blijkt hebben deze functies geen negatief effect op het milieu en de aanwezige waarden in het gebied en de omgeving. Uit het uitgevoerde stikstofonderzoek blijkt dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofuitstoot uitgesloten kunnen worden. Gelet op voorstaande zijn aanzienlijke milieueffecten niet aan de orde.
4.2
Conclusie
Uit het voorgaande beoordeling blijkt dat het plan een beperkte omvang heeft, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden.
12
Sportpark Horsterstraat
Het opstellen van een passende beoordeling kan leiden tot een m.e.r.-plicht. In dit geval is een passende beoordeling opgesteld. Onder de voorwaarden van artikel 16.36 van de Omgevingswet kan echter worden afgezien van het opstellen van een MER en worden volstaan met een plan-mer-beoordeling. De voorwaarden zijn dat het moet gaan om een relatief klein gebied op lokaal niveau, waarbij een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is én dat zich geen aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het plan mogen voordoen. Uit het voorgaande beoordeling blijkt dat het plan niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De gemeente is bevoegd gezag voor de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. Over de vraag of sprake is van een klein gebied heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) in twee uitspraken overwogen dat als een plangebied van een bestemmingsplan (nu wijziging omgevingsplan) niet meer dan 1% van het grondgebied van de gemeente omvat, dat dan sprake is van een klein gebied (zie ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910 (N65) en 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183). In dit geval beslaat het plangebied minder dan 1% van het grondgebied van de gemeente Duiven. Op basis hiervan wordt vastgesteld dat sprake is van een klein gebied.
Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 16.36 van de Omgevingswet en wordt geconcludeerd dat verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit niet nodig is: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
Sportpark Horsterstraat
13
14
Sportpark Horsterstraat
Sportpark Horsterstraat
15
16
Sportpark Horsterstraat