CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

15. 201651711-Bijlage 9 - Nader natuuronderzoek

Raadsavond 23 april 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Graafstaete II4.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek Wet natuurbescherming

Duiven, Graafstaete

Gemeente Duiven

Datum: 13 oktober 2023 Projectnummer: 220237.02

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product

3 3 6 7

2

Wettelijk kader

8

2.1 2.2 2.3

Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing

8 9 9

3

Ecologie van soorten

11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Steenuil Ransuil Havik Buizerd Sperwer Boomvalk

11 11 11 11 12 12

4

Onderzoekmethodiek

13

4.1 4.2 4.3

Steenuil Ransuil Havik, buizerd, sperwer en boomvalk

13 14 16

5

Resultaten en effectbeoordeling

17

5.1 5.2 5.3 5.4

Steenuil Ransuil Buizerd Havik, sperwer en boomvalk

17 17 18 18

6

Conclusie en advies

19

6.1 6.2 6.3

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen

19 19 19

Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gemeente Duiven heeft het voornemen om het bedrijventerrein Graafstaete II uit te breiden. Deze uitbreiding vindt plaats op de locatie Engsestraat/Meerstraat te Duiven. Op dit perceel bevindt zich nu agrarische grond. De uitbreiding van het bedrijventerrein is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Hiervoor moet dan ook een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2022) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van steenuil, ransuil, buizerd, havik, sperwer, boomvalk en ransuil niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soorten uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn.

Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Duiven en aan de rand van het bedrijventerrein Graafstaete (gemeente Duiven, provincie Gelderland). De omgeving van Duiven kenmerkt zich door de aanwezigheid van agrarische gronden. In de nabijheid liggen de IJssel, de Oude Rijn en de Nederrijn. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van bedrijven en agrarisch gebied. Ten noorden, oosten en zuiden zijn de bedrijven aanwezig en ten westen bevindt zich open agrarisch gebied. Aan de noordzijde loopt de Meerstraat en aan de westzijde de Engstraat. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 21 augustus 2022 zijn tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur (SAB, 2022) navolgende foto’s gemaakt. Deze geven een impressie van het plangebied.

4

Impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek van de quick scan natuur van 21 augustus 2022.

1.2.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal er binnen het plangebied een bedrijventerrein zijn gerealiseerd. Het bedrijventerrein zal in het noordelijke deel van het plangebied gerealiseerd worden. Langs alle wegen zal een bomenrij aangeplant worden. Ter plaatse van de westelijke plangrens is geen bomenrij maar een houtwal beoogd. Verder blijft het gebied bij de Eng onbebouwd. Hier wordt ruimte geboden voor openbaar groen waarvan de exacte inrichting nog nader wordt bepaald en uitgewerkt met belanghebbenden. Zie navolgende afbeelding voor de toekomstige situatie:

5

Stedenbouwkundig plan Graafstaete II. Het zuidoostelijke deel zal mogelijk nog met enig groen ingericht worden.

1.3

Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: − Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). − Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. − Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.

Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus;

6

4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. − Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.

1.4

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.

7

2

Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.

2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

8

2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en

9

habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).

10

3 3.1

Ecologie van soorten Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017).

3.2

Ransuil Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen. De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (www.sovon.nl, www.vogelbescherming.nl).

3.3

Havik De havik komt voornamelijk voor in naald- en loofbos en kan een territorium levenslang bezetten. Ook moerasbos en parken worden gebruikt. Door onderlinge concurrentie en voedselgebrek in bosgebieden worden ook steeds vaker dieren in groengebieden rond de stad aangetroffen. De havik maakt (meestal) zelf een nest hoog in de kroon van een boom welke vaak jarenlang achtereen wordt gebruikt. Soms wordt een nest van een andere roofvogel opgelapt. Meestal worden naaldbomen maar soms ook loofbomen gebruikt. De broedtijd loopt van eind maart tot begin juli (SOVON, 2002, www.vogelbescherming.nl). De broedtijd van deze soort is van eind februari tot eind juli, met een legpiek van eind maart tot eind april. (www.sovon.nl, www.vogelbescherming.nl).

3.4

Buizerd De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste gevallen gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verdedigd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (www.sovon.nl).

11

3.5

Sperwer De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen. De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen. Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen. De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (www.sovon.nl).

3.6

Boomvalk De boomvalk is een schaarse broedvogel die leeft in open landschappen, meestal met water in de buurt. De boomvalk broedde oorspronkelijk veel in heiden, bossen en bosranden op zandgrond. Tegenwoordig broedt zij echter meer in open agrarische landschappen en aan de rand van steden. Ook in gebieden die rijk zijn aan menselijke verstoring zoals sport-, bedrijfsterreinen of langs snelwegen wordt door de boomvalk gebroed. Dit heeft deels te maken met een toenemende predatiedruk van havik in het oorspronkelijke broedgebied. De boomvalk gebruikt voornamelijk nesten van kraaien maar ook duiven of andere roofvogels om in te broeden en gedraagt zich in broedtijd onopvallend. Nesten kunnen in boomgroepen, vrijstaande bomen maar ook op hoogspanningsmasten zijn gelegen. De broedperiode is in mei-juni (www.sovon.nl, www.vogelbescherming.nl).

12

4

Onderzoekmethodiek

4.1

Steenuil

4.1.1

Territoriumonderzoek Het doel van territoriumonderzoek is om te bepalen waar in en in de omgeving van het plangebied territoria van steenuilen aanwezig zijn. Het onderzoeksgebied bestaat in dit geval uit het plangebied en het gebied van 300 meter hieromheen, zie navolgende afbeelding. Op deze manier wordt ook duidelijk waar de territoria van de steenuilen in de omgeving van het plangebied liggen. Zo wordt duidelijk hoe de situatie van het plangebied zich tot de omgeving verhoudt. Ook wordt zo duidelijk of, wanneer er steenuilen aanwezig zijn in het plangebied, er eventueel uitwijkmogelijkheden zijn voor deze uilen in de omgeving.

Plangebied (rood kader) en looproutes (geel) binnen het onderzoeksgebied (blauw kader) van de steenuil.

Het plangebied zelf is in zijn geheel onderzocht. Daarnaast is het onderzoeksgebied buiten het plangebied onderzocht vanaf de openbare weg. Het territoriumonderzoek is uitgevoerd conform het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (2017), in de periode februari tot en met april. Het onderzoek bestond uit drie veldbezoeken, waarbij minimaal een maand tussenperiode zit tussen het eerste en het laatste veldbezoek. Elk veldbezoek werd uitgevoerd door twee ecologen. Tijdens de

13

veldbezoeken zijn vanaf minimaal een half uur na zonsondergang of vanaf 1,5 uur voor zonsopkomst gedurende circa twee uur territoriumroepen en sociale roepen van steenuilen genoteerd. Om dergelijke roepjes van de steenuil uit te lokken werden tijdens deze avondbezoeken ook de territoriumroep van het mannetje op verschillende locaties afgespeeld. Elk roepend mannetje vertegenwoordigt een territorium. In navolgende tabel is weergegeven wanneer de veldbezoeken zijn uitgevoerd en onder welke weersomstandigheden. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl. Tabel met onderzoeksgegevens. De zonsondergang en zonsopkomst zijn van belang, omdat volgens het protocol het veldbezoek pas een half uur na zonsondergang of vanaf 1,5 uur voor zonsopkomst mag starten. Ook moet het goed weer zijn, zonder neerslag en geen harde wind (maximaal windkracht 3 Bft). Daarom is ook de windkracht en neerslag opgenomen.

4.1.2

Datum

Zon onder

Zonsopkomst

Tijd (start)

Tijd (eind)

08-02-2023

17:35

08:05

06:00

08:00

Temperatuur (°C) 4

28-02-2023

18:12

07:25

18:45

20:45

21-03-2023

18:49

06:38

19:20

21:20

Wind Neerslag (Bft) 1

Geen

Onderzoeksomstandigheden Goed

3

1

Geen

Goed

11

1

Geen

Goed

Informatie van lokale vogelwerkgroep Voor dit onderzoek is contact gezocht met de lokale steenuilenwerkgroep. Deze hebben een mail ontvangen met de vraag of ze weet hebben van steenuilen in het plangebied of in de omgeving.

4.1.3

Sporenonderzoek Op 25 juni 2023 is door twee veldwerkers sporenonderzoek naar de steenuil verricht. Dit sporenonderzoek heeft in het gehele plangebied plaatsgevonden. Daarnaast is met name onderzoek uitgevoerd rondom geschikte plekken voor de steenuil. Het doel van dit onderzoek is om een inschatting te maken van het gebruik van de steenuil van het plangebied. Er werd voornamelijk gelet op de aanwezigheid van steenuilen zelf, een nest, braakballen en poepsporen (krijtstrepen).

4.2

Ransuil Tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur (2022) is een nest vastgesteld net ten zuiden van het plangebied die in potentie geschikt is voor de ransuil. Zie navolgende afbeeldingen. Derhalve heeft hier nader onderzoek naar plaatsgevonden. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de SOVON telrichtlijn, waarbij verspreid over de periode februari tot en met juli drie bezoeken worden gebracht in de nacht. Twee personen lopen dan één à twee uur rond in het gebied, met name rond de vastgestelde nesten. Daarbij wordt gelet op de aanwezigheid van ransuilen op basis van geluid (in het voorjaar baltsroep en in de zomer met name bedelende jongen) en met behulp van warmtecamera’s. De veldbezoeken zijn bij geschikt weer (geen neerslag en maximaal windkracht 4) uitgevoerd op: 14

− 28 februari 2023, 18:45 – 20:45 uur − 21 maart 2023, 19:30 – 21:30 uur − 25 juni 2023, 21:59 – 22:59 uur

Aanwezig nest in naaldboom net buiten plangebied. Deze is in potentie geschikt voor de ransuil, havik, buizerd, sperwer en boomvalk.

15

Aanwezig nest (ster) net ten zuiden van plangebied (groen).

4.3

Havik, buizerd, sperwer en boomvalk Tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur is een nest vastgesteld ten oosten van het plangebied die in potentie geschikt is voor de havik, buizerd, sperwer en boomvalk. Derhalve is hier aanvullend onderzoek naar verricht. Voor onderzoek naar deze soorten zijn geen onderzoeksprotocollen opgesteld. De uitvoering van het nader onderzoek is gebaseerd op de SOVON-telrichtlijn. Het bestaat uit het tijdens de broedtijd controleren van de aanwezige nesten. De onderzoekperiode voor de havik, buizerd, sperwer en boomvalk lopen respectievelijk van eind maart tot mei, maart tot half mei, maart tot half juli en mei t/m augustus. De veldbezoeken zullen zo ingedeeld worden dat voor elke soort ten minste twee veldbezoeken in de ideale periode uitgevoerd worden. Er zijn vier veldbezoeken geweest waarbij twee personen rondlopen in het plangebied voor minimaal twee uur gedurende de meest geschikte periode. Hierbij is gezocht naar aanwezigheid van individuen, nestindicerend gedrag en/of sporen rond de nestbomen van de betreffende soorten op basis van zicht (met verrekijker) en geluid. Zo kan worden vastgesteld of er nestlocaties van deze soorten in het plangebied aanwezig zijn. De veldbezoeken zijn bij geschikt weer (geen neerslag en maximaal windkracht 4) uitgevoerd op: − 21 maart 2023 − 28 maart 2023 − 5 april 2023 − 17 mei 2023

16

5

Resultaten en effectbeoordeling

5.1

Steenuil

5.1.1

Resultaten

5.1.1.1

Territioriumonderzoek Gedurende geen van de veldbezoeken zijn er waarnemingen gedaan van de steenuil in het betreffende onderzoeksgebied. Er zijn geen individuen waargenomen en er zijn geen sociale of territoriale roepjes waargenomen.

5.1.1.2

Informatie van lokale vogelwerkgroep Er is geen reactie ontvangen op de mail van de lokale steenuilenwerkgroep.

5.1.1.3

Sporenonderzoek Tijdens het sporenonderzoek zijn in het plangebied geen sporen van de steenuil aangetroffen.

5.1.2

Effectenbeoordeling Uit de resultaten blijkt dat er geen steenuilen of steenuilenterritoria binnen (de omgeving van) het plangebied aanwezig zijn. Deze soort ondervindt derhalve geen negatief effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling.

5.2

Ransuil

5.2.1

Resultaten Tijdens de gerichte veldbezoeken van de ransuil zijn in zijn geheel geen ransuilen waargenomen. Daarnaast zijn bij de eerder vastgestelde nesten ook geen sporen gevonden die kunnen duiden op een nest dat in gebruik is door een ransuil.

5.2.2

Effectbeoordeling Omdat blijkens het onderzoek geen ransuilen in het plangebied zijn waargenomen, kan gesteld worden dat geen essentiële elementen zoals een nestplaats in het plangebied aanwezig zijn en dat het plangebied ook geen essentieel jachtgebied van de ransuil is. Eventuele sporadische aanwezigheid van de ransuil in het plangebied kan met dergelijk onderzoek niet worden uitgesloten. Het plangebied is voor deze soort namelijk wel geschikt aangezien het voedsel van de ransuil voornamelijk bestaat uit veldmuizen en ze bij voorkeur jagen in grotendeels open terrein, wat in het plangebied aanwezig is. Het jachtgebied van de ransuil is circa 2-3 km2, echter is ook bekend dat ze grotere afstanden afleggen. Het plangebied is 0,05 km2 en derhalve een significant klein deel van mogelijk jachtgebied van de ransuil. Omdat de rol van het plangebied voor de ransuil hoogstens maar klein is, is hoe dan ook geen sprake van een significant negatief effect.

17

5.3

Buizerd

5.3.1

Resultaten Tijdens de vier veldbezoeken is in het plangebied een keer een buizerd waargenomen op 17 mei 2023. Bij het eerder vastgestelde nest zijn geen sporen gevonden of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een nest dat in gebruik is door een buizerd.

5.3.2

Effectbeoordeling Blijkens het onderzoek is geen nestplaats van de buizerd in of rond het plangebied aanwezig. De buizerd gebruikt het plangebied mogelijk wel als foerageergebied. Het voedsel van de buizerd bestaat voornamelijk uit muizen en andere kleine knaagdieren. Het plangebied is geschikt foerageergebied voor de buizerd. Het voedselaanbod zal door de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied mogelijk iets afnemen, maar aangezien de buizerd gebruik maakt van grotere jachtterritoria, namelijk enkele kilometers tot het nest, is er met enkel de ontwikkeling van dit plangebied geen sprake van een significante afname van leefgebied van de buizerd. Derhalve zal met de geplande ruimtelijke ontwikkeling de functionaliteit van een mogelijke nestplaats van de buizerd buiten het plangebied niet verloren gaan.

5.4

Havik, sperwer en boomvalk Tijdens de vier veldbezoeken zijn in zijn geheel geen haviken, sperwers of boomvalken in de buurt van het nest waargenomen. Daarnaast zijn bij de eerder vastgestelde nesten ook geen sporen gevonden die kunnen duiden op een nest dat in gebruik is door deze soorten. Omdat blijkens het onderzoek deze soorten niet in het plangebied zijn waargenomen, kan gesteld worden dat geen essentiële elementen zoals een nestplaats in het plangebied aanwezig zijn en dat het plangebied ook geen essentieel jachtgebied van deze soorten is. Eventuele sporadische aanwezigheid van deze roofvogels in het plangebied, bijvoorbeeld foeragerend, kan met dergelijk onderzoek niet worden uitgesloten. Indien het plangebied als foerageergebied wordt gebruikt, kan het voedselaanbod door de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied mogelijk iets afnemen, maar aangezien roofvogels gebruik maken van grotere jachtterritoria en de grootte van het plangebied, namelijk 0,05 km2, is er met enkel de ontwikkeling van dit plangebied geen sprake van een significante afname van potentieel foerageergebied. Deze soorten ondervinden derhalve geen negatief effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling.

18

6 6.1

Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van steenuil, ransuil, havik, buizerd, sperwer en boomvalk. De steenuil, ransuil, havik, sperwer en boomvalk zijn tijdens het onderzoek niet vastgesteld in het plangebied en daarvan zijn dan ook geen essentiële elementen in het plangebied aanwezig. Daarom is met de geplande ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect op deze soorten te verwachten. Van een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is dan ook geen sprake. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing Wet natuurbescherming niet nodig. De buizerd is in (de directe omgeving van) het plangebied aanwezig, maar met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is geen negatief effect te verwachten. Omdat geen negatief effect te verwachten is, kan gesteld worden dat geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen zal zijn met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing Wet natuurbescherming niet nodig. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht.

6.2

Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen.

6.3

Vervolgstappen − Houd rekening met broedende vogels; − Houd rekening met de zorgplicht.

19

Geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis. Nyctalus noctula, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2022. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.0, juli 2022. BIJ12, Utrecht. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen overweg. Brochure Rijkswaterstaat en Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. SAB, 2017. Quick scan natuur. Zaandam, Mauvestraat 162. SAB, Arnhem. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584.

Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vleermuizenindestad.nl

20

www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=38873f25-2ec1-44fb-bee6-1e6c27d333c6