CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

14. 201590653 Bijlage bij toelichting 9 – Archeologisch onderzoek.pdf

Raadsavond 14 februari 2023, gemeente DuivenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Vitaal Centrum, IKC Remigius’ & vaststelling bestemmingsplan ‘Droopad 1’2.829 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Evaluatierapport Duiven-Centrumplan Johan van Kampen Reg. nr.: 28951220

1

Inleiding

Van maandag 11 tot en met woensdag 13 april heeftVUhbs archeologie een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het centrum van Duiven. Het onderzoek vond plaats in het kader van een meerfasig ontwikkelingsplan, getiteld ‘Duiven-Centrumplan’. Voor de realisatie hiervan worden in de nabije toekomst op twee locaties grondroerende werkzaamheden ontplooid bij de uitvoering van de plannen. Om te bepalen in hoeverre hierbij archeologisch behoudenswaardige resten in het geding zouden zijn, is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. In totaal zijn 23 proefsleuven aangelegd. Acht hiervan waren gesitueerd op een terrein aan de Elsfhofstraat, in het centrumplan bekend onder de naam ‘Winkelhart’ en vijftien stuks zijn meer naar het oosten aangelegd langs het hier gelegen parkeerterrein aan de Kastanjelaan. Dit gebied wordt in het plan als ‘Woonpark’ aangeduid. Oorspronkelijk was voorzien in de aanleg van een 24-tal sleuven, maar omwille van de aanwezigheid van een groot aantal kabels, leidingen en bomen is het sleuvenplan, in overleg met de adviseur van de opdrachtgever, dhr. D. Bente, de vertegenwoordiger van het bevoegd gezag, mevr. Y. Visser en regioarcheoloog dhr. J. Habraken (adviseur van het bevoegd gezag), in zowel vorm als omvang aangepast naar de situatie.1 Het onderhavige evaluatierapport bespreekt kort de voorlopige resultaten.

Daarnaast worden de aangetroffen materiaalcategorien behandeld en wordt een voorstel gedaan voor de verdere uitwerking hiervan. Tot slot wordt ingegaan op de kosten en tijdsplanning voor het verdere onderzoek.

Fig. 1.1. Duiven – Centrumplan. Puttenplan geprojecteerd op de topografische kaart. Bron: Kadaster.

1

In het eindrapport worden de aanpassingen in detail beschreven.

2

Sporen en structuren

2.1

Algemeen

In totaal zijn in de 23 putten 255 spoornummers uitgedeel (tabel 2.1). Het gaat hierbij zowel om nummers die zijn uitgedeeld aan lagen (natuurlijk en antropogeen) als om nummers die zijn toegekend aan sporen. Hierbij gaat het zowel om archeologische sporen als sporen uit een recent verleden en om sporen met een natuurlijke oorsprong. In beide plangebieden zijn relevante sporen aangetroffen en hierbij kan gesproken worden van meerdere vindplaatsen. Deze worden hieronder per deelgebied behandeld. Wat opviel was de vrij grote mate van verstoring die, met name in het deelgebied Winkelhart, is waargenomen. Wanneer we het puttenplan op een luchtfoto uit 2010 plotten, wordt de mate van verstoring direct verklaard (fig. 2.1). De putten 1, 2, 4, 7 en 8 in het gebied Winkelhart en de putten 11 en 14 in het gebied Woonpark zijn gelegen ter hoogte van wat voormalige bebouwing. In deze putten is de bodem dan ook tot grote diepte geroerd. Tabel 2.1. Duiven – Centrumplan. Overzicht van het aantal uitgedeelde spoornummers per spoortype.

Fig. 2.1. Duiven – Centrumplan. Projectie van de aangelegde putten op een luchtfoto uit 2010. Bron: Topotijdreis.nl.

Fig. 2.2. Duiven – Centrumplan. Allesporenkaarten van de twee deelgebieden. Boven: Winkelhart; Rechts: Woonpark

2.2

Winkelhart

In de werkputten 3, 5 en 6, welke in het noordoostelijke deel van dit plangebied zijn aangelegd, zijn wel relevante archeologische resten aangetroffen. Het gaat hier in het geval van werkput 3 om een klein aantal kuilen, een drietal paalsporen en een greppeltje (fig. 2.3 a). Het materiaal dat uit deze put afkomstig is bestaat vrijwel uitsluitend uit Romeins aardewerk. Verondersteld wordt dan ook dat het hier Romeinse sporen betreft. Een stuk jonger lijken de resten die zijn aangetroffen in de werkputten 5 en 6, respectievelijk ten noorden en noordwesten van werkput 3. Hier lijkt sprake te zijn van een natuurlijke waterloop of ven (fig. 2.3 b en c). Deze is opgevuld met klei. Hierin zijn naast resten van riet en andere planten ook enkele scherven uit de latere fase (18de eeuw) van de Nieuwe Tijd aangetroffen. Wat de aard van het waterlichaam is, is nog niet duidelijk. Dit zal hopelijk blijken uit de analyse. Ook zal dan Fig. 2.3. Duiven – Centrumplan. Impressie van de sporen in duidelijk moeten worden in deelgebied Winkelhart. hoeverre het aangetroffen A sporen in werkput 3; B waterloop in het vlak van werkput 5; C waterlloop in profiel bij werkput 6. vondstmateriaal representatief is voor de datering van het spoor. Zoals gezegd was het zuidelijke en westelijke deel van het terrein ernstig verstoord.

Wel zijn hier plaatselijk nog resten van oorspronkelijke oeverafzettingen aangetroffen. Het gaat hierbij om hele kleine strookjes waarbij nog sprake is van een stukje oorspronkelijke bodemopbouw. Her en der zijn hierin wat indicatoren in de vorm van handgevormd aardewerk of houtskool gezien, maar er zijn geen aanwijzingen gezien voor sporen. Een uitzondering hierop wordt gevormd door werkput 8. Hier zijn twee onderkantjes van houtskoolrijke kuilen, vermoedelijk meilers, gezien. Een hiervan was alleen zichtbaar in de profielkolom. De ander lag grotendeels in het vlak. Dit spoor is gecoupeerd en bemonsterd. Voor alle sporen, met uitzondering van de waterloop of ven in de werkputten 5 en 6, geldt dat ze volledig gedocumenteerd en afgewerkt zijn.

2.3

Woonpark

Dit deelgebied valt door huidige begrenzingen in de vorm van een fietspad en wat bossages uiteen in twee gebieden. Merkwaardig genoeg is deze tweedeling ook archeologisch zichtbaar. In het zuidelijke deel zijn sporen en vondsten aangetroffen die voorlopig worden gedateerd in de late prehistorie of de (vroeg?) Romeinse tijd (fig 2.4 a). Het gaat hier met name om de zone rondom de werkputten 9, 10, 12 en 13. Hier zijn sporen aangetroffen, welke zijn ingegraven in het zand van het rivierduin waarop Duiven is gevestigd. Ook zijn ze ingegraven in het oudste pakket oeverafzettingen dat hieroverheen is afgezet. De sporen worden plaatselijk afgedekt door een cultuurlaag en verder door een tweede pakket oeverafzettingen. Dit lijkt op grond van het vondstmateriaal gedateerd te moeten worden in de 17de eeuw.

Fig. 2.4. Duiven – Centrumplan. Impressie van de situatie in deelgebied Woonpark. A spoor in werkput 12; B veronderstelde wandgreppel in werkput 17; C volmiddeleeuwse sporen in werkput 21.

In de noordelijke helft ontbreken aanwijzingen voor bewoning in de prehistorie of de Romeinse tijd vrijwel volledig. Enkel in de werkputten 16 en 17 zijn wat sporen in de vorm van losse paalkuiltjes en een mogelijke wandgreppel aangetroffen die tot deze periode gerekend kunnen worden (fig. 2.4 b). De overige sporen in het plangebied behoren toe aan een vrij goed geconserveerd(e) erf of nederzetting uit de Volle Middeleeuwen (fig. 2.4 c). Er lijkt in ieder geval sprake te zijn van meerdere bewoningsfasen in deze perioden. Dit blijkt niet alleen uit de verschillende oversnijdende sporen, maar ook uit een drietal greppels die op schuin richting de sporen van een verondersteld huis aanlopen (fig. 2.5). Het lijkt niet waarschijnlijk dat de greppels en het huis gelijktijdig hebben gefunctioneerd, daar ze te dicht op elkaar liggen. Vooralsnog wordt verondersteld dat de bewoning in de prehistorie zich verder uitstrekte op de flanken van het duin. In een latere fase is een deel van deze sporen mogelijk verdwenen op het moment dat er jongere oeverpaketten worden afgezet. Daarnaast zullen de activiteiten in de Volle Middeleeuwen en later ook een (groot) deel van deze nederzetting hebben vergraven. Opmerkelijk is echter dat vondsten uit de prehistorie of de Romeinse tijd in het noordelijke deel, met uizondering van de twee genoemde putten, ook niet zijn waargenomen.

Bij een vergraven nederzetting had dit wel verwacht mogen worden. Wellicht betekent het dat de intensiteit van de vroegere bewoning zich toch concentreerde op het lagere deel. Dit past echter niet goed in het beeld van Merovingische, Romeinse en oudere vondsten hoger op het duin. Zeker is in ieder geval dat het duin in noordwestelijke richting oploopt. Dit blijkt ook uit de diepte ligging van het archeologisch vlak dat in deze richting steeds hoger kwam te liggen. Fig. 2.5. Duiven – Centrumplan. Hypothetische situatie in het deelgebied Woonpark. Hierop is de locatie van het veronderstelde huis en de richting van de verschillende greppels weergegeven.

3

Vondsten

3.1

Algemeen

Het onderzoek heeft in totaal 240 vondsten opgeleverd met een gezamenlijk gewicht van iets meer dan 4.5 kg (tabel 3.1). Naast de vondsten is ook een viertal monsters genomen uit sporen die om verschillende redenen kansrijk leken. In de volgende paragrafen worden de verschillende vondstcategorieen besproken en wordt een voorstel gedaan voor de verdere uitwerking en de deponering hiervan.

Tabel 3.1. Duiven – Centrumplan. Vondstoverzicht van het aantal en gewicht per materiaalcategorie.

3.2

Keramisch materiaal

Onder deze noemer wordt zowel het aardewerk, de kleipijpfragmenten als het grafkeramische materiaal gevat. Dit materiaal komt in dit geval volledig in aanmerking voor uitwerking en deponering. Dit vanwege het feit dat het materiaal ofwel afkomstig is uit archeologisch relevante sporen ofwel is aangetroffen in lagen waarvan wordt aangenomen dat ze in relatie staan tot de sporen die hierin en hieronder zijn aangetroffen. Om tot een duidelijke waardestelling te komen is het dan ook relevant om dit materiaal mee te nemem in de uitwerking. Analyse: 146 stuks Deponering 146 stuks

3.3

Bot

Opvallend is dat het dierlijk bot, ondanks de zandige matrix van de ondergrond vrij goed geconserveerd is. Het bot bestaat dan ook uit grote en of goed determineerbare fragmenten. Dit komt dan ook volledig in aanmerking voor analyse en deponering. Een deel van het bot is afkomstig uit het waterlichaam en kan mogelijk helpen bij de duiding hiervan. Analyse: 52 stuks Deponering 52 stuks

3.4

Metaal

3.4.1

Ferro

Metaal is onder te verdelen in ferro (ijzer) en non-ferro (overig metaal). Deze onderverdeling is gestoeld op een verschil in behandeling voor conservering. In totaal zijn zeven stuks ijzer aangetroffen tijdens het veldwerk. Vijf hiervan komen mogelijk in aanmerking voor analyse. V12 is aangetroffen in de vulling van de mogelijke waterloop in het deelgebied Winkelhart en de vondsten 45 (2 stuks), 53 en 78 zijn afkomstig van de volmiddeleeuwse nederzetting. De vondsten komen alle in aanmerking voor een rontgenfoto ten einde te bepalen wat voor object het betreft. Het is echter sneller om het materiaal globaal schoon te laten maken door onze conservator om zo te bepalen of het gaat om materiaal dat in aanmerking komt voor analyse, conservering en deponering. Dit kan geschieden voor dezelfde prijs als het maken van een rontgenfoto. Voor nu wordt uitgegaan van een maximaal aantal te conserveren en te analyseren ijzervondsten van vijf stuks. Mocht na het schoonmaken blijken dat er minder vondsten in aanmerking komen voor analyse, conservering en deponering, zullen de opgevoerde bedragen voor conservering en deponering niet in rekening worden gebracht. Tevens zal het aanvullende deselectievoorstel aan de depothouder worden voorgelegd. Voor de te analyseren vondsten wordt voorgesteld deze af te beelden door middel van een foto.

Naast deze vijf vondsten zijn ook twee niet-behoudenswaardige ijzervondsten aangetroffen. Het gaat om een druppel van ijzer, waarschijnlijk een slak (V52) en een spijkerfragment (V67). Voor deze vondsten wordt voorgesteld ze te deselecteren voor analyse en deponering. Schoonmaken/Rontgen: 5 stuks Conservering: max. 5 stuks Analyse: max. 5 stuks Foto: max 5 stuks Deponering: max. 5 stuks Deselectie deponering: min 2 stuks 3.4.2

Non-ferro

Het aantal non-ferro vondsten overstijgt het aantal ijzervondsten met één stuk. Vijf van deze vondsten bestaan uit lood, waarvan er vier niet in aanmerking komen voor verdere analyse of conservering. Het betreft een loden musketkogel (V11) uit een vullingslaag (S5) uit de mogelijke waterloop in werkput 5 en een drietal loden stripjes (V33, 85 en 90). Deze laatse zijn aangetroffen in het oostelijke deelgebied Woonpark. Deze vondsten hebben geen meerwaarde voor het onderzoek. Dit geldt mogelijk wel voor een loden objectje (V51)dat wat aan een gewicht doet denken, maar erg onregelmatig is van vorm. Dit is afkomstig uit een middeleeuwse laag in werkput 22. De overige drie objecten zijn van brons. Het gaat om een bronsdruppel (V54) uit werkput 19. Hoewel deze vondst is aangetroffen in een archeologisch relevant spoor is de waarde hiervan voor de vindplaats nihil. Voorgesteld wordt dan ook om deze vondst niet verder te behandelen of te deponeren. De overige twee vondsten, een tapkraan uit de 17de eeuw (V31), en een nog onbekend bronzen objectje (V75) komen wel in aanmerking voor verdere analyse, conservering en deponering. Ook wordt voorgesteld de vondsten visueel te ontsluiten middels een foto. Conservering: 3 stuks Analyse: 3 stuks Foto: 3 stuks Deponering: 3 stuks Deselectie deponering: 5 stuks

3.5

Natuur- en vuursteen

Het onderzoek heeft een 26-tal natuursteenvondsten opgeleverd. Het gaat hierbij in hoofdzaak om fragmenten tefriet uit verschillende sporen. Ook zijn er enkele andere steensoorten gezien. Voor deze

stukken geldt dat ze wat hoekig zijn, hetgeen mogelijk het gevolg is van menselijk handelen. Daarbij staan ze omwille van de vondstcontext in directe relatie tot de aangetroffen vindplaatsen. Vier vondstnummers (V26, 37, 65 en 91)bevatten kiezels. Deze zijn waarschijnlijk afkomstig uit het sediement dat nog aan het aardewerk of botmateriaal kleefde ten tijde van de vondstverwerking. In totaal gaat het om vier vondsten. Aanbevolen wordt dan ook om 22 stuks mee te nemen in de uitwerking en vier stuks te deselecteren voor verder onderzoek en deponering. Geen van de vondsten komt in aanmerking om afgebeeld te worden. Analyse: 22 stuks Deponering: 22 stuks Deselectie deponering: 4 stuks

3.6

Monsters

Tijdens het veldwerk is een viertal monsters genomen. Het betreft een tweetal monsters uit de waterloop of het ven in werkput 5. In de lagen waaruit de monsters afkomstig zijn, is veel botanisch materiaal gezien. Uit het deelgebied Winkelhart is nog een monster afkomstig. Dit is genomen uit een mogelijke houtskoolmeiler (S3) in werkput 8. Het laatste monster is genomen uit een van de volmiddeleeuwse greppels in deelgebied Woonpark. Voor dit monster (V87) wordt deselectie voorgesteld. Het is destijds genomen om meer zicht te krijgen op een datering van de vindplaats. Het culturele vondstmateriaal is echter in dusdanige hoeveelheid aanwezig dat deze aanvulling niet nodig is. Eventuele monsters kunnen beter tijdens een eventueel vervolgonderzoek genomen worden, wanneer een context beter beredeneerd kan worden. Deselectie deponering: 4 stuks 3.7

Plastic

Een stuk plastic (V18) is aangetroffen in een laag in werkput 9. Het betreft hier waarschijnlijk een intrusieve of verkeerd verzamelde vondst. Voorgesteld wordt om deze vondst te deselecteren voor analyse en deponering. Deselectie deponering: 1 stuk

4

Kosten, indicatie voor vervolgonderzoek en tijdsplanning

Tijdens het veldwerk is een waterleiding voor de ijsbaan geraakt. Hoewel de ligging van de leiding bij het waterleidingbedrijf en de gemeente bekend was, kwam deze niet terug op de KLIC-melding. Dit kwam doordat hij als huisaansluiting was opgevoerd bij een huis dat ver buiten het plangebied lag. Het was dan ook voor VUhbs archeologie niet te beredeneren waar deze leiding lag. Na overleg met de adviseur van de gemeente, D. Bente, is gesteld dat dat de factuur voor het herstel van de leiding naar de gemeente kan. Op dit moment heeft VUhbs archeologie enkel de melding gekregen van de netbeheerder dat de kosten voor de reparatie op VUhbs archeologie zullen worden verhaald, een factuur is tot op heden echter nog niet ontvangen. Het is dan ook onduidelijk wat de kosten voor de reparatie zullen worden. Om deze reden is voor de reparatie een PM post opgenomen in het kostenoverzicht.2

Fig. 4.1. Duiven – Centrumplan. Voorlopig advies. Groen: behoud in/ex situ. Blauw: Verstoord vrijgave/verwijderen dubbelbestemming archeologie. Oranje: Deels verstoord, beperkte informatiewaarde. Vervolgonderzoek middels analyse monsters.

22

Kostenoverzicht wordt alleen meegestuurd bij de versie van het evaluatierappport voor de opdrachtgever.

In het kader van een snelle voortgang is gevraagd om in het evaluatierapport vooruit te lopen op het advies. De vindplaats in het noordoostelijke deel, bestaande uit de veronderstelde waterloop en de hiergelegen archeologische sporen, kwalificeren op grond van conservering etc. als behoudenswaardig. In het geval van de twee houtskoolmeilers in het zuidwestelijke deelgebied van Winkelhart, kan gesteld worden dat het niet mogelijk is om deze te waarderen omdat er te weinig gegevens bekend zijn. Het is niet duidelijk wat de datering van deze sporen is en ook is het omwille van de verstoringen in de nabijgelegen putten niet mogelijk om een relatie met andere sporen te leggen. Hoewel deze vindplaatsen behoudenswaardig zijn, is de mogelijkheid voor verder veldonderzoek beperkt. Om deze reden wordt voorgesteld om vervolgonderzoek te laten bestaan uit het waarderen en, indien de monsters waardevol zijn, analyseren van de monsters uit de waterloop en datering van het houtskoolmonster uit de meiler. Daarmee wordt een optimaal resultaat bereikt met betrekking tot deze vindplaatsen. De twee vindplaatsen ter hoogte van het deelgebied Woonpark kwalificeren zeker als behoudenswaardig. De conservering van zowel de sporen als de vondsten is goed te noemen. Behoud wordt dan ook voor dit deel geadviseerd.

Dit betekent, wanneer behoud in situ niet mogelijk is, een vlakdekkende opgraving wordt geadviseerd, waarbij eerst de bestaande bossages zijn gesnoeid en de bomen zijn gekapt en de stobben gefreesd. Enkel de zone waar in het verleden de sporthal heeft gestaan komt niet in aanmerking voor verder onderzoek. Hier is de grond dusdanig diep geroerd dat er geen relevante resten verwacht dienen te worden. Voor wat betreft de tijdsplanning geldt dat deze afhankelijk is van de goedkeuring van het evaluatierapport. De conceptrapportage kan binnen zes weken na goedkeuring van het evaluatierapport in concept worden opgeleverd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=3e156a59-4387-441a-af1a-67a843beed20