12. 201707727-Bijlage 7 bij toelichting - Diverse (water)bodemonderzoeken
Tekst van het document
RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken Westsingel ong. te Duiven (kadastraal A1057 en A2092)
PROJECTNUMMER: B24.9121 Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
De Tweede Geerden 21 5334 LH Velddriel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven (kadastraal A1057 en A2092)
PROJECTNUMMER: B24.9121 Versie: 01
OPDRACHTGEVER: Van Wanrooij Projectontwikkeling BV
DATUM: 26 maart 2024
Auteur:
Autorisatie:
Ing. M. Hennekes Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B24.9121/R9121-01/MH
De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2 SAMENVATTING Van Wanrooij Projectontwikkeling BV heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend waterbodemonderzoek, inclusief historische onderzoeken, ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Westsingel ong. te Duiven. De aanleiding voor uitvoering van de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5725:2023, NEN 5717:2023, NEN 5740:2023 en de NEN 5720:2023. De diverse onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of er bezwaren bestaan tegen de onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.
Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Op basis van de historische gegevens is de (water)bodemkwaliteit van de locatie niet vast te stellen en wordt, in verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling, geadviseerd om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740. Hierbij vormen de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag ((voormalige) boomgaard ten zuidoosten van de locatie) aandachtspunten. De locatie is vooralsnog onverdacht op het voorkomen van asbest. Tevens wordt aanbevolen om de waterbodem te onderzoeken conform de NEN 5720. Hierbij vormen eventuele (voormalige) agrarische activiteiten en het mogelijk voorkomen van PFASparameters aandachtspunten. Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en grepen wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten. Conclusies en aanbevelingen Conclusies verkennend bodemonderzoek (inclusief teeltlaagonderzoek en onderzoek naar gedempte sloten) Voor de onderzoekslocaties is voor de algemene bodemkwaliteit de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.
Daarbij vormden de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van de OCB-parameters in de teeltlaag ((voormalige) boomgaard ten zuidoosten van de locatie) wel aandachtspunten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde onverdachte hypothese aangenomen, aangezien in de boven- en ondergrond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse zware metalen zijn aangetoond. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 betreffen de grondmonsters, op mengmonster MM04 (klasse industrie) na, allemaal klasse landbouw/natuur. Daarnaast zijn in de teeltlaag op het zuidoostelijk deel van de locatie geen verhoogde gehalten voor OCB aangetoond. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 voldoen de mengmonsters aan klasse landbouw/natuur. De (voormalige) boomgaarden ten zuidoosten van de locatie hebben niet geleid tot ernstige verontreiniging met OCB op de voorliggende onderzoekslocatie. Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
3
Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping van de watergangen eventueel slib verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende voormalige achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn ons inziens geen vervolgstappen noodzakelijk. Conclusie verkennend waterbodemonderzoek Voor de onderzoekslocatie is voor de waterbodem de hypothese gesteld van een verspreidbare waterbodem. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese voor de vaste waterbodem uit de watergangen worden aangenomen, aangezien de onderzochte vaste waterbodems als ‘verspreidbaar’ zijn geclassificeerd voor verspreiding op het aangrenzende perceel (T.105). In de watervoerende watergangen is geen slib aanwezig. De kwaliteit van de vaste waterbodems betreft ‘klasse landbouw/natuur’ voor toepassing op landbodem (T.101) en zijn ‘altijd toepasbaar’ in zoet oppervlaktewater (T.103a). Op basis van het aangetroffen gehalte voor de PFAS-parameters, voldoet de onderzochte vaste waterbodem aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het handelingskader.
Zodoende bestaan voor de vaste waterbodem voor wat betreft de PFASparameters geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden en rekening houdend met de overige resultaten van het waterbodemonderzoek. Algehele conclusie en aanbevelingen Middels de voorliggende diverse (water)bodemonderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Westsingel ong. te Duiven in voldoende mate onderzocht. Op basis van de diverse (water)bodemonderzoeken bestaan vanuit milieuhygiënische oogpunt, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Voor eventuele civieltechnische werkzaamheden zijn conform de CROW400 op basis van de onderzoeksresultaten geen veiligheidsmaatregelen van toepassing, aangezien maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling Bodemkwaliteit 2022 van toepassing zijn. Indien grond van de locatie dient te worden afgevoerd, worden mogelijk aanvullende keuring(en) verlangd en kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.
Indien grond van de locatie wordt afgevoerd en elders tijdelijk wordt opgeslagen en/of wordt toegepast, kan in overleg met het bevoegd gezag worden bepaald of voorliggend onderzoek afdoende is voor de acceptatie van de grond. Indien dit niet afdoende is, dient alsnog een keuring conform het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd, alvorens een verwerkingslocatie kan worden geselecteerd. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet en bijbehorende wetgeving in werking getreden, waarbij een aantal bevoegd-/verantwoordelijkheden van het Rijk naar de gemeenten en waterschappen zijn gegaan. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat het beleid voor gemeenten automatisch in het ‘tijdelijk deel van het Omgevingsplan’ komen.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
4 Gemeenten hebben daarna 8 jaar de tijd om, indien gewenst, de wetgeving binnen de beleidsruimte te integreren naar gebiedsspecifiek beleid in hun eigen Omgevingsplan. Gezien de beleidsruimte en de overgangstermijn nadat de Omgevingswet in werking is getreden, kan VMT niet aansprakelijk worden gesteld voor eventueel aanvullende benodigde gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit als gevolg van veranderingen in een Omgevingsplan.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 2 1.
INLEIDING ............................................................................................................................................ 6
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN ............................................................................... 6
3.
LOCATIEGEGEVENS .......................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS .......................................................................................................................... 6 3.2. RESULTATEN HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725 EN NEN 5717) ....................................................... 6
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE....................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ................................................................................................................................. 9
5.
HYPOTHESE ......................................................................................................................................... 9
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK ...................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ......................................................................... 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ..................................................................................................................... 11
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ..................................................................... 12 7.1. GROND ................................................................................................................................................ 12 7.2. GRONDWATER ..................................................................................................................................... 13 7.3. WATERBODEM .................................................................................................................................... 14
8.
RESULTATEN..................................................................................................................................... 17 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN .......................................................................................................... 17 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN ........................................................... 17 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ............................................................................................... 20
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ............................................................................................. 22 9.1. CONCLUSIES VERKENNEND BODEMONDERZOEK (INCLUSIEF TEELTLAAGONDERZOEK EN ONDERZOEK NAAR GEDEMPTE SLOTEN) ......................................................................................................................... 22 9.2. CONCLUSIE VERKENNEND WATERBODEMONDERZOEK ........................................................................ 22 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ....................................................................................... 23
10. REFERENTIES.................................................................................................................................... 24
BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuizen en grepen Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en waterbodem Voormalige streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsing RBK 2022 Foto’s behorend bij het onderzoek naar (water)bodem Toetsingen PFAS waterbodem (T.01) Toetsingen waterbodem (exclusief PFAS) Relevante historische gegevens (inclusief goedkeuring onderzoeksopzet ODRA)
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
6 1.
INLEIDING Van Wanrooij Projectontwikkeling BV heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend waterbodemonderzoek, inclusief historische onderzoeken, ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Westsingel ong. te Duiven. De aanleiding voor uitvoering van de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5725:2023 [1], NEN 5717:2023 [2], NEN 5740:2023 [3] en de NEN 5720:2023 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door mevrouw ing. M. Hennekes en de heer ing. H.M.W. van der Donk.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De diverse onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of er bezwaren bestaan tegen de onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De onderzoekslocatie is gelegen aan de Westsingel ong. te Duiven en staat kadastraal bekend als de gemeente Duiven, sectie A, nummers 1057 en 2092. De locatie is momenteel braakliggend/in gebruik als weiland. Rondom de locatie en dwars door de locatie zijn watergangen aanwezig. Een deel van deze watergangen (3 stuks) valt binnen de onderzoekslocatie en worden gedempt danwel verbreed. De watergangen hebben lengtes van 3 x max. 500 m2. De totale oppervlakte bedraagt maximaal 4,3 ha. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.
Resultaten historisch onderzoek (NEN 5725 en NEN 5717)
Voorafgaand aan de diverse onderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (landbodem) en NEN 5717 (waterbodem). Door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn de websites www.topotijdreis.nl, www.kadaster.nl geraadpleegd en is een Dynamisch Rapport van de samenwerkende omgevingsdiensten van de provincie Noord-Brabant opgevraagd en verkregen. Tevens is de Bodemkwaliteitskaart Midden & WestBrabant geraadpleegd. Aanvullend is de historische informatie opgevraagd bij en verkregen van 1 Stroom Duiven & Westervoort. Alle beschikbare informatie is door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. bestudeerd en in onderstaande tekst verwerkt. De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 10. (Water)bodemkwaliteitsgegevens Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat op een deel van de locatie een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door Bodemstaete (kenmerk 08/111 Duiven, d.d. 3 maart 2008. In de grond werden licht verhoogde gehalten voor zware metalen en minerale olie aangetoond. In het grondwater werd een licht verhoogd gehalte voor barium aangetoond. Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
7 De rapportage is echter niet bruikbaar of representatief, aangezien de rapportages van Bodemstaete door fraude niet rechtsgeldig zijn. De kwaliteit van de bovengrond betreft op basis van de bodemkwaliteitskaart van de Milieusamenwerking Regio Arnhem ‘deelgebied B8 overige bebouwing, landelijke gemeente’ en de ondergrond betreft ‘deelgebied O23 klei’. Op basis van de ontgravingskaart betreft zowel de boven- als de ondergrond ‘landbouw/natuur’. De bodemfunctieklasse van de percelen is ‘wonen’. Ten zuiden van de onderzoekslocatie zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek plangebied Ploen-Zuid (Witteveen en Bos, kenmerk DVN21.391, d.d. 14 juni 2002). Hierbij zijn, nabij onderhavige onderzoekslocatie, in de grond maximaal licht verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond. In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde gehalten voor zware metalen, minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetoond; Nader onderzoek Westsingel tegenover tankstation Shell (Witteveen en Bos, kenmerk DVN21-397, d.d. 4 oktober 2002). Uit de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater licht tot sterk verhoogde gehalten voor nikkel en/of zink werden aangetoond; Verkennend onderzoek Ploen-Zuid (Witteveen en Bos, kenmerk DVN21-450, d.d. 25 juni 2007).
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond licht verhoogde gehalten voor PAK, minerale olie en EOX werden aangetoond. In het grondwater werden licht verhoogde gehalten voor zware metalen aangetoond; Milieutechnisch bodemonderzoek Hogeweg 9 (Tauw Milieu, kenmerk R3602087.HO1/CHU, d.d. 19 september 1997). Uit de analyseresultaten blijkt dat asbesthoudend materiaal werd aangetroffen in diverse sleuven. De verontreinigingen zijn niet verder onderzocht of afgeperkt; Oriënterend asbestonderzoek Hogeweg 9 (SGS, kenmerk 50469a, d.d. 29 juli 2003); Partijkeuring en asbestonderzoek Hogeweg 9 (SGS, kenmerk 2781b_2, d.d. 29 april 2004); Partijkeuring Hogeweg 9 (SGS, kenmerk 2781b_1, d.d. 29 april 2004); Saneringsplan Hogeweg 9 (SGS, kenmerk 2781d, d.d. 8 juli 2004). De met asbest verontreinigde grond wordt ontgraven en afgevoerd van de locatie. De terugsaneerwaarde betreft de interventiewaarde; Evaluatie bodemsanering Hogeweg 9 (SGS, kenmerk 2781F, d.d. 1 maart 2005). Uit de analyseresultaten blijkt dat de sanering afdoende is uitgevoerd en dat de verontreinigingen tot onder de terugsaneerwaarden zijn verwijderd. Wel zijn 2 restverontreinigingen achtergebleven. Deze bevinden zich niet op onderhavige onderzoekslocatie; Verkennend onderzoek Hogeweg (Van de Weijer bedrijfsmilieuzorg, kenmerk onbekend, d.d. 3 december 1999).
In de bovengrond en het grondwater werden maximaal licht verhoogde gehalten voor nikkel, arseen, minerale olie, xylenen en/of naftaleen aangetoond, ten opzichte van de betreffende achtergrond-/streefwaarden. In de ondergrond werden geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond; Verkennend onderzoek woonwagenstandplaats Westsingel (Dienst Milieu Arnhem, kenmerk 12ink04167, d.d. 25 november 1993). In de grond werden licht verhoogde gehalten voor PAK aangetoond. In het grondwater werden licht tot matig verhoogde gehalten voor nikkel en vluchtige aromaten aangetoond; Nader grondwateronderzoek woonwagenstandplaats Westsingel (Van Dorsser, kenmerk Sk931866.R01, d.d. 4 februari 1994). In het grondwater werden licht tot matig verhoogde gehalten voor nikkel aangetoond; Verkennend onderzoek woonwagenstandplaats Westsingel (Witteveen en Bos, kenmerk onbekend, d.d. 8 juni 2000). In de (puinhoudende) bovengrond werden licht verhoogde gehalten voor zink, PAK, minerale olie en/of EOX aangetoond, ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In de ondergrond en het grondwater werden geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond; Historisch onderzoek Ploen-Noord (auteur en kenmerk onbekend, d.d. 23 november 2006); Historisch onderzoek Ploen-Noord Hogeweg ong. (Milon, kenmerk 20231671, d.d. 18 juli 2023).
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
8 Historisch kaartmateriaal, luchtfoto’s en kadaster Vanaf 1900 tot circa 1995 zijn op het historische kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl twee voormalige watergangen zichtbaar. Vanaf circa 1985 tot 1976 is ten zuidoosten van de locatie een boomgaard aanwezig (geweest). Voor zover bekend is op de locatie geen bebouwing aanwezig geweest. Waterbodem De aanwezige watergangen op de locatie betreffen naar verwachting B-watergangen. De watergangen dienen als opvang van hemelwater en betreffen zoet water. De kwaliteit van het eventuele slib en/of de vaste waterbodem in de watergangen is mogelijk beïnvloed door de aanwezigheid van (voormalige) agrarische activiteiten. Asbest Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn voor zover bekend geen verhardingen, kassen en bebouwing aanwezig (geweest). Naar verwachting is er geen bebouwing met asbestverdachte dakbedekking aanwezig geweest. Het is niet bekend of op de locatie bijmengingen van bodemvreemde materialen (zoals puin) aanwezig zijn in de grond. Overige (voormalige) bodembedreigende activiteiten Ter plaatse van een deel van de locatie is mogelijk gebruik gemaakt van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Op basis van het dynamisch rapport zijn er voor zover bekend verder geen bodembedreigende activiteiten aanwezig geweest op de locatie. PFAS Voor PFAS zijn geen puntbronnen bekend.
Indien men voornemens is om grondverzet plaats te laten vinden, kan gebruik worden gemaakt van de betreffende bodemkwaliteitskaart PFAS. Indien er grond dient te worden afgevoerd naar een erkend verwerker (sanering), dient er mogelijk een aanvullend onderzoek naar PFAS plaats te vinden. Locatiebezoek Voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden is een locatiebezoek uitgevoerd. Hierbij is de aanwezigheid van de watergangen bevestigd. De locatie is volledig braakliggend en begroeid met gras. Verder zijn er geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Op basis van de historische gegevens is de (water)bodemkwaliteit van de locatie niet vast te stellen en wordt, in verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling, geadviseerd om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740. Hierbij vormen de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag ((voormalige) boomgaard ten zuidoosten van de locatie) aandachtspunten. De locatie is vooralsnog onverdacht op het voorkomen van asbest. Tevens wordt aanbevolen om de waterbodem te onderzoeken conform de NEN 5720. Hierbij vormen eventuele (voormalige) agrarische activiteiten en het mogelijk voorkomen van PFASparameters aandachtspunten.
Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en grepen wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
9 4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale geologie en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
Op de onderzoekslocatie is een circa 4 meter dikke deklaag die is opgebouwd uit Holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen. Het onderliggende eerste watervoerend pakket is circa 65 meter dik en bestaat uit midden tot grof zand van de Formaties van Kreftenheye, Peize en Waalre en Laagpakket van Twello. Hieronder bevindt zich een circa 5 meter dikke scheidende laag die is opgebouwd uit zandige klei, klei en midden zand van de Formatie van Walre. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerend pakket tot circa 81 m-mv. 4.2.
Geohydrologie
De stromingsrichting van het ondiepe grondwater is niet eenduidig, maar is vermoedelijk westelijk gericht en kan worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De grondwaterstand wordt verwacht op een diepte van circa 1 meter mv. De onderzoekslocatie is voor zover bekend niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.
HYPOTHESE Op basis van de bekende gegevens wordt momenteel uitgegaan van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Hierbij vormen de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag ((voormalige) boomgaard ten zuidoosten van de locatie) aandachtspunten. Vooralsnog wordt voor wat betreft asbest uitgegaan voor de onderzoekslocatie uitgegaan van een onverdachte locatieOp basis van zintuiglijke waarnemingen dient de gestelde hypothese voor de onderzoekslocatie mogelijk nog te worden bijgesteld. Voor wat betreft de waterbodems wordt uitgegaan van verspreidbare baggerspecie (maximaal klasse Industrie/klasse B). Daarbij vormen de (voormalige) agrarische en het mogelijk voorkomen van de PFAS-parameters aandachtspunten.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
10 6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken
Verkennende bodemonderzoeken Algemene kwaliteit (incl. voormalige watergangen) Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit van de boven-, ondergrond en het grondwater wordt de NEN 5740 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een “grootschalige onverdachte niet-lijnvormige locatie” (ONV-GR-NL) voor een oppervlakte van maximaal 4,3 ha (afgerond conform NEN 5740 naar boven < 5 ha). Aanvullend worden ter plaatse van de voormalige watergangen, gecombineerd met het onderzoek naar de algemene kwaliteit, 2 dwarsraaien van 3 boringen tot 2,0 m-mv geplaatst. Hiervoor zijn twee aanvullende analyses op een NEN-pakket opgenomen. Teeltlaagonderzoek op OCB zuid(oostelijk) deel van de locatie Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is een boomgaard aanwezig (geweest), op basis waarvan het zuidoostelijk deel van de locatie aanvullend wordt onderzocht op OCB. De onderzoeksopzet voor het aanvullend teeltlaagonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN 5740:2023 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL, < 1 ha). Hierbij wordt de (oorspronkelijke) teeltlaag separaat bemonsterd (0,3 m) en geanalyseerd op OCB.
Verkennend waterbodemonderzoek 3 waterbodemtrajecten Het verkennend waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5720, onderzoeksstrategie voor lintvormig water, normale onderzoeksinspanning (LN). Hierbij wordt uitgegaan van drie trajecten met elk een lengte van maximaal 500 meter. Het slib (of vaste waterbodem tot 0,5 m-wb) wordt bemonsterd middels 10 grepen per traject evenredig verdeeld over de watergang en geanalyseerd op een C2 waterbodempakket (standaardpakket baggerspecie uit zoet oppervlaktewater voor toepassing buiten Rijksoppervlaktewater) en op PFAS. In totaal worden derhalve 30 grepen genomen, drie mengmonsters geanalyseerd op het C2 waterbodempakket en één gecombineerd mengmonster op de PFAS-parameters. Tevens wordt middels 6 dwarsaaien de slibdikte bepaald (indien van toepassing). Het onderzoek naar PFAS wordt uitgevoerd conform het handelingskader voor hergebruik PFAShoudende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (geactualiseerd december 2023). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. De veldwerkzaamheden van de diverse onderzoeken zijn zoveel als mogelijk gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek.
Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en grepen is rekening gehouden met de bekende gegevens. De onderzoeksopzet is voorafgaand voorgelegd aan en goedgekeurd door het bevoegd gezag (ODRA, schrijven d.d. 13-2-2023, zie bijlage 10).
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
11 6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250 geldig tot 20-06-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform de BRL SIKB 2000 (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is het opgeboorde materiaal zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen en puinbijmengingen aangetroffen. In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 4 en 5 maart 2023 11 maart 2024
Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker De heer M.A.H. van Baal De heer M.A.H. van Baal
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2003 (v. 6) 2002 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Grond Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit zijn in totaal 40 boringen (B01 t/m B32) geplaatst. Er zijn 4 dwarsraaien geplaatst in verband met de voormalige watergangen (B11A-C, B16A-C, B27A-C en B31A-C). De overige boringen zijn verspreid over de percelen gesitueerd, waarbij de boringen PB02, PB07, PB18, PB20, PB24 en PB29 ten behoeve van het grondwateronderzoek dieper zijn doorgezet en afgewerkt met een peilbuis. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Boringen tot circa 0,5 m-mv B01, B03 t/m B06, B08 t/m B10, B12 t/m B15, B17, B19, B21 t/m B23, B25, B26, B28, B30, B32
Boringen / peilbuizen Boringen tot circa 2,0 m-mv B11A-C, B16A-C, B27A-C, B31A-C
Peilbuis (filterstelling m-mv) PB02 (1,50-2,50), PB07 (1,50-2,50) PB18 (1,50-2,50), PB20 (1,50-2,50) PB24 (1,50-2,50), PB29 (1,50-2,50)
Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB02, PB07, PB18, PB20, PB24 en PB29 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 11 maart 2024 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend waterbodemonderzoek Ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn in totaal 30 grepen (G01 t/m G30), evenredig verdeeld, van de waterbodem uit de huidige watergangen genomen. De aanwezige watergangen waren tijdens de veldwerkzaamheden waterhoudend. In de watergang is geen slib aangetroffen. De foto’s behorend bij het onderzoek naar de (water)bodem zijn opgenomen in bijlage 7. De situatieschets met de geplaatste boringen, peilbuizen en grepen is opgenomen als bijlage 2.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
12 7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond
De verontreinigingssituatie van de grond kan sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet [7] op 1 januari 2024 worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de kwaliteitseisen voor landbodem en grond zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk2022) [5] en aan de interventiewaarde zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) [6]. In onderstaande tabel is schematisch de indeling per kwaliteitseis weergegeven en het verschil in benaming tussen de voorgaande en huidige wetgeving. De benaming van de kwaliteitseis bevat direct de benaming van de functie waarvoor de landbodem geschikt is. Tabel 7.1: Kwaliteitsklassen en kwaliteitseisen voor landbodem en grond Kwaliteitseis Omgevingswet Landbouw/ natuur Wonen Industrie Matig verontreinigd
Ondergrens van kwaliteitsklasse Landbouw/ natuur Wonen Industrie
Bovengrens van kwaliteitsklasse Landbouw/ natuur Wonen Industrie Interventiewaarde
Sterk verontreinigd
Interventiewaarde
-
Benaming voor inwerkingtreding Omgevingswet Achtergrondwaarde (AW) Klasse wonen (WO) Klasse industrie (IND) Niet toepasbaar- niet sterk verontreinigd (>IND en <IW) Niet toepasbaar en sterk verontreinigd (>IW)
De Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa) van Rijkswaterstaat is momenteel nog niet geschikt om analyseresultaten te toetsen aan de Omgevingswet. Zodoende wordt momenteel enerzijds gebruikt gemaakt van een bèta toetsservice van onze software leverancier, deze kan toetsen aan de interventiewaarde uit het Bal en aan de kwaliteitseisen uit de Rbk2022. Parallel daaraan wordt tevens een toetsing uitgevoerd via BoToVa aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [9], in combinatie met de achtergrondwaarden voor grond uit de voormalige Regeling bodemkwaliteit [10]. De kwaliteitseisen voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt in de BoToVa toetsing een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde - achtergrondwaarde).
Uit de toetsing van de GSSD aan de achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd; Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, kan de omvang van de verontreiniging(en) worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering;
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
13
Bij onderzoeken ten behoeve van bepaalde activiteiten onder de Omgevingswet, bijvoorbeeld realisatie van een woning met tuin, kan het bevoegd gezag ook aanvullend onderzoek verlangen als de kwaliteitseis voor wonen wordt overschreden. Dit betreft maatwerk per locatie, parameter en bevoegd gezag en wordt zodoende niet verder op ingegaan.
Als het te ontgraven bodemvolume kleiner of gelijk is dan 25 m3 (ook wel kleinschalig graven genoemd), gelden geen regels uit het Bal. Wel kunnen gemeenten in het omgevingsplan regels stellen aan kleinschalig graven. Bij het ontgraven van een bodemvolume groter dat 25 m3 is sprake van een ‘milieubelastende activiteit’ conform het Bal. Hierbij wordt, op basis van de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem, onderscheid gemaakte tussen 2 milieubelastende activiteiten: - Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit; - Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Bij grondverzet groter dan 25 m3 dient altijd voorafgaand een bodemonderzoek uitgevoerd te worden, bestaat er een melding of informatieplicht aan het bevoegd gezag en zijn inhoudelijke voorschriften tijdens de activiteit, zoals uitvoering volgens BRL 7000 en/of BRL 6000 bij graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Tevens is bij graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond altijd de CROW-publicatie 400 van toepassing. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit 2022 tot die tijd moet het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerd december 2023), worden gehanteerd.
In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020 met aanpassing d.d. 9 mei 2022) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Grondwater
Bij het inwerking treden van de Omgevingswet in 2024 zijn de toetsingsnormen voor grondwater vervallen, maar zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) [8]. Hierin wordt gesproken over ‘Rijksomgevingswaarden’, ‘standaardwaarden grondwater’ en ‘signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering’. Aangezien de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa) van Rijkswaterstaat nog niet beschikt over een toetsingsprogramma om de grondwaterresultaten te toetsen aan de Omgevingswet, worden de voormalige streef- en interventiewaarden voor grondwater, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [9], voorlopig gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
14 De streefwaarden (omgevingswaarden) geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een van een duurzame bodemkwaliteit (grondwaterlichaam met goede chemische toestand). In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De interventiewaarden (‘signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering’ voor grondwater) geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. 7.3.
Waterbodem
De verontreinigingssituatie en/of toepassingsmogelijkheden van baggerspecie kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de betreffende normwaarden. De normwaarden zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de baggerspecie. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de normwaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar de waarden voor standaard bodem. Indien deze niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Afhankelijk van de toepassing van de baggerspecie, nadat deze uit de watergang is verwijderd, moet deze op een andere wijze worden getoetst. In voorliggende rapportage worden de volgende toepassingsmogelijkheden besproken: - Toepassen van de baggerspecie op de bodem (T.101); - Toepassen van de baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam (T.103a); - Verspreiden van de baggerspecie op de landbodem (T.105). De tussen haakjes weergegeven T.101, T.103a en T.105 hebben betrekking op de opgegeven naamgeving bij de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Bij het beoordelen van de kwaliteit van de baggerspecie wordt gebruik gemaakt van BoToVa.
Tevens wordt per toepasmogelijkheid aanvullend getoetst aan het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toepassen van baggerspecie op de bodem (T.101) Voor het toepassen van baggerspecie op de bodem volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de waarde voor landbouw/natuur, de waarde voor wonen, de waarde voor industrie en de waarden voor matig of sterk verontreinigd zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast op de bodem, worden de resultaten getoetst als grond. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als grond met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven.
Tabel 7.2: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de waarde Landbouw/natuur (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de Landbouw/natuur AW-waarde en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde)2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde Wonen Groter dan de WO-waarde en kleiner dan de waarde voor industrie (IND-waarde) Industrie Groter dan de IND-waarde en kleiner dan de interventiewaarde Matig verontreinigd Groter interventiewaarde Sterk verontreinigd Toelichting bij tabel: 1 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd; - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd; Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
15
2
- Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd; - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd; - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)
In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het toepassen van baggerspecie op de bodem moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Toepassen van de baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (T.103) Voor het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de waarde voor niet verontreinigd (waterbodem) / algemeen toepasbaar (baggerspecie), de waarde voor licht verontreinigd, de waarde voor matig verontreinigd en de waarde voor sterk verontreinigd zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast onder water, worden de resultaten getoetst als baggerspecie en waterbodem. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven.
Tabel 7.3: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de waarde voor niet verontreinigd / algemeen toepasbaar Niet verontreinigd (waterbodem) / (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de maximale Algemeen toepasbaar (baggerspecie) kwaliteitsklasse Licht verontreinigd 2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse Licht Licht verontreinigd verontreinigd Groter dan de maximale kwaliteitsklasse Licht verontreinigd en kleiner dan de Matig verontreinigd maximale kwaliteitsklasse Matig verontreinigd Groter dan de maximale kwaliteitsklasse Matig verontreinigd Sterk verontreinigd Toelichting bij tabel: 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de waarde voor Licht verontreinigd geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor Licht verontreinigd
In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat bij toepassen van baggerspecie in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd in bepaalde diepe plassen (voor exacte omschrijving zie het handelingskader), voor PFOS een toepassingsnorm van 1,1 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
16 Verspreiden van de baggerspecie op de landbodem (T.105) Voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem binnen 10 km van de watergang, met het oog op het herstellen of verbeteren van percelen tot een afstand van 10 km vanaf de watergang (uitgezonderd natuurgebieden, hiervoor geldt alleen een direct aan de watergang gelegen perceel), worden de meetwaarden getoetst aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Naast deze individuele maximale waarden wordt er voor een aantal metalen en voor een aantal organische stoffen een msPAF toets (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen) uitgevoerd. De msPAF toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk (combinatie toxicologie). De msPAF waarde wordt berekend waarbij de resultaten als percentage worden weergegeven. De maximale percentages waaraan moet worden voldaan zijn weergegeven in de Regeling bodemkwaliteit (Rbk 2022). In de Rbk2022 is de toxische druk van het mengsel van stoffen (msPAF) en enkele normen voor metalen, minerale olie en PCB’s aangepast ten opzichte van de Regeling bodemkwaliteit die voorheen gold. (zie bladzijde 368 van de Rbk2022).
Voor parameters die niet in de msPAF toetst worden meegenomen en waar geen maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zijn vastgesteld, moeten worden getoetst aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit. In het handelingskader hergebruik is de toepassingsnorm voor verspreiding op aangrenzend perceel vastgesteld op 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie die wel of niet verspreidbaar is over het aangrenzend perceel. Indien de partij verspreidbaar is over het aangrenzend perceel hoeft er niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast is het verspreiden niet meldingsplichtig.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
17 8.
RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld tot aan de maximale boordiepte van 2,5 m-mv afwisselend uit matig fijn, kleiig, zwak siltig, zwak humeus zand en matig siltige, sterk zandige, zwak humeuze klei. Verder zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen asbestverdachte plaatmaterialen en/of puinbijmengingen in de bodem (> 20 mm) aangetroffen of overige waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Op basis hiervan is het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest (NEN 5707 / NEN 5897) definitief niet noodzakelijk. Ter plaatse van de voormalige watergangen zijn eveneens geen afwijkende bodemlagen aangetroffen die duiden op een (verontreinigde) slootdemping. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en waterbodem). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De kwaliteitseisen voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022. De meest recente interventiewaarden voor de grond en signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering zijn opgenomen zoals bedoeld in bijlage IIa bij het Bal, behorend bij de Omgevingswet. Aangezien de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa) van Rijkswaterstaat nog niet beschikt over een toetsingsprogramma om de grond- en grondwaterresultaten te toetsen aan de Omgevingswet, worden de voormalige streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, voorlopig gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Tevens zijn de resultaten indicatief getoetst aan de RBK2022, welke is opgenomen in bijlage 6. De waterbodem wordt getoetst aan de T.101, T.103a en T.105 volgens de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa), welke is opgenomen als bijlage 9. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V.
te Rotterdam die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. De toetsingsresultaten van de PFAS analyse zijn opgenomen in bijlage 8. In tabel 8.1 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.1: Opmerkingen analysecertificaten Certificaatnummer Waterbodem 14042830
(Meng) monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
MMWB03
Benzo(ghi)peryleen
Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.
Aangezien de som parameter voor PAK de klasse landbouw/natuur niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Toelichting bij tabel 8.1: PAK
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
18 Grond Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn diverse mengmonsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. Aangezien ter plaatse van de raaiboringen (voormalige watergangen) geen afwijkende bodemlagen zijn aangetroffen, zijn deze monsters opgemengd met de algemene kwaliteit. De mengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.2 weergegeven. Tabel 8.2: Overzicht mengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
MM02
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM03
Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
MM04
Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
MM05
Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
MM06
Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
MM07
Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
MM08
Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
Boringen (traject in m -mv)
Analysepakket
> AW < I
Resultaten >I
RBK 2022
B01 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50) B06 (0,00 - 0,50) B08 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) PB02 (0,00 - 0,50) PB07 (0,00 - 0,50) B10 (0,00 - 0,50) B11B (0,00 - 0,50) B12 (0,00 - 0,50) B19 (0,00 - 0,50) B21 (0,00 - 0,50) PB20 (0,00 - 0,50) B13 (0,00 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) B16B (0,00 - 0,50) B22 (0,00 - 0,50) B23 (0,00 - 0,50) PB18 (0,00 - 0,50) PB24 (0,00 - 0,50) B25 (0,00 - 0,50) B26 (0,00 - 0,50) B27B (0,00 - 0,50) B28 (0,00 - 0,50) B30 (0,00 - 0,50) B31B (0,00 - 0,50) B32 (0,00 - 0,50) PB29 (0,00 - 0,50) B16B (0,50 - 0,80) B16B (0,80 - 1,10) B16B (1,50 - 2,00) PB02 (0,50 - 1,00) PB07 (0,50 - 1,00) PB07 (1,00 - 1,50) PB18 (0,50 - 1,00) PB18 (1,00 - 1,50) B27B (0,50 - 1,00) B27B (1,00 - 1,50) B31B (0,50 - 1,00) PB24 (0,50 - 1,00) PB24 (1,00 - 1,50) PB29 (0,50 - 1,00) B11B (0,50 - 1,00) B11B (1,00 - 1,50) B11B (1,50 - 2,00) B16B (1,10 - 1,50) PB02 (1,00 - 1,50) PB02 (1,50 - 2,00) PB07 (1,50 - 2,00) PB18 (1,50 - 2,00) B27B (1,50 - 2,00) B31B (1,00 - 1,50) B31B (1,50 - 2,00) PB20 (0,50 - 1,00) PB20 (1,00 - 1,50) PB24 (1,50 - 2,00) PB29 (1,00 - 1,50) PB29 (1,50 - 2,00)
NEN
-
-
LN
NEN
-
-
LN
NEN
-
-
LN
NEN
Mo, Ni
-
IND
NEN
Ni
-
LN
NEN
Mo
-
LN
NEN
-
-
LN
NEN
-
-
LN
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
19 Vervolg tabel 8.2: Overzicht mengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten Mengmonster Teeltlaag MMOCB01
MMOCB02
Omschrijving
(Vermoedelijke) teeltlaag, zand Zintuiglijk: -
Teeltlaag, klei Zintuiglijk: -
Boringen (traject in m -mv)
Analysepakket
> AW < I
Resultaten >I
RBK 2022
B12 (0,00 - 0,30) B19 (0,00 - 0,30) B21 (0,00 - 0,30) PB20 (0,00 - 0,30) B13 (0,00 - 0,30) B27B (0,00 - 0,30) B28 (0,00 - 0,30) PB18 (0,00 - 0,30)
OCB
-
-
LN
OCB
-
-
LN
Toelichting bij tabel 8.2: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; RBK2022 Indicatieve toetsing aan de kwaliteitseisen Regeling bodemkwaliteit 2022 (LN= Landbouw/natuur; WO: Wonen; IND: Industrie; MV: Matig verontreinigd; SV: Sterk verontreinigd); Niets waargenomen/aangetoond.
Grondwater Op basis van de onderzoeksopzet zijn diverse grondwatermonsters genomen en geanalyseerd. De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis
Filterdiepte (m-mv)
GWS (m-mv)
pH
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Analysepakket
>S<I Cu, Ni -
Resultaten >I -
PB02 1,50 - 2,50 0,85 7,1 453 567 NEN PB07 1,50 - 2,50 0,91 6,6 463 381 NEN PB18 1,50 - 2,50 0,92 6,7 413 269 NEN PB20 1,50 - 2,50 0,76 6,3 322 943 NEN PB24 1,50 - 2,50 0,94 6,3 381 371 NEN PB29 1,50 - 2,50 0,96 6,4 409 658 NEN Toelichting bij tabel 8.3: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.
De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH) en de geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. In de genomen grondwatermonsters uit alle peilbuizen is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (< 10 NTU). De peilbuizen hebben voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Daarnaast zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤ 0,1 l/min) afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis minder dan 50 cm (niet belucht) is gedaald. Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Waterbodem In de watergangen is geen slib aanwezig. Derhalve zijn van de vaste waterbodem 3 mengmonsters (MMWB01 t/m MMWB03) samengesteld en geanalyseerd op een standaard C2 waterbodempakket. Daarnaast is één mengmonster (MMWBP01) samengesteld en geanalyseerd op PFAS. In tabel 8.4 is een overzicht weergegeven van de analyseresultaten.
Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
20 Tabel 8.4: Samenstelling en analyseresultaten waterbodem Monstercode
Monstersamenstelling
Traject (m-ws)
Type
Analysepakket
MMWB01
G01 t/m G10
0,10 - 0,30 Klei
C2
MMWB02
G11 t/m G20
0,30 - 1,00 Klei
C2
MMWB03
G21 t/m G30
0,10 - 0,30 Klei
C2
MMWBP01
Toepassen op de bodem (T.101) Klasse landbouw/natuur Klasse landbouw/natuur Klasse landbouw/natuur AW*
Toetsingsresultaten Toepassen in zoet oppervlaktewater (T.103a) Altijd toepasbaar
Verspreiden aangrenzend perceel (T.105) Verspreidbaar
Altijd toepasbaar
Verspreidbaar
Altijd toepasbaar
Verspreidbaar
G03, G06, G09, 0,10 - 1,00 Klei PFAS Toegestaan Toegestaan G12, G15, G18, G23, G26, G28, G30 Toelichting bij tabel 8.4: C2 Standaard waterbodempakket (C2): De zware metalen arseen [As], barium [Ba], cadmium [Cd], chroom [Cr], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB), minerale olie (MO) en organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB), inclusief lutum en organische stof (humus); PFAS: Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur); AW Achtergrondwaarde (landbouw/natuur); * In grondwaterbeschermingsgebieden is de gebiedskwaliteit van toepassing; m-ws Meters minus waterspiegel.
8.3.
Interpretatie analyseresultaten
Grond (incl. voormalige watergangen) In de mengmonsters MM01 t/m MM03 van de zintuiglijk schone bovengrond (klei of zand) zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NEN-parameters aangetoond, ten opzichte van de betreffende voormalige achtergrondwaarden. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 betreffen de grondmonsters klasse landbouw/natuur. In mengmonster MM04 van de zintuiglijk schone bovengrond (klei) en de mengmonsters MM05 en MM06 van de zintuiglijk schone ondergrond (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor molybdeen en/of nikkel aangetoond. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 betreft grondmengmonster MM04 klasse industrie en de mengmonsters MM05 en MM06 betreffen klasse landbouw/natuur. In de mengmonsters MM07 en MM08 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NEN-parameters aangetoond, ten opzichte van de betreffende voormalige achtergrondwaarden. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 betreffen de grondmonsters klasse landbouw/natuur. Teeltlaag In de mengmonsters MMOCB01 en MMOCB02 van de (vermoedelijke) teeltlaag (zand of klei) zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NEN-parameters aangetoond, ten opzichte van de betreffende voormalige achtergrondwaarden. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 betreffen de grondmonsters klasse landbouw/natuur.
Grondwater In het grondwatermonster uit peilbuis PB20 zijn licht verhoogde gehalten voor koper en nikkel aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende voormalige streefwaarden, maar blijven ruim onder de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5. Voor de overige onderzochte parameters (NEN) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende voormalige streefwaarden. In het grondwater uit de peilbuizen PB02, PB07, PB18, PB24 en PB29 zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NEN-parameters aangetoond, ten opzichte van de betreffende voormalige streefwaarden. Diverse (water)bodemonderzoeken, Westsingel ong. te Duiven Rapportnr.: B24.9121 versie: 01 datum: 26 maart 2024
21 Waterbodem In de waterbodem is geen slib aanwezig. Uit de toetsing van de analyseresultaten van de waterbodemmonsters MMWB01 t/m MMWB03 kan worden geconcludeerd dat de vaste waterbodem ter plaatse van de grepen G01 t/m G10, G11 t/m G20 en G21 t/m G20 ‘klasse landbouw/natuur’ betreft voor toepassing op landbodem (T.101) en ‘altijd toepasbaar’ is voor toepassing in zoet oppervlaktewater (T.103a). Daarnaast is de vaste waterbodem als “verspreidbaar” geclassificeerd voor verspreiding op het aangrenzende perceel (T.105). Op basis van de toetsing van het waterbodemmonster MMWBP01 uit de watergangen aan het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie valt de vaste waterbodem voor de toetsing T.101 voor PFAS onder de functieklasse ‘landbouw/natuur’, mits toegepast buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast is het verspreiden in zoet oppervlaktewater (T.103a) en op aangrenzend perceel (T.105) toegestaan.