10. 201604781-Toelichting BP Snelfietsroute F12 Duiven Oost, d.d. 28-02-2023.pdf
Tekst van het document
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken Leeswijzer
3 3 3 4 6 6
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie
7 7 7
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
9 9 10 11
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Milieu- en omgevingsaspecten Algemeen Bodem Water Erfgoed Flora en fauna Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen MER-toets
17 17 17 17 20 21 22 23 24 25 26 27 27
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Juridische planbeschrijving Opzet van het plan Wijze van bestemmen
29 29 30
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Uitvoerbaarheid en procedure Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31 31 31
2
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
De stadsregio Arnhem-Nijmegen heeft te maken met een sterk groeiend aantal verkeersbewegingen. Om deze toename op te kunnen vangen is gestart met het programma Beter Benutten. In dit programma werken Rijk, regio en bedrijfsleven samen om de bereikbaarheid in de drukste regio's over weg, water en spoor te verbeteren. Sinds 2011 hebben de maatregelen geleid tot 48.000 spitsmijdingen per dag. Dit draagt bij aan 19% minder vertraging in de spits op specifieke Beter Benutten trajecten. Deze resultaten zijn behaald met een pakket van ruim 350 praktische, meetbare maatregelen. In de regio Arnhem-Nijmegen richt dit programma zich op gedragsbeïnvloeding van reizigers. De regio verwacht dat er zo 2.400 meer reizigers de spits kunnen vermijden. Eén van de projecten is de aanleg van snelfietsroutes. Hiermee worden andere automobilisten verleid om met de fiets naar het werk, school of andere plek van bestemming te gaan. Een snelfietsroute is een directe fietsverbinding met weinig obstakels, zoveel mogelijk voorrang voor fietsers, weinig hinder van ander verkeer en vlak asfalt. Voor dit project worden bestaande fietsroutes, met name langs file-knooppunten verbeterd en worden nieuwe routes aangelegd. Op deze wijze worden de fietsafstanden verkort, waardoor het makkelijker en sneller wordt om de bestemming per fiets te bereiken.
De snelfietsroute F12 is één van de te verbeteren en aan te leggen routes. Deze route loopt van de Brugweg in Westervoort, via Duiven en Zevenaar en verbindt een aantal bedrijventerreinen met elkaar, zoals Centerpoort-Nieuwgraaf, Hengelder en 7Poort. Doordat deze route deels gebruik maakt van de snelfietsroute De Liemers (die de kernen Westervoort, Duiven en Zevenaar met elkaar en Arnhem verbindt), is met deze route ook Arnhem goed te bereiken. Vanwege de ligging van het de snelfietsroute langs de bedrijventerreinen, is deze route met name aantrekkelijk voor forenzen van omliggende plaatsen naar de bedrijventerreinen. Het project is opgestart om de forenzen te stimuleren om de auto thuis te laten staan en met de fiets naar het werk te komen om op die manier het aantal auto's op de doorgaande (snel)wegen te verminderen.
Deeltracé Duiven Oost Zoals aangegeven, maakt deze route deels gebruik van bestaande fietspaden die zo nodig worden verbeterd, maar er worden ook nieuwe stukken fietspad aangelegd. Deze nieuwe fietspaden passen niet overal binnen de vigerende bestemmingsplannen. Daarom is voor deze delen een herziening van het bestemmingsplan nodig. De juridisch-planologische verankering van het gehele tracé is opgeknipt in 3 deeltracé's. Voorliggend tracé betreft Duiven Oost. De overige delen betreffen 'Duiven West' en 'Westervoort'. In voorliggend bestemmingsplan wordt aangetoond dat het planvoornemen voor het tracédeel Duiven Oost vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
1.2
Ligging plangebied
Algemeen De snelfietsroute F12 begint bij de Brugweg in Westervoort en loopt via Duiven naar Zevenaar. Ter hoogte van Westervoort maakt de route gebruik van snelfietsroute de Liemers. De snelfietsroute F12 ligt langs een aantal belangrijke bedrijventerreinen zoals Centerpoort-Nieuwgraaf, Hengelder en 7Poort. Deze bedrijventerreinen worden door de aanleg van de route beter bereikbaar per fiets. Over de Rivierweg wordt een brug aangelegd, die uitkomt op de zuidwesthoek van het bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf. Het overgrote deel van deze brug ligt in de gemeente Westervoort. Echter, een klein deel van het talud ligt in de gemeente Duiven. De snelfietsroute in Duiven bestaat uit delen waar de snelfietsroute over een bestaande weg en/of fietspad ligt (en daarmee past binnen het vigerende bestemmingsplan) en delen die nieuw aangelegd moeten worden op bijvoorbeeld agrarische gronden (waarvoor een bestemmingsplan herziening nodig is). Voorliggend bestemmingsplan betreft alleen deel Oost van de gronden van het fietspad in de gemeente Duiven waarvoor een bestemmingsplanherziening nodig is. Plangebied deel Oost Op afbeelding 1.1 wordt met rode lijn de globale situering van het de snelfietsroute in deelgebied Oost weergegeven (Roodwilligenstraat - ten noorden van de wijk Lommerweide).
Voor de exacte ligging van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
3
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Afbeelding 1.1: Globale situering snelfietsroute deelgebied Oost
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Buitengebied 2013' en 'Duiven - Noord'. Het plangebied heeft de bestemmingen 'Agrarisch', 'Groen' en 'Verkeer'. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde Lage archeologische verwachting', 'Leiding - Gas' en 'Leiding - Riool' en de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg'. Binnen de bestemming 'Groen' is een voet-/fietspad toegestaan. Echter, daarin is het voet-/fietspad ondergeschikt aan de bestemming 'Groen'. Het fietspad dat wordt aangelegd voor de snelfietsroute betreft geen ondergeschikt pad ten behoeve van de groenbestemming. Vanwege de status van het fietspad, is op deze locatie een herziening van het bestemmingsplan nodig. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een fietspad helemaal niet toegestaan. Daarom is ook voor de gronden binnen deze bestemming een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Op afbeelding 1.2 wordt met rode lijn de ligging van het fietspad aangegeven met onderliggende bestemming.
4
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Afbeelding 1.2: Situering plangebied over vigerende bestemmingsplannen Op bovenstaande afbeelding is een bestaande gasleiding niet zichtbaar, deze leiding is weergeven in onderstaande figuur middels zwarte belijning en rode marker.
5
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Afbeelding 1.3: Situering plangebied aardgastransportleiding
1.4
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Snelfietsroute F12 deel Oost" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding, schaal 1:1.000 (tek.no. NL.IMRO.0226.BPBUITENGEBIEDOOS-VS01); regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.
1.5
Leeswijzer
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit acht hoofdstukken en enkele bijlagen. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Hier wordt beschreven en verantwoord hoe hetgeen dat in voorliggend plan is beschreven juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid en wordt ingegaan op het (voor)overleg, inspraak en de procedure.
6
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk komt de doelstelling van dit bestemmingsplan aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige structuren, functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt op het beoogde initiatief ingezoomd.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied bestaat voor het overgrote deel uit agrarische gronden, liggende aan de noordzijde van de woonwijk Lommerweide. Het fietspad volgt voor een groot deel de Roodwilligenstraat. Afbeelding 2.1 geeft het huidige aanzicht van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1: Huidig aanzicht plangebied
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1
Toekomstige inrichting deelgebieden
Over het gehele traject zal het fietspad (waar mogelijk) een breedte hebben van 4 meter met daarnaast een berm van ongeveer 1 meter. In het midden van het fietspad wordt een stippellijn aangebracht, zodat het fietspad geschikt is voor tweerichting verkeer. Het plangebied begint ter hoogte van de Broekstraat en volgt dan in grote lijnen de Roodwilligenstraat, ten noorden van de wijk 'Lommerweide', door het buitengebied richting Zevenaar. Op afbeelding 2.2 is de ligging van het fietspad deel Oost weergegeven.
7
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Afbeelding 2.2: Ligging plangebied (bron: gemeente Duiven)
2.2.2
Doel van het bestemmingsplan
Met voorliggend bestemmingsplan wordt de aanleg van deel Oost van de snelfietsroute in de gemeente Duiven planologisch juridisch mogelijk gemaakt. Zoals eerder aangegeven is het plangebied in voorliggend bestemmingsplan onderdeel van de totale snelfietsroute F12 die door de gemeenten Westervoort, Duiven en Zevenaar loopt. Naast voorliggend bestemmingsplan, wordt tevens een bestemmingsplan voor de aanleg van het tracédeel Duiven West van de snelfietsroute in Duiven en een deel in de gemeente Westervoort in procedure gebracht voor het deel van het fietspad dat niet past binnen het vigerende bestemmingsplan. De route voor de snelfietsroute is in het verleden bepaald en ligt grotendeels vast binnen de drie gemeenten Westervoort, Duiven en Zevenaar die de route gezamenlijk aanleggen en dit ook hebben vastgelegd in een bestuursovereenkomst. De komende jaren wordt de hele snelfietsroute aangelegd met als doel verbetering van de fietsverbinding tussen Arnhem en Zevenaar met aanliggende bedrijventerreinen.
8
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.
In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.
9
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling borgen van een zorgvuldige ruimtelijke afweging en een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Op 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking doorgevoerd (artikel 3.1.6 lid 2 - 4 Bro). Voorheen bestond de ladder uit drie treden, dat is nu niet meer het geval. Wel moet de behoefte van de ontwikkeling nog worden beschreven indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als de ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet ook gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand gebied kan worden gerealiseerd. Doorwerking plangebied Met voorliggend plan wordt de aanleg van een nieuw fietspad planologisch mogelijk gemaakt. Uit jurisprudentie blijkt dat met de aanleg van een fietspad geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak 201400570/1/R6 februari 2015). De behoefte van voorliggend plan hoeft daarom niet te worden gemotiveerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is op voorliggend plan niet van toepassing.
3.1.4
Conclusie
Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gelderland
Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De visie is vastgesteld door Provinciale Staten op 19 december 2018. Het treedt in werking op 1 maart 2019. In de omgevingsvisie wordt beschreven we wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om het Gelderland van nu door te kunnen geven aan de volgende generaties. De provincie zet daarom een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met ‘Gezond en veilig’ wordt een gezonde leefomgeving met schone en frisse lucht, een schoon milieu, voldoende schoon en veilig (drink)water en de bescherming van flora en fauna bedoeld. Daarnaast wordt ermee bedoeld dat de provincie is voorbereid op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. ‘Schoon en welvarend’ betekend dat de provincie een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat kent, dat goed bereikbaar is en een goed functionerende arbeidsmarkt heeft met daarbij behorende goede kennis- en onderwijsinstellingen. Het betekent ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Aan deze ambitie worden met behulp van de volgende zeven onderwerpen nader richting gegeven: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer.
Circulaire economie; sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. Regio Arnhem Nijmegen City Region In de Regio Arnhem Nijmegen wordt ingezet op betere bereikbaarheid. Hierbij wordt zowel het spoorlijnennet, de wegen als de fietsroutes verbeterd. In delen van de Stadsregio zal de komende jaren naast groei ook krimp optreden. Het is om financiële redenen onmogelijk om het openbaar vervoer in deze delen van de Stadsregio in stand te houden. De komende jaren zet de provincie in op de verbindingen in en naar de steden als het dragende netwerk van het openbaar vervoer en ondersteunt zij flexibel openbaar vervoer voor het behoud van de basismobiliteit buiten het stedelijk gebied. Dit in verband met de bereikbaarheid van lokale voorzieningen en de participatiemogelijkheden van mensen. De afgelopen jaren is in de Stadsregio gewerkt aan het verbeteren van de bereikbaarheid over de wegen. Daarbij zijn grote vorderingen gemaakt door verbetering van de weginfrastructuur (verbreden A50 en A12, aanleg Stadsbrug Nijmegen en N837). Verder is een netwerk van snelfietsroutes naar de stedelijke centra van Arnhem en Nijmegen vastgesteld.
10
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
De provincie wil dit beleid en de uitvoering daarvan, met alle partners met kracht voorzetten. De groei van het aantal inwoners en bedrijven in de regio zal de komende jaren nog doorzetten, ook na 2021. Vandaar dat de provincie met het Rijk afspraken heeft gemaakt om voor de periode na 2020 een aparte MIRT studie uit te voeren naar de gewenste ruimtelijk economische ontwikkeling van de regio op de lange termijn (2040) in samenhang met de interne en externe bereikbaarheid. MIRT staat voor het Meerjarenprogramma Ruimte, Infrastructuur en Transport. Doorwerking plangebied Zoals hiervoor aangegeven zet de provincie in op betere bereikbaarheid door onder andere de aanleg van snelfietsroutes. Voorliggend plan maakt onderdeel uit van dit project voor de snelfietsroutes. Een deel van de routes is al aangelegd. De snelfietsroute F12 is nu aan de beurt. Eerst wordt het (met onder andere voorliggend bestemmingsplan) planologisch juridisch mogelijk gemaakt om de route aan te leggen, vervolgens kan het daadwerkelijk aangelegd worden. Dit betekent dat voorliggend plan een uitwerking is van de Omgevingsvisie Gelderland en dat het daarmee past binnen het provinciaal beleid.
3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland
De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, wordt de focus bij het uitvoeren van de taken op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland gelegd. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen.
3.2.3
Toetsing
Voorliggend plan voldoet aan het provinciale beleid van de provincie Gelderland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Duiven
De gemeente Duiven is, net als iedere andere gemeente, verplicht om in het kader van de nieuwe Omgevingswet een omgevingsvisie op te stellen. Deze omgevingsvisie beschrijft de gewenste toekomst voor onze leefomgeving op de middellange en lange termijn (tot 2040). Het is daarmee een weergave van de vraag: wat voor gemeente willen we zijn? Concreet betekent dit een samenhangend, allesomvattend en integraal document voor alle onderwerpen in de fysieke leefomgeving waarin we onze ambities en doelen beschrijven. Vanaf (naar verwachting) 2022 treedt de Omgevingswet in werking, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving zijn gebundeld. De omgevingsvisie betreft geen nieuw beleid, maar een voortzetting en bundeling van bestaand beleid. Voor het onderhavige plan relevant beleid Visie voor een bereikbaar Gelderland. Om ervoor te zorgen dat mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en duurzaam kunnen verplaatsen wordt op provinciaal niveau een integrale visie mobiliteit opgesteld. Deze visie vormt het kader waarmee integrale afwegingen worden gemaakt. Tevens gaat de visie over het laten zien en concretiseren van de samenhang tussen autoverkeer, openbaar vervoer (spoor en bus), binnenvaart, goederentransport over de weg, fietsverkeer en verkeer te voet.
Als Duiven zoeken we naar raakvlakken en verbindingen tussen de provinciale bereikbaarheidsopgaven en onze eigen bereikbaarheidsopgaven. Op de 'Basiskaart netwerken en infrastructuur' is het onderhavige plan expliciet opgenomen (zie groene lijn).
11
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Afbeelding 3.1: Basiskaart Netwerk en Infrastructuur
Conclusie Het fietspad is als zodanig op de structuurvisie kaart van de omgevingsvisie opgenomen. Hiermee betreft onderhavig plan een uitvoering van dit beleid.
3.3.2
Structuurvisie Duiven 2015
Algemeen De maatschappelijke context veranderd, de maakbare en volledig te plannen samenleving is steeds meer verleden tijd. Dat heeft gevolgen voor het ruimtelijk domein. Individuele investeringen en meer organische gebiedsontwikkelingen, zijn steeds vaker de dragers van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit ziet de gemeente zeer zeker als positief, want dit leidt tot meer afwisseling, betrokkenheid, kwaliteit en een beter en duurzamer antwoord op de daadwerkelijke behoeften uit de samenleving. Individuele, kleinschalige investeringen vinden immers alleen plaats wanneer mensen er zelf profijt van hebben en het leidt tot een beter woon-, leef-, verblijf- of onderneemklimaat. Daarnaast spelen er de ingrijpende decentralisaties op het sociaal-maatschappelijke vlak en de daaraan gerelateerde bezuinigingen. De Structuurvisie 2015 geeft duidelijkheid over de koers voor het gemeentelijk handelen en de ruimtelijke kaders die de gemeente hanteert, bij het afwegen van initiatieven. Dit kan ook bijdragen aan het sneller doorlopen van procedures. Deze Structuurvisie biedt ook een inspiratiefunctie voor partijen in de samenleving om initiatieven te doen ontplooien. De Structuurvisie geeft de hoofdkoers, gemeente breed, voor de ruimtelijk relevante thema's en voor de verschillende gebieden.
Het vormt een afwegingskader met handvatten om meer op afstand regie te voeren, zonder op de stoel van de uitvoering te gaan zitten. Verkeer Het verkeersbeleid is erop gericht om een optimale balans te vinden tussen mobiliteit, leefbaarheid en veiligheid. Alleen op die manier ontstaan duurzame oplossingen. Hierin komen de landelijke en provinciale beleidsuitgangspunten terug: mobiliteit mag (groeien) met een juiste balans van bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid: een betrouwbare bereikbaarheid van deur tot deur. Bereikbaarheid van een gebied staat vaak op gespannen voet met de leefbaarheid en verkeersveiligheid. Het is de ambitie van de gemeente om te streven naar het optimale resultaat op ieder van de volgende drie geformuleerde beleidsdoelen:
12
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
1. 2. 3. 4.
Het realiseren van een goede bereikbaarheid van de gemeente Duiven, zowel extern, als binnen de gemeente zelf. Het verzorgen van een voor alle verkeersdeelnemers verkeersveilig wegennet binnen de gemeente Duiven. Het bijdragen aan een prettig woonklimaat in de gemeente Duiven door het beperken van de invloeden van het verkeer op geluid en luchtkwaliteit. Door het voeren van een parkeerbeleid bijdragen aan de leefbaarheid, bereikbaarheid en waar mogelijk versterken van economische en maatschappelijke functies binnen de gemeente Duiven.
Visiebeeld Afbeelding 3.2 geeft het visiebeeld weer zoals opgenomen in de structuurvisie.
Afbeelding 3.2: Visiebeeld Structuurvisie Duiven (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Met rode stippellijn is de snelfietsroute aangegeven. Op het visiebeeld heeft het plangebied diverse aanduidingen, te weten: Agrarisch. Potentieel ecologische verbinding. Goenblauw raamwerk. Locale wegen. Water. Doorwerking plangebied Bij beleidsdoel 3a 'Het bijdragen aan een prettig woonklimaat in de gemeente Duiven door het beperken van de invloeden van het verkeer op geluid en luchtkwaliteit' is het stimuleren van fietsgebruik opgenomen in de ambities. De gemeente wil het netwerk voor fietsers verbeteren en hoogwaardige fietsverbindingen aanleggen en het autoverkeer reduceren door fietspromotie. Voorliggend plan geeft uitvoering aan deze ambitie door de aanleg van de snelfietsroute planologisch juridisch mogelijk te maken. Doordat met het plangebied sprake is van een route, die over het overgrote deel bestaand uit een 4 of 6 meter brede lijn, worden diverse aanduidingen in de visie doorkruist. Het fietspad betreft niet een brede straat waar veel autoverkeer over rijdt, maar een fietspad enkel bedoeld voor fietsers. Het bestaande netwerk voor fietsers wordt met de aanleg van de snelfietsroute F12 verbeterd en versterkt. Er zal een hoogwaardige fietsverbinding ontstaan langs de bedrijventerreinen, CenterpoortNieuwgraaf, Hengelder en 7Poort tussen Westervoort en Zevenaar.
Doordat het een smalle strook betreft, zorgt het fietspad niet voor belemmeringen voor eventueel aan te leggen ecologische verbindingen of het groenblauwe raamwerk. Het fietspad vormt geen harde barrière door deze gebieden. De aanduiding agrarisch ligt over het plangebied omdat in de huidige situatie sprake is van een buitengebied dat ook plaats biedt aan agrarische functies. Infrastructuur maakt ook onderdeel uit van het buitengebied c.q. agrarisch gebied. Onderhavig plan maakt onderdeel uit van deze infrastructuur. Bovendien wordt belemmerd de realisatie de uitoefening van agrarische functies niet. Gesteld kan worden dat voorliggend plan niet in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie.
13
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
3.3.3
Mobiliteitsplan Duiven 2016-2026
Algemeen Het mobiliteitsplan Duiven is een beleidsplan voor de hele gemeente Duiven. Het is gebaseerd op waar de gemeente nu staat, wat inwoners en andere belanghebbenden daarvan vinden en wat we nu weten over wat er op ons afkomt. Daarnaast weten we ook dat de toekomst niet volledig voorspelbaar is. Daarom biedt het mobiliteitsplan ruimte voor bijstelling en onderzoek. Het is een adaptief plan met (benoemde) onderwerpen voor aandacht en onderzoek. Anno 2015 heeft Duiven het verkeer- en vervoerbeleid best goed geregeld. De gemeente stabiliseert en dat heeft effect op hoe wij ons in Duiven verplaatsen. Tegelijk zijn er nog grote veranderingen in de (omliggende) verkeersstructuur die op ons afkomen. Denk aan de doortrekking van de A15, de aanpassingen aan de rondweg N810 en de snelfietsroutes. Ook nationale trends gaan aan Duiven niet voorbij, zoals internetwinkelen, het toenemende fietsgebruik, het thuiswerken en de opkomst van de zelfrijdende auto. 1. De ambitie van Duiven bestaat uit de volgende acht kernopgaven. 2. Pas hoofdstructuren aan op doortrekking A15 en verbreding A12. 3. Zet in op heldere locatie hoofdstructuren Duiven. 4. Aanpak verkeersveiligheid naar gebieden en doelgroepen. 5. Garanderen bereikbaarheid regionale bedrijventerreinen voor alle modaliteiten. 6. Leefbare en aantrekkelijke woonbuurten door 'maatwerk aanpak' parkeren. 7.
Veranderende overheid: samen met de buurt. 8. Schone lucht en zo min mogelijk geluidshinder. Deze acht kernopgaven zijn concreet uitgewerkt in 18 geprioriteerde projecten, vier onderzoeksopgaven en enkele structurele (langlopende) projecten. Eén van deze projecten is de snelfietsroute F12. Ontwikkelingen snelfietsroutes In de regio wordt geïnvesteerd in snelfietsroutes; ook op het grondgebied van Duiven. De gestrekte fietsroute langs het spoor (Snelfietsroute De Liemers) is inmiddels aangelegd. Het gaat om zaken als verlichting en het veiliger maken van een aantal kruisingen voor de fiets. Daarnaast heeft de gemeente Duiven inmiddels ook ingestemd met de uitwerking van een tweede snelfietsroute in de Liemers die ten noorden van de kern Duiven loopt en daarmee Centerpoort-Nieuwgraaf verbindt met omliggende kernen (F12). Afbeelding 3.3 geeft weer welke maatregelen in het mobiliteitsplan zijn opgenomen met betrekking tot de fietspaden.
14
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Afbeelding 3.3: Maatregelenlijst fiets (bron: gemeente Duiven)
Ontwikkelingen en eindbeeld fietsstructuur De afgelopen en komende jaren zet de regio en provincie sterk in op het aanleggen van snelfietsroutes. Dit zijn fietsroutes speciaal geschikt gemaakt om door te kunnen fietsen over afstanden van 5 tot 20 kilometer. De snelfietsroutes overschrijden in de regel de grenzen van wegbeheerders. Op Duivens grondgebied liggen in de toekomst drie snelfietsroutes. Snelfietsroute 'de Liemers' (route gestrekt langs het spoor) is gerealiseerd. Andere fietsroutes die nog aangelegd worden zijn de route F-12 (route die onder meer werklocatie Centerpoort-Nieuwgraaf verbindt) en een route over de toekomstige A15-brug over het Pannerdensch Kanaal (VIA15). Voor Duiven is het belangrijk deze routes goed aan te sluiten op het bestaande lokale fietsnetwerk. In de filosofie van het Mobiliteitsplan is de fietser op de route het primaire vervoermiddel. Herkenbaarheid hoofdfietsroutes verhogen Voor het lokale fietsverkeer zijn de hoofdfietsroutes de belangrijkste routes waar de fiets in Duiven gebundeld worden. Van belang is dat deze routes voor de gebruikers ook als zodanig herkenbaar zijn. Dat betekent volgens het uitgangspunt rood asfalt bij conflictpunten (ontmoetingen met overig verkeer), fiets in de voorrang en een breed en veilig profiel.
Als algemene maatregel geldt het in kaart brengen welke routes al wel en welke routes nog niet aan de vormgevingseisen voldoen. Mocht een hoofdfietsroute niet voldoen, dan kan in de vaste cyclus van beheer en onderhoud van deze routes worden bepaald om de route volgens de bijbehorende randvoorwaarden in te richten. Voor de snelfietsroute F12 is het volgende opgenomen in het mobiliteitsplan: De toekomstige snelfietsroute F12 verbindt onder meer Westervoort, station Westervoort, Centerpoort-Nieuwgraaf, Duiven en Zevenaar met elkaar. De Roodwilligenstraat is een belangrijke route voor landbouwverkeer, vanwege de aanliggende percelen. Voor een snelfietsroute is het onwenselijk fiets en landbouwverkeer te mengen op een profiel. Een aanliggend vrijliggend fietspad is hier de opgave. Doorwerking plangebied Met voorliggend plan wordt de uitvoering van deeltracé oost van de snelfietsroute F12 in Duiven juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Voorliggend plan past daarmee binnen het Mobiliteitsplan 2016-2026.
15
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
3.3.4
Conclusie
Op basis van de voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat de realisatie van deeltracé oost van de snelfietsroute niet in strijd is met het gemeentelijk beleid.
16
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf of wanneer grondwerkzaamheden worden uitgevoerd.
4.2.2
Doorwerking in het onderhavige plan & conclusie
In het onderhavige plan wordt gronden die in de huidige situatie in gebruik zijn voor agrarische doeleinden of voor groenstroken aangewend voor de aanleg van een snelfietspad. Omdat deze beoogde infrastructuur geen gevoelige functie betreft dan het huidige gebruik en omdat er geen gebouwen worden gerealiseerd waarin mensen gaan verblijven is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Voor toekomstige grondwerkzaamheden is mogelijk een bodemonderzoek noodzakelijk, dit dient voorafgaand aan de werkzaamheden te worden bepaald. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.3
Water
4.3.1
Algemeen
Beleidskader Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlakte waterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlakte wateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Op Rijksniveau is het Nationaal Waterplan het voornaamste beleidsplan. In december 2009 is dit plan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid Waterplan Provincie Gelderland In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.
Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water is voor bepaalde oppervlaktewateren vastgelegd of het een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewater is. Ook zijn voor die oppervlaktewateren ecologische doelen geformuleerd. Voor verbetering van de grondwaterkwaliteit zijn maatregelen opgenomen.
17
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Waterschap Waterschap Rijn en IJssel In het Waterbeheerplan 2016-2021 is de Watervisie 2030 verder uitgewerkt. Het Waterbeheerplan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. In het waterbeheerplan staat beschreven welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten/prioriteiten van belang zijn. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid beschreven voor de primaire taakgebieden: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Watertoetstabel Bij ruimtelijke plannen is het verplicht een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding om te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. In de paragraaf is deze watertoetstabel opgenomen. Tevens heeft overleg met het waterschap plaatsgevonden.
4.3.2
Onderzoek
In deze paragraaf wordt de watertoetstabel ingevuld. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.
18
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Verklaring watertoetstabel Op één categorie 2 vraag is 'Ja' geantwoord, namelijk dat het verhard oppervlakte toeneemt met meer dan 2.500 m2. Deze vraag is met name van belang als het één groot oppervlakte betreft met meer dan 2.500 m2, aangezien er dan maatregelen nodig zijn voor de afwatering van het hemelwater. Daar is bij voorliggend plan geen sprake van. Het is een tracé van 4 tot 6 meter breed. De lengte van het fietspad maakt dat de totale oppervlakte groter is dan 2.500 m2. Doordat er sprake is van een smalle strook in het open, onbebouwde gebied, wordt met voorliggend plan geen problemen verwacht met betrekking tot de afvoer van het hemelwater.
19
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Waterberging Het fietspad laat in totaliteit een forse toename zien van verharding in het gebied. In en rond het plangebied liggen meerdere leggerwatergangen en watergangen van derden die rechtstreeks lozen op deze leggerwatergangen. De infiltratie zal op die plekken minder zijn vanwege de bodemopbouw (kalkhoudende/kalkloze poldervaaggronden = zware klei). Ook zal de bergingsopgave in de toekomst nog verder kunnen toenemen door de geplande woningbouw aan de Ploen. Bij de gedetailleerde uitwerking van de snelfietsroute is het daarom wenselijk om extra infiltratievoorzieningen te realiseren om zoveel mogelijk ter plekke te infiltreren en vertraagd te lozen op het watersysteem van het waterschap. De totale waterbergingsopgave voor de snelfietsroute zal voldoen aan de eis van T=100+10% (80 mm netto berging) met een maximale lozing van 1,6 liter / seconde / per ha. op het watersysteem van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor de daadwerkelijke uitvoering wordt dit nog nader afgestemd met het waterschap.
4.3.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.4
Erfgoed
4.4.1
Archeologie
Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
Onderzoek Het plangebied ligt deels in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (3) en deels in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (5). In deze gebieden mogen geen bodemingrepen plaatsvinden in ongeroerde gronden met een oppervlak groter dan respectievelijk 500 en 10.000 m² en die over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 50 centimeter. Het oppervlak van het gehele fietspad (inclusief het deel 'west' en het deel Westervoort) is groter dan 10.000 m². Dit oppervlak ligt echter ook gedeeltelijk in gronden ter plaatse van bestaande infrastructuur waar de gronden reeds zijn verstoord. Bovendien wordt het snelfietspad centimeter verhoogd aangelegd ten behoeve van een goede afwatering. De diepte van de grondroeringen bedraagt hierdoor maximaal 20 centimeter waardoor de norm van 50 centimeter niet wordt overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk
4.4.2
Cultuurhistorie
Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden
20
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Het plangebied ligt in het buitengebied langs bestaande infrastructuur. De infrastructuur heeft geen cultuurhistorische waarde. Daarnaast worden geen cultuurhistorische landschapstructuren doorkruist. Voorliggend plan zorgt dan ook niet voor negatieve effecten om cultuurhistorische elementen in de gemeente Duiven.
4.4.3
Conclusie
Zoals blijkt uit voorgaande, vormen erfgoed en archeologie geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.5
Flora en fauna
4.5.1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.
In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging
21
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
4.5.2
Onderzoek Natuur
In februari 2022 is door Lycens een quickscan natuurtoets uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen (zie Bijlage 1 Quickscan flora en fauna). Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt mogelijk tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Daarom is door Lycens een stikstof onderzoek uitgevoerd, zie 4.5.3 . Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat: Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor kleine marterachtigen is niet verplicht; Aanwezige overige grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet worden gedood en moeten worden weggevangen.
Indien dit niet voorkomen kan worden, dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode of dient ontheffing te worden aangevraagd; Nader onderzoek naar jaarrond beschermde roofvogelnesten in het plangebied is niet verplicht; Overige bezette vogelnesten zijn alleen beschermd tijdens de voortplantingsperiode. Er dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode om verstoring en vernieling van bezette nesten te voorkomen. Indien gewerkt wordt tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd om bezette nesten te lokaliseren zodat verstoring en vernieling kan worden voorkomen; Er dient te allen tijde gewerkt te worden conform de Zorgplicht. Houtopstanden Een gedeelte van de bomen welke buiten de bebouwde kom liggen zijn beschermd op grond van de Wet natuurbescherming, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Voor de bomen binnen de bebouwde kom geldt de bomenverordening van de desbetreffende gemeente. Voorgenomen activiteiten leiden mogelijk tot wettelijke consequenties in het kader van de houtopstanden.
4.5.3
Onderzoek Stikstof
In december 2022 is door Lycens een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, hieruit blijkt dat voor de gebruiksfase en realisatiefase er geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarom vormt het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening van de 'omgevingsvergunning, activiteit bouwen' (zie Bijlage 2 Stikstofonderzoek).
4.5.4
Conclusie
Uit de natuurtoets blijkt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het snelfietspad. Stikstof is ook geen belemmering voor de realisatie van het fietspad.
4.6
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
4.6.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
22
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond.
In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
4.6.2
Onderzoek
Met voorliggend plan wordt geen nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Anderzijds is een fietspad in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidbron. Hierdoor hoeft er geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd voor voorliggend plan. Gesteld kan worden dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor de geluidbelasting op de omgeving.
4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
23
bestemmingsplan Snelfietsroute F12 deel Oost
De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
4.7.2
Onderzoek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een snelfietsroute. De aanleg van een snelfietsroute staat niet genoemd in de Regeling NIBM. Daarmee zal onderbouwd moeten worden dat de bijdrage aan NO2 en PM10 met deze ontwikkeling niet in betekende mate zal zijn. De snelfietsroute wordt aangelegd langs bestaande bedrijventerreinen, waardoor de bedrijven beter/makkelijker/sneller bereikbaar zijn met de fiets. Met de aanleg van de snelfietsroute wordt het fietsgebruik dan ook gestimuleerd. De snelfietsroute kan daarmee zorgen voor een afname van het autoverbruik, waardoor een verbetering voor de luchtkwaliteit optreedt. Er kan derhalve op voorhand met zekerheid worden geconcludeerd dat sprake is van een plan dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarbij betreft dit plan slechts een deel van de aan te leggen snelfietsroute en is deze grotendeels reeds planologisch bij recht toegestaan. Daarnaast wordt een fietspad niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit luchtkwaliteit.
4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in