CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

1. CBS 2015-verschillen-in-arbeidsparticipatie-tussen-buurten-in-nederland.pdf

Politieke Avond 16 februari 2021, gemeente DuivenBij agendapunt: bijlagen bij beantwoording vragen PvdA d.d. 9 februari6.231 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Sociaal Economische Trends 2013 Sociaaleconomische trends

Werkloosheid Verschillen 2004-2011 in arbeids­ Stromen en duren participatie tussen buurten Werkloosheidsduren op basis van de Enquête in Nederland; waar wonen beroepsbevolking werkenden?

2015 | 12

Wendy Smits Harry Bierings Robert de Vries 7 maart 2013 John Michiels

De verschillen in participatiegraad tussen buurten wijzigen nauwelijks als met de verschillen in participatiegraad tussen gemeenten rekening wordt gehouden. Dat blijkt bij een analyse van de participatiegraad per buurt. De spreiding in de netto arbeidsparticipatie over buurten is over de periode 2003–2013 nagenoeg constant gebleven. Het is de eerste keer dat arbeidsparticipatie op dit niveau is bekeken. Hierbij is gebruikgemaakt van buurttypen voor het karakteriseren van de buurten. De typen worden gedefinieerd door het wel of niet voorkomen van bepaalde demografische en sociaaleconomische kenmerken. De demografische en sociaaleconomische positie van een buurt kan vrij accuraat worden weergegeven met één, soms ook twee tot vijf buurttypen. Een alternatief voor het nader duiden van netto arbeidsparticipatie op lokaal niveau vormt de beschrijving van buurten in termen van kenmerk sociaaleconomische categorie. Dit kenmerk beschrijft de belangrijkste inkomensbron van personen. Bij de analyse van Heerlense buurten blijkt onder meer dat in 2013 de buurten met een hoge participatiegraad (en lage participatiegraad) niet homogeen van samenstelling zijn. Zowel in de combinatie van buurttypen als in de verdeling naar sociaaleconomische categorie verschillen Heerlense buurten met een hoge (dan wel lage) participatiegraad onderling sterk.

1. Inleiding Het aandeel werkzame personen in de bevolking van 15 tot 75 jaar, de netto arbeids­ participatie, verschilt tussen regio’s. Vooralsnog werden deze verschillen tot op gemeenteniveau in kaart gebracht. De beschikbaarheid van werk bepaalt in belangrijke mate de variatie in arbeidsparticipatie op gemeentelijk en bovengemeentelijk niveau. Waarschijnlijk geldt dit niet voor de verdeling van de werkzame beroepsbevolking binnen gemeenten. De samenstelling van de bevolking en de vestigingsvoorkeuren van werkenden en niet-werkenden spelen dan waarschijnlijk een grotere rol. Dit artikel wil meer zicht geven op deze lokale verdeling van de arbeidsparticipatie. Daartoe wordt het antwoord gezocht op een aantal vragen: −− Hoe groot is de mate van spreiding in arbeidsparticipatie tussen en binnen gemeenten? −− Hoe ontwikkelen zich deze verschillen? −− Is het mogelijk om buurten met een hoge dan wel lage arbeidsparticipatiegraad nader te typeren door de arbeidsparticipatie in samenhang met andere kenmerken te analyseren? Hierbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar kenmerken die de samenstelling van de bevolking beschrijven, zoals geslacht, leeftijd en herkomst, maar ook vestigingsfactoren als type woning en de nabijheid van voorzieningen. De opzet van het artikel is als volgt. In paragraaf 2 komen de verschillen in participatiegraad tussen en binnen gemeenten aan bod.

Hierbij wordt gebruikgemaakt van de meest gedetailleerde regionale indeling, die naar buurten. In paragraaf 3 worden buurten met een lage dan wel hoge participatiegraad getypeerd naar demografische en sociaaleconomische kenmerken.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

2

Paragraaf 4 bevat een beschrijving van deze typering van buurten in een voorbeeldgemeente: Heerlen. Hierbij zullen ook aanvullende cijfers worden ingezet van de verdeling van de bevolking naar sociaaleconomische categorie.

Om op een gedetailleerd regionaal niveau statistieken te kunnen samenstellen is het gebruik van registergegevens noodzakelijk. In de centrale berichtgeving over arbeidsparticipatie op een meer geaggregeerd regionaal niveau wordt daarentegen de Enquête beroepsbevolking (EBB) gebruikt, zodat deze gegevens actueler beschikbaar komen en ook aansluiten op de landelijke schattingen. In de technische toelichting wordt de operationalisering van de participatiecijfers op basis van registraties gegeven en wordt een vergelijking gemaakt met de Enquête Beroepsbevolking (EBB).

2. Verschillen in participatiegraad tussen en binnen gemeenten Verschillen in participatiegraad tussen provincies, COROP-gebieden en ook gemeenten, worden mede bepaald door regionale verschillen in de werkgelegenheid. Het is echter niet waarschijnlijk dat de verschillen in het aandeel werkenden op de laagste regionale niveaus, buurten, door het lokale aanbod van werk worden beïnvloed. Personen wonen namelijk in het algemeen niet bij hun werk: zo was de gemiddelde afstand tussen woon- en werkgemeenten in 2011 ongeveer 13,7 kilometer. Dat laat zien dat de werkplek doorgaans niet in de buurt ligt. In grafiek 2.1 zijn buurten ingedeeld naar participatiegraad, per peilmoment 31 december 2013, voor buurten waar 100 of meer personen van 15 tot 75 jaar woonachtig zijn. Het overgrote deel van de buurten heeft een participatiegraad tussen de 40 en 80 procent (zie grafiek 2.1a). De standaarddeviatie van de verdeling bedraagt 9,7 procentpunt.1) Indien voor de variatie tussen gemeenten gecontroleerd wordt, blijft nog steeds een groot deel van de verschillen in arbeidsparticipatie bestaan (zie grafiek 2.1b). De standaarddeviatie van de gecorrigeerde verdeling is namelijk maar iets kleiner: 8,9 procentpunt. Dit betekent dat de variatie in arbeidsparticipatie tussen buurten dus nauwelijks bepaald wordt door de verschillen in arbeidsparticipatie tussen gemeenten.

De ongelijke verdeling van de arbeidsparticipatie binnen gemeenten bleef in de periode 2003–2013 redelijk constant, met een standaarddeviatie van rond de 9 procent. Hieruit kan worden afgeleid dat in deze periode het al of niet hebben van werk een belangrijke factor is voor de vestiging van personen in een buurt. Er bestaan immers aanzienlijke verschillen in participatiegraad tussen buurten.

1)

De standaarddeviatie (SD) is de wortel van: de kwadratensom van de verschillen tussen participatiegraad per buurt en de gemiddelde participatiegraad over buurten gedeeld door het aantal buurten min 1.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

3

2.1 Verdeling aantallen buurten naar participatiegraad, ultimo 2013 Aantal 1 400

A. Totale variatie

1 200 1 000 800 600 400 200 0 0

20

Aantal 1 400

40

60

80 100 Participatiegraad (%)

B. Variatie binnen gemeenten

1 200 1 000 800 600 400 200 0 0

20

40

60

80 100 Participatiegraad (%)

3. Typering van buurten met verschillende arbeidsparticipatie De variatie van de arbeidsparticipatie tussen buurten, ook als gecorrigeerd wordt voor de verschillen in participatiegraad tussen gemeenten, is aanzienlijk. Op welke wijze verschillen de buurten met een lage arbeidsparticipatie nu van buurten met een hoge arbeidsparticipatie, bijvoorbeeld naar bevolkingssamenstelling, woningbezit en afstand tot voorzieningen? En is het mogelijk om buurten in te delen in een beperkt aantal buurttypen op basis van arbeidsparticipatie, maar ook andere kenmerken?

3.1 Kenmerken van buurten met een verschillende participatiegraad Bij het typeren van buurten moeten er bepaalde kenmerken gekozen worden om die typering vorm te geven. De keuze van deze kenmerken is niet uniek en hangt af van de soort typering die gewenst is. In dit artikel gaat om een demografische en sociaaleconomische typering en is voor de volgende kenmerken gekozen: −− de aandelen van leeftijdsgroepen per buurt −− het aandeel niet-westerse allochtonen

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

4

−− het aandeel ongehuwde personen −− het aandeel koopwoningen −− het aandeel relatief hoge huishoudensinkomens en het aandeel relatief lage huishoudensinkomens −− het gemiddeld aantal auto’s per huishouden −− de gemiddelde afstand tot een huisartsenpost, supermarkt en kinderdagverblijf −− het aandeel uitkeringsontvangers per buurt (bijstand, WW, arbeidsongeschiktheid en AOW). Voor buurten met een lage en buurten met een hoge participatiegraad zijn de scores op de genoemde kenmerken met elkaar vergeleken. Buurten met een lage netto arbeidsparticipatie hebben een participatiegraad van minder dan 50 procent (ultimo 2013). Buurten met een hoge netto arbeidsparticipatie hebben een participatiegraad van 75 procent of hoger. In de vergelijking tussen buurten met lage en buurten met hoge netto arbeidsparticipatie zijn er aanzienlijke verschillen in de score op gekozen kenmerken waar te nemen (Tabel 3.1.1). In 2013 verschilden buurten met een hoge arbeidsparticipatie qua bevolkingssamenstelling onder meer door een bijna twee maal zo groot aandeel jongeren (0–14 jaar), door een ongeveer driemaal kleiner aandeel 65-plussers (en daarmee ook AOW-ontvangers) en een relatief zeer gering aandeel niet-westerse allochtonen. In 2013 was het aandeel nietwesterse allochtonen in buurten met een lage participatiegraad ruim vijfmaal groter dan in buurten met een hoge participatiegraad.

Voor bezit en inkomen liggen de resultaten voor de hand: het aandeel relatief hoge inkomens, woningbezit en het gemiddeld aantal auto’s per huishouden lagen aanzienlijk hoger in buurten met een hoge participatiegraad; het aandeel lage inkomens was er lager. De afstand tot voorzieningen was in buurten met een hoge participatiegraad hoger dan in buurten met een lage participatiegraad (in 2013 ongeveer tweemaal groter); deze 3.1.1

Kenmerken van buurten met lage/hoge participatiegraad, 2013* Buurten met een lage netto arbeidsparticipatie (<50%)

Buurten met een hoge netto arbeidsparticipatie (≥75%)

Percentage jongeren 0–14 jaar

11­,5

21­,4

Percentage ouderen 65-plus

29­,1

10­,4

Percentage niet-westerse allochtonen

18­,6

3­,5

Percentage koopwoningen

36­,1

78­,1

Gemiddeld aantal auto’s per huishouden

0­,8

1­,3

Percentage lage huishoudensinkomens

59­,6

23­,9

Percentage hoge huishoudensinkomens

11­,1

33­,5

Afstand tot huisartsenpost

1­,2

2­,2

Afstand tot supermarkt

1­,1

2­,1

Afstand tot kinderdagverblijf

1­,1

1­,8

Percentage bijstandsontvangers

6­,8

0­,5

Percentage ww-ontvangers

2­,0

1­,6

Percentage ao-ontvangers

9­,1

3­,2

Kenmerken Bevolkingssamenstelling

Bezit en inkomen

Nabijheid voorzieningen (km)

Aandeel uitkeringsontvangers

* De cijfers betreffen gemiddelden van de cijfers per buurt.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

5

grotere afstand is niet per se als nadeel op te vatten; personen in buurten met een hogere participatiegraad wonen doorgaans in minder stedelijke gebieden en de bereikbaarheid van deze voorzieningen blijft gewaarborgd door het veel ruimere autobezit. Uitkeringsontvangers kwamen in buurten met een hoge netto arbeidsparticipatie uiteraard minder vaak voor dan in buurten met lage netto arbeidsparticipatie. Daarbij zijn er aanzienlijke verschillen naar type uitkering. In 2013 was het aandeel bijstandsontvangers in buurten met een hoge participatiegraad ongeveer 13 maal kleiner; voor het aandeel ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering was dat ongeveer driemaal. Ontvangers van een WW-uitkering komen in buurten met een hoge participatiegraad ook minder vaak voor, maar hier is de verhouding minder extreem. Het aandeel WW-uitkeringsontvangers bedroeg in buurten met een hoge participatiegraad in 2013 ongeveer 1,6 procent tegenover 2,0 procent in buurten met een lage participatiegraad.

3.2 Buurttypen Een methode om de structuur van buurten met een hoge dan wel lage participatiegraad beter te begrijpen, is het beschrijven van die buurten in termen van een beperkt aantal standaard buurttypen. Deze bepalen de score op netto arbeidsparticipatie, maar ook op andere sociaaleconomische en demografische kenmerken die in de beschrijving van buurten zijn betrokken.

3.2.1 3.2.1

Verklaarde variantie en gewicht van de belangrijkste kenmerken per buurttype, 2013 Buurt type 1

2

3

4

5

Aandeel in totale variantie (%)

32­,3

20­,8

9­,8

6­,5

5­,6

Cumulatieve aandeel (%)

32­,3

53­,0

62­,8

69­,3

74­,9

Percentage 0–14 jaar

--

+++

+/-

---

+++

Percentage 15–24 jaar

++

++

+/-

+++

---

Percentage 25–44 jaar

+++

+++

+/-

---

−­

Percentage 45–64 jaar

---

−­

++

+++

+++

Variantie

Kenmerken bij typering

Percentage 65-plus/AOW

+/-

----

−­

--

--

Percentage ongehuwd

++

+++

+/-

++

---

Percentage niet-westerse allochtonen

+++

+

+/-

+/-

+

Percentage koopwoningen

---

+

-

+/-

+

Percentage lage huishoudensinkomens

+++

--

+++

+/-

−­

Percentage hoge huishoudensinkomens

---

++

---

++

−­

Gemiddeld aantal auto’s per huishouden

---

+/-

++

+/-

++

Gemiddelde afstand tot huisartsenpost

--

+/-

+++

+/-

---

Gemiddelde afstand tot supermarkt

--

+/-

+++

+/-

---

Gemiddelde afstand tot kinderdagverblijf

--

+/-

+++

-

---

Netto arbeidsparticipatie

---

+++

---

−­

−­

Percentage bijstandsontvangers

+++

+/-

+++

+/-

++

Percentage arbeidsongeschiktheidsontvangers

++

−­

+++

++

+++

Percentage WW-ontvangers

++

+

+++

-

+++

Omgevingsadressendichtheid

+++

+

---

++

--

---=(-∞,-0.2] --=(-0.2,-0.1] -=(-0.1,-0.05] +/-=(-0.05,0.05] +=(0.05,0.1] ++=(0.1,0.2] +++=(0.2, ∞).

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

6

De typering vindt plaats met behulp van een zogenaamde principale-componentenanalyse op de buurtgegevens van 2013. Met deze techniek kan een groot aantal beschrijvende variabelen worden teruggebracht naar een kleiner aantal, dat nagenoeg dezelfde informatie bevat: de principale componenten (aangeduid met het label buurttype). In tabel 3.2.1 is een overzicht opgenomen van de belangrijkste resultaten. Hierbij zijn de buurttypen uitgedrukt in termen van hun score op de onderliggende set van demografische en sociaaleconomische kenmerken. De drie belangrijkste buurttypen verklaren bijna twee derde van de variatie in de gegeven buurtkenmerken. Buurttype 1 betreft buurten met een groot aandeel jonge, ongehuwde bewoners, en het aandeel kinderen is er relatief laag. Deze bewoners zijn relatief vaak van niet-westerse allochtone herkomst. Het aandeel huishoudens met een koopwoning, een auto en een relatief hoog inkomen is er laag, het aandeel relatief lage inkomens juist hoger. De gemiddelde afstand tot voorzieningen is verhoudingsgewijs gering, en de buurt bevindt zich in stedelijk gebied. Er wonen relatief veel ontvangers van een bijstands-, WW- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Buurttype 2 betreft vooral kinderrijke buurten, met een relatief klein aandeel 45-plussers. Het aandeel huishoudens met een hoog inkomen is er relatief hoog, evenals de netto arbeidsparticipatie.

Dit type buurten is matig stedelijk. Het derde type buurten betreft buurten met een relatief lage arbeidsparticipatie en een hoger aandeel lagere inkomens in landelijke gebieden. Het aandeel uitkeringsontvangers is er hoog en de afstand tot voorzieningen groot. Een alternatief voor de beschrijving van buurten met een hoge dan wel lage participatiegraad is het gebruik van kenmerk sociaaleconomische categorie. Dit kenmerk biedt nadere informatie over de belangrijkste inkomensbron van personen. In de volgende paragraaf worden zowel buurttype als sociaaleconomische categorie ingezet voor de beschrijving van buurten in een voorbeeldgemeente.

4. Casus: participatiegraad buurten in gemeente Heerlen Met gegevens uit registraties kunnen per gemeente de participatiegraden op het laagste regionale niveau in beeld worden gebracht. Als voorbeeld is de gemeente Heerlen gekozen. Tot de buurten in Heerlen met een voor die gemeente relatief hoge netto arbeidsparticipatie behoorden in 2013, met een aandeel werkzame personen van 66 procent of meer, de buurten Husken, Aarveld, Bekkerveld, Douve Weien, Caumerveld en de Egstraat en omgeving. Het overgrote deel van deze buurten bevindt zich in Heerlen-Zuid. Het gaat hierbij om buurten met een relatief groot aandeel huishoudens met hoog inkomen (uitgezonderd Aarveld, dat een groot aandeel eenpersoonshuishoudens heeft), hoge woningwaarde en relatief weinig uitkeringsontvangers voor de bijstand, WW en arbeidsongeschiktheid. In

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

7

4.1 Netto arbeidsparticipatie buurten in gemeente Heerlen, ultimo 2013

Mariarade- MariaradeNoord Zuid

Weggebekker

De Dem en omgeving

NieuwEinde

Uterweg

Maria Gewanden HoensVrie- VersiliënPassart broekheide bosch Centrum HeerlerTerschuren heide Kom HeksenNieuw berg LotbroekPronseNoord De Koumen Groot broek Nieuw Rennemig SchelsLotbroekberg Zuid Beersdal

Verspreid huizen

Husken

Palemig MusBurettestraat scheen omgeving Ten Esschen Zes- mig GrasMeezenbroek wegen broek In de HoppersCramer graaf Schan-Schaesdelen bergerveld EikenDr. Nolensplein derveld Heerlenen omgeving Terworm Centrum 't Loon Op de MolenDr. Schaepmanplein Nobel bergpark en omgeving Lindeveld BekkerSchiffelerveld Aar- veld WeltenCaumerveld Dorp veld Douve GiezenEgstraat en Weien veld omgeving Ziekenhuis Benzenrade

HeerlerbaanWest

HeerlerbaanOost

Imstenrade

Beitel

netto arbeidsparticipatie (%) 0–39 40–49 50–59 60–69 70–100 <100 inwoners

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

8

deze buurten woonden in 2013 relatief weinig niet-westerse allochtonen. De bevolkings­ samenstelling verschilde per buurt aanzienlijk. In de Egstraat en omgeving woonden naar verhouding veel personen jonger dan 65 jaar, in Douve Weien daarentegen veel 65-plussers. In de buurt Husken, de buurt met de hoogste participatiegraad, was het aandeel huishoudens met kinderen in vergelijking met andere buurten hoog, in Aarveld daarentegen relatief laag. Tot de buurten met een lage netto arbeidsparticipatie konden in 2013 Weggebekker, Versiliënbosch en de Burettestraat en omgeving gerekend worden. Hier lag de participatiegraad onder de 40 procent. Het aandeel huishoudens met een relatief laag inkomen bedroeg ten minste 67 procent (in Heerlen als geheel was dat 53 procent) en de woningwaarde was er relatief laag. Het overgrote deel van de woningen in deze buurten (vanaf 86 procent van de woningen) betrof huurwoningen. De bevolkingssamenstelling verschilde ook hier aanzienlijk per buurt. Weggebekker en Versiliënbosch zijn relatief kinderrijke buurten, met een hoog aandeel niet-westerse allochtonen. In de Burettestraat en omgeving woonden relatief veel westerse allochtonen en 65-plussers. De buurten in Heerlen in 2013 kunnen nader worden geclassificeerd met de typologie die in de vorige paragraaf is ontwikkeld.

Voor elke buurt kan het gewicht van een bepaald buurttype worden berekend.2) Bovendien kan aan ieder buurttype een teken worden toegekend. Dit teken, dat positief of negatief kan zijn, geeft aan of het buurttype of juist het complement van het buurttype van toepassing is. Bijvoorbeeld, als voor een bepaalde buurt het aandeel van buurttype 1 hoog is, bijvoorbeeld 90%, dan bepaalt dit buurttype in belangrijke mate de demografische en sociaaleconomische kenmerken. Is het teken van de bijbehorende principale component positief dan gaat het volgens de karakterisering van tabel 3.2.1 om een wijk met relatief veel ongehuwden en lage inkomens. Is het teken negatief dan is het omgekeerde het geval. Buurten Aarveld en Burettestraat en omgeving worden gedomineerd door respectievelijk buurttypen 1 en 2. Voor beide buurten ligt het aandeel van het betreffende buurttype op ongeveer 60 procent. In het geval van Aarveld is het teken van de principale component positief. Er wonen, volgens de beschrijving van tabel 3.2.1, dan ook relatief veel ongehuwden en huishoudens met een relatief laag inkomen. Voor de Burettestraat en omgeving is het teken negatief; er zijn, volgens tabel 3.2.1, dan ook veel 65-plussers en relatief lage inkomens. Niet alle buurten worden gedomineerd door één bepaald buurttype.

Weggebekker heeft als belangrijkste buurttypen 1 en 3 (respectievelijke aandelen 41,0 en 23,6 procent), evenals Caumerveld (aandelen 48,6 en 19,4 procent). Voor de overige hier beschouwde buurten met een lage/hoge netto arbeidsparticipatie zijn zelfs meer dan 2 buurttypen bepalend. In de bijlage zijn nadere details over de buurttypering van Heerlense buurten met een lage dan wel hoge participatiegraad opgenomen. Een alternatieve manier om meer inzicht te krijgen in de structuur van buurten is door de bevolking in te delen naar sociaaleconomische categorie. In tabel 4.0.2 is een dergelijk overzicht samengesteld voor de buurten in Heerlen in 2013 met een hoge participatiegraad en buurten met een lage participatiegraad. Wat opvalt is de diversiteit.

2)

Iedere buurt wordt gekenmerkt door een aantal buurttypen (principale componenten) fi, i ε 1..n, met n het totaal aantal kenmerken in de analyse. Het belang van elk van deze kenmerken wordt gegeven door het gewicht (fi)2/∑nj=1 (fj)2 x 100%.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

9

4.2 4.2

15–74 jarigen naar sociaaleconomische categorie, buurten in Heerlen, ultimo 20131) Werk­ nemer

Zelf­ standige

WW, bijstand

AO

Pensioen

Kind

Overig

%­

Buurten met lage participatiegraad Weggebekker

22­,1

5­,4

33­,4

10­,4

11­,7

9­,0

8­,0

Versiliënbosch

27­,4

3­,1

20­,7

11­,5

22­,4

5­,9

9­,1

Burettestraat en omgeving

26­,0

2­,2

22­,4

10­,3

23­,8

6­,7

8­,5

Husken

58­,0

5­,6

4­,1

6­,3

10­,7

9­,3

5­,9

Bekkerveld

51­,3

7­,5

6­,0

3­,0

15­,7

10­,2

6­,4

Aarveld

54­,1

5­,5

14­,2

5­,3

8­,9

8­,5

3­,5

Caumerveld

47­,0

11­,0

2­,2

2­,9

16­,9

12­,3

7­,8

Douve Weien

53­,9

6­,1

7­,5

5­,0

16­,7

6­,3

4­,3

Egstraat en omgeving

57­,2

3­,4

5­,7

5­,1

9­,7

12­,6

6­,3

Buurten met hoge participatiegraad

1)

zelfstandige = samenvoeging van de categorieën directeur-grootaandeelhouder, zelfstandige en overig actief; WW, bijstand = samenvoeging van de categorieën ontvanger werkloosheidsuitkering, ontvanger bijstandsuitkering en ontvanger uitkering overige sociale voorziening; ao = categorie ontvanger uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid; pensioen = categorie ontvanger pensioenuitkering; kind = combinatie van de categorieën nog niet schoolgaand/scholier/student met en zonder inkomen; overig = de categorie overig zonder inkomen.

Het aandeel personen met als belangrijkste sociaaleconomische categorie werknemer of zelfstandige (inclusief directeuren-grootaandeelhouders en overig actieve personen) is in buurten met een hoge participatiegraad uiteraard groot, en in buurten met een lage participatiegraad relatief klein. Maar het aandeel zelfstandigen was in Caumerveld in 2013 aanzienlijk hoger (11 procent) dan in andere buurten met een hoge participatiegraad. Ook het aandeel ontvangers van een pensioenuitkering, het aandeel ontvangers van WW, bijstand of een overige sociale voorziening en het aandeel jonge/schoolgaande/studerende kinderen verschilde in 2013 aanzienlijk tussen buurten.

5. Conclusies De verschillen in participatiegraad tussen buurten wijzigen nauwelijks als met de verschillen in participatiegraad tussen gemeenten rekening wordt gehouden. Dat blijkt bij een analyse van de participatiegraad per buurt en per gemeente. De spreiding in de netto arbeidsparticipatie over buurten is over de periode 2003–2013 nagenoeg constant gebleven. De beschrijving van buurten in termen van demografische en sociaaleconomische kenmerken kan worden vereenvoudigd door deze kenmerken terug te brengen tot een beperkt aantal buurttypen. Voor de meeste buurten is een beschrijving in termen van één, soms ook twee tot vijf buurttypen voldoende. Een alternatief voor het nader duiden van netto arbeidsparticipatie op lokaal niveau, vormt de beschrijving van buurten in termen van het kenmerk sociaaleconomische categorie. Dit kenmerk beschrijft de belangrijkste inkomensbron van personen.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

10

Bij de analyse van de Heerlense buurten blijkt onder meer dat in 2013 de buurten met een hoge participatiegraad (en lage participatiegraad) niet homogeen van samenstelling zijn. Zowel in de combinatie van buurttypen als in de verdeling naar sociaaleconomische categorie verschillen Heerlense buurten met een hoge (dan wel lage) participatiegraad onderling sterk.

6. Technische toelichting 6.1 Databronnen SECM-component De registerinformatie over het al dan niet werkzaam zijn van personen en over de sociaaleconomische categorie van personen is afkomstig uit het stelsel van Sociaal Statistische bestanden (SSB). Het SSB bestaat uit een groot aantal componenten waarvan de gegevens onderling koppelbaar zijn. De informatie over arbeidsparticipatie wordt gehaald uit SSB-component SECM. Deze component bevat gegevens over de sociaaleconomische categorie (SECM) van personen in een bepaalde maand. Van de afzonderlijke inkomensbronnen, die aan de afbakening van SECM ten grondslag liggen, wordt aangegeven of een persoon deze in de betreffende periode heeft. Ook wordt in de component aangegeven of een persoon als scholier/student in de betreffende maand stond ingeschreven. De gegevens tot en met verslagjaar 2012 zijn definitief, die van verslagjaar 2013 zijn voorlopig. De volgende inkomensbronnen worden onderscheiden: −− Lonen van werknemers exclusief directeur-grootaandeelhouders −− Lonen van directeur-grootaandeelhouders −− Inkomen uit eigen onderneming (‘winst’) −− Inkomen uit overige werkzaamheden −− Werkloosheidsuitkeringen −− Bijstandsuitkeringen −− Uitkeringen overige sociale voorzieningen −− Uitkeringen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid −− Pensioenuitkeringen

6.2 Begrippen Werkzame beroepsbevolking Alle personen die betaald werk hebben, ook al is dit voor een uur per week, worden tot de werkzame beroepsbevolking gerekend. In de EBB wordt dit geoperationaliseerd door aan respondenten te vragen of zij betaald werk hebben, hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandige of meewerkende in het bedrijf van partner of familie. Is een van deze situaties van toepassing, dan is er sprake van betaald werk en is de persoon werkzaam. Het al of niet werkzaam zijn van personen kan in goede benadering worden afgeleid uit de registergegevens van de Belastingdienst die in SBB-component SECM zijn opgenomen. Indien de persoon in het kader van een arbeidsovereenkomst loonheffingen afdraagt, fictief loon ontvangt, of aangifte doet van winst uit onderneming of resultaat uit

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

11

overige werkzaamheden, is er sprake van betaald werk. Ook kan uit de gegevens van de Belastingdienst worden opgemaakt of de persoon werkzaam is in het buitenland. Momenteel zijn in deze operationalisering de personen die in het bedrijf van de partner of familie meewerken nog niet meegenomen. Sociaaleconomische categorie Indeling van een persoon in een sociaaleconomische categorie. Om de score op deze variabele te bepalen worden alle inkomsten in de verslagmaand uit de verschillende inkomensbronnen die iemand heeft, met elkaar vergeleken. Het hoogste bedrag is in principe bepalend voor de sociaaleconomische categorie. Het gaat zodoende om een zwaartepunt­ bepaling. Daarnaast wordt meegenomen of een persoon ingeschreven staat bij een onderwijsinstelling. Dat is mede bepalend voor de sociaaleconomische categorie. De volgende sociaaleconomische categorieën worden onderscheiden: −− Werknemers −− Directeur-grootaandeelhouders −− Zelfstandigen −− Overig actief −− Ontvanger werkloosheidsuitkering −− Ontvanger bijstandsuitkering −− Ontvanger uitkering overige sociale voorziening −− Ontvanger uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid −− Ontvanger pensioenuitkering −− Nog niet schoolgaand/scholier/student met (niet substantieel) inkomen −− Nog niet schoolgaand/scholier/student zonder inkomen −− Overig zonder inkomen.

6.3 Vergelijking van bronnen De vergelijking betreft het aantal personen in de werkzame beroepsbevolking per gemeente in 2012 op basis van registergegevens en op basis van de EBB. Voor dat jaar zijn definitieve cijfers over de werkzaamheid als werknemer, directeur-grootaandeelhouder, zelfstandige of overig actieve persoon in de SECM component opgenomen. Bij de schatting van het aantal werkzame personen is uitgegaan van de doelpopulatie van de EBB: personen woonachtig in Nederland in particuliere huishoudens. Omdat de jaarschattingen van de EBB gezien kunnen worden als een jaargemiddelde van de stand van het aantal werkzame personen, is het voor een zuivere vergelijking noodzakelijk een dergelijk gemiddelde ook te berekenen met de registerbronnen. Dit is gebeurd door de aantallen werkzame personen over de maanden januari tot en met december van verslagjaar 2012 te middelen. De EBB-schattingen zijn het resultaat van een modelberekening (KDS) en kunnen worden opgevat als een gewogen gemiddelde van een synthetische schatter en de algemene regressieschatter. Voor meer informatie over de schattingsmethode zie (Boonstra en Michiels, 2013).

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

12

6.3.1 Aantal werkzame personen per gemeente, 2012, EBB versus SECM component De vier grote gemeenten

500 000 400 000 300 000 200 000 100 000 0

Amsterdam

Rotterdam

's-Gravenhage (gemeente)

Utrecht (gemeente)

Een viertal middelgrote gemeenten

120 000 100 000 80 000 60 000 40 000 20 000 0

Groningen (gemeente)

Eindhoven

Middelburg (Z.)

Heerlen

Een viertal kleinere gemeenten

10 000 8 000 6 000 4 000 2 000 0

Appingedam

SECM

Ommen

Westervoort

Menameradiel

EBB-Kds

Uit de vergelijking van de gemeenten in grafiek 5.3.1 blijkt dat de overeenkomst tussen schattingen van het aantal werkzame personen uit beide bronnen uitstekend is. De kleine verschillen die zichtbaar zijn, zijn toe te schrijven aan het steekproefkarakter van de EBB, waar het kansmechanisme van de steekproeftrekking onzekerheid in de schattingen introduceert, meetfouten in beide bronnen en het ontbreken van de meewerkende gezinsleden in het bedrijf van partner of familie in de registertellingen. In het laatste geval gaat het om slechts een kleine groep werknemers (landelijk ging het in 2012 om ongeveer 46 duizend personen). De volledige lijst van schattingen per gemeente is in de bijlage opgenomen.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

13

Bijlage 1.

Typering van buurten met een lage/hoge participatiegraad in Heerlen, 2013 Principale componenten f1

f2

f3

f4

f5

Gewicht (%)­

f1 Som

f2

f3

f4

f5

-

Teken

Buurten (lage participatie) Weggebekker

41­,0

1­,7

23­,6

0­,3

3­,3

69­,9

+

-

+

-

Versiliënbosch

27­,8

18­,3

22­,2

2­,5

8­,9

79­,7

+

-

+

+

-

Burettestraat e.o.

18­,6

60­,3

0­,9

0­,1

0­,6

80­,5

+

-

+

+

+

Husken

12­,1

26­,2

1­,6

0­,1

19­,4

59­,4

-

+

+

-

-

Bekkerveld

1­,8

0­,0

24­,9

1­,2

17­,2

45­,1

-

+

-

+

-

Aarveld

59­,5

0­,1

6­,9

3­,2

1­,6

71­,3

+

+

+

+

-

Caumerveld

48­,6

0­,6

19­,4

13­,3

2­,9

84­,8

-

-

-

+

-

Douve Weien

22­,0

32­,2

0­,1

0­,1

0­,2

54­,6

+

-

-

-

-

Egstraat e.o.

4­,9

17­,7

1­,0

30­,3

22­,3

76­,2

-

+

-

+

-

Buurten (hoge participatie)

2. 2.

Jaargemiddelde aantal werkzame personen per gemeente, 2012 (alleen gemeenten zonder herindeling in de periode 2012–2014 zijn weergegeven) SECM component

Gemeente

EBB-KDS

Gemeente

x 1 000

Appingedam Bedum Bellingwedde Ten Boer Delfzijl Groningen (gemeente) Grootegast Haren Hoogezand-Sappemeer Leek Loppersum Marum Almere Stadskanaal Slochteren Veendam Vlagtwedde Zeewolde Winsum Zuidhorn Dongeradeel Achtkarspelen Ameland het Bildt Franekeradeel Harlingen Kollumerland en Nieuwkruisland Leeuwarderadeel Ooststellingwerf Opsterland Schiermonnikoog

SECM component

EBB-KDS

x 1 000 5­

6­

5­

5­

4­

4­

4­

4­

11­

12­

99­

100­

6­

6­

8­

8­

15­

15­

9­

9­

5­

5­

5­

5­

100­

99­

14­

15­

8­

8­

12­

13­

7­

7­

11­

11­

7­

7­

9­

9­

11­

11­

13­

13­

2­

2­

5­

5­

10­

10­

7­

7­

6­

6­

5­

5­

12­

12­

14­

14­

0­

0­

Maassluis Bernisse Nieuwkoop Noordwijk Noordwijkerhout Oegstgeest Oud-Beijerland Binnenmaas Korendijk Oudewater Papendrecht Ridderkerk Rotterdam Rij swi jk( ZH)­ Schiedam Schoonhoven Sliedrecht Cromstrijen Spijkenisse Albrandswaard Westvoorne Strijen Vianen Vlaardingen Vlist Voorschoten Waddinxveen Wassenaar Woerden Zoetermeer Zoeterwoude

15­

15­

6­

7­

14­

14­

13­

13­

8­

8­

11­

11­

12­

12­

15­

15­

6­

6­

5­

5­

16­

16­

22­

22­

278­

278­

22­

22­

36­

36­

6­

6­

12­

12­

7­

7­

37­

37­

13­

13­

7­

7­

5­

5­

10­

10­

33­

34­

5­

5­

12­

12­

13­

13­

10­

11­

27­

26­

63­

63­

4­

4­

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

14

2. 2.

Jaargemiddelde aantal werkzame personen per gemeente, 2012 (alleen gemeenten zonder herindeling in de periode 2012–2014 zijn weergegeven) (vervolg) SECM component

Gemeente

EBB-KDS

Gemeente

x 1 000

Smallingerland Terschelling Vlieland Weststellingwerf Assen Coevorden Emmen Hoogeveen Meppel Littenseradiel Almelo Borne Dalfsen Deventer Enschede Haaksbergen Hardenberg Hellendoorn Hengelo (O.) Kampen Losser Noordoostpolder Oldenzaal Ommen Raalte Staphorst Tubbergen Urk Wierden Zwolle Rijnwaarden Aalten Apeldoorn Arnhem Barneveld Beuningen Brummen Buren Culemborg Doesburg Doetinchem Druten Duiven Ede Elburg Epe Ermelo Geldermalsen Groesbeek Harderwijk Hattem Heerde Heumen Lochem Maasdriel Millingen aan de Rijn Nijkerk Nijmegen Oldebroek Putten Renkum Rheden

SECM component

EBB-KDS

x 1 000 25­

26­

2­

2­

1­

1­

12­

12­

32­

33­

17­

17­

50­

51­

26­

26­

16­

16­

6­

6­

33­

34­

11­

11­

14­

14­

48­

49­

73­

74­

12­

12­

30­

30­

18­

18­

39­

39­

26­

26­

11­

11­

24­

23­

16­

16­

9­

9­

19­

19­

8­

8­

11­

11­

9­

9­

12­

12­

63­

63­

6­

6­

14­

13­

77­

77­

74­

75­

27­

26­

14­

13­

10­

10­

14­

13­

14­

14­

5­

5­

28­

28­

9­

9­

14­

13­

55­

53­

11­

11­

15­

15­

13­

13­

13­

13­

9­

9­

23­

23­

6­

6­

9­

9­

8­

8­

16­

16­

13­

13­

3­

3­

21­

20­

83­

85­

12­

12­

12­

12­

14­

14­

19­

20­

Zwijndrecht Nederlek Ouderkerk Borsele Goes West Maas en Waal Hulst Kapelle Middelburg (Z)­ Giessenlanden Reimerswaal Zederik Terneuzen Tholen Veere Vlissingen Lingewaal De Ronde Venen Tytsjerksteradiel Aalburg Asten Baarle-Nassau Bergen op Zoom Best Boekel Boxmeer Boxtel Breda Deurne Pekela Dongen Eersel Eindhoven Etten-Leur Geertruidenberg Gilze en Rijen Goirle Grave Haaren Helmond 's-Hertogenbosch Heusden Hilvarenbeek Loon op Zand Mill en Sint Hubert Nuenen, Gerwen en Nederwetten Oirschot Oisterwijk Oosterhout Oss Rucphen Schijndel Sint-Michielsgestel Sint-Oedenrode Someren Son en Breugel Steenbergen Waterland Tilburg Uden Valkenswaard Veghel

21­

22­

7­

7­

4­

4­

12­

12­

18­

18­

10­

10­

13­

13­

6­

6­

23­

23­

8­

7­

11­

11­

7­

7­

26­

26­

12­

12­

11­

11­

21­

22­

6­

6­

23­

23­

15­

15­

6­

6­

9­

8­

3­

3­

32­

32­

15­

15­

5­

5­

15­

14­

15­

15­

89­

90­

16­

16­

6­

6­

13­

13­

9­

9­

107­

111­

21­

22­

11­

11­

13­

13­

12­

12­

6­

6­

7­

7­

43­

44­

74­

74­

22­

22­

8­

8­

12­

12­

6­

6­

11­

11­

10­

9­

13­

13­

27­

27­

42­

42­

11­

11­

12­

12­

14­

14­

9­

9­

10­

10­

8­

8­

12­

12­

9­

9­

106­

107­

21­

21­

15­

15­

20­

19­

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

15

2. 2.

Jaargemiddelde aantal werkzame personen per gemeente, 2012 (alleen gemeenten zonder herindeling in de periode 2012–2014 zijn weergegeven) (vervolg) SECM component

Gemeente

EBB-KDS

Gemeente

x 1 000

Rozendaal Scherpenzeel Tiel Ubbergen Voorst Wageningen Westervoort Winterswijk Wijchen Zaltbommel Zevenaar Zutphen Nunspeet Dronten Neerijnen Amersfoort Baarn De Bilt Bunnik Bunschoten Eemnes Houten Leusden Lopik Montfoort Renswoude Rhenen Soest Utrecht (gemeente) Veenendaal Woudenberg Wijk bij Duurstede IJsselstein Zeist Nieuwegein Aalsmeer Alkmaar Amstelveen Amsterdam Graft-De Rijp Beemster Bergen (NH.) Beverwijk Blaricum Bloemendaal Bussum Castricum Diemen Edam-Volendam Enkhuizen Haarlem Haarlemmerliede en Spaarnwoude Haarlemmermeer Heemskerk Heemstede Heerhugowaard Heiloo Den Helder Hilversum Hoorn Huizen Landsmeer

SECM component

EBB-KDS

x 1 000 1­

1­

5­

5­

21­

21­

5­

5­

12­

12­

17­

19­

8­

8­

14­

14­

21­

21­

14­

13­

16­

16­

23­

23­

13­

13­

20­

20­

6­

6­

77­

77­

12­

12­

20­

20­

7­

7­

11­

11­

5­

4­

27­

26­

15­

15­

8­

7­

7­

7­

3­

3­

9­

9­

22­

22­

171­

175­

31­

32­

6­

6­

13­

13­

18­

18­

28­

29­

32­

33­

16­

16­

49­

49­

40­

41­

403­

408­

3­

3­

4­

4­

14­

14­

20­

21­

4­

4­

9­

10­

15­

15­

17­

17­

13­

13­

15­

15­

9­

9­

78­

78­

3­

3­

77­

76­

20­

20­

12­

12­

27­

27­

11­

11­

27­

28­

42­

43­

36­

36­

21­

21­

5­

5­

Veldhoven Vught Waalre Waalwijk Werkendam Woensdrecht Woudrichem Zundert Wormerland Onderbanken Landgraaf Beek (L)­ Beesel Bergen (L)­ Brunssum Gennep Heerlen Kerkrade Maastricht Meerssen Mook en Middelaar Nederweert Nuth Roermond Schinnen Simpelveld Stein (L)­ Vaals Venlo Venray Voerendaal Weert Valkenburg aan de Geul Lelystad Horst aan de Maas Oude IJsselstreek Teylingen Utrechtse Heuvelrug Oost Gelre Koggenland Lansingerland Leudal Maasgouw Eemsmond Gemert-Bakel Halderberge Heeze-Leende Laarbeek De Marne Reusel-De Mierden Roerdalen Maasdonk Roosendaal Schouwen-Duiveland Aa en Hunze Borger-Odoorn Cuijk Landerd De Wolden Noord-Beveland Wijdemeren Noordenveld

23­

23­

12­

13­

8­

8­

24­

24­

13­

13­

11­

10­

8­

8­

11­

11­

8­

8­

4­

4­

18­

18­

8­

8­

7­

7­

7­

7­

13­

13­

9­

9­

39­

40­

21­

21­

53­

57­

9­

9­

4­

4­

9­

9­

8­

8­

27­

27­

6­

6­

5­

5­

12­

12­

4­

4­

49­

49­

22­

22­

6­

6­

24­

24­

8­

8­

36­

36­

23­

22­

20­

19­

19­

18­

22­

22­

16­

15­

12­

12­

30­

29­

19­

19­

12­

12­

8­

8­

16­

15­

15­

15­

8­

8­

11­

11­

5­

5­

7­

7­

10­

10­

6­

6­

37­

38­

17­

16­

12­

12­

12­

12­

13­

12­

8­

8­

12­

12­

4­

4­

12­

11­

14­

14­

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

16

2. 2.

Jaargemiddelde aantal werkzame personen per gemeente, 2012 (alleen gemeenten zonder herindeling in de periode 2012–2014 zijn weergegeven) (slot) SECM component

Gemeente

EBB-KDS

Gemeente

x 1 000

Langedijk Laren (NH.) Medemblik Muiden Naarden Oostzaan Opmeer Ouder-Amstel Purmerend Texel Uitgeest Uithoorn Velsen Weesp Schermer Zandvoort Zeevang Zaanstad Alblasserdam Barendrecht Bergambacht Drechterland Brielle Capelle aan den IJssel Delft Gorinchem Gouda 's-Gravenhage (gemeente) Hardinxveld-Giessendam Hellevoetsluis Hendrik-Ido-Ambacht Stede Broec Hillegom Katwijk Krimpen aan den IJssel Leerdam Leiden Leiderdorp Lisse

SECM component

EBB-KDS

x 1 000 14­

14­

4­

5­

22­

22­

3­

3­

8­

8­

5­

5­

6­

6­

7­

7­

41­

40­

7­

7­

7­

7­

15­

14­

34­

34­

9­

9­

3­

3­

8­

8­

3­

3­

74­

73­

9­

9­

24­

24­

5­

5­

10­

10­

8­

8­

33­

32­

47­

50­

17­

17­

35­

35­

232­

235­

9­

9­

20­

20­

15­

15­

11­

11­

11­

11­

32­

32­

14­

14­

10­

10­

62­

64­

13­

13­

12­

12­

Twenterand Westerveld Sint Anthonis Lingewaard Cranendonck Steenwijkerland Moerdijk Echt-Susteren Sluis Drimmelen Bernheze Ferwerderadiel Alphen-Chaam Bergeijk Bladel Gulpen-Wittem Tynaarlo Midden-Drenthe Overbetuwe Hof van Twente Neder-Betuwe Rijssen-Holten Geldrop-Mierlo Olst-Wijhe Dinkelland Westland Midden-Delfland Berkelland Bronckhorst Sittard-Geleen Kaag en Braassem Dantumadiel Zuidplas Peel en Maas Oldambt Zwartewaterland Súdwest-Fryslân Bodegraven-Reeuwijk Eijsden-Margraten Stichtse Vecht Menameradiel Hollands Kroon Leidschendam-Voorburg Pijnacker-Nootdorp Montferland Menterwolde

17­

17­

9­

9­

6­

6­

24­

24­

10­

10­

21­

21­

19­

19­

15­

15­

12­

11­

14­

14­

16­

15­

4­

4­

5­

5­

10­

9­

11­

10­

7­

7­

15­

15­

17­

17­

24­

24­

18­

17­

11­

11­

19­

18­

19­

19­

9­

9­

14­

13­

56­

54­

10­

10­

23­

22­

19­

18­

43­

44­

14­

14­

9­

9­

21­

21­

23­

23­

17­

18­

11­

11­

40­

39­

17­

17­

13­

12­

33­

33­

7­

7­

25­

24­

34­

35­

26­

26­

17­

17­

6­

6­

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

17

Literatuur Boonstra, H.J. en J. Michiels (maart 2013), Evaluatie van kleine-domeinschatters voor arbeidspositie op regionaal niveau. Interne CBS-nota.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

18

Verklaring van tekens Niets (blanco) .

Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen Het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim

*

Voorlopige cijfers

**

Nader voorlopige cijfers

2014–2015

2014 tot en met 2015

2014/2015

Het gemiddelde over de jaren 2014 tot en met 2015

2014/’15 2012/’13–2014/’15

Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2014 en eindigend in 2015 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2012/’13 tot en met 2014/’15 In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Colofon Uitgever Centraal Bureau voor de Statistiek Henri Faasdreef 312, 2492 JP Den Haag www.cbs.nl Prepress Studio BCO, Den Haag Ontwerp Edenspiekermann Inlichtingen Tel. 088 570 70 70 Via contactformulier: www.cbs.nl/infoservice © Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire, 2015. Verveelvoudigen is toegestaan, mits CBS als bron wordt vermeld.

CBS | Verschillen in arbeidsparticipatie tussen buurten in Nederland; waar wonen werkenden, november 2015 | 12

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=58192295-87e7-46e4-9d62-580f567ffe7e