ea7cc210-4da6-4b12-97bc-281ed46ca2f9.pdf
Tekst van het document
Was-Wordt tabel APV 2016 – APV 2022 Was (APV 2016) Wordt (APV 2022) Artikel 1:1 Begripsbepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel c. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder e, van de Bouwverordening 1.1, eerste lid, onder e, van de Bouwverordening 2002 van de gemeente Dronten; 2002 van de gemeente Dronten; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en e. college: het college van burgemeester en wethouders; wethouders; f.
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; verkeerstekens 1990; l. rechthebbende: degene die over een zaak l.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens kleine wagens, zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Wegenverkeerswet 1994. Sub m. Tekstuele verduidelijking. De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990.
Was (APV 2016) Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op de door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huisaan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. In afwijking van het vierde lid bestaat een meldingsplicht voor niet- commerciële organisaties, onder de volgende voorwaarden: a. de organisator van de niet- commerciële organisatie doet uiterlijk 10 werkdagen voor de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, een melding bij het college; b. de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, mag enkel plaatsvinden op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en op door of namens het college aangewezen koopzondagen gedurende de winkeltijden. c. de organisatie van de niet- commerciële organisatie is verplicht in een straal van 50 meter rondom haar verspreidingsgebied weggegooide geschreven of gedrukte stukken op te ruimen. 6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Wordt (APV 2022) Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op de door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huisaan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. In afwijking van het vierde lid bestaat een meldingsplicht voor niet- commerciële organisaties, onder de volgende voorwaarden: a. de organisator van de niet- commerciële organisatie doet uiterlijk 10 werkdagen voor de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, een melding bij het college; b. de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, mag enkel plaatsvinden op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en op door of namens het college aangewezen koopzondagen gedurende de winkeltijden. c. de organisatie van de niet- commerciële organisatie is verplicht in een straal van 50 meter rondom haar verspreidingsgebied weggegooide geschreven of gedrukte stukken op te ruimen. 6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Lid 6: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing.
Was (APV 2016) Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Wordt (APV 2022) Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Lid 4: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. Artikel 2:10 Voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 0,9 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving: a. nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats; b. vergunning verlenen voor het exploiteren van een terras. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:10 Voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 0,9 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving: a. nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats; b. vergunning verlenen voor het exploiteren van een terras. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Was (APV 2016) 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Flevoland. 8. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wordt (APV 2022) 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Flevoland. 8. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Lid 8: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Omgevingsverordening Flevoland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren. 5.
Op de vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Omgevingsverordening Flevoland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren. 5. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Lid 5: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing.
Was (APV 2016) Artikel 2:24 Begripsbepaling
Wordt (APV 2022) Artikel 2:24 Begripsbepaling
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen, niet zijnde filmvertoningen op een openbare plaats in de open lucht en theatervoorstellingen in de daarvoor bestemde gebouwen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b.
het evenement plaatsvindt op maandag, dinsdag, woensdag of donderdag tussen 07.00 en 23.00 uur of op vrijdag of zaterdag tussen 07.00 en 24.00 uur, of op zon- of feestdagen tussen 13.00 en 23.00 uur; c. geen muziek of ander geluid ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 70dB(A) op de gevels van omringende woningen/panden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object; f. er geen conflicterende samenloop is met andere evenementen waarvoor een vergunning is verleend, wegwerkzaamheden en/of plaatsvinden op hoofdroutes van hulpdiensten; g. geen sprake is van een commercieel evenement; en h. er een organisator is. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot categorieën evenementen.
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen, niet zijnde filmvertoningen op een openbare plaats in de open lucht en theatervoorstellingen in de daarvoor bestemde gebouwen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. g. sportwedstrijden, binnen de reguliere competitie of binnen de eigen vereniging die plaatsvinden op sportterreinen, in sporthallen of sportzalen, niet zijnde vechtsportwedstrijden en – gala’s als bedoeld in het tweede lid, onder e. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door artikel 10 jo. artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder meldingsplichtig evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement plaatsvindt op maandag, dinsdag, woensdag of donderdag tussen 07.00 en 23.00 uur of op vrijdag of zaterdag tussen 07.00 en 24.00 uur, of op zon- of feestdagen tussen 13.00 en 23.00 uur; c. geen muziek of ander geluid ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 70dB(A) op de gevels van omringende woningen/panden; d. de activiteiten geen belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object, uitgezonderd hiervan zijn springkussens die groter zijn dan 25 m2. f. er geen conflicterende samenloop is met andere evenementen waarvoor een vergunning is verleend, wegwerkzaamheden en/of plaatsvinden; g. de activiteiten niet plaatsvinden op het water.
Toelichting: Lid 1 onder b: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Lid 1 onder d Verwijzing naar “Drank- en Horecawet” wordt vervangen door “Alcoholwet”.
Lid 1 onder g Duidelijkere afbakening m.b.t. welke sportwedstrijden niet als evenement worden gezien. Lid 2 onder d Verduidelijking/afbakening welke regelgeving nog meer van toepassing is. Lid 3 Het lid is aangepast wat onder een meldingsplichtig evenement valt en op punten aangescherpt zoals alleen een melding als er gelijktijdig niet meer dan 100 personen aanwezig zijn of de voorwaarde dat een activiteit niet op het water mag plaatsvinden (in dat geval geldt in beide gevallen een vergunningsplicht omdat er andere risico’s bij komen kijken). Lid 4 Wordt verwijderd en vervangen door invoeging van artikel 2:25A, waarin concreter aangegeven wordt ten aanzien waarvan de burgermeester nadere regels kan stellen ten aanzien van evenementen.
Was (APV 2016) NIEUW
Wordt (APV 2022) 2:25A nadere regels evenementen De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van de in artikel 2:24, eerste lid, bedoelde activiteiten en categorieën evenementen zoals bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, in het belang van: a. de openbare orde b. de openbare veiligheid c. de volksgezondheid d. de bescherming van het milieu. Met dit artikel wordt concreter aangegeven wordt ten aanzien waarvan de burgermeester nadere regels kan stellen ten aanzien van evenementen. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4.
De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Was (APV 2016) 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wordt (APV 2022) 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 8. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Lid 4 De termijn van vijf dagen blijkt in de praktijk in sommige gevallen te kort om adequaat op een melding te kunnen reageren waardoor wordt voorgesteld om deze termijn te verruimen naar tien dagen. Lid 6 (na lid 7): Ommissie van foute nummering wordt aangepast lid 6 wordt lid 8. Lid 8 (nieuw): Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. Artikel 2:27 Definitie Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare In deze afdeling wordt verstaan onder: inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, a. Openbare inrichting: café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, i. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, afhaalzaak, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte discotheek, buurthuis of clubhuis, of waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij ii. elke andere voor het publiek toegankelijke, bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een dranken worden geschonken of rookwaren of omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt spijzen voor directe consumptie ter plaatse verstrekt of dranken worden geschonken of worden bereid of verstrekt.
rookwaren of spijzen voor directe consumptie 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde worden bereid of verstrekt. besloten ruimte liggend deel waar sta- of iii. een terras dat in de directe nabijheid van een zitgelegenheid kan worden geboden en waar openbare inrichting, zoals onder i. of ii. is tegen vergoeding dranken kunnen worden beschreven, is gelegen. geschonken of spijzen voor directe consumptie b. Vergunninghouder: de ondernemer ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, rechtspersoon of natuurlijke persoon - zoals waaronder in ieder geval een terras, maakt voor ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt besloten ruimte. geëxploiteerd. c. Leidinggevende: i. de (rechts)persoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd. ii. de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting. Toelichting: Lid 1 en 2: Wordt onderdeel a en voor meer overzicht worden de categorieën, elke andere voor publiek toegankelijk besloten ruimte en terras als aparte onderdelen opgenomen. Toegevoegd worden onder b. en c. de definities van vergunninghouder en leidinggevende.
Was (APV 2016) NIEUW
Wordt (APV 2022) Artikel 2:27a Indieningsvereisten 1. De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden overgelegd: a. Het adres van de openbare inrichting; b. De aard van de openbare inrichting; c. De vergunninghouder van de openbare inrichting; d. een nauwkeurige beschrijving en plattegrond met duidelijke maatvoering van de indeling van de openbare inrichting en als het ook om een terras gaat een nauwkeurige beschrijving en plattegrond met duidelijke maatvoering van de ligging en omvang van dat terras. 3. Indien de burgemeester dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht kan hij de overlegging van aanvullende documenten en gegevens verzoeken.
Toelichting: Voor een goede beoordeling van de aanvraag voor een exploitatievergunning wordt dit artikel toegevoegd aan de APV. Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden de aard van de openbare 2. De burgemeester weigert de vergunning als de inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. exploitatie van de openbare inrichting in strijd is 3. De burgemeester weigert de vergunning indien met een geldend bestemmingsplan, de exploitatie van de openbare inrichting in strijd beheersverordening, exploitatieplan of is met het geldend bestemmingsplan, voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel 4. De burgemeester weigert de vergunning/ moet worden aangenomen dat de woon- en bijschrijving indien de exploitant(en) / leefsituatie in de omgeving van het openbare leidinggevenden van de openbare inrichting: inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben wijze nadelig wordt beïnvloed. bereikt; 4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfs- school- of sportkantine of -restaurant.
Was (APV 2016) 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling. 8. [vervallen] 9. [vervallen]
Wordt (APV 2022) 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 6. Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting (locatie) gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfs-, schoolkantine of -restaurant. 9.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag vergunning bedoeld in het eerste lid.
Toelichting: Lid 5 en 6 (huidig): Worden uit de APV verwijderd. Om zowel bij droge als natte horeca op te kunnen treden is het nodig om op beide categorieën het vergunningenstelsel van toepassing te laten zijn. Lid 7 (huidig): Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. Lid 2 (nieuw): Wordt ingevoegd om de net als bij een vergunning op grond van de Alcoholwet (voorheen de Dranken Horecawet) vergunning ook zicht te hebben op wijzigingen van leidinggevende bij openbare inrichtingen. Lid 4 (nieuw): Wordt ingevoegd en gelijk getrokken met de eisen zoals gesteld bij een Alcoholwet vergunning op grond van de Alcoholwet. Lid 5 (nieuw): Sub b en c worden ingevoegd om een vergunning te kunnen weigeren om overlast te voorkomen en integriteit van het bestuur te kunnen beschermen. Lid 6 (nieuw): Wordt ingevoegd ter voorkoming dat er na intrekking door een nieuwe aanvraag opnieuw verstoring van openbare orde, woon- en leefsituatie kan ontstaan.
Was (APV 2016) NIEUW
Wordt (APV 2022) Artikel 2:28a Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken als: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een exploitant/leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 vierde lid; c. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. indien voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken: a. als is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. als niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c.
als in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d. op verzoek van de exploitant. 3. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.
Toelichting: Artikel wordt nieuw ingevoegd om de exploitatievergunning bij overlast en strijdig gebruik van de vergunning te kunnen intrekken en verstoring van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of woon- en leefklimaat te voorkomen of te herstellen.
Was (APV 2016) NIEUW
Wordt (APV 2022) Artikel 2:28b Vervallen vergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen; b. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.
Toelichting: Artikel wordt nieuw ingevoegd om ervoor te zorgen dat bij niet ingebruikname of lang geen gebruik maken van de vergunning, deze komt te vervallen. Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant van een paracommerciële instelling verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke instelling of een daartoe behorend terras. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant van een paracommerciële instelling verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke instelling of een daartoe behorend terras. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Lid 4: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Toelichting: Lid 1: Artikel was incompleet opgenomen in de APV Dronten 2016, lid 1 is ingevoegd om dit te herstellen.
Was (APV 2016) NIEUW
Wordt (APV 2022) Artikel 2:31a Aanwezigheid leidinggevende 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien niet in deze inrichting aanwezig is: a. een leidinggevende die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31b is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist.
Toelichting: Aan een leidinggevende worden in artikel 2:28 (lid 4 onder aanhef en a t/m c) eisen gesteld, hiermee wordt voorkomen dat jeugdige personen optreden als leidinggevende in een openbare inrichting. NIEUW
Artikel 2:31b Melden bijschrijven leidinggevende 1. De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij te schrijven. Bijschrijving van een persoon waaraan een vergunning geweigerd zou worden op grond van het bepaalde in artikel 2:28 lid 4, is niet mogelijk. 2. De ontvangst van de melding wordt onverwijld bevestigd. 3. Direct na bevestiging van ontvangst van de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn.
Toelichting: Met invoeging van het artikel wordt het, net als bij een vergunning op grond van de Alcoholwet, zicht te houden wie als leidinggevende optreden in een openbare inrichting. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Toelichting: Lid 1 (nieuw): Definitie van handelaar wordt ingevoegd. [Hoofdstuk 2,] Afdeling 8A bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet
[Hoofdstuk 2,] Afdeling 8A bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Toelichting: Verwijzing naar de “Drank- en Horecawet” (vervallen) wordt aangepast naar “Alcoholwet”.
Was (APV 2016) Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen en de Speelautomatenhallenverordening gemeente Dronten 1987. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wordt (APV 2022) Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen en de Speelautomatenhallenverordening gemeente Dronten 1987. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Lid 4: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. NIEUW
Artikel 2:40a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het
oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens het vijfde en zesde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g.
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant
gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of d. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of e. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of f. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of h.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of i. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, onder a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 11. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 12. De exploitant en de beheerder zien erop toe
dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 13. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 14. Op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Nieuwe bepaling die wordt ingevoegd in het kader van de lokale en districtelijke aanpak van ondermijning. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om een vergunningplicht in te voeren voor bepaalde branches of gebieden waar zich ondermijningsproblematiek voordoet. Belangrijke voorwaarde voor invoering van een vergunningplicht is dat er een grondige analyse en bestuurlijke rapportage van de politie aan ten grondslag moet liggen. Op moment dat er een vergunningplicht ingevoerd wordt, bestaat er ook de mogelijkheid om de Wet BIBOB toe te passen.
Was (APV 2016) Artikel 2:48 Verboden drankgebruik en glasoverlast 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende dranken te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat. 2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. 4. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, glaswerk zoals, al dan niet aangebroken flessen, glazen e.d. bij zich te hebben. 5.
Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voor glaswerk dat zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend. 6. Onder glaswerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan alle glassoorten die in scherven uiteen kunnen vallen.
Wordt (APV 2022) Artikel 2:48 Verboden drankgebruik en glasoverlast 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende dranken te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat. 2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. 4. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, glaswerk zoals, al dan niet aangebroken flessen, glazen e.d. bij zich te hebben. 5.
Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voor glaswerk dat zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend. 6. Onder glaswerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan alle glassoorten die in scherven uiteen kunnen vallen.
Toelichting: Lid 3 onder a en b: Verwijzing naar “Drank- en Horecawet” wordt vervangen door “Alcoholwet”. Artikel 2:57 Loslopende honden en verboden plaatsen 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; c. op een andere, door het college aangewezen plaats; d. op de weg zonder dat de hond is voorzien van een halsband, tatoeage of chip of een ander identificatiemerk, die de eigenaar of houder van
Artikel 2:57 Loslopende honden en verboden plaatsen 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; c. op een andere, door het college aangewezen plaats; d. op de weg zonder dat de hond is voorzien van een halsband, tatoeage of chip of een ander identificatiemerk, die de eigenaar of houder van
Was (APV 2016) de hond duidelijk doet kennen 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door het college aan te wijzen plaatsen of voor eigenaren /houders van een hond die een gebiedsontheffing door het college kunnen tonen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Wordt (APV 2022) de hond duidelijk doet kennen 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door het college aan te wijzen plaatsen of voor eigenaren /houders van een hond die een gebiedsontheffing door het college kunnen tonen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Toelichting: Lid 1 onder a: Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet zijn aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Lid 3: Tekstuele verduidelijking. Formeel juridisch is de lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) wel/niet van toepassing op de aanvraag en niet op de vergunning/ontheffing. Artikel 2:65 Bedelarij Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het gebieden op een openbare plaats te bedelen om publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld geld of andere zaken. of andere zaken. Toelichting: “Op of aan de weg” en “voor het publiek toegankelijk gebouw” vervangen door het meer omvattende begrip “openbare plaats”.
Was (APV 2016) Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.