CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

cacfe79b-2388-43f4-847a-a0c9c938b1aa.pdf

Raadsvergadering 27 mei 2021, gemeente DrontenBij agendapunt: 6.a: AKKOORD Raadsvoorstel Bestemmingsplan Ketelhaven - Esdoornlaan10.879 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het hemelwater binnen het plangebied zal worden afgevoerd worden naar de riolering. Uitgangspunt is een gescheiden stelsel. Voor inbreidingsplannen kleiner dan 2,00 hectare mag het aanliggende stelsel als uitgangspunt aangehouden worden. Als bijlage 5a is de aansluiting op de riolering nader uitgewerkt. Conclusie Het plan is voor het waterschap van belang. Daarom is een uitgangspuntennotitie opgesteld. Bij de verdere uitwerking van de woningbouwplannen wordt rekening gehouden met deze uitgangspuntennotitie. Hierover heeft reeds afstemming met het waterschap plaatsgevonden en dat heeft geresulteerd in ontwerpopgaven die in het plangebied zijn en worden verwerkt. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

27

5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in het realiseren van woningen. Binnen het geldende bestemmingsplan is ook reeds een woonfunctie toegestaan. Op basis daarvan kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat het voorziene bouwplan vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar is. Desondanks is getoetst aan twee bedrijven: de jachthaven en een mestdrogerij. Jachthaven Het bedrijf dat het dichtst in de buurt van het plangebied ligt is Gicom Jacht(service)centrum bv, op ruim 150 meter van het plangebied. Het perceel waar dit bedrijf is gevestigd heeft de enkelbestemming ‘Jachthaven’. Op grond van de handreiking valt het jacht(service)centrum te rangschikken onder SBIcode 926G. Hiervoor geldt een minimale afstand van 50 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Mestdrogerij Op circa 400 meter van het plangebied ligt mest drogerij Komeco. Op grond van de handreiking valt dit bedrijf te rangschikken onder SBI-code 382-A1 met een grootste afstand van 500 meter voor geur. De voorgenomen ontwikkeling is binnen deze richtafstand gelegen. De ontwikkeling betreft echter een stedenbouwkundige herverkaveling, van een bestaande woonbestemming uit 2009, zonder toevoeging van extra gevoelige functies waardoor het plan uitvoerbaar is.

Een afstand van 400 meter is daarom niet in strijd met een goed woon- en leefklimaat. Rond het terrein van Komeco bevindt zich eveneens een geluidszone. De geluidszone is niet gelegen over het onderhavige plangebied. Conclusie Het voorziene bouwplan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.

28

5.8 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Analyse In het kader van onderliggend ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied enkele risicobronnen bevinden. De risicobronnen betreffen het eerder genoemde mestverwerkingsbedrijf en twee akkerbouwbedrijven. Voor het mestverwerkingsbedrijf is in paragraaf 5.7 reeds onderbouwd dat het bedrijf gezien de ligging op ruime afstand en de reeds geldende woonbestemming van de locatie, geen beperkende impact heeft op onderliggend plan. Ook de akkerbouwbedrijven hebben gezien de aard van de activiteiten in combinatie met de afstand (ruim 800 meter van het plangebied) geen invloed op onderliggend plan. Het betreft geen BEVI-inrichtingen. BEVI staat voor Besluit Externe Veiligheid. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico).

29

Risicobronnen externe veilig heid. Bron: risicokaart.nl. Conclusie Het voorziene bouwplan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.

5.9 Luchtkwaliteit Kader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Analyse Het plan betreft de realisatie van 5 woningen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. 30

Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect ‘luchtkwaliteit’ uitvoerbaar.

5.10 Verkeer en parkeren Kader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt ‘Nota Parkeernormen Dronten 2016’ gehanteerd. In paragraaf 4.4.4 is dat reeds toegelicht. Analyse Parkeeropgave Voorliggend plan dient te voldoen aan de parkeerplaatsverplichting uit de Nota Parkeernormen 2016. De parkeerplaatsverplichting is het aantal parkeerplaatsen dat een initiatiefnemer moet aanleggen bij een voorgenomen ruimtelijke functie. De parkeerplaatsverplichting wordt berekend aan de hand van vastgestelde parkeernormen. Onderliggend plan maakt 5 vrijstaande koopwoningen mogelijk. Ten aanzien van deze categorie woningen geldt in de ‘overige kernen’ en parkeeropgave van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Het aandeel bezoekersparkeren is 0,3. Dat betekent voor onderliggend plan een parkeeropgave van 5 x 2,3 = 11,5, afgerond 12 parkeerplaatsen. Per woning worden 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Gezien de omvang van de kavels is redelijkerwijs aannemelijk dat dit gerealiseerd kan worden. De resterende 2 parkeerplaatsen (voor bezoekers) worden in het openbaar gebied gerealiseerd. Binnen het plangebied is hier voldoende ruimte voor aanwezig. Ontsluiting Het plan voorziet in een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen.

Op basis van de CROWnormeringen is de verkeersgeneratie van vrijstaande woningen in onderliggend plangebied (matig verstedelijkt, rest bebouwde kom) 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. Dat betekent op basis van voorliggend plan met vijf woningen plus de bestaande woning aan de Esdoornlaan 49 a 50 verkeersbewegingen extra per dag. Met 10 à 12% van deze verplaatsingen in de spitsuren, komt dit neer op circa 6 verplaatsingen extra via de Boslaan in de drukste uren. Dit leidt niet tot onacceptabele aantallen verkeersbewegingen op deze weg. Conclusie Het plan is op basis van de aspecten ‘verkeersgeneratie’ en ‘parkeren’ uitvoerbaar.

5.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel.

31

In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Als bijlage 6 is een aanmeldnotitie MER opgenomen. In de aanmeldnotitie worden de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven en wordt geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zijn. Het college heeft een apart besluit over deze notitie genomen en geconcludeerd dat geen mer-procedure doorlopen hoeft te worden. Dit besluit is toegevoegd aan bijlage 6.

5.12 Conclusie In voorgaande paragrafen is het voorziene bouwplan getoetst aan ruimtelijke en milieukundige aspecten. Op basis van de analyse van ruimtelijke en milieukundige aspecten is aangetoond dat het voorziene bouwplan uitvoerbaar is.

32

6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Diverse gesprekken met de VVE Ketelhaven en omwonenden van het plangebied hebben geleid tot het stedenbouwkundige plan dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan. De voorziene woningen gaan onderdeel uit maken van de VVE Ketelhaven. De leden van de VVE hebben hier met grote meerderheid mee ingestemd. Initiatiefnemer gaat tevens meebetalen aan de VVE voor riool, glasvezel en groenonderhoud. Tevens worden de bewoners lid van de VVE. Omdat het plan ook van invloed is op de woningen aan de Esdoornlaan 1 en 2, heeft ook overleg met de bewoners van deze woningen plaatsgevonden. Op basis van deze gesprekken zijn onder andere de wijze van de ontsluiting van de locatie en de afbakening van het plangebied tot stand gekomen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn enkele zienswijzen ingediend door omwonenden en het waterschap die verband houden met de afwatering van het plangebied op de omliggende sloten. Deze zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen van de waterparagraaf.

6.3 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van commerciële partijen. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer.

33

7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

7.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).

7.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -

bestemmingsomschrijving bouw- en gebruiksregels 34

-

afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid

In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.

7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de Anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.

7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.

7.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in dit bestemmingsplan voorkomende regels behandeld. De regels sluiten aan op het bestemmingsplan ‘Woongebieden Dronten’ (2019). Artikel 3. Verkeer - Verblijf De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met hoofdzakelijk een functie voor verkeer en verblijf. Tevens zijn de gronden bestemd voor onder andere parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 4. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen met daaronder begrepen kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis.

Parkeervoorzieningen, erven en tuinen vallen ook onder de bestemming.

35

Bijlagen Bijlage 1. Ecologisch onderzoek Bijlage 1a. Vervolgonderzoek vleermuizen Bijlage 2. AERIUS-berekening Bijlage 3a. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3b. Aanvullend bodemonderzoek Bijlage 4. Asbestonderzoek Bijlage 5. Uitgangspuntennotitie Watertoets Bijlage 5a. Notitie waterhuishouding Bijlage 6. Vormvrije MER-beoordeling

36

Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/987/documents/6816