Bijlage - 2 waswordttabel (729122).pdf
Tekst van het document
Was-wordt tabel Verordening Fysieke Leefomgeving WAS: Verordening Fysieke Leefomgeving 2024 Artikel 1:1 Algemene begrippen
WORDT: Verordening Fysieke Leefomgeving 2025 Artikel 1:1 Algemene begrippen
d. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
d. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I, onderdeel A, Omgevingswet.
Artikel 1:2 Begrippen met betrekking tot fysieke leefomgeving
Artikel 1:2 Begrippen met betrekking tot fysieke leefomgeving
e. gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; f. gevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
e. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; f.
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur;
Artikel 2:7 Voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan
Artikel 2:7 Voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan
1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of
a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of
b. het gebruik niet voldoet aan redelijke
b. het gebruik niet voldoet aan redelijke
eisen van welstand.
eisen van welstand.
2. Van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 0,9 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
2. Van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 0,9 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving:
3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats.
a. nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats; b. vergunning verlenen voor het exploiteren van een terras. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Dronten;
4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a en artikel 22.8 van de Omgevingswet. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Dronten; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:2; en
b. standplaatsen als bedoeld in; en
c. gevallen waar hoofdstuk 4. Afvalstoffen op van toepassing is.
c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Flevoland.
7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Flevoland.
8. Op de aanvraag om een ontheffing
8. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3
bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:9 Maken, veranderen van een uitweg
Artikel 2:9 Maken, veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder
omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van de uitweg weigeren indien: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; of b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; of c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van een volgende uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het college kan nadere regels stellen. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de waterschapsverordening of de Omgevingsverordening Flevoland.
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van de uitweg weigeren indien: a. door gebruik van de uitweg het veilig en/of doelmatig gebruik van de weg wordt belemmerd; of b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; of c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. de aanleg van de uitweg schadelijk of storend is voor het uiterlijk aanzien van de omgeving; of e. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van een volgende uitweg ten koste gaat van het veilig en/of doelmatig gebruik van de weg, een openbare parkeerplaats, het openbaar groen of het uiterlijk aanzien van de omgeving. 3. Het college kan in het belang van de fysieke leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van uitwegen. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de waterschapsverordening of de Omgevingsverordening Flevoland.
Artikel 2:25 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de
2.
3.
4.
5.
6.
7.
artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 2:27 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen respectievelijk dagdelen. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de daarbij aangewezen gebieden gedurende de daarbij aangewezen dagen respectievelijk dagdelen. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten invallend op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, niet meer bedragen dan 75 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid, de meteocorrectieterm en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten.
Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten. De geluidsnorm bedoeld in het vijfde
Artikel 2:25 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 2:27 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen respectievelijk dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de daarbij aangewezen gebieden gedurende de daarbij aangewezen dagen respectievelijk dagdelen. 3. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 5. Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten invallend op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, niet meer bedragen dan 75 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid, de meteocorrectieterm en de bedrijfsduurcorrectieterm
en zesde lid is inclusief onversterkte muziek. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 219a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 2:27 van deze verordening – pas na 11.00 uur plaats te vinden en uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. 9. Het college kan afwijken van de geluidsnormen genoemd in lid 5 en 6 en het in lid 8 genoemde tijdstip.
6.
7. 8.
9.
Artikel 2:26 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan
maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 2:27 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten
worden buiten beschouwing gelaten. Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten. De geluidsnorm bedoeld in het vijfde en zesde lid is inclusief onversterkte muziek. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 2:27 van deze verordening – pas na 11.00 uur plaats te vinden en uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Het college kan afwijken van de geluidsnormen genoemd in lid 5 en 6 en het in lid 8 genoemde tijdstip.
Artikel 2:26 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 2:27 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
3. 4.
5.
6.
7.
8.
9.
behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten invallend op de gevel van gevoelige gebouwen, niet meer bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid, de meteocorrectieterm en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten. Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer bedragen dan 50 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten.
De geluidsnorm als bedoeld in het zesde en zevende lid is inclusief onversterkte muziek. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 217a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 2:27 van deze verordening - pas na 11.00 uur gestart en uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. In afwijking hiervan mag voor een festiviteit die aanvangt op
waarbij als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten invallend op de gevel van gevoelige gebouwen, niet meer bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid, de meteocorrectieterm en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten. 7. Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de inrichting, gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer bedragen dan 50 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten. 8.
De geluidsnorm als bedoeld in het zesde en zevende lid is inclusief onversterkte muziek. 9. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 2:27 van deze verordening - pas na 11.00 uur gestart en uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. In afwijking hiervan mag voor een festiviteit die aanvangt op een vrijdag of een zaterdag een
een vrijdag of een zaterdag een eindtijd aangehouden worden van uiterlijk 01.00 uur. 10. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde en zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. Voor het ten gehore brengen van muziek in de buitenruimte van de inrichting zijn de nadere regels als bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Dronten van toepassing voor zover het betreft de geluidsnorm, de tijden waarop muziek ten gehore mag worden gebracht en de frequentie van deze festiviteit. 11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 2:27 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van
onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder.
eindtijd aangehouden worden van uiterlijk 01.00 uur 10. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde en zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. Voor het ten gehore brengen van muziek in de buitenruimte van de inrichting zijn de nadere regels als bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Dronten van toepassing voor zover het betreft de geluidsnorm, de tijden waarop muziek ten gehore mag worden gebracht en de frequentie van deze festiviteit. 11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 2:27 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet
d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.
vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.
e. Tabel 7.00 19.0 0 uur
19.0 023.0 0 uur
23.0 07.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwe n
50 dB( A)
45 dB(A )
40 dB(A )
LAr,LT in in- en aanpandi ge gevoelige gebouwe n
35 dB( A)
30 dB(A )
25 dB(A )
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwe n
70 dB( A)
65 dB(A )
60 dB(A )
LAmax in in- en aanpandi ge gevoelige gebouwe n
55 dB( A)
50 dB(A )
45 dB(A )
2. Voor de duur van vier uur in de week
is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals onder andere orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagen avondperiode uitgezonderd van de
e. Tabel
7.0019.0 0 uur
19.0 023.0 0 uur
23.0 07.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelig e gebouwe n
50 dB( A)
45 dB( A)
40 dB( A)
LAr,LT in in- en aanpandi ge gevoelig e gebouwe n
35 dB( A)
30 dB( A)
25 dB( A)
LAmax op de gevel van gevoelig e gebouwe n
70 dB( A)
65 dB( A)
60 dB( A)
LAmax in in- en aanpandi ge gevoelig
55 dB( A)
50 dB( A)
45 dB( A)
genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 2:25 of artikel 2:26 van deze verordening. 4. Het college kan afwijken van de geluidsnormen genoemd in lid 1 en het in lid 2 genoemde tijdsduur.
e gebouwe n 2. Voor de duur van vier uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals onder andere orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 2:25 of artikel 2:26 van deze verordening. 4. Het college kan afwijken van de geluidsnormen genoemd in lid 1 en het in lid 2 genoemde tijdsduur.
Artikel 2:34 Oplaten van ballonnen
Artikel 2:34 Oplaten van ballonnen
1. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht.
1. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht.
2. Onder een ballon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon bestaand uit rubber of kunststof gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of uit papier, gevuld met hete lucht, verwarmd met een vlam (zogenaamde wensballonnen) en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald.
2. Onder een ballon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon bestaand uit rubber of kunststof gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of uit papier, gevuld met hete lucht, verwarmd met een vlam (zogenaamde wensballonnen) en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in eerste lid genoemde verbod.
3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor ballonnen, die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen.
4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor ballonnen, die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere
wetenschappelijke waarnemingen. -
Artikel 2:44a Voertuigen met verlopen APK Het is niet toegestaan om een voertuig op de weg te parkeren waarvan de Algemene Periodieke Keuring (APK) langer dan één maand is verlopen.
Artikel 2:47 Parkeren van reclamevoertuigen
Artikel 2:47 Parkeren van reclamevoertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 9:1 Strafbepaling fysieke leefomgeving
Artikel 9:1 Strafbepaling fysieke leefomgeving
1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, 2:7 tot en met 2:9, 2:11, 2:13, 2:14 ,2:16 tot en met 2:20, 2:28 tot en met 2:35, 2:37, 2:38, 2:40, 2:42 tot en met 2:49, 2:51 tot en met 2:53, 2:54, 2:57 tot en met 2:60, 2:61 tot en met 2:64, 2:65 alsmede de op grond van artikel 2:2 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:2, 2:7 tot en met 2:11, 2:13, 2:14, 2:15 tot en met 2:24, 2:28 tot en met 2:38, 2:40, 2:42 tot en met 2:55, 2:57 tot en met 2:65 alsmede de op grond van artikel 2:2 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:7, vijfde lid, 2:8, tweede lid, 2:9, eerste lid, 2:35, eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:7, vijfde lid, 2:8, tweede lid, 2:9, eerste lid, 2:35, eerste lid.
Artikel 9:5 Strafbepaling Markt Overtreding van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 9:8 Strafbare feiten [gereserveerd]
Artikel 9:9 Toezichthouders [gereserveerd]
Artikel 9:15 Strafbepaling Ondergrondse infrastructuren Indien het college vaststelt dat de verplichtingen uit hoofdstuk 7 van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
-
Artikel 9:5 Strafbepaling Markt Overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 3:4 van deze verordening, alsmede de op grond van artikel 3:2 gestelde nadere regels en artikel 3:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel 9:8 Strafbare feiten Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4:3, 4:5, 4:7 tot en met 4:9 en 4:11 tot en met 4:20a bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten. Artikel 9:9 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet door het college aangewezen ambtenaren. Artikel 9:15 Strafbepaling ondergrondse infrastructuren Degene, die handelt in strijd met artikel 7:1, alsmede de op grond van artikel 7:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.
Artikel 9:16 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
hoofdstuk 7 van deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
Was: Bijlage 1 Bomenlijst (behorende bij artikel 2:35) Nr.
Soort
Locatie
Diameter
Hoogte
Boomwaarde
Roerstraat 1 Meridiaan 1
40-50 cm. 40-50 cm.
12-15 m. 15-18m.
30 30
Lunaweg 12
60-70 cm.
15-18 m.
30
Swifterbant 4. Araucaria araucana Noordsingel 25
20 cm.
9-12 m.
25
Biddinghuizen 5. Salix alba 'Tristis'
>80 cm. 18-24 m.
40
Dronten 1. Corylus colurna 2. Metasequoia glyptostroboi. 3. Cedrus atl.glauca
Fruithof 23
Wordt: Bijlage 1 Bomenlijst (behorende bij artikel 2:35) Nr.
Soort
Dronten 1. Alnus cordata 2. Corylus colurna 3. Cedrus atl.glauca
Locatie
Diameter
Hoog
Boomwaarde
Kombuisstraat 42 Roerstraat 1 Lunaweg 12
>80cm. 40-50 cm. 60-70 cm.
>24 m. 12-15 m. 15-18 m.
35 30 30
Swifterbant 4. Araucaria araucana Noordsingel 25
20 cm.
9-12 m.
25
Biddinghuizen 5. Salix alba 'Tristis'
Fruithof 23
>80 cm.
18-24 m.
40
WAS: Afvalstoffenverordening 2022
WORDT: Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) 2025
Artikel 1. Definities
Artikel 1:4 Begrippen met betrekking tot afvalstoffen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. inzamelmiddel: een voor de
inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel voor één huishouden, minicontainers, klein chemisch afval-box, transparante recyclebare plastic zakken voor het inzamelen van huishoudelijk plastic, metaal en drankenkartons en biozak met kiemplant logo voor bio afval;
• inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden; • •
•
inzamelplaats: daartoe op grond van artikel 5 aangewezen plaats; inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens; Perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.
b. inzamelplaats: daartoe op grond van
artikel 4:4 aangewezen plaats; c.
inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats, een boven- en ondergrondse verzamelcontainer, wijkcontainer, mobiele milieustraat of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens.
d. perceel: particuliere huishouden waar
geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.
Artikel 5. Aanwijzing van inzamelplaats
Artikel 4:4 Aanwijzing van inzamelplaats
Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente Dronten, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.
Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente Dronten, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval en grof tuinafval, achter te laten.
Artikel 7. Gescheiden afvalinzameling
Artikel 4:6 Gescheiden afvalinzameling
1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst
1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst
worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.
worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.
2. In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:
2. Voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen wordt er verwezen naar het uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening.
•
bioafval (groente-, fruit- en tuinafval);
•
glas;
•
papier en karton;
•
metaal
•
textiel;
•
klein chemisch afval;
•
grof huishoudelijk afval;
•
grof tuinafval;
•
Plastic verpakkingen
•
Metalen verpakkingen (blik)
•
Drankenkartons
3. Het college kan percelen aanwijzen waar geen aparte inzameling van huishoudelijk afval plaats vindt.
3. Het college kan percelen aanwijzen waar geen aparte inzameling van bio afval plaats vindt. 4. Kunststof verpakkingsmateriaal, metalen verpakkingen en drankkartons worden onder de noemer PBD gezamenlijk ingezameld. Artikel 8. Gescheiden aanbieding
Artikel 4:7 Gescheiden aanbieding
1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 7, anders dan afzonderlijk:
1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 4:6, anders dan afzonderlijk:
a. ter inzameling aan te bieden;
a. ter inzameling aan te bieden;
b. achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 5.
b. achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 4:4.
2. In afwijking van het eerste lid is het verboden bioafval en PBD anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen van huishoudelijke
2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het
afvalstoffen, genoemd in artikel 7, derde lid en vierde lid.
eerste lid.
3. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 14. Dumpingsverbod
Artikel 4:13 Dumpingsverbod
1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.
1. Het is verboden zonder ontheffing
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing
a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.
op: a. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; b. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; c. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel
onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.
Artikel 16. Zwerfafval in de openbare ruimte
Artikel 4:15 Zwerfafval in de openbare ruimte
1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.
1. Het is verboden huishoudelijke- en
2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.
bedrijfsafvalstoffen of delen hiervan achter te laten in de openbare ruimte. 2. Reclamedrukwerk, ander
promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te
veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.
Artikel 19. Geen opslag van afval in de open lucht
Artikel 4:18 Geen opslag van afval op een openbare plaats
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten, of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen
Het is verboden huishoudelijke – en bedrijfsafvalstoffen op een openbare plaats aan te bieden, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan in overeenstemming met hoofdstuk 4 van deze verordening.
Artikel 20. Ontdoen van autowrakken
Artikel 4:19 Ontdoen van autowrakken
Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.
Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.
Artikel 21. Kadavers van gezelschapsdieren
Artikel 4:20a. Kadavers van gezelschapsdieren
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier. 2. Burgemeester en wethouders wijzen een of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld. 3. Burgemeester en wethouders kunnen een ondernemer aanwijzen die belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. 4. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 5. Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats of aan de ondernemer, bedoeld in het derde lid. 6. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 7. Het vijfde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier. 2. Burgemeester en wethouders wijzen een of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld. 3. Burgemeester en wethouders kunnen een ondernemer aanwijzen die belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. 4. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 5. Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats of aan de ondernemer, bedoeld in het derde lid. 6. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 7. Het vijfde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG. 8.
Voor het regels omtrent het begraven van kaders wordt verwezen naar Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA).
Artikel 22. Strafbare feiten
Artikel 9:8 Strafbare feiten
Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4, 6 8 tot en met 10 en 12 tot en met 19a bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a,
Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4, 6 8 tot en met 10 en 12 tot en met 19a bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a,
onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.
onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.
Artikel 23. Toezichthouders
Artikel 9:9 Toezichthouders
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht door het college aangewezen ambtenaren.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet door het college aangewezen ambtenaren.
-
Artikel 4.23 Voorrangsbepaling Indien er voor zover de in hoofdstuk 1.Begrippen artikel 1.4 en hoofdstuk 4. Afvalstoffen, uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening en Verordening afvalstoffenheffing met elkaar in tegenspraak geldt de navolgende volgorde waarbij de hoog gerangschikte document prevaleert boven het laag gerangschikte document; Uitvoeringsbesluit, verordening afvalstoffenheffing, Verordening Fysieke Leefomgeving.