CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - 1 Was-Wordt tabel APV 2026.pdf

Raadsvergadering 13 mei 2026, gemeente DrontenBij agendapunt: 15: AKKOORD Raadsvoorstel Algemene plaatselijke verordening Dronten 202618.192 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

15 alinea's met “sluiting”: 5 33 34 80 81 82 84 86 87 155 157 161 162 178 255

Was-Wordt tabel - wijzigingen Algemene plaatselijke verordening Dronten 2026 INDEX Het nummer tussen de haakjes achter de wijziging correspondeert met het nummer van de wijziging in de was-wordt tabel.

Inhoudelijke wijzigingen • • • • • • • • • • • •

Artikel 2:1 Verstoring van de openbare orde (1) Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (3) Artikel 2:24 Begripsbepaling (evenementen) (4) Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting (7) Artikel 2:28a Terrassen bij openbare inrichtingen zonder exploitatievergunning (8) Artikel 2:34 Begripsbepaling (paracommerciële horeca) (12) Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen (15) Artikel 2:65a Detectieverbod (16) Artikel 2:74 Drugshandel op straat (20) Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik (21) Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen (23/66) Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting (67)

Technische wijzigingen • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (2) Artikel 2:25 Evenementenvergunning (5) Artikel 2:29 Sluitingstijd (6) Artikel 2:28b Intrekkingsgronden (9) Artikel 2:31a Aanwezigheid leidinggevende (10) Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen (11) Artikel 2:66 Definitie (heling) (17) Artikel 2:71 Begripsbepaling (vuurwerk) (18) Artikel 2:73a Carbidschieten (19) Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen (22) Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (13) Artikel 3:13 Weigeringsgronden (seksinrichting) (14) Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening (68) Artikel 6:5 Overgangsbepaling (69) Artikel 6:6 Citeertitel (70) Wijzigingen artikeltitels (71/73) Wijzigingen afdelingen Hoofdstuk 2 Openbare orde (74/87) Wijzigingen Toelichting APV (88/92)

Was (APV 2024) Wordt (APV 2026) Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 2:1 Verstoring van de openbare orde 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen 426bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot verboden op een openbare plaats of in een voor het ongeregeldheden. publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze de 2. Degene die op een openbare plaats: openbare orde te verstoren, dan wel met het oog op a. aanwezig is bij een voorval waardoor verstoring van de openbare orde: ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; a. zich hinderlijk te gedragen; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft b. personen lastig te vallen; tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden c. te vechten; ontstaan of dreigen te ontstaan; of d. deel te nemen aan een samenscholing; c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; e. onnodig op te dringen; of is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn f. door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen wanordelijkheden. richting te verwijderen. 2.

Het is verboden om in het geval van 3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te wanordelijkheden of indien ernstig gevaar dreigt voor bevinden op openbare plaatsen die door het ontstaan van wanordelijkheden een voorwerp of het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de stof bij zich te hebben op de in het eerste lid genoemde openbare veiligheid of ter voorkoming van plaatsen met de kennelijke bedoeling om de openbare ongeregeldheden zijn afgezet. orde te verstoren. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Toelichting: De werking van het artikel is gelijk gebleven er vindt alleen een verduidelijking plaats. Met dit artikel is het duidelijker dat het gaat om een verstoring van de openbare orde o.a. door specifieker aan te geven welke handeling een openbare orde verstoring opleveren.

Nr. 1.

Nr.

Was (APV 2024)

Wordt (APV 2026)

2.

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op de door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 4. In afwijking van het vierde lid bestaat een meldingsplicht voor niet- commerciële organisaties, onder de volgende voorwaarden: a. de organisator van de niet- commerciële organisatie doet uiterlijk 10 werkdagen voor de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, een melding bij het college; b. de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, mag enkel plaatsvinden op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en op door of namens het college aangewezen koopzondagen gedurende de winkeltijden. c. de organisatie van de niet- commerciële organisatie is verplicht in een straal van 50 meter rondom haar verspreidingsgebied weggegooide geschreven of gedrukte stukken op te ruimen. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op de door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 4. In afwijking van het derde lid bestaat een meldingsplicht voor niet- commerciële organisaties, onder de volgende voorwaarden: a. de organisator van de niet- commerciële organisatie doet uiterlijk 10 werkdagen voor de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, een melding bij het college; b. de uit te voeren activiteit, zoals omschreven in het eerste lid, mag enkel plaatsvinden op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en op door of namens het college aangewezen koopzondagen gedurende de winkeltijden. c. de organisatie van de niet- commerciële organisatie is verplicht in een straal van 50 meter rondom haar verspreidingsgebied weggegooide geschreven of gedrukte stukken op te ruimen. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Toelichting: Verwijzing naar het juiste lid opgenomen. 3.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Toelichting:

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp [vervallen]

Artikel is overbodig, omdat het ook geregeld wordt in artikel 2:10 VFL (Hinderlijke beplanting of gevaarlijke voorwerpen), Omgevingswet en de Wegenverkeerswet.

Nr. 4.

Was (APV 2024) Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen, niet zijnde filmvertoningen op een openbare plaats in de open lucht en theatervoorstellingen in de daarvoor bestemde gebouwen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. g. sportwedstrijden, binnen de reguliere competitie of binnen de eigen vereniging die plaatsvinden op sportterreinen, in sporthallen of sportzalen, niet zijnde vechtsportwedstrijden en – gala’s als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door artikel 10 jo. artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f.

een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 2. In deze afdeling wordt onder meldingsplichtig evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement plaatsvindt op maandag, dinsdag, woensdag of donderdag tussen 07.00 en 23.00 uur of op vrijdag of zaterdag tussen 07.00 en 24.00 uur, of op zon- of feestdagen tussen 13.00 en 23.00 uur; c. geen muziek of ander geluid ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 70dB(A) op de gevels van omringende woningen/panden; d. de activiteiten geen belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object, uitgezonderd hiervan zijn springkussens die groter zijn dan 25 m2. f. er geen conflicterende samenloop is met andere evenementen waarvoor een vergunning is verleend, wegwerkzaamheden en/of plaatsvinden; g. de activiteiten niet plaatsvinden op het water.

Wordt (APV 2026) Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen, niet zijnde filmvertoningen op een openbare plaats in de open lucht en theatervoorstellingen in de daarvoor bestemde gebouwen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. g. sportwedstrijden, binnen de reguliere competitie of binnen de eigen vereniging die plaatsvinden op sportterreinen, in sporthallen of sportzalen, niet zijnde vechtsportwedstrijden en – gala’s als bedoeld in het tweede lid, onder f. h. activiteiten die onderdeel vormen van de normale, gebruikelijke en structurele exploitatie van een inrichting, bedrijf of locatie (reguliere bedrijfsvoering). 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door artikel 10 jo. artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder meldingsplichtig evenement verstaan een evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 200 personen; b. Het evenement plaatsvindt tussen 07.00 en 23.00 uur; c. Geen muziek of enkel gebruik wordt gemaakt van achtergrond muziek; d. de activiteiten geen belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object, uitgezonderd hiervan zijn springkussens die groter zijn dan 25 m2. f. De deelnemers en/of bezoekers van het evenement niet op- of in het water gaan.

Toelichting: Lid 3 onder a (oud): Doel van het artikel is om op basis van risico te trechteren welk evenement met een melding kan worden afgedaan en voor welk evenement een vergunning nodig is. Het aantal gelijktijdig aanwezige personen hoeft niet per definitie in te houden dat een evenement risicovoller is. De praktijk leert dat omdat er 100 mensen gelijktijdig aanwezig zijn nu te snel een vergunning nodig is, zonder dat er andere risico’s zijn waarvoor een vergunning nodig is. Hierom is in overleg met de diensten brandweer en politie in overleg bepaalt om het aantal gelijktijdig aanwezige personen te verhogen naar 200. Lid 3onder b (oud): Beoordelingscriterium vereenvoudigd om meer duidelijkheid te creëren. Lid 3 onder c (oud): Criterium is in de praktijk moeilijk toepasbaar voor evenementenorganisatoren. Lid 3 onder f (oud): Criteria verwijderd, niet relevant voor de afweging of een melding of vergunning nodig is. Lid 3 onder g (oud): - Vernummerd naar f. door verwijdering van sub g. (oud) - Criterium gewijzigd naar hetgeen daadwerkelijk risico oplevert en er daarom een vergunning nodig is als er aan voldaan wordt.

Lid 1 onder h (nieuw): Uitsluiten van activiteiten die in essentie gekwalificeerd kunnen worden als een evenement, maar door het type bedrijf (mede op grond van andere vergunningen) tot de normale bedrijfsvoering behoort en derhalve geen evenementenvergunning voor nodig is. In de toelichting bij de APV (wijziging 90) wordt toegelicht wat aanwijzingen zijn wat niet meer tot de reguliere bedrijfsvoering behoort en daarmee wel een evenementenvergunning vereisen.

Nr. 5.

Was (APV 2024) Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een meldingsplichtig evenement, als de organisator ten minste 15 dagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten een meldingsplichtig evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Lid 2: Onjuiste artikel notatie gecorrigeerd.

Wordt (APV 2026) Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een meldingsplichtig evenement, als de organisator ten minste 15 dagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten een meldingsplichtig evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Nr. 6.

Was (APV 2024) Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant van een paracommerciële instelling verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke instelling of een daartoe behorend terras. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Wordt (APV 2026) Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant van een paracommerciële rechtspersoon verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke instelling of een daartoe behorend terras. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Lid 1 Begrip vervangen zodat aangesloten wordt bij de begripsbepaling zoals gebruikt wordt in de Alcoholwet.

Nr.

Was (APV 2024)

Wordt (APV 2026)

7.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 4. De burgemeester weigert de vergunning/ bijschrijving indien de exploitant(en) en/of leidinggevenden van de openbare inrichting: a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 6.

Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting (locatie) gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfs-, schoolkantine of -restaurant. 8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag vergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 4. De burgemeester weigert de vergunning/ bijschrijving indien de exploitant(en) en/of leidinggevenden van de openbare inrichting: a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 6.

Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting (locatie) gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. Een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. b. Een gemeentelijk buurtcentrum, voor zover niet geëxploiteerd door een commerciële partij c. Kinderboerderijen en educatieve tuinen. d. Musea. e. Kerken. f. Kantoorkantines/bedrijfsrestaurants. g. Zorginstellingen. h. Onderwijsinstellingen. i. Uitvaartcentra. 8. Burgemeester kan besluiten dat de vrijstelling van lid 7 komt te vervallen in geval van overlast. 9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag vergunning bedoeld in het eerste lid.

Toelichting: Lid 7 Uitbreiding van de lijst met categorie openbare instellingen waarvan geen overlast te verwachten valt en daarom een vergunning niet noodzakelijk is.

Lid 8 Toevoeging van de mogelijkheid om een vrijstelling bij categorieën zoals genoemd onder lid 7 te kunnen intrekken, indien er wel sprake is van overlast.

Nr. 8.

Was (APV 2024) NIEUW

Wordt (APV 2026) Artikel 2:28a Terrassen bij openbare inrichtingen zonder exploitatievergunning 1. Indien een openbare inrichting waarvoor op grond van artikel 2:28 geen exploitatievergunning is vereist, beschikt over een terras, is het verboden om dit terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar dit verbod niet geldt. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren indien: a. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare ruimte of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte. b. het woon- en leefklimaat of de openbare orde in de omgeving van het terras op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de in het eerste lid genoemde vergunning wijzigen indien de ligging of de afmetingen van het terras, door verandering in de omstandigheden wijzigen. 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Toelichting: Bij instellingen/bedrijven die uitgesloten zijn op de vergunningsplicht op grond van artikel 2:28 (lid 7) van de APV is het nodig om wel invloed te hebben op de plaatsing van een terras en te kunnen optreden bij overlast en/of problemen met betrekking tot de openbare orde.

Nr.

Was (APV 2024)

9.

Wordt (APV 2026)

Artikel 2:28a Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken als: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een exploitant/leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 vierde lid; c. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. indien voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken: a. als is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. als niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c.

als in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d. op verzoek van de exploitant. 3. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd. Toelichting: Verwijzing herstelt naar geldende wetgeving.

Artikel 2:28b Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken als: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een exploitant/leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 vierde lid; c. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. indien voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken: a. als is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. als niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c.

als in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d. op verzoek van de exploitant. 3. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Nr.

Was (APV 2024)

Wordt (2026)

10.

Artikel 2:31a Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien niet in deze inrichting aanwezig is: a. een leidinggevende die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31b is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist.

Artikel 2:31a Aanwezigheid leidinggevende 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien niet in deze inrichting aanwezig is: a. een leidinggevende die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31b is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist. 2. Deze bepaling is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Alcoholwet.

Toelichting: Lid 2 Wordt opgenomen om te voorkomen dat het artikel strijdig is met de Alcoholwet. Op basis van de Alcoholwet hoeft niet per definitie een leidinggevende aanwezig te zijn bij een paracommerciële rechtspersoon, maar mag dit ook een daarvoor opgeleide barvrijwilliger zijn. Strikt formeel zou dit artikel ook van toepassing zijn op paracommerciële rechtspersonen waardoor alsnog bepaald wordt dat er een leidinggevende aanwezig moet zijn, dit is strijdig met hetgeen is opgenomen in de Alcoholwet.

Nr. 11.

Was (APV 2024) Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Wordt (APV 2026) Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Toelichting: Aanpassing naar tekst zoals opgenomen in de Modelverordening van de VNG De strekking van het artikel is gelijk bleven. 12. Artikel 2:34 Het college als bevoegd Artikel 2:34 Begripsbepaling bestuursorgaan In deze afdeling wordt verstaan onder: • alcoholhoudende drank; • horecabedrijf; • horecalokaliteit; • inrichting; • paracommerciële rechtspersoon; • sterke drank; • slijtersbedrijf; • zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Toelichting: Artikel wordt toegevoegd onder paragraaf Afdeling 8A bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet ter verduidelijking dat de begripsbepalingen van de Alcoholwet van toepassing zijn.

Nr.

Was (APV 2024)

13.

Artikel 2:40a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens het vijfde en zesde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f.

indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met

Wordt (APV 2026) Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a.

voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde

een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a.

door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of d. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of e. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of f. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of h. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of i. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het

lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. 6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b.

de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12.

Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het

derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, onder a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 11. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 12. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 13. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 14.

Op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Aanpassing naar tekst zoals opgenomen in de Modelverordening van de VNG, voor vergemakkelijking voor toekomstige aanpassingen van het artikel. De strekking van het artikel is gelijk gebleven. Tevens verplaatsing naar de Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester ten behoeve van meer overzicht in de APV.

Was (APV 2024) Wordt (APV 2026) Artikel 2:41a Sluiting van voor het publiek Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand openstaande gebouwen gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan een voor het publiek 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf orde of ter voorkoming of beperking van overlast of als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur gebouw behorend erf. geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Algemene Wet bestuursrecht is bepaald omtrent de Opiumwet voorziet. bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat aan op of nabij de toegang van het voor het publiek bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende toegang(en) van het gebouw of het erf. erf. 3.

Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift door de burgemeester worden opgeheven, wanneer wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de later bekend geworden feiten en omstandigheden sluiting van kracht is. hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven plaatsvinden. zonder toestemming van de burgemeester. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Toelichting: Aanpassing naar tekst zoals opgenomen in de Modelverordening van de VNG, voor vergemakkelijking voor toekomstige aanpassingen. De strekking van het artikel is gelijk bleven. Tevens verplaatsing naar de Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester ten behoeve van meer overzicht in de APV.

Nr. 14.

Nr. 15.

Was (APV 2024) NIEUW

Wordt (APV 2026) Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Toelichting: Dit artikel biedt een instrument om een gebied aan te wijzen waar het verboden is om messen en andere steekwapens bij zich te hebben (anders dan wapens die verboden zijn op basis van de Wet wapens en munitie. Voor nu is er geen aanleiding om een dergelijk gebied aan te wijzen, maar kan in bepaalde situaties met inzet van dit instrument aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. Bij inzet van het instrument zal altijd sprake moeten zijn dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hiermee wordt voorkomen dat bij zich dragen van elk mes, in elke situatie verboden is.

Nr.

Was (APV 2024)

Wordt (APV 2026)

16.

NIEUW

Artikel 2:65a Detectieverbod 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2 Besluit Erfgoedwet archeologie is het verboden zonder ontheffing van de burgemeester in het openbaar een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van metalen voorwerpen te gebruiken of voor onmiddellijk gebruik voorhanden te hebben. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. De ontheffing kan worden geweigerd: a. in het belang van de bescherming van archeologische waarden; b. in het belang van de bescherming van ander cultureel erfgoed; c. ter bescherming van de woon- of leefomgeving; d. in verband met de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de openbare orde. 3. De burgemeester kan algemene regels vaststellen op basis waarvan ontheffingen worden verleend als bedoeld in het tweede lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de wijze waarop van de ontheffing gebruik wordt gemaakt en de eisen waaraan een ontheffinghouder moet voldoen. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor degenen aan wie ingevolge artikel 5.2 van de Erfgoedwet een certificaat is verstrekt en personen, bedrijven en instellingen als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. Awb niet van toepassing.

Toelichting: Verbod is er met name opgericht om persoonlijke ongevallen en daarnaast incidenten die een gevaar voor de openbare orde vormen te voorkomen doordat personen doormiddel van een metaaldetector stuiten op niet ontplofte oorlogsresten die nog veelvuldig hier in de grond aanwezig zijn. Verbod is daarnaast bedoelt om bij de vondst van een vliegtuigwrak te voorkomen dat men in de omgeving gaat zoeken zonder te beseffen dat er mogelijk ook sprake kan zijn van niet ontplofbare oorlogsresten op een dergelijke locatie.

Was (APV 2024) Wordt (APV 2026) Artikel 2:66 Begripsbepaling Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene handelaar aangewezen bij algemene maatregel van maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het lid, van het Wetboek van Strafrecht. Wetboek van Strafrecht. Toelichting Aanpassing naar tekst zoals opgenomen in de Modelverordening van de VNG De strekking van het artikel is gelijk bleven.

Nr. 17.

18.

Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en

Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier

professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit). gebruik. Toelichting: Definitie overeen laten komen met de definitie zoals deze wordt gebruikt in de modelverordening van de VNG.

Nr.

Was (APV 2024)

Wordt (APV 2026)

19.

Artikel 2:73a Carbidschieten Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Het is verboden carbidgas tot ontploffing te brengen. 1. Het is verboden carbidgas tot ontploffing te brengen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet van 31 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet van 31 december 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur december 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur daaraanvolgend, op door het college aangewezen daaraanvolgend, op door het college aangewezen gebieden. plaatsen. 3. Het college kan, aan het gestelde in lid 2, nadere 3. Het college kan, aan het gestelde in lid 2, nadere voorwaarden stellen. voorwaarden stellen. Toelichting: Term gewijzigd om aan te sluiten op de gebruikelijke terminologie in de APV. 20.

Artikel 2:74 Drugshandel op straat Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij daarin te bemiddelen. behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Toelichting: Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a (en lijst Ia) aan de Opiumwet toegevoegd. Daarin zijn nieuwe psychoactieve stoffen (zogenaamde designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Hoewel deze designerdrugs kunnen worden aangemerkt als ‘daarop gelijkende waar’ in de Apv-artikelen, is het wenselijk hierin ook substanties als bedoeld in artikel 2a van de Opiumwet expliciet te noemen. 21.

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Toelichting: Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a (en lijst Ia) aan de Opiumwet toegevoegd. Daarin zijn nieuwe psychoactieve stoffen (zogenaamde designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Hoewel deze designerdrugs kunnen worden aangemerkt als ‘daarop gelijkende waar’ in de Apv-artikelen, is het wenselijk hierin ook substanties als bedoeld in artikel 2a van de Opiumwet expliciet te noemen.

Nr.

Was (APV 2024)

Wordt (APV 2026)

22.

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een tijdelijk verbod opleggen om ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 5.

Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api/v1/meetings/1388/documents/21544