CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - 1 BOPA Motivering Ecu Woonzorgcomplex Dronten

Oordeelsvormende vergadering 25 juni 2026, gemeente DrontenBij agendapunt: 9: AKKOORDSTUK Raadsvoorstel Ontwikkeling 45 woon-zorgstudio's Ecu-terrein17.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3 alinea's met “bopa”: 5 64 99

In dit on- derzoek wordt derhalve stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 kilo- meter vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is globaal groen aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in donkerblauw aangeduid. De afstand is ge- meten vanuit het centrum van de ontwikkellocatie. 6 SAB (2026). Quick scan omgevingsveiligheid, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 9 maart 2026 32 Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding ontwikkellocatie (blauwe cirkel) bron: Atlas Leef- omgeving [1] Transportroute risicovolle stoffen, spoorroute 40 (Zwolle-Weesp); [2] Hogedruk aardgastransportleiding A-570-01; [3] Risicovolle activiteit, gas regel- en meetstation; [4] Risicovolle activiteit, SEVESO Broekhof vuurwerk; [5] Risicovolle activiteit, LPG-tankstation BP station De Noord; [6] Risicovolle activiteit, LPG-tankstation Supertank (De Noord); [7] Risicovolle activiteit, opslagtank propaan/propeen, FlevoTrade Grading & Packaging; [8] Risicovolle activiteit, opslagtank propaan/propeen, Bol Handelsonderne- ming; [9] Risicovolle activiteit, LPG-tankstation Avenu Volkswagen [10] Hogedruk aardgastransportleiding A-570-05; [11] transportroute risicovolle stoffen, provinciale weg N307.

Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen een PR 10 -6-contour of het brand/explosie/gifwolkaandachtsgebied van risicovolle activiteiten, buisleidin- gen, watertrajecten, wegvakken, luchtvaart en windturbines;

33 − De ontwikkellocatie bevindt zich in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van spoorroute 40 (Zwolle-Weesp). Hierbinnen moet conform Besluit kwaliteit leef- omgeving artikel 5.15 rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Risicoanalyse Uit de risicoanalyse van de quick scan blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het ex- plosie- en gifwolkaandachtsgebied van spoorroute 40 ligt. Aangezien de ontwikke- ling een zeer kwetsbaar gebouw betreft met mogelijk minder zelfredzame aanwezi- gen dient het besluitgebied te worden aangewezen als explosievoorschriftengebied. Hierbinnen gelden bouwkundige voorschriften ter be- scherming van de veiligheid van aanwezigen conform artikel 4.96 Besluit bouwwer- ken leefomgeving (Bbl) of gelijkwaardige maatregelen. Verder dienen er voldoende (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron af te zijn, voldoende bluswater- voorzieningen aanwezig te zijn en moeten er voldoende Bhv’ers zijn. Bij de ingebruikname dient een ontruimingsplan, afgestemd op de bewoners en in- terne organisatie, te zijn opgesteld. Hierin dient ook een hoofdstuk te worden opge- nomen voor een calamiteit van buitenaf (incident op het spoor). Advies is om het ontruimingsplan met de brandweer af te stemmen.

Blusvoorzieningen en bereik- baarheid voor de brandweer dienen te voldoen aan artikelen 22.13, 22.14 en 22.15 van het omgevingsplan. De genoemde maatregelen dienen in de omgevingsvergun- ning te worden geborgd. Er zijn bouwkundige maatregelen nodig om letsel door scherfwerking als gevolg van een explosie in geval van een exploderende spoorwegwagon te voorkomen. Een deskundig adviesbureau heeft onderzoek gedaan naar de gevolgen van de drukbelasting op de beglazing van het gebouw. Dit advies wordt bij de omgevings- vergunning bouwactiviteit afgestemd met de brandweer/veiligheidsregie. Mits dit gebeurt bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Advies Veiligheidsregio Er is overleg gevoerd met de veiligheidsregio. Op 23 januari 2026 heeft de veilig- heidsregio Flevoland een advies uitgebracht. Er is in deze quickscan rekening ge- houden met het voornoemde advies. Er wordt bij de oriëntatie van het gebouw en de inrichting rekening gehouden met de omgevingsveiligheid bij het ontwerp van de gebouwen. Dit wordt nader uitgewerkt bij het indienen van de vergunning voor bouwactiviteit. 4.9.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 34 4.10 Veiligheid 4.10.1 Algemeen Het maken van een gezonde en veilige leefomgeving maakt deel uit van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet.

Veiligheid is een belangrijk thema omdat het bijdraagt aan de volksgezondheid. Het aspect veiligheid valt uiteen in omgevings- veiligheid, hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Regels over de verschillende veiligheidsaspecten worden opgenomen in het omgevings- plan. Gemeenten zijn verplicht de risico’s van rampen, crises en branden te adres- seren door normen ervoor op te nemen in het omgevingsplan. Er is een zorgplicht voor zowel overheden als initiatiefnemers. 4.10.2 Toetsing De gemeente Dronten heeft in samenwerking met de gemeenten Noordoostpolder en Urk een specifiek beleid ontwikkeld voor het thema veiligheid; het ‘Integraal vei- ligheidsbeleid’ vastgesteld op 4 december 2023. Uit dit beleid komen drie hoofd- thema’s naar voren: Ondermijning Bij ondermijning is sprake van een vermenging van de onder- en bovenwereld. Cri- minelen maken misbruik van (legale) bedrijven, diensten of locaties bij het uitvoe- ren van criminele activiteiten of het witwassen van geld. De gemeenten willen zich inzetten tegen het werven van jonge aanwas dor zowel repressie als preventie. Ver- der willen de gemeenten zich inzetten op het vergroten van het zicht op de aard en omvang van de problematiek rondom criminele-, seksuele- en arbeidsuitbuiting.

Cybercrime en digitale veiligheid De gemeenten zetten zich in voor voorlichting en preventie om de weerbaarheid van bewoners, ondernemers en de gemeenten zelf te vergroten. Dit wordt gedaan door het vergroten van lokale netwerken van publieke en private (veiligheids)part- ners waarbij kennis wordt ingezet. Verder hebben de gemeenten als doel daders aan te pakken. Maatschappelijke onrust De gemeenten hechten belang aan vrijheid van meningsuiting, maar achten het daarbij noodzakelijk dat de maatschappelijke rust daarbij niet verstoord wordt , bij- voorbeeld door vernielingen of gewelddadige demonstraties. De gemeenten heb- ben als doel handelingskaders te ontwikkelen voor (online aangejaagde) ordever- storingen. Verder achten de gemeenten het noodzakelijk hun informatiepositie en signaleringsfunctie te versterken, waarbij we nauw samenwerken met partners uit het sociaal- en veiligheidsdomein. In het beleidsdocument zijn specifiek voor de gemeente Dronten lokale speerpun- ten opgenomen. Hierin staat het thema zorg en veiligheid op nummer 1. Door de toenemende druk op de zorg, beperkte capaciteit bij zorgpartners, toenemende ar- moede, migratie en polarisatie ontstaan er in de gemeente Dronten problemen 35 rondom kwetsbare mensen en mensen met onbegrepen gedrag.

De wachtlijsten zijn lang en de opvangplekken in instellingen zijn schaars, waardoor mensen vaak lang moeten wachten op professionele hulp. Voorliggend projectgebied betreft een locatie waar een veilige leefomgeving kan worden geboden aan toekomstige bewoners met een zorgbehoefte. De voorgeno- men ontwikkeling staat het veiligheidsbeleid van de gemeente niet in de weg en draagt bij aan het verder uitbreiden van de zorgmogelijkheden binnen de ge- meente. Tot slot worden er met deze ontwikkeling geen risicovolle activiteiten mo- gelijk gemaakt. 4.10.3 Conclusie Het aspect veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het pro- ject. 4.11 Gezondheid 4.11.1 Algemeen De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle rele- vante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te be- trekken. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities vastleggen in de omge- vingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. In de bruidsschat worden regels gesteld voor bouw en gebruik die het beschermen van de gezondheid tot doel hebben. Het betreft hier de verplichting tot aansluiting op het drinkwaterleidingnet (paragraaf 22.2.3 artikel 22.11) , de aansluiting op het riool (paragraaf 22.2.3 artikel 22.12), het aantal inwoners per vierkante meter (para- graaf 22.2.4. artikel 22.16), de constructieve staat van gebouwen (paragraaf 22.2.4.

artikel 22.18), de gevaren voor de gezondheid op open erven (paragraaf 22.2.5. artikel 22.20), de omgang met milieubelastende activiteiten (paragraaf 22.3.1. artikel 22.42) en de omgang met de milieukundige staat van de bodem ge- bouwen (paragraaf 22.3.7.2. artikel 22.129). Dit zijn regels voor gezondheidsbe- scherming. Het aspect gezondheid wordt in deze paragraaf getoetst aan het gemeentelijk ge- zondheidsbeleid en aan de bruidsschat. De gemeente Dronten heeft geen specifiek opgesteld gezondheidsbeleid. Er wordt aandacht besteed aan dit aspect in de om- gevingsvisie. Het is een van de vijf grote ambities van de gemeente om een ge- zonde, sociale en veilige leefomgeving te creëren. Deze gezondheid wil ze creëren door mensen aandacht voor elkaar te laten hebben, door groen te realiseren, door aandacht te hebben voor geestelijke gezondheid, door te streven naar positieve ge- zondheid en door een goed omgevingskwaliteit te nastreven.

36 4.11.2 Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, veiligheid en geluid is geconcludeerd dat in het projectgebied sprake is van een gezonde leef- omgeving: − In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten; − In het besluitgebied is omgevingsveiligheid geen belemmerende factor; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede lucht- kwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten. Daarnaast zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om sport - en be- wegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden en verscheidene sportaccommo- daties. Op basis van het voorgaande is het aspect gezondheid zowel vanuit ge- zondheidsbescherming als -bevordering meegewogen in de ontwikkeling. Vanuit de GGD zijn verschillende gezondheidsaspecten getoetst. Er zijn een aantal aandachtspunten waar rekening mee gehouden moet worden bij de realisatie. Dit is uitgewerkt in de adviesbrief7 welke door de GGD is opgesteld. Dit zal worden meegenomen in de technische bouwaanvraag. 4.11.3 Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect gezondheid.

4.12 Water 4.12.1 Algemeen Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de veran- kering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. Op basis van artikel 2.2 houden bestuursorganen rekening met elkaars taken en bevoegdheden en zorgen voor afstemming en sa- menwerking hierover. De wettelijke basis van de weging van het waterbelang ligt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Artikel 5.37 regelt dat bevoegd gezag bij ruim- telijke ontwikkelingen waterbelangen meewegen bij besluitvorming. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wa- teradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersys- teem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbe- stendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, wa- terkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn.

7 GGD Flevoland (2025) GGD Advies Bopa woonzorgcomplex Dronten. 31 oktober 2025 37 Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de proce- dure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de wa- terhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale pro- cedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is op 11 augustus 2025 een digitaal Waterad- vies8 uitgevoerd. Zie bijlage 6. Op basis hiervan is de normale procedure van toe- passing. De relevante nieuwe en bestaande waterhuishoudkundige werken, zoals waterkeringen en oppervlaktewater, zijn opgenomen in Regels op Kaart en/of gere- guleerd in de regels van het omgevingsplan. Wet- en regelgeving en beleid KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie - en kwelgebieden).

Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecolo- gie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakteen grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de ont- trekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met deaanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekom- stige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ont- wikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: − vasthouden, bergen en afvoeren; − schoonhouden, scheiden en zuiveren. Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle as- pecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, na- tuur, bodem én water.

Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten om- gevingsvisies en omgevingsplannen op. Alle ambities en keuzes over het beheer, 8 Watertoets (2026). Resultaten. Hetwateradvies.nl, datum 6 maart 2026. 38 beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. Omgevingsvi- sies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt. Het be- heer is gericht op: − het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; − het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en; − de vervulling van de aan die watersystemen toegekende maatschappelijke func- ties’. Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsveror- dening.

Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervan- gen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiële bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet. Programma’s Water en Ruimte In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maat- regelen vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Het onderwerp ‘ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water’ is daarbij een belang- rijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende wa- ter, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raak- vlakken van water met andere sectoren. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart.

Programma’s zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn. En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma’s zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leef- omgeving. De vastgestelde maatregelen in programma’s zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen. 39 Er zijn een aantal verplichte programma’s waarin maatregelen over ruimtelijke ont- wikkelingen in relatie tot water kunnen staan: − Nationaal waterprogramma (Rijk) – gericht op het beheer van rijkswateren − Regionaal waterprogramma (provincie) – gericht op regionale oppervlaktewa- terlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties − Waterbeheerprogramma (waterschap) – gericht op de watersystemen in beheer bij het waterschap Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een ge- zonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als ver- trekpunt, maar toekomstbestendigheid.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterro- buust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende be- scherming bij hoogwater. 4.12.2 Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is de Legger Wateren van Waterschap Zuiderzeeland geraadpleegd (zie navolgende uitsnede). Hieruit blijkt dat in de di- recte omgeving het projectgebied geen waterstaatkundige werken aanwezig zijn. Ook ligt het projectgebied niet in een risicogebied. Geconcludeerd kan worden er op basis van de Legger geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. Uitsnede Legger Wateren 2023 van het Waterschap Zuiderzeeland (Bron: Waterschap Zuider- zeeland)

40 Waterveiligheid Waterschap Zuiderzeeland onderhoudt en beheert 251 kilometer dijken die rondom de polders liggen en ons beschermen tegen het buitenwater, zoals het IJsselmeer, Markermeer, IJmeer en de randmeren. Regelmatig worden de dijken geïnspecteerd op schade als gevolg van storm of hoge waterstanden. Doorlopend vindt onder- houd plaats aan dijken en oevers. Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema waterveiligheid van toepassing. Voldoende water Water in sloten, vaarten en tochten moet op peil worden gehouden. Bij de vaststel- ling van het peil, houdt het waterschap rekening met de verschillende belangen, zo- als de belangen van agrariërs, natuurgebieden (bossen) en de scheepvaart. Het teveel aan water, veroorzaakt door regenwater en kwel, wordt met behulp van zeven gemalen van het waterschap uit de polders gepompt. Maar soms wordt er ook water vanuit het IJsselmeer, Markermeer, IJmeer en randmeren ingelaten ten behoeve van irrigatie en nachtvorstbestrijding. Om het water af- en aan te voeren moeten de watergangen aan bepaalde afmetingen voldoen en vrijgehouden wor- den van onderwaterbegroeiing.

Goed functioneel watersysteem Streefbeeld: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effec- ten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het wa- tersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Het waterschap wil een watersysteem met grote peilvakken. Nieuwe ontwikkelin- gen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar watergangen met een minimum aantal duikers of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed beheerbaar is. In het plangebied wordt nieuw water gegraven. Er wordt gestreefd naar aaneenge- sloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toe- komstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De 41 planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat voldoet aan de normering voor wateroverlast.

Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als ge- volg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatrege- len te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behou- den. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De situatie van het beheergebied begin 2013 is de nulsituatie. De compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf de nulsituatie. Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling in 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario’s en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toe- pasbaar is voor open water én alternatieve waterberging. Voor een klimaatbesten- dige leefomgeving, nu en in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. In dit licht wordt initiatiefnemers nadrukkelijk geadviseerd uit te gaan van de toe- komstige advies-bergingsnorm.

Deze is gebaseerd op KNMI-klimaatscenario’s van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard opper- vlak. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling toe. Deze toename is groter of gelijk aan 750 m² en is compensatie noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Deze bergingsnorm geldt op grond van de Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde af- voer (2012). Bij de hantering van de bergingsnorm gaat het om het benodigde oppervlak open water op streefpeil. Voor onderhavig plan is een compensatieplan 9 opgesteld. De watergang aan de noordzijde wordt uitgebreid. In navolgende afbeeldingen is de watercompensatie weergegeven. De contouren van het gebouw welke opgenomen is in navolgende afbeelding kunnen bij de technische uitwerking mogelijk nog wat afwijken. 9 Lindeloof Tuin- en Landschapsarchitecten BV (2026) Watercompensatie, ECU terrein Sonneborgh Dronten. 224901, 2 februari 2026 42 Beoogde situatie met hemelwatercompensatie. Doorsnede hemelwatercompensatie De gehele ontwikkeling zorgt voor een toename van 1.934,5 m2 verhard oppervlak. Met een compensatieplicht van 10,2 m3 per 100 m2 is er (10,2 x 19,345) = 197 m3 aan compensatie benodigd.

Met onderhavige ontwikkeling wordt 211 m 3 aan com- pensatie gerealiseerd. Dit alles is in navolgende tabel weergegeven. Waterbalans

43 Schoon water Met zijn allen produceren we veel afvalwater. Dit vervuilde water komt meestal via de gemeentelijke riolering bij een van de vijf afvalwaterzuiveringsinstallaties van Waterschap Zuiderzeeland terecht. Deze installaties halen de vervuilende stoffen zoveel mogelijk uit het afvalwater. Het gezuiverde water wordt weer teruggepompt op het oppervlaktewater. Met behulp van vergunningverlening probeert het waterschap het verontreinigen van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken. Bedrijven zijn namelijk ver- plicht voor het lozen van afvalwatervergunning aan te vragen. In deze vergunning worden strenge eisen gesteld aan de samenstelling en de hoeveelheid van het te lozen afvalwater. Goede structuurdiversiteit Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef-, verblijf- en voortplantingsmo- gelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Bij de inrichting van een nieuw watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwali- teit. Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet -uitlo- gende en gecertificeerde materialen toegestaan.

Voor beschoeiing geldt aanvul- lend dat de materialen niet-oxideerbaar zijn. Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mo- gelijk is. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantings- mogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemi- sche en ecologische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In be- staande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe ‘schoon hou- den, scheiden, zuiveren’. Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe ‘vasthouden, bergen en afvoe- ren’. Dit om afwenteling (wateroverlast) te voorkomen.

44 Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als in- filtratie niet kan dan door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande ge- mengde stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Het afstromend hemelwater van onderhavig plan valt onder de randvoorwaarden van schoon hemelwater. Matige tot slechte kwaliteit kwelwater Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gele- gen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen.

Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze ef- fecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwa- ter, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Huishoudelijk af- valwater wordt afgevoerd op de DWA riolering en het hemelwater wordt aangeslo- ten op de hemelwaterriolering gelegen in de straat ECU. Het hemelwater dat van de parkeerplaats afkomstig is wordt aangemerkt als schoon doordat het minder dan 50 parkeerplaatsen betreft. Daarnaast worden er geen uitlogende materialen ge- bruikt die het hemelwater kunnen verontreinigen. 4.12.3 Conclusie Het project dient te worden voorgelegd aan het waterschap. Het aspect water vormt met inachtneming van de aanbevelingen in het bovenstaande waarschijnlijk geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.13 Klimaatadaptatie 4.13.1 Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toege- licht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Delta- programma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS).

45 Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team te- rug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt te- gen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbe- stendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschap- pen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommis- saris.

Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale be- leid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en han- delen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omge- ving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadap- tieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wa- teroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen.

Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitge- werkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatla t moet een im- puls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realise- ren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. 46 Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijk- heden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Regionale Adaptatiestrategie Flevoland De Regionale Adaptatiestrategie Flevoland is een document opgesteld door het Sa- menwerkingsverband Klimaatadaptatie Flevoland (KAF). Dit samenwerkingsver- band bestaat uit de Provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland, GGD Flevo- land, Rijkswaterstaat Midden-Nederland en de zes gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde. Het hoofddoel van de RAS Flevoland is om Flevoland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te maken.

Dit betekent dat de samenleving en leefomgeving zodanig worden ingericht dat de gevolgen van klimaatverandering, zoals hitte, droogte, he- vige neerslag en overstromingsrisico's, niet leiden tot grote gezondheidsrisico's en (structurele) schade. Ook bevat het document een doorkijk tot 2100. Belangrijke aspecten uit de Regionale Adaptatie Strategie Flevoland zijn: − Gezonde en veilige leefomgeving: Beperken van schaderisico's, zoals gezond- heidsschade en oversterfte door hitte. − Groen, tenzij: Voorkeur voor groene oplossingen en het beperken van verhar- ding. Klimaatadaptieve maatregelen en het versterken van biodiversiteit gaan hand in hand. − Samenwerken: De gemeente kan een adaptieve omgeving niet alleen realiseren. Inwoners, ondernemers en andere stakeholders worden gestimuleerd en onder- steund met voorlichting en subsidies. − Maximale effectiviteit: Klimaatadaptieve maatregelen worden geïntegreerd bij logische momenten zoals nieuwbouw, renovatie, herontwikkeling en groot on- derhoud. − Focus op kwetsbaarheden: De klimaatstresstesten laten zien dat Flevoland vooral kwetsbaar is bij hitte, droogte en hevige neerslag, en voor overstromings- risico's. − Klimaatbestendig buitengebied: Aandacht voor de risico's voor landbouw en na- tuur door droogte, wateroverlast, bodemdaling en verzilting.

Dit vraagt om duur- zame verandering van het gebruik en de inrichting van het buitengebied. − Groenblauwe structuren in de bebouwde omgeving: Ruimte voor een netwerk van water en openbaar groen dat aansluit op het regionale netwerk. − Regionale en lokale aanpak: Het document dient als leidraad voor overheden en andere betrokkenen om zich daadwerkelijk aan te passen aan de klimaatveran- dering. Klimaatbeleidsplan Dronten en uitvoeringsprogramma Het Klimaatbeleidsplan Dronten is op 26 november 2020 door de gemeenteraad van Dronten vastgesteld. Dit plan beschrijft de ambitieuze koers van de gemeente 47 om voorop te lopen in de energietransitie en klimaatneutraliteit, met als doel om in 2030 de grootste CO2-reductie van alle gemeenten in Nederland te realiseren. Speerpunten zijn de verdere inzet op grootschalige duurzame energieopwekking, het aardgasvrij maken van wijken, energiebesparing, het stimuleren van een circu- laire economie, aandacht voor klimaatadaptatie en actieve participatie van inwo- ners en bedrijven. Het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Klimaatbeleidsplan Dronten is op 21 april 2022 door het college van burgemeester en wethouders (B&W) van Dronten vast- gesteld. Dit document is de concrete uitwerking van het Klimaatbeleidsplan en ver- taalt de ambities naar specifieke acties, projecten en maatregelen voor de periode 2022-2026.

Het beschrijft gedetailleerd wie wat gaat doen, wanneer, met welk bud- get en met welke verwachte resultaten, en dient als een werkplan om de doelen daadwerkelijk te bereiken. Toekomstvisie Dronten 2050 De Toekomstvisie Dronten 2050 is tot stand gekomen via een uitgebreid participa- tietraject. Hierin heeft het 'Dronter Toekomstberaad', een groep van 100 inwoners, een langetermijnvisie voor Dronten opgesteld na meerdere bijeenkomsten en brain- stormsessies. De gemeenteraad heeft deze visie vastgesteld in het najaar van 2024. De visie beschrijft Dronten als een gemeente die in 2050 vooruitloopt en pioniert op het gebied van energie en duurzaamheid. Het streven is om een positief rendement te behalen dat het welzijn van de inwoners bevordert. De gemeente wil de vrucht- bare landbouwgrond behouden, maar tegelijkertijd een gezonde balans creëren tussen landbouw en biodiversiteit. Verder focust de visie op het behouden van het dorpse karakter en het versterken van de sociale cohesie. Een belangrijk onderdeel is het zorgen voor een ruim aan- bod van betaalbare woningen voor alle generaties. Daarnaast wordt er ingezet op een groenere leefomgeving, met meer groen in woonwijken, op bedrijventerreinen en langs wegen, en een goede aansluiting van de bebouwde omgeving op de na- tuur.

Tot slot is er aandacht voor gezondheid en welzijn, met het doel dat er vol- doende bereikbare en betaalbare zorg is, waarin de mens centraal staat en techno- logie ondersteunend werkt. Deze visie dient als een belangrijk stuurdocument voor toekomstige ontwikkelin- gen en zal verder worden uitgewerkt in onder andere de Omgevingsvisie van de ge- meente. 4.13.2 Toetsing In voorliggende situatie wordt een woon-zorgcomplex gerealiseerd met maximaal 45 woonzorgappartementen. Hoewel het verhard oppervlak als gevolg van voorlig- gend project toeneemt, zal het perceel waar mogelijk groen worden ingericht zodat er mogelijkheden blijven voor hemelwaterinfiltratie. Met een T = 100 bui van ca. 60 48 mm in 1 uur moet er (0,06 x 1.934,5) = 116,07 m3 opgevangen worden. Met onder- havige ontwikkeling wordt 211 m3 aan hemelwateropvang gerealiseerd. Zodoende kan de piekbui worden verwerkt. Verder geldt dat bij de nieuwbouw van het woon-zorgcomplex wordt voldaan aan de BENG-eisen die gesteld worden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, zie artikel 4.148 en 4.149). De buitenruimte wordt groen aangeplant met een aantal bomen en struiken. Vooral de bomen zullen zorgen voor enige schaduwwerking dat hittestress tegengaat. Verder wordt de buitenruimte zo min mogelijk verhard om hitte absorptie te voorko- men en de gevel van de bebouwing wordt voorzien van lichte bakstenen.

4.13.3 Conclusie Bij de planvorming is voor zo ver als mogelijk rekening gehouden met klimaatadap- tatie 4.14 Natuur 4.14.1 Algemeen Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook an- dere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met moge- lijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fy- sieke leefomgeving nodig om te controleren of: − er soorten aanwezig zijn; − welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd wor- den of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde be- schermde soorten of habitats voorkomen.

Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwe- zig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen tref- fen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor 49 schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnet- werk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Be- scherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soor- tenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habi- tatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden.

In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Na- tura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000 -ge- bied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN -gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhou- ding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebie- den. 4.14.2 Toetsing In het kader van de sloop en nieuwbouw in het projectgebied is een quick scan na- tuur10 uitgevoerd. De conclusies uit het onderzoek worden navolgend uiteengezet. Gebiedsbescherming Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland en er is geen ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig. De provinciale bescher- ming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Natura 2000-gebied Ketelmeer & Vossemeer, Veluwerandmeer en Zwarte meer lig- gen in de omgeving van het besluitgebied en ondervinden geen negatieve effecten van de werkzaamheden.

Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 -gebied is de Veluwe. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit ge- bied is vanwege een mogelijke toename (door de nieuwbouw) in stikstofdepositie 10 SAB (2025). Quick scan natuur, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 16-10-2025 50 door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. In navol- gende paragraaf is het aspect stikstof onderbouwd. Soortenbescherming Verblijfplaatsen of andere essentiële elementen van habitatrichtlijnsoorten en niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’, en jaarrond be- schermde nesten van vogelrichtlijnsoorten zijn niet aanwezig in het besluitgebied of de directe omgeving ervan. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling daarom niet in de weg. Uit de quickscan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is be- schermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen ko- men. Tref derhalve de preventieve maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 van de quickscan om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Uit de quickscan blijkt dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de speci- fieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime.

Deze vallen binnen de volgende soortgroepen: - Amfibieën; - (overige) insecten; - grondgebonden zoogdieren; - vogels. Tref hiervoor de maatregelen zoals opgesomd in paragraaf 3.11 van de quickscan. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstem- ming plaats te vinden met een deskundig ecoloog. 4.14.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het pro- ject. 4.15 Stikstof 4.15.1 Algemeen Op grond van de Omgevingsweg worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de in- standhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelas- ting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de reali- satie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisa- tie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de 51 stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000 -gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend.

Voor het berekenen van de stikstof- depositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000 -gebieden op stik- stofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. 4.15.2 Toetsing In het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in de Omgevingswet is de stikstofuitstoot11 door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aan- legfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stik- stofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000 -gebieden. Er zijn daar- door geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000 - gebieden. Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresul- taten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffec- ten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd.

4.15.3 Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het pro- ject. 4.16 Archeologie 4.16.1 Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich ver- plicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeolo- gische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevings- plan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te 11 SAB (2026). Onderzoek stikstofdepositie, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 26 februari 2026 52 worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet wor- den aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wan- neer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied, moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente ge- stelde voorwaarden.

De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonder- zoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.16.2 Toetsing Op basis van het bestemmingsplan heeft het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Dit betekent dat voor deze gronden geldt dat bodemin- grepen van groter dan 1,7 hectare en dieper dan 40 centimeter alleen zijn toege- staan indien een archeologisch rapport wordt overlegd. Deze drempelwaarden wor- den niet overschreden met voorliggend project. Nader onderzoek naar archeologie is daarom niet benodigd. 4.16.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.17 Cultuurhistorie 4.17.1 Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat, voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar zoveel mogelijk rekening mee houden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumenten- activiteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.17.2 Toetsing Op 17 juni 2025 heeft de gemeenteraad van Dronten de ‘Verordening Fysieke Leef- omgeving Dronten 2025’ vastgesteld. Hierin zijn naast regels over bomen, markten, ligplaatsen voor boten en andere regels aangaande de fysieke leefomgeving ook regels over erfgoed opgenomen. In de regels over erfgoed ligt vast hoe de ge- meente wil omgaan met haar verantwoordelijkheid voor het cultuurhistorisch erf- goed binnen haar grenzen. De regels helpen bij het zoeken naar kansen om samen dit erfgoed te behouden, uit te dragen en bij nieuwe ontwikkelingen te betrekken. 53 Binnen en in de directe omgeving van het projectgebied zijn geen cultuurhistori- sche waarden aanwezig. Het aspect cultuurhistorie geeft verder geen kaders voor de ontwikkeling. 4.17.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.18 Verkeer en parkeren 4.18.1 Algemeen Verkeer In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg - en verkeerswetge- ving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV).

Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aange- toond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente Dronten een Parkeernomennota vastgesteld. 4.18.2 Toetsing Parkeren Het projectgebied ligt op basis van de publicatie van het CROW in een 'weinig ste- delijk gebied' met het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De gemeente Dronten heeft een eigen parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Dronten 2016’ (vastgesteld op 29 september 2016) en uitgebreid met ‘Addendum bij Nota Par- keernormen Dronten 2016, afwijkingsbevoegdheid parkeernormen’ (vastgesteld op 12 november 2024). Hieruit volgt dat het kencijfer voor een verpleeg en verzor- gingstehuis 0,6 parkeerplaatsen per wooneenheid betreft. Berekening parkeerbehoefte kenmerk aantal kencijfer per Parkeerbehoefte Verpleeg- en verzorgingstehuis 45 0,6 wooneenheid 27 totaal afgerond 27 De benodigde 27 parkeerplekken worden op eigen terrein gerealiseerd. Verkeer De gemeente Dronten kent een eigen ‘Gemeentelijk verkeer en vervoer plan’. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegene- reerd bij een bepaalde ontwikkeling, volgt de gemeente de kencijfers van het 54 CROW12 voor verkeersgeneratie.

Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het projectgebied worden de kencijfers voor het gebied ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. De gemeente Dronten wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘ weinig stedelijk’ gebied. Voor de toevoeging van een woon-zorgcomplex met maximaal 45 woonzorgappar- tementen geldt daarbij de categorie ‘Verpleeg- en verzorgingstehuis’. Aan deze ca- tegorie is geen verkeersgeneratie gekoppeld. Als er uitgegaan wordt van 4 bewe- gingen per parkeerplaats per etmaal, komt dat neer op 4 x 27 = 108 verkeersbewegingen per etmaal. De CROW hanteert de vuistregel dat op het druk- ste moment in de spits 10% van de verkeersbewegingen per etmaal op dat mo- ment plaats vinden. In onderhavige situatie zijn dat 11 verkeersbewegingen. De verwachting is dat de bestaande uitvalswegen in ruimte en plaats voor deze zeer beperkte nieuw gegenereerde verkeersbewegingen kunnen voorzien. 4.18.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaar- heid van het project.

4.19 Kabels en leidingen 4.19.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de bescher- ming van planologisch relevante kabels en leidingen. 4.19.2 Toetsing In en nabij het projectgebied bevinden zich geen relevante kabels en leidingen die de ontwikkeling in de weg zouden kunnen staan. 4.19.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 12 CROW, publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ 55 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeen- komst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op ba- sis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een bui- tenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Voorliggend project wordt gerealiseerd op initiatief van een ontwikkelaar.

De ge- meente en de initiatiefnemer hebben een koop- en realisatieovereenkomst geslo- ten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeen- komst is het project verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaar- heid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond. 5.2 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 5.2.1 Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organi- saties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Sonneborgh heeft een inloopavond georganiseerd om alle belanghebbenden de mogelijkheid te bieden mee te praten over de plannen. De inloopavond vond plaats bij Bij Broers (Koning Willen-Alexanderplein 1) in Dronten. De resultaten zijn vastge- legd in een participatieverslag13. In totaal waren er circa 25 belangstellenden aanwezig op de inloopavond. Sonne- borgh heeft de aanwezigen een presentielijst laten invullen. Vanwege de AVG -wet- geving is deze presentielijst niet aan dit participatieverslag toegevoegd.

Aanwezig waren met name omwonenden die aan de Beiersgulden wonen, maar ook mensen van de J.P. van den Bent stichting en de volkstuinvereniging waren aanwezig. 13 Sonneborgh (2025) Participatieverslag fase1, Ecu Dronten. BSZ/135872, 8 december 2025 56 Sonneborgh kijkt zeer tevreden over de participatiebijeenkomst die als heel positief is ervaren door de aanwezigen. Veel bezoekers waren enthousiast over het voorge- steld plan, dat door middel van posters aan de bezoekers is getoond. Deze ge- toonde posters zijn in bijlage A van dit participatieverslag te zien. De bezoekers is gevraagd om feedback formulieren in te vullen. Alternatief was om de eventuele voorstellen of vragen op geeltjes te noteren en deze te plakken op het feedback- bord. De ingevulde formulieren en de achtergelaten geeltjes zijn toegevoegd als bij- lage B. Conclusie en vervolg Gezien de positieve reacties die zijn gegeven op het plan is besloten geen wijzigin- gen door te voeren. Er wordt voldaan aan de gewenste bouwhoogte van 3 bouwla- gen en er wordt voldoende parkeergelegenheid gecreëerd. De overige vragen die zijn gesteld, zoals hiervoor beschreven, zullen in het kader van haar publieke taak worden beantwoord door de gemeente. Daarmee is de BOPA gereed voor indie- ning.

57 6 Evenwichtige toedeling van func- ties aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toede- ling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Om- gevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomge- ving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; − Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In voorliggende motivering is de beoogde wijziging van een in onbruik zijnde per- ceel naar een woon-zorgcomplex getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voornemen bestaat om ter plaatse van de ontwik- kellocatie een woon-zorgcomplex met ruimte voor maximaal 45 woonzorgapparte- menten te realiseren. In het gebouw zal ook ruimte zijn voor zorgvoorzieningen. Voorliggend plan is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeen- telijk beleid en speelt in op de lokale woningbehoefte. Landschappelijke en archeo- logische waarden worden niet aangetast. Het plan voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

De nieuwe woonfunctie zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende func- ties geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leef- omgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte. Daarom kan ge- concludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api/v1/meetings/1404/documents/21942