9ec966ab-6ed8-4f66-809f-99914baaaad5.pdf
Tekst van het document
Nota zienswijzen Bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ en beleidsregel ‘Uitbreiding bedrijfserven met veehouderij’
12 april 2022
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1.
Inleiding
pag. 3
2.
Zienswijzen
pag. 4
3.
Samenvatting voorgestelde aanpassingen Wijzigingen als gevolg van de zienswijzen Ambtshalve wijzigingen
pag. 22 pag. 22 pag. 23
Bijlagen: 1. Publicatie ter visie ontwerp bestemmingsplan 2. Ingekomen zienswijzen (geanonimiseerd)
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 2
1. INLEIDING Voor u ligt de nota zienswijzen voor het ontwerp bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ en de ontwerp beleidsregel ‘Uitbreiding bedrijfserven met veehouderij’. Het ontwerp bestemmingsplan en beleidsregel lagen in de periode van 16 december 2021 tot en met 26 januari 2022 ter inzage voor een ieder. Voorafgaand aan de ter visie legging is op 15 december 2022 openbare kennisgeving gedaan in het Gemeenteblad, de FlevoPost en op de gemeentelijke website: www.dronten.nl. De kennisgeving is tevens via elektronische weg toegezonden aan de provincie Flevoland en waterschap Zuiderzeeland. Verder is de kennisgeving toegezonden aan degenen die een inspraakreactie hebben ingediend. Inzage in het bestemmingsplan en beleidsregel is geboden bij de publieksbalie van het gemeentehuis. Het plan was digitaal raadpleegbaar op www.dronten.nl en via www.ruimtelijkeplannen.nl. De advertentie (kennisgeving) is opgenomen in bijlage 1 bij deze nota. Gedurende de termijn zijn er 12 zienswijzen binnengekomen. Waarbij één zich ook richtte op de beleidsregel. De zienswijzen worden in deze nota samengevat en voorzien van beantwoording. Ook is aangegeven of de zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan en beleidsregel. Indien aan de orde is aangegeven hoe het plan en beleidsregel zijn aangepast. Indieners van een zienswijze worden hierover geïnformeerd.
Deze nota zienswijzen is als bijlage opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan. De gemeenteraad zal vervolgens het bestemmingsplan al dan niet vaststellen. Hierna staat voor de indieners van een zienswijze beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 3
2. ZIENSWIJZEN Hieronder is een samenvatting gegeven van de ontvangen zienswijzen met daarbij cursief de gemeentelijke beantwoording. In bijlage 2 bij deze nota zijn de oorspronkelijke zienswijzen (geanonimiseerd) opgenomen. Zienswijze 1. LTO Noord LTO Noord reageert vooral op de regeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Dit is voor alle partijen een, mede door de actualiteit, lastig en moeilijk te doorgronden thema. Bij de wijze waarop dit aspect in het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen zetten wij diverse vraagtekens. 1.1. LTO Noord constateert dat er bij vele ondernemers zorgen bestaan over de latente ruimte waarover zij op basis van vergunningen (Wet milieubeheer/AMVB veehouderij) beschikken. Dit wordt onder andere genoemd in zienswijze 4. LTO Noord onderschrijft de vragen die in deze zienswijze gesteld worden en verzoekt de gemeente om hier helderheid in te geven. Reactie Op deze plek verwijzen we naar de beantwoording van zienswijze 4. 1.2 LTO Noord stelt dat vanuit de rijksoverheid en de provincies de lijn gevoerd wordt om bemesten en beweiden niet onder de vergunningplicht te laten vallen. In het ontwerpbestemmingsplan wordt bemesten/beweiden echter onder strijdig gebruik geschaard als er sprake is van een toename van stikstofdepositie. De vraag is daarmee hoe dit in de praktijk verloopt, graag ontvangen wij hier een toelichting op.
De insteek van LTO Noord is om het beweiden en bemesten waar mogelijk uit te zonderen van de strijdig gebruik-regel. Bijkomend is ons onduidelijk hoe de gemeente het beweiden/bemesten van gronden heeft gemonitord met betrekking tot de bestaande situatie en hoe de gemeente dit gaat monitoren. Hier ontvangen wij graag een toelichting op. Reactie De reactie van LTO is aanleiding voor een heroverweging. In de jurisprudentie wordt aangegeven dat het bemesten in een bestemmingsplan niet beoordeeld hoeft te worden in samenhang met de oprichting, uitbreiding of exploitatie van een agrarisch bedrijf. Voor bemesten kan ook een afzonderlijke natuurvergunning worden aangevraagd. Een toename van de bemesting kan dus wel leiden tot een toename van de stikstofdepositie, maar staat los van de toename van de veebezetting op een agrarisch erf. Voor het beweiden hangt onlosmakelijk samen met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden, zodat de gevolgen van het weiden van vee bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten worden beoordeeld als dat bestemmingsplan voorziet in de (nieuw)vestiging of uitbreiding van een melkveehouderij waarin het weiden van het melkvee onderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering (ECLI:NL:RVS:2019:3417). In dit geval voorziet het bestemmingsplan niet in de uitbreiding of nieuwvestiging.
Om deze redenen passen we de stikstofregeling in het bestemmingsplan aan. In de uitspraak buitengebied Aalten (ECLI:NL:RVS:2020:684, 4 maart 2020) geeft de Afdeling in de vorm van een voorlopige voorziening een wijze van omschrijven die de Afdeling aanvaardbaar acht:
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 4
"Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot een veehouderij die leidt tot een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied welke stikstofdepositie groter is dan de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige planologisch toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot die veehouderij"; In lijn met deze omschrijving passen we de regeling in de planregels aan. Door het aanpassen van deze omschrijving speelt het vraagstuk van monitoring niet meer. 1.3 In algemene zin stellen wij dat het ontwerpbestemmingsplan erg veelomvattend is qua opgenomen regels en toetsingskaders. Daar waar de roep steeds sterker wordt om (ook in het licht van de eventueel aanstaande Omgevingswet) minder regels toe te passen, lijkt dit bestemmingsplan een overkill aan regels te hebben. Veel regels worden al gesteld vanuit sectorale wetten en de reguliere toets aan 'een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarmee wat de toegevoegde waarde is (van grote delen van het opgenomen toetsingskader). Het maakt het plan voor de ondernemers niet makkelijk raadpleegbaar. Reactie De basis voor het bestemmingsplan is het bestemmingsplan ‘Buitengebied (D4000)’.
We houden de regels en het toetsingskader zo om een eenzelfde wijze van regelen te houden voor alle gebruikers in het buitengebied. 1.4 In het bestemmingsplan is de regel opgenomen (artikel 3.2.1 sub h/3.2.2 sub I) dat de afstand van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, tot de niet naar de weg gekeerde grenzen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch bedrijfskavel' ten minste 10,00 m dient te bedragen. Deze bepaling beperkt de bruikbaarheid van een perceel relatief fors. De grondslag voor deze bepaling wordt niet duidelijk uit het bestemmingsplan. De vraag is wat deze bepaling met name aan de achterzijde van een perceel toevoegt. Graag ontvangen wij hier een toelichting op. Reactie Zoals eerder benoemd is dit onderhavige bestemmingsplan gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Buitengebied (D4000)’. We houden nu dezelfde wijze van regelen aan. Deze afstand wordt gehanteerd, omdat deze deel uitmaakt van de inrichtingsprincipes van de erven in het buitengebied. Het heeft zijn oorsprong uit de tijd van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Het is beeldbepalend voor de rechthoekige (agrarische) erven in het buitengebied. In de praktijk is (in het akkerweidegebied) in deze zone de erfsingelbeplanting voorzien. Deze moet van stam tot stam minimaal 6 m zijn. Met naast deze boomlaag een struik- en een kruidlaag.
Bij de inpoldering is elk bedrijfskavel/erf (in het akkerweidegebied) voorzien van een erfsingelbeplanting. Er is door deze erfsingelbeplantingen een beeldbepalend contrast aanwezig tussen het open agrarische gebied en de met een dichte beplanting omgeven agrarische bedrijfskavels. Dit beeld van dichte boerenerven in het grootschalige open landschap (eilandjes in het open landschap) is één van de meest waardevolle karakteristieken van het huidige polderlandschap.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 5
Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 2. 2.1 De indiener hebben een biologisch akkerbouwbedrijf (Ellerweg 20) van 28 ha en daarnaast een paardenhouderij. De zienswijze spitst zich toe op laatstgenoemd bedrijfsonderdeel, de paardenhouderij. Indiener heeft moeite met de stikstofregeling waarin alleen het bestaande gebruik is vastgelegd. Dat heeft gevolgen, immers de mogelijkheden voor uitbreiding van de paardenhouderij ter plaatse worden in feite ontnomen, daar er voor intern salderen in geval van het houden van paarden praktisch geen opties zijn. In geval van uitbreiding resteert enkel de mogelijkheid van extern salderen. Echter, en dat is nu enorm van belang, dient vastgesteld te worden wat de huidige (referentie)situatie in het kader van dit plan is. Indiener beschikt niet over een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming. Dus is de feitelijk aanwezig en planologisch legale situatie in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan bepalend. In dat kader wijzen indieners specifiek op hun melding Activiteitenbesluit van 24 juni 2013. Deze dient als uitgangspunt te gelden bij het vaststellen van de bestaande stikstofdepositie. Een kopie van de melding is bijgevoegd. Gevraagd wordt om op basis daarvan uit te gaan van de aanwezigheid van 33 paarden.
Reactie Als op dit moment feitelijk 33 paarden aanwezig zijn, dan wordt dit als referentiesituatie voor de stikstofdepositie gehanteerd. Het klopt dat uitbreidingsmogelijkheden voor paarden inderdaad niet mogelijk zijn via het bestemmingsplan. Dit vanwege de stikstofproblematiek. Daarom stelt de gemeenteraad ook een beleidsregel vast om in een voorkomend geval wel mee te werken aan een uitbreiding d.m.v. een omgevingsvergunning (uitgebreide procedure). Er is overigens geen sprake van het ontnemen van mogelijkheden voor uitbreiding. In geval van uitbreiding is er immers ook een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Een uitbreiding was zonder strikte stikstofregeling ook niet zonder meer mogelijk. 2.2 Daarnaast verdient het de aanbeveling om de gegevens genoemd onder art. 1.22 onder b, blijkbaar een limitatieve opsomming van stukken die als onderbouwing gelden bij afwezigheid van een natuurbeschermingsvergunning, op te nemen in de planregels vanuit oogpunt van rechtszekerheid. Reactie Hieraan wordt niet tegemoet gekomen. Het is aan de ondernemer om te onderbouwen wat de feitelijk, legale situatie in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan is. De situatie per bedrijf verschilt. En daarmee ook de wijze waarop dit per geval onderbouwd kan worden.
Bij het hanteren van een limitatieve lijst sluiten we ook andere vormen van bewijsvoering uit. Deze flexibiliteit willen wij behouden.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 6
Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
Zienswijze 3. Voor het bedrijf is geen PAS-melding gedaan, het bedrijf was op basis van de geldende regels niet vergunningplichtig (depositie <0,05 mol). De overheid heeft voor deze knelgevallen nog geen oplossing aangedragen. Waarschijnlijk zal dit in het verlengde met de legalisatie van de Pasmelders nog een traject volgen voor de bedrijven waarvoor geen vergunningplicht was. Inmiddels is voor het bedrijf op 30-04-2021 wel een verzoek tot legalisatie gedaan. Deze zouden we graag opgenomen zien In het overzicht veehouderijen met een toestemming Wet natuurbescherming. Hier kunnen nu nog geen rechten aan ontleend worden. Mogelijk dat voor het vaststellen van het bestemmingsplan de situatie wordt gelegaliseerd, wanneer dit het geval Is zouden we deze graag opgenomen zien. Mocht de legalisatie nog niet voltooit zijn verzoek wij u deze t.z.t. op te nemen conform de voorgestelde systematiek. Reactie Voor opname op de lijst moet het gaan om een rechtsgeldige verleende toestemming op grond van de Wet natuurbescherming. In dit geval is hiervan nog geen sprake. Daarom wordt dit legalisatieverzoek niet in de lijst opgenomen, aangezien het geen rechtskracht heeft. Mocht in de toekomst er alsnog een toestemming komen op grond van de Wet natuurbescherming dan kan toevoeging aan de lijst te zijner tijd alsnog gebeuren.
Om dit met een relatief snelle procedure te kunnen doen, nemen we hiervoor een wijzigingsbevoegdheid op. Overigens merken we op dat als het bedrijf al feitelijk aanwezig is conform het verzoek tot legalisatie, dan geldt dit als referentiesituatie voor de stikstofdepositie conform art. 1.22 sub b. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 4. De indiener verzoekt een heroverweging van de formulering van de definitie: bestaande stikstofdepositie in art. 1.22. Bovenstaande formulering is te beperkend om op te nemen in een bestemmingsplan. Welke controle mag of kan de gemeente uitvoeren om te toetsen of er door beweiden en of bemesten wordt voldaan aan de landelijke mestnormen? Hiermee lijkt de gemeente een controlerende positie te willen creëren voor iets waar we als agrarische ondernemers al op worden gecontroleerd. Dit is niet wenselijk. Wat als er geen onherroepelijke NB vergunning is maar vergunning op basis van de wet Milieubeheer of AMvB veehouderij zonder PAS melding? Wat als de PAS melding niet wordt omgezet naar een NB vergunning? Wat als er een stalruimte is gebouwd maar nog niet volledig is benut maar waar wel een vergunning voor is verkregen? Wat gebeurd en met de latente ruimte die eerder wel is vergund? Bovenstaande situaties zorgen in deze formulering straks voor intrekking van de bestaande vergunningen en de latente ruimte om dieren te mogen houden. Dat vindt indiener niet terecht.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 7
Verzoek om uw formulering op een dusdanige wijze te heroverwegen zodat het bestemmingsplan niet een instrument wordt om de agrarische ondernemers nog meer dan de landelijke normen restricties op te leggen en te beperken. Ik ga ervan uit dat u mijn zienswijze meeneemt in het proces om van een ontwerp bestemmingsplan tot een bestemmingsplan te komen. Reactie Beweiden en bemesten: zie de reactie onder zienswijze 1.2. We hebben begrip voor de onduidelijkheid die kan ontstaan tussen vergunningen en wijze van regelen in het bestemmingsplan. We zijn echter gehouden aan de jurisprudentie over het opstellen van bestemmingsplannen voor veehouderijen. Binnen de ruimte die de jurisprudentie biedt, hebben we een zo duidelijk mogelijke regeling in het bestemmingsplan opgesteld. Overigens leidt de wijze van regeling in het bestemmingsplan niet tot intrekken van vergunningen. Rechtsgeldige vergunningen blijven vanzelfsprekend gelden ongeacht de wijze van regelen in het bestemmingsplan. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 5. De indiener verzoekt een heroverweging van de formulering van de definitie: bestaande stikstofdepositie in art. 1.22. Bovenstaande formulering is te beperkend om op te nemen in een bestemmingsplan. Welke controle mag of kan de gemeente uitvoeren om te toetsen of er door beweiden en of bemesten wordt voldaan aan de landelijke mestnormen? Hiermee lijkt de gemeente een controlerende positie te willen creëren voor iets waar we als agrarische ondernemers al op worden gecontroleerd. Dit is niet wenselijk. Wat als er geen onherroepelijke NB vergunning is maar vergunning op basis van de wet Milieubeheer of AMvB veehouderij zonder PAS melding? Wat als de PAS melding niet wordt omgezet naar een NB vergunning? Wat als er een stalruimte is gebouwd maar nog niet volledig is benut maar waar wel een vergunning voor is verkregen? Wat gebeurd en met de latente ruimte die eerder wel is vergund? Bovenstaande situaties zorgen in deze formulering straks voor intrekking van de bestaande vergunningen en de latente ruimte om dieren te mogen houden. Dat vindt indiener niet terecht. Verzoek om uw formulering op een dusdanige wijze te heroverwegen zodat het bestemmingsplan niet een instrument wordt om de agrarische ondernemers nog meer dan de landelijke normen restricties op te leggen en te beperken.
Ik ga ervan uit dat u mijn zienswijze meeneemt in het proces om van een ontwerp bestemmingsplan tot een bestemmingsplan te komen. Reactie Zie zienswijze 4. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 8
Zienswijze 6. 6.1. Primair is het verzoek om artikel 1.22 'bestaande stikstofdepositie' zodanig te wijzigen dat PAS-meldingen ook onder de bestaande stikstofdepositie gaan vallen. Volgens indiener wordt in art. 1.22 voorbij gegaan aan de wettelijke rechten die voortvloeien uit de PAS-melding. De PAS meldingen worden gelegaliseerd. De Wet natuurbescherming (Wnb) ligt ten grondslag aan het legalisatieprogramma van de PAS-meldingen. De artikelen 1.13a, 1.13b en 1.13c van de Wnb bevatten de wettelijke opdracht voor de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de provincies om samen zorg te dragen voor het legaliseren van projecten of activiteiten waarvoor ten tijde van het PAS 2015-2021 geen natuurvergunning nodig was vanwege hun geringe stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Daarom kunnen de PAS meldingen meegenomen worden als uitgangspunt bij de legale bestaande stikstofdepositie. Mocht de gemeente niet meegaan in bovenstaande, dan dient in elk geval opgenomen te worden dat de PAS-meldingen automatisch worden opgenomen als 'bestaande stikstofdepositie' op het moment dat de PAS-melding door de provincie is gelegaliseerd. Reactie Hieraan kan niet tegemoet worden gekomen. Door de uitspraak over het PAS zijn de meldingen niet meer rechtsgeldig.
Dat de Minister heeft aangekondigd te willen komen tot legalisatie van de meldingen, maakt nog niet dat deze nu als rechtsgeldig zijn. Er ligt inderdaad een opdracht aan de Minister, maar dan zal er ergens stikstofruimte gevonden moeten worden om die legalisatie voor elkaar te krijgen. Deze problematiek is weerbarstig, waardoor een oplossing niet op korte termijn wordt verwacht. Om zo soepel mogelijk het bestemmingsplan te kunnen aanpassen als de legalisatie is afgerond, nemen we hiervoor een wijzigingsbevoegdheid op. 6.2 Subsidiair is het verzoek om in de regels vast te leggen hoe de PAS melding na legalisatie wordt opgenomen in het plan. In de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan staat nu alleen de opmerking: "Daarnaast zijn in die bijlage de PAS-meldingen al wel benoemd, zodat deze na legalisatie eenvoudig toegevoegd kunnen worden." Er is niet vermeld hoe de gemeente dat uit gaat voeren en of daarvoor ook nog weer een procedure voor moet worden doorlopen. Reactie Zie de reactie op 6.2. Hiertoe voegen we een wijzigingsbevoegdheid toe in het bestemmingsplan. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 7 7.1 De essentie van de zienswijze is om de locatie Biddingweg 13 ook op te nemen in het vast te stellen bestemmingsplan 'Reparatieveehouderijen (D4100).
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 9
Indiener heeft een inspraakreactie op het voorontwerp bestemmingsplan 'Reparatie veehouderijen (D4100)' ingediend. De inspraakreactie op het voorontwerp bestemmingsplan is in het voorliggende ontwerpbestemmingsplan niet overgenomen. In de "Nota vooroverleg en inspraak' van 23 november 2021 schrijft de gemeente: "Het klopt dat de informatie vanuit de inventarisatie in dit geval niet goed is verwerkt in het bestemmingsplan. Echter met het oog op het proces dat gaande is voor het project Swifterbant-Zuid wordt het erf Biddingweg 13 uit het plangebied van onderhavig bestemmingsplan 'Reparatie veehouderijen (D4100)' verwijderd. Dit geeft de processen van beide projecten ruimte. Uit de omgevingsanalyse van Swifterbant-Zuid blijkt dat Biddingweg 13 impact heeft op plangebied Swifterbant-Zuid. Vanuit het project Swifterbant-Zuid is men hierover in overleg met de betrokken partij Biddingweg 13. Te zijner tijd zal voor dit perceel een actuele regeling moeten worden opgesteld."
Er is wel overleg met indiener over de gevolgen van beide bestemmingsplannen, echter er is nog geen zicht op de definitieve uitkomst van dit overleg. Wat in elk geval wel duidelijk is, is het feit dat indiener zijn veehouderijbedrijf op Biddingweg 13 voort wil zetten. Vigerende bestemmingsplannen Als Biddingweg 13 niet wordt opgenomen in het voorliggende Reparatie plan veehouderijen (D4100) dan heeft dat de volgende consequenties voor de indiener: Het bouwvlak en de regels uit Bestemmingsplan 9010 (vastgesteld mei 2008) blijven dan van toepassing op het bouwvlak zoals onderstaand weergegeven.
Plan 9010 geeft bij recht de mogelijkheid voor een in hoofdzaak grondgebonden agrarisch bedrijf inclusief veehouderij. Intensieve veehouderij is mogelijk tot 3.500 m2. Dit moet dan wel passen binnen het bouwvlak, want het 'plan 9010' biedt geen uitbreidingsmogelijkheden van het bouwvlak. Bovendien ligt het erf, dat buiten het bouwvlak van plan 9010 valt, in het bestemmingsplan D4000 (vastgesteld in oktober 2016).
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 10
Plan D4000 is van toepassing op het erf buiten het bouwvlak (9010). De bestemming is agrarisch en is daarmee bestemd voor agrarisch grondgebruik. Er mag niet gebouwd worden, want dit mag alleen op grond met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch bedrijfskavel' en die aanduiding zit er niet op. Afwijkingsmogelijkheden; Met een omgevingsvergunning is het mogelijk om buiten het bouwvlak mestbassins, sleufsilo's, mestsilo's te bouwen. Er mogen geen bouwwerken buiten het bouwvlak gebouwd worden. Voorontwerp plan D4100 Hoe zag het voorontwerp eruit, waar inmiddels in het ontwerpplan de locatie Biddingweg 13 uitgehaald is?
In het plan D4100 (voorontwerp) was het erf voorzien van een gedeelte "agrarisch bedrijfskavel" en dat is gelijk aan het bouwvlak 9010. Extra was daar het gedeelte "agrarisch zoekgebied" bij opgenomen. "Agrarisch zoekgebied" is een uitbreidingsgebied voor de Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 11
agrarische bedrijfskavel. Met een omgevingsvergunning zijn daar, onder voorwaarden bouwmogelijkheden. Dit mag niet gepaard gaan met extra stikstofdepositie. Dat betekent dat in dit voorontwerpplan indiener de mogelijkheid had om in het zoekgebied bijvoorbeeld een werktuigberging te bouwen. Deze mogelijkheid is zeer gewenst. In relatie tot het Bestemmingsplan - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004) en het overleg met de gemeente is er sprake van dat de veestallen verplaatst moeten worden naar de zuidoostzijde. Dan moet de bestaande werktuigberging verplaatst worden naar het zoekgebied. Ook is het niet uitgesloten dat de stal (gedeeltelijk) in het zoekgebied komt. Reactie In de fase van het ontwerp bestemmingsplan is er voor gekozen om beide processen ruimte te geven. In het kader van het project Swifterbant-Zuid was men nog in gesprek met de betrokken partij Biddingweg 13 over de ruimtelijke aspecten die uit de omgevingsanalyse kwamen. Inmiddels is men tot een oplossing gekomen. Daarom wordt dit erf alsnog meegenomen in het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. De wijze waarop het erf met zoekgebied is opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ voldoet met het oog op de oplossing in het kader van het project Swifterbant-Zuid.
7.2 De indiener verzoekt ten tweede bij het opnemen in het vast te stellen bestemmingsplan: op de locatie Biddingweg 13 de functieaanduiding 'akkerbouw' niet op te nemen, zodat de bestaande veehouderij (vleesvee en zoogkoeien) voortgezet kan worden. Het bedrijf had in het voorontwerp de aanduiding akkerbouw. Als in het vast te stellen plan het bedrijf wel wordt opgenomen, dan moet de aanduiding akkerbouw geschrapt worden, anders zou veehouderij op de locatie niet mogelijk zijn. Reactie Conform de correspondentie in het kader van de inventarisatie wordt de aanduiding akkerbouw inderdaad niet opgenomen voor Biddingweg 13. Er is sprake van een veehouderij op dit erf. 7.3 De indiener verzoekt ten derde om positieve weigering op te nemen in bijlage 1. Als in het vast te stellen plan het bedrijf wel wordt opgenomen, dan moet de positieve weigering Vergunning Wet Natuurbescherming worden opgenomen in bijlage 1. Reactie Hier wordt aan tegemoet gekomen. De positieve weigering vergunning Wet natuurbescherming Biddingweg 13 wordt opgenomen in bijlage 1 van de planregels.
7.4 De indiener verzoekt ten vierde op de locatie Biddingweg 13 de volgende functieaanduidingen toe te voegen: • specifieke vorm van agrarisch - boerderijwinkel • specifieke vorm van agrarisch - theeschenkerij • specifieke vorm van agrarisch - educatieruimte Reactie Conform de correspondentie in het kader van de inventarisatie worden de gevraagde aanduidingen opgenomen voor Biddingweg 13. Dit conform de verleende omgevingsvergunning voor deze activiteiten.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 12
Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 8. De indiener verzoekt de gemeente te voldoen aan de toezegging om de aanduiding 'akkerbouw' bij het adres Elandweg 55 te schrappen. Het belang is de functieaanduiding 'akkerbouw' te schrappen om zo ook de bestaande schapenhouderij te kunnen voortzetten. Zo is volgens de indiener niet voldaan aan de toezegging en vigeert in het bestemmingsplan nog steeds de aanduiding akkerbouw. De toestemming is gegeven in de inspraakreactie nr. 9 op het voorontwerpbestemmingsplan door de gemeente akkoord gegeven in de Nota vooroverleg en inspraak (bijlage 2 bij de toelichting). Reactie Deze inspraakreactie is per abuis niet goed verwerkt in het bestemmingsplan. De aanduiding ‘akkerbouw’ wordt alsnog geschrapt.
ontwerp
Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 9. 9.1 De indiener verzoekt de gemeente om de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch boerderijwinkel' te leggen op de agrarisch - bedrijfskavel van de maatschap Hoekwant 7, 9 en 11. De vergunning voor deze nevenactiviteiten (kenmerk: OV 2021-1176) is op 10 november 2021 aan de maatschap verzonden. Omdat de boerderijwinkel in een blokhut aan de zijde van de weg is gesitueerd, wordt verzocht dat de aanduiding doorloopt tot aan de grens van de bedrijfskavel aan de zuidwestzijde. Zie meegeleverde afbeelding 1 hieronder:
Reactie Hieraan wordt tegemoet gekomen. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch boerderijwinkel' wordt opgenomen. 9.2 De indiener verzoekt de gemeente om de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen- tweede bedrijfswoning’ vast te leggen op twee bedrijfswoningen op basis van verleende Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 13
vergunningen. De locatie van de maatschap aan de Hoekwantweg 7, 9 en 11 in Biddinghuizen is de voormalige proefboerderij genaamd De Kandelaar. De locatie heeft de beschikking over twee bedrijfswoningen (Hoekwantweg 9 en Hoekwantweg 11). De twee bedrijfswoningen zijn in 2000 nieuw gebouwd. Reactie Hieraan wordt tegemoet gekomen. De aanduiding 'specifieke vorm van wonen tweede bedrijfswoning’ wordt opgenomen. De vergunning voor de twee woningen is verleend op 5 december 1999 (kenmerk 99/25). Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 10. De indiener verzoekt de gemeente om de situering van het zoekgebied ten zuidoosten van haar bedrijfskavel Zijdenettenweg 8 te plaatsen. Het op de verbeelding aangegeven zoekgebied, voor toekomstige uitbreiding van de bedrijfskavel, is geplaatst ten noordwesten van de huidige bedrijfskavel. Toekomstige ontwikkeling van de rundveetak van het bedrijf zou het meest logisch zijn ten zuidoosten van de bedrijfskavel, vanwege te verwachten looplijnen en werkefficiëntie. De indiener verzoekt de gemeente om hierbij een minimale afstand te hanteren van 65 meter vanaf de bestaande melkveestal tot de grens van het nieuwe zoekgebied. Reactie Het verplaatsen van het zoekgebied naar de zuidoostzijde is niet bezwaarlijk, mits erf en zoekgebied in totaal niet meer dan 2,5 ha bedragen en er sprake is van een rechthoekige bedrijfskavel met zoekgebied. Hetgeen indiener voorstelt botst met het landschappelijke uitgangspunt: een rechthoekige bedrijfskavel inclusief zoekgebied, met een maximum van 2,5 ha. Wanneer rekening wordt gehouden met de toekomstplannen van de indiener voor het zoekgebied en met de gemeentelijke landschappelijke uitgangspunten dan wordt de bedrijfskavel met zoekgebied groter dan 2,5 ha. De toekomstplannen zouden eventueel in de toekomst met een procedure geregeld kunnen worden op basis van het beleidskader erfvergroting 2,5 – max. 3,5 ha.
Als het voldoet aan de voorwaarden uit deze beleidsregel. Deze beleidsregel valt buiten het beeld van onderhavig bestemmingsplan. Na overleg met indiener wordt het zoekgebied aan de noordwestzijde verplaatst naar de zuidoostzijde. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 11. 11.1. Huidige situatie Indiener heeft het perceel Oudebosweg 7 op 1 november 2021 in eigendom gekregen. Het betreft een agrarische bedrijfslocatie, bestaande uit een bedrijfswoning, bijgebouw en bedrijfsgebouwen. Bij dat laatste gaat het om ruim 1000 m2 aan bedrijfsgebouwen, die ten zuiden van de bedrijfswoning staan. Het betreffen een veestal, akkerbouwschuur en
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 14
kapschuur. Voorheen was op het perceel een veehouderij aanwezig. De huiskavel beslaat in totaal bijna 2,9 hectare. Bestaande bestemming Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied (9010) geldt voor de nieuwe locatie van de cliënt de (gebieds)bestemming Agrarisch Gebied. De bedrijfswoning, de bedrijfsgebouwen en een gedeelte van de gronden daar direct omheen zijn daarbij aangeduid als ‘bouwperceel’. Kort gezegd is hier een grondgebonden, agrarische bedrijfsvoering mogelijk in brede zin. Binnen het bouwperceel, van circa 1,1 hectare, zijn ook niet-grondgebonden vormen van agrarisch gebruik bij recht mogelijk. Verder bevat het geldende bestemmingsplan een vrijstellingsbevoegdheid (naar huidig recht; afwijkingsbevoegdheid) voor het kunnen toestaan van neventakken bij agrarische bedrijven in de vorm van diverse landelijke en semilandelijke functies, zoals hoveniersactiviteiten, dierenpension, hondendressuur, dierenarts, theeschenkerij en sportactiviteitencentrum. Nieuwe bestemming In het ontwerp krijgen de gronden van mijn cliënt de bestemming Agrarisch. Hiermee worden de gronden met name bestemd voor 'het agrarische grondgebruik’, ‘cultuurgrond’ en ’de uitoefening van het agrarisch bedrijf’. Daarbij geldt dat ‘agrarisch grondgebruik’ en ’cultuurgrond’ verder niet gedefinieerd zijn.
Letterlijke lezing van de bestemming, maakt dat mijn cliënt daarom niet direct een belemmering ziet in het bestemmingsplan om de gronden een agrarisch gebruik te blijven geven. Het blijft dus mogelijk om de gronden een agrarisch gebruik te geven door ze te gebruiken voor het houden van vee of als cultuurgrond. Als dit een vorm van bedrijvigheid inhoudt, kan hij daarvoor ook nog steeds bedrijfsgebouwen bouwen, gelet op artikel 3.1 sub a. van de planregels. Primair heeft Indiener geen bezwaar tegen de nu voorgenomen regeling als het om het houden van vee gaat. De indiener sluit echter niet uit dat de raad of het college een andere werking van de planregeling voor ogen heeft. Zodat de activiteiten onder de uitoefening van het agrarisch bedrijf’ moeten worden geschaard. In dat geval worden de gebruiksmogelijkheden teruggebracht in het ontwerp. De mogelijkheden om ter plaatse bedrijfsmatig vee te houden gaan in wezen verdwijnen volgens het ontwerp. Ondanks de voorheen aanwezige veehouderij, heeft het agrarische bedrijfsperceel van indiener namelijk de functieaanduiding 'akkerbouw’ gekregen. In meer praktische zin houdt dit in dat op de locatie in de toekomst alleen nog maar hobbymatig vee gehouden kan worden en dat de exploitatiemogelijkheden voor een agrarisch bedrijf beperkt zijn tot akkerbouw. Dit sluit niet aan op de gewenste situatie door de indiener.
Het te realiseren bedrijf bestaat uit drie takken: akkerbouw, paardenhouderij en hondenpension. Zoals het ontwerp nu is, wordt alleen in de eerste bedrijfstak voorzien. De wens van de cliënt is echter dat paardenhouderij op het perceel mogelijk blijft en dat, aanvullend en bij recht, wordt voorzien in een hondenpension: Gewenste situatie De indiener wil de locatie weer in gebruik gaan nemen. Dat zal bedrijfsmatig gebeuren. Indiener wil op het perceel een bedrijf realiseren dat uit drie takken bestaat; akkerbouw, paardenhouderij en hondenpension. Zoals het ontwerp nu is, wordt alleen in de eerste bedrijfstak voorzien. De wens van mijn cliënt is echter dat paardenhouderij op het perceel mogelijk blijft en dat, aanvullend en bij recht, wordt voorzien in een hondenpension. Paardenhouderij De indiener wil op het perceel bedrijfsmatig paarden gaan houden. Dit zullen meer dan 5 paarden zijn en het zal gaan om een productiegerichte paardenhouderij. Verzocht wordt om hierin te voorzien door de aanduiding 'akkerbouw’ van de verbeelding te verwijderen. Buiten dat het perceel voorheen al werd gebruikt voor het houden van vee, is een (grondgebonden) Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 15
veehouderij goed inpasbaar op het perceel. Een klein gedeelte van het bouwperceel ligt binnen 50 meter tot een agrarische bedrijfswoning, maar het overgrote deel, meer dan 98%, niet. Andere woningen en andere geur- en geluidgevoelige objecten zijn op veel grotere afstand gelegen. Ook hoeft hierbij niet direct een mogelijke toename van stikstofdepositie op voor verzuring en vermesting gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te worden verwacht. In artikel 3.5.2 van de planregels wordt een dergelijke toename tot een vorm van strijdig gebruik gerekend en aldus uitgesloten. Reactie Hieraan wordt niet tegemoet gekomen. De insteek van het bestemmingsplan is om de bestaande situatie in het bestemmingsplan te regelen. De beoordeling van deze ontwikkeling vergt een afzonderlijke afweging buiten het kader van dit bestemmingsplan. Voor die afweging is ook noodzakelijk dat op voorhand is uit te sluiten dat deze ontwikkeling gevolgen heeft voor de stikstofdepositie op voor verzuring en vermesting gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Dat dit niet wordt verwacht, is hierbij niet voldoende. 11.2 Paardenhouderij - paddock paradise De indiener wil een zogenoemd ‘paddock paradise’ realiseren op het perceel. In een paddock paradise wordt ervoor gezorgd dat een paard net zoveel beweging en natuurlijke slijtage aan de hoeven krijgt als in de natuur.
Met dit concept wordt beoogd een natuurlijke leefomgeving na te bootsen. Een ‘paddock paradise’ bestaat minstens uit een breed pad dat om een weiland heen loopt. Doordat de paarden niet in een rechte lijn kunnen oversteken moeten ze meer bewegen. Dat kan ook gestimuleerd worden door voedsel en water niet op één plek aan te bieden, maar te verdelen over verschillende plekken. Zo bewegen ze vaker kleine stukken om aan hun ruwvoer te komen, wat beter overeenkomt met hun natuurlijke gedrag. Door de realisatie van een paddock paradise is een (zeer kleine) toename van stikstofdepositie op voor verzuring en vermesting gevoelige habitats in Nature 2000gebieden te verwachten. Dit hoeft echter niet gelijk te leiden tot negatieve effecten op de gevoelige habitats. Door externe saldering kunnen de effecten door stikstofdepositie namelijk gemitigeerd worden. Reactie Hieraan wordt niet tegemoet gekomen. Zie de reactie op het vorige punt. 11.3 Paardrijbak In het ontwerp worden paardenrijbakken niet bij recht mogelijk gemaakt. Die bouwwerken worden namelijk uitgesloten in de bouwregels (artikel 3.2.2 sub a.) en in de specifieke gebruiksregels (artikel 3.5.1 sub j.). Voor beide 'verboden’ bevat het bestemmingsplan afwijkingsbevoegdheden (artikel 3.4, sub e. en artikel 3.6, sub f.).
Gezien haar voornemen om op haar perceel een paardenhouderij te starten, verzoekt indiener om paardenrijbakken bij recht mogelijk te maken in het bouwperceel. Binnen dat bouwperceel wordt een breed scala een agrarische bouwwerken en voorzieningen bij recht mogelijk gemaakt. Het gaat dan ook om bouwwerken en voorzieningen voor het houden van vee. Qua ruimtelijke impact ziet mijn cliënt hierin geen relevant verschil ten opzichte van een paardenrijbak. Daarom zou het beter op elkaar aansluiten als ook een paardenrijbak bij recht wordt mogelijk gemaakt binnen het bouwperceel. Overigens constateert indiener dat in de afwijkingsbevoegdheid voor een paardenrijbak (3.4 onder e) een onjuiste verwijzing bevat. Daar wordt verwezen naar artikel 3.6, sub e. Dat moet artikel 3.6, sub f. zijn. Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 16
Reactie Hieraan wordt niet tegemoet gekomen. De ruimtelijke impact van een paardenbak is wel degelijk anders dan voorzieningen voor vee, bijvoorbeeld ten aanzien van benodigde hekwerken, eventuele verlichting e.d. Hiervoor blijft een afweging via een afwijking bij omgevingsvergunning nodig. De opmerking over de foute verwijzing is terecht. In art. 3.4 onder e wordt ‘lid 3.6, onder e’ gewijzigd in ‘lid 3.6 onder f’. 11.4 Hondenpension De indiener wenst op het perceel een hondenpension als neventak te beginnen. De gedachte is om niet meer dan 5 honden op te vangen in het hondenpension. Hiervoor heeft de locatie voldoende ruimte en woningen van derden zijn op ruime afstand gelegen. Ook voor het parkeren, voor het halen en brengen van de honden, is voldoende ruimte voorhanden beschikbaar en via de Hanzeweg is het perceel goed bereikbaar voor klanten uit Kampen, Dronten en verder. Met dit als situatie is een hondenpension volgens mijn cliënt bijzonder goed inpasbaar op het perceel. Daarom verzoekt zij dan ook om het hondenpension niet met een afwijkingsbevoegdheid toe te staan, maar bij recht. Het bestemmingsplan kan dan gelijk de gewenste gebruiksmogelijkheid bieden, zodat daar later niet alsnog een omgevingsvergunning voor aangevraagd hoeft te worden. Reactie Hieraan wordt niet tegemoet gekomen.
De insteek van het bestemmingsplan is om de bestaande situatie in het bestemmingsplan te regelen. De beoordeling van deze ontwikkeling vergt een afzonderlijke afweging buiten het kader van dit bestemmingsplan.
11.5 Zoekgebied De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied’, ligt voor een groot deel niet op gronden die in bezit zijn van indiener (zoekgebied aan de oostzijde). Vanwege die beperking verzoekt indiener om het zoekgebied aan te passen door het zoekgebied in het noorden met 30 m (extra) uit te breiden ten koste van het oostelijk gelegen zoekgebied. Reactie Hieraan wordt niet tegemoet gekomen. Het uitgangspunt bij het leggen van bedrijfskavels en zoekgebieden is, dat de breedte niet groter mag worden dan de diepte. Dit op basis van de inrichtingsprincipes van de erven in het buitengebied. Door de voorgestelde aanpassing zou de breedte wel groter worden dan de diepte. 11.6 Bestaande stikstofdepositie Afsluitend merkt indiener op dat het 'verbod’ op een toename van stikstofdepositie, zoals opgenomen in artikel 3.5.2, uiterst rechtsonzeker is. Dit maakt dan ook dat indiener zijn belangen onvoldoende ziet terugkomen in het ontwerp. Bij de genoemde regeling gaat het om de bestaande stikstofdepositie door beweiden, bemesten en het houden van landbouwhuisdieren. Voor wat onder 'bestaande stikstofdepositie moet worden volstaan is in lid 1.22 een definitie opgenomen.
Dit komt, vrij vertaald, neer op een van de volgende twee zaken: de stikstofdepositie op basis van een bestaande natuurvergunning en anders het feitelijk aanwezig en planologisch legale gebruik in het jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 17
Het probleem dat indiener hierin ziet is dat het in beide gevallen vaak onuitvoerbaar is om een uitgangssituatie te bepalen als het om beweiden en bemesten gaat. In veel natuurvergunningen is over beide zaken weinig tot niets bepaald, terwijl beweiden en bemesten wel aan de orde van de dag zijn op de betreffende gronden. Voor bedrijven die geen natuurvergunning hebben, zoals voor de locatie van indiener, is al helemaal ongewis wat voor uw raad als referentiesituatie heeft te gelden voor dit onderwerp. Dat temeer nu indiener voor een groot deel van het jaar voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan geen eigenaar was van het perceel. Volgens indiener ligt het op de weg van uw raad om bij en met de vaststelling van het bestemmingsplan inzichtelijk te maken wat voor een bedrijf zonder natuurvergunning en voor het beweiden en bemesten als uitgangspunt heeft te gelden als het om de stikstofdepositie gaat. Dat is immers sterk bepalend voor de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan daadwerkelijk biedt. Nu inzicht op dit punt ontbreekt, blijven de echte gebruiksmogelijkheden ongewis en moet dus kennelijk bij een concrete aanvraag om omgevingsvergunning maar 'afgewacht’ worden hoe de beoordeling door het college uitvalt. Het plan is daarmee te rechtsonzeker. Reactie Beweiden en bemesten: zie de reactie onder zienswijze 1.2.
Verder laten de planregels ruimte voor de wijze voor het bepalen van de stikstofdepositie. Artikel 3.5.2 laat zich ook zo lezen dat de stikstofdepositie op elk willekeurig punt (op het aardoppervlak) niet mag toenemen. In de planregel wordt namelijk geen meetpunt gegeven. Nu geen punt is gegeven en omdat het om een bestemmingsplan gaat, zou een uitleg kunnen zijn dat de stikstofdepositie niet mag toenemen op elk willekeurig punt binnen het plangebied. Gezien de plantoelichting is echter beoogd te regelen dat de stikstofdepositie niet mag toenemen op voor verzuring en vermesting gevoelige habitats in Natura 2000gebieden (buiten het plangebied). Dit is relevant omdat een toename van stikstofemissie weliswaar een toename van stikstofdepositie binnen het plangebied, maar niet in een Natura 2000-gebieden door de (grote) tussenliggende afstanden. Het bestemmingsplan schept op die manier een overbodige vergunningplicht. Immers een voor de Wet natuurbescherming vergunningsvrije aanpassing van een bedrijfsvoering wordt vergunningplichtig gemaakt door (te grote) beperkingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen vanwege de Wet natuurbescherming. Mijn cliënt verzoek het bestemmingsplan te verduidelijken c.q. te concretiseren op dit punt. Reactie Het gaat om de toename van de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000gebieden.
Zoals in de reactie op zienswijze 1.2 is aangegeven gaan we de formulering aanpassen en ook dit onderdeel verduidelijken. 11.7 externe saldering regelen in het bestemmingsplan Indiener verzoekt hierbij dan ook om in het nieuwe bestemmingsplan te voorzien in een mogelijkheid om via externe saldering meer vee te kunnen houden op de locatie, zonder dat daarvoor nog separaat een (juridisch-planologische) toestemming voor nodig is, naast een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Nu het bestemmingsplan geen project is in de zin van artikel 2.7, lid 2, is het ’los’ van dat wetsartikel (en op basis van artikel 2.7, lid 1 en artikel 2.8 van dezelfde wet) mogelijk om hiervoor een regeling te treffen. Dat is hier goed mogelijk, omdat de locatie die ‘stikstof levert’ zich binnen het plangebied bevindt en ook ter beschikking staat aan mijn cliënt. Goed denkbaar is bijvoorbeeld dat in het bestemmingsplan wordt bepaald dat de stikstofdepositie van beide locaties gezamenlijk per
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 18
saldo niet mag toenemen. Wat voor de natuurvergunning externe saldering zal inhouden, wordt dan voor het bestemmingsplan met interne c.q. binnenplanse saldering opgelost. Reactie Dit punt is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan overwogen. De conclusie was dat we externe saldering niet mogelijk maken in dit bestemmingsplan, omdat dit ertoe zou leiden dat we hiervoor een Passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming zouden moeten opstellen, waarbij de externe saldering een mitigerende maatregel zou kunnen zijn. Het opstellen van een passende beoordeling impliceert meteen het opstellen van een planMER bij het bestemmingsplan. Het onderzoeken van externe saldering zou een zeer uitgebreid onderzoek vergen naar alle mogelijke vormen van externe saldering voor alle veehouderij erven in het buitengebied. Dat is bijna niet te doen. Bovendien wegen de kosten en werkbelasting hiervan niet op tegen de voordelen hiervan. Om die reden is hiervan af gezien. In de plaats daarvan is gekozen voor het opstellen van een beleidsregel, waarmee maatwerk kan worden geleverd in geval van externe saldering en het onderzoek beperkt kan blijven tot het individuele geval. Op basis van de beleidsregel kan het College van B&W medewerking verlenen via uitgebreide procedures omgevingsvergunning. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Zienswijze 12. 12.1 De indiener verzoekt om de vergunning Wnb alsnog op te nemen in de bijlage. Voor het perceel Olsterpad 7 is een vergunning Wnb afgegeven ten tijde van het Programma Aanpak Stikstof. Die basis is wellicht twijfelachtig om de vergunning op te nemen in de bijlage van het bestemmingsplan, echter voor deze situatie geldt dat die vergunning is gebaseerd op een afname van stikstof depositie. Er is geen ontwikkelingsruimte gebruikt om die vergunning af te geven. Sinds 20 januari 2022 is er voor wat betreft de beoordeling van stikstof een afkapgrens ingevoerd van 25 kilometer. De aanwijsdatum van gebieden binnen deze 25 kilometer is bepalend voor de referentie van bedrijven zonder betrouwbare Wnbvergunning. Er liggen binnen die 25 kilometer geen gebieden die in 1994 zijn aangewezen. De vroegste datum van aanwijzing is 24 maart 2000. Het perceel heeft sinds 1998 een milieutoestemming voor het houden van pluimvee, dus die vergunning geldt als start voor het bepalen van de referentie. De in de Wnb vergunde depositie (2018) is niet hoger dan de depositie in de referentie zoals deze geldt op grond van de Wet natuurbescherming als gekeken wordt naar de milieutoestemmingen. De indiener schrijft hierbij “Met andere woorden; dit is niet een vergunning die betwist kan worden”. Deze situatie kan zich meer voordoen binnen de plangrenzen.
Reactie Omdat de vergunning ook zonder het PAS verleend zou zijn geworden, wordt de betreffende vergunning alsnog opgenomen in bijlage 1 van de planregels. 12.2 Verder wenst de indiener twee aandachtspunten mee te geven bij de doorwerking van flankerend beleid om ruimte te bieden als de planologische stikstofruimte tekortschiet: 1. Bij een buitenplanse omgevingsvergunning dient een ruimtelijke onderbouwing gevoegd te worden, zorg ervoor dat daar een beknopte standaard voor is die enkel betrekking Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 19
heeft op het aspect stikstof. In een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing zouden alle ruimtelijke aspecten van landelijk tot gemeentelijk besproken moeten worden, terwijl de aanvraag verder volledig bij recht conform bestemmingsplan mogelijk kan zijn. Gelet op de beperkte hoeveelheid werk is het aan te bevelen om er een speciaal legestarief voor te maken. Conform de huidige legesverordening wordt voor een buitenplanse omgevingsvergunning € 3.014,15 (als er tevens sprake is van een bouwdeel) of € 3.831,20 (zonder bouwdeel) gerekend dat is een onevenredig hoog bedrag in verhouding tot de hoeveelheid werk. Aanvrager zal immers ook leges moeten betalen bij Gedeputeerde Staten van Flevoland voor de stikstofbeoordeling; Reactie In bijlage 2 bij de beleidsregel hebben we de eisen voor de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Hierbij is inderdaad de bedoeling om te volstaan met korte en bondige onderbouwingen. De erfvergrotingen in het zoekgebied zijn voor agrarische activiteiten waarbij geen sprake is van toename van stikstof niet geregeld bij recht, maar met een binnenplanse afwijking. Voor veehouderij activiteiten waarvoor het erf vergroot moet worden binnen het zoekgebied en daarbij is sprake van een toename van stikstofdepositie zal een procedure uitgebreide omgevingsvergunning nodig zijn.
Een procedure voor een uitgebreide omgevingsvergunning bevat meer stappen dan een binnenplanse afwijking. Hierdoor worden er ook meer leges gevraagd. Ondanks dat de onderbouwing korter en bondiger kan zijn, betekent dit nog steeds een beoordeling. Immers een toetsingsgrond voor een uitgebreide omgevingsvergunning is dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Overigens is het uitgangspunt dat de beleidsregel onder de lijst van gevallen gaat vallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig. Hiervoor wordt de beleidsregel vastgesteld door de gemeenteraad. Dit betekent dat het legestarief lager wordt en de procedure ook korter. 2.
Houdt er rekening mee dat er zich situaties zullen voordoen waarbij er planologisch een strijd met het bestemmingsplan kan zijn, maar dat er op grond van de Wet natuurbescherming sprake is van intern salderen op grond van de referentie die bepaald wordt door de gemeentelijke toestemmingen. Voorbeeld: een boer geen Wnb vergunning zoals bedoeld in de begripsbepaling artikel 1.22 sub a. Hij heeft in 1994 (vroegste aanwijsdatum van een Natura2000 gebied) een gemeentelijke vergunning voor 200 koeien. Nadien zijn geen gemeentelijke toestemmingen afgegeven met minder stikstofdepositie en de gebouwen zijn aanwezig. De boer heeft in het jaar voorafgaand aan vaststelling maar 100 koeien gehouden. De bedrijfsopvolger dient zich aan en wil wel 200 koeien gaan houden. In dat geval heeft hij op grond van de Wet natuurbescherming geen probleem en kan hij zonder vergunningaanvraag weer 200 koeien gaan houden. Om de planologische strijd weg te nemen zou hij dan een buitenplanse omgevingsvergunning moeten aanvragen waarin de referentie alsnog onderbouwd wordt. Mocht deze ondernemer iets willen bouwen dan kan hij geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming krijgen van GS van Flevoland, er is immers geen vergunningplicht.
Wel kan hij om een positieve weigering vragen, waarbij GS de aanvraagstukken controleert en de constatering doet dat er op dat moment geen sprake is van een vergunningplicht. Wat indiener met voorgaand voorbeeld wenst duidelijk te maken is dat het flankerend beleid niet enkel gericht moet zijn op het hebben van een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, maar feitelijk moet zien op situaties waarvan gesteld kan worden dat er voor wat betreft de planologische strijd geen strijd is op grond van de Wet natuurbescherming. Reactie Dit is een terechte constatering. De tekst van de beleidsregel wordt hierop aangepast.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 20
Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wat betreft de aanpassingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 21
3. SAMENVATTING VOORGESTELDE AANPASSINGEN Onderstaand zijn de aanpassingen opgenomen die voortvloeien uit de zienswijzen. Tevens zijn ambtshalve wijzingen opgenomen. Wijzigingen als gevolg van zienswijzen Planregels: - In art. 3.4 onder e wordt ‘lid 3.6, onder e’ gewijzigd in ‘lid 3.6 onder f’; - Art. 3.5.2 en art. 1.22 worden als volgt aangepast: Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, welke stikstofdepositie groter is dan de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) a. overeenkomstig een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 respectievelijk artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming danwel een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming is aangehaakt en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, zoals opgenomen in Bijlage 1 Overzicht veehouderijen met een toestemming Wet natuurbescherming, voor zover het daarin is opgenomen in de kolom Nb vergunning en zonder een *, dan wel b.
(indien geen sprake is van een onherroepelijke vergunning als onder a bedoeld) van het in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige planologisch toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot die veehouderij. art. 1.22 vervalt hiermee. - We voegen aan artikel 3 een wijzigingsbevoegdheid toe om de PAS-melders onderdeel te laten worden van Bijlage 1 bij de planregels, onder de voorwaarde dat de legalisatie van deze melders is afgerond (overzicht toestemmingen Wet natuurbescherming). Met dezelfde wijzigingsbevoegdheid kunnen vergunning die na de vaststelling van het bestemmingsplan zijn verleend worden toegevoegd. - De aanduiding voor Biddingweg 13 (zie verbeelding) worden verwerkt in de regels. - De Wnb vergunning van Olsterpad 7 wordt opgenomen in bijlage 1 bij de planregels. Verbeelding - De locatie Biddingweg 13 wordt weer onderdeel van het plangebied. Hierbij wordt de situatie vanuit het voorontwerp bestemmingsplan overgenomen, met dien verstande dat: − de aanduiding akkerbouw vervalt, − de volgende aanduidingen worden toegevoegd: o specifieke vorm van agrarisch - boerderijwinkel o specifieke vorm van agrarisch - theeschenkerij o specifieke vorm van agrarisch - educatieruimte − Voor de locatie Elandweg 55 wordt de aanduiding ‘akkerbouw’ verwijderd.
− Voor de locatie Hoekwantweg 7, 9 en 11 wordt de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - boerderijwinkel' toegevoegd. Tevens wordt voor deze locatie de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning’ toegevoegd. − Zijdenettenweg 8: verplaatsing van het zoekgebied van de noordwestzijde naar de zuidoostzijde.
Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 22
Beleidsregel: - In paragraaf 4 wordt onder ad 3 als volgt gewijzigd: Die zekerheid dat er geen negatieve effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden kan worden verkregen door aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een geldende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of van een positieve weigering op grond van deze wet of door voorafgaand aan de (omgevings)omgevingsvergunningaanvraag eerste een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verkrijgen.
Ambtshalve wijzigingen Toelichting: - Hoofdstuk 1, voorlaatste alinea, 2e zin, na ‘(uitgebreide procedure): opnemen voetnoot met de volgende tekst ‘en het vergelijkbare instrument onder de Omgevingswet (verwachtte datum inwerkingtreding 1 januari 2023). Overigens kan een dergelijke aanvraag ook geregeld worden met een bestemmingsplanprocedure (of vergelijkbaar instrument onder de Omgevingswet). Het voordeel is dat de aanduiding ‘bedrijfskavel’ wordt vergroot en nog flexibiliteit in daadwerkelijk locatie van het te bouwen gebouw zit. Bij een uitgebreide omgevingsvergunningaanvraag moet de locatie al duidelijk en de plannen zo goed als uitgewerkt. Nadeel van een bestemmingsplanprocedure is langere procedure, meer leges en nog een aparte aanvraag omgevingsvergunning moet worden gedaan. De uiteindelijke keuze hiervoor ligt bij de initiatiefnemer. - In paragraaf 5.1. wordt onderstaande passage toegevoegd: Afwijkende beplanting t.b.v. een doelmatige bedrijfsvoering Bij de inpoldering is elke bedrijfskavel/erf in het akkerweidegebied van het buitengebied van de gemeente Dronten voorzien van een erfsingelbeplanting. Er is door deze erfsingelbeplantingen een beeldbepalend contrast aanwezig tussen het open agrarische gebied en de met een dichte beplanting omgeven agrarische bedrijfskavels.
Dit beeld van dichte boerenerven in het grootschalige open landschap (eilandjes in het open landschap) is één van de meest waardevolle karakteristieken van het huidige polderlandschap. Om dit te waarborgen is in het bestemmingsplan “Buitengebied (9010)” (augustus 2005) gesteld dat ieder erf / bouwperceel in het akkerweidegebied van het buitengebied moet zijn voorzien van een erfsingelbeplanting aan de drie zijdes die niet aan de weg liggen. Voor de kwaliteit van de erfsingel wordt een minimale breedte van 6 m geëist. Daarnaast dient de singel bestaan uit goede opbouw: kruidlaag, struiklaag en boomlaag. In de praktijk levert de voldoende gelaagde erfsingel van minimaal 6 m belemmeringen op voor bepaalde typen van bedrijfsvoering, zoals melkveestallen met zijkanten van gaas en het houden van vrije uitloop kippen (bijvoorbeeld freilandkippen of biologische kippen). Bij de melkveestal met gaas is juist ventilatie van belang is. Een singel van 6 m breed langs de ventilerende zijden van de stal belemmert juist deze techniek. Op 13 juli 2010 stemde het college in met het voorstel om maatwerk te leveren bij melkveehouderij bedrijven met een ventilerend staltype. Bij vrije uitloop kippen is het gewenst en zelfs vereist dat de kippen naar buiten gaan en zich verdelen over een groot gebied buiten de stal.
Bij een dichte erfsingelbeplanting blijven de kippen grotendeels in een rondom de erfsingelbeplanting scharrelen, waardoor de bevuilingsgraad rondom de stal hoger is dan wenselijk. Bovendien bestaat het risico dat de kippen ’s avonds in de struiken gaat zitten om daar de nacht door te brengen, wat ook niet de bedoeling is. Een maatwerkoplossing hiervoor is toestaan dat een erfsingelbeplanting bij een pluimveestal met vrije uitloop, aan de zijde van de uitloop van de stal alleen uit een kruid- en een boomlaag bestaat, waarbij de bomen een maximale opkroon hoogte hebben van 2 meter, de bomen maximaal 6 meter uit elkaar geplant zijn en de totale breedte van de rijen bomen minimaal 6 meter is gemeten van hart stam tot hart stam. Ook in het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen’ blijft een driezijdige singel van minimaal 6 m breed het uitgangspunt. Echter om flexibel in te kunnen spelen op Nota zienswijze bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’
Pag. 23
ontwikkelingen in de markt waarbij de minimale breedte van 6 m van stam tot stam met kruid-, struik- en boomlaag een belemmering kan zijn en een agrarisch bedrijf niet op deze manier in de bedrijfsvoering te hinderen, wordt bij de voorwaarden voor erfvergroting een landschappelijk inpassingsplan vereist als borging.
-
Paragraaf 6.2. wordt geactualiseerd naar aanleiding van de ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan; Bijlage 1. wordt vervangen door de vastgestelde versie; Nota zienswijzen wordt als bijlage toegevoegd.