45d3f703-ed8e-461e-9735-a56e82efde73.pdf
Tekst van het document
BIJLAGE A.
BEGRIPPENLIJST
Aardgasvrij Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. Dit betekent niet altijd gasloos. Er kan namelijk hernieuwbaar gas worden toegepast. All-electric Warmtetechniek waarbij een gebouw alleen is aangesloten op het elektriciteitsnet. In veel gevallen voorziet een warmtepomp in ruimteverwarming en warm tapwater en wordt een elektrisch fornuis gebruikt voor koken. Buurt Een gemeente is opgedeeld in wijken en wijken zijn weer opgedeeld in buurten. Buurten zijn op basis van historische of stedenbouwkundige kenmerken ingedeeld. De buurt (en wijk) indeling is vastgelegd door het college van burgemeester en wethouders en wordt door het CBS gebruikt voor het verzamelen en presenteren van allerlei gegevens. Eindgebruikerskosten De transitie naar aardgasvrij Nederland brengt kosten met zich mee. Een deel van deze kosten komt terecht diegenen die een huis bezitten of een woning huren. Dit zijn de eindgebruikerskosten. Energielabel Het energielabel van een woning laat een koper of huurder in één oogopslag zien hoe energiezuinig de woning is. Energielabel A betekent dat een gebouw zeer energiezuinig is. Oude en slecht geïsoleerde gebouwen hebben een energielabel F of G. Voor het energielabel wordt ook naar installatietechnische voorzieningen (bijvoorbeeld verwarming of zonnepanelen) gekeken. In dit rapport gebruiken we te term ‘schillabel’.
Voor het schillabel van een gebouw geldt dat de opwek of warmtevoorziening (zoals zonnepanelen of een Hr-ketel) niet worden meegenomen. Hernieuwbaar gas Gas dat afkomstig is uit een duurzame bron of is geproduceerd met duurzame energie. Voorbeelden zijn biogas en groene waterstof. Hoge temperatuur verwarming Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een warmtebron op een operationele temperatuur van 70°C of hoger wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater. Hybride warmteoplossing Warmtetechniek waarbij in veel gevallen een warmtepomp wordt gecombineerd met een Hr-ketel op gas. Lage temperatuur verwarming Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een warmtebron op een operationele temperatuur van 55°C of lager verwarmd wordt. Tapwater wordt separaat verwarmd. Midden temperatuur verwarming Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een warmtebron op een operationele temperatuur van 55°C tot 70°C wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.
18
Nationale kosten De nationale kosten zijn de kosten voor de Nederlandse samenleving als geheel. Het gaat om de totale kosten voor de warmtetransitie, dus zowel de kosten voor aanpassingen aan gebouwen, kosten voor infrastructuur en kosten voor de duurzame bron. De kosten bestaan niet alleen uit investeringen, maar ook kosten voor onderhoud en beheer en de kosten van de energierekening. Regionale Energiestrategie (RES) Nederland is opgedeeld in dertig energieregio’s. Elke regio onderzoekt zijn behoefte aan zowel warmte als elektriciteit en geeft aan hoeveel elektriciteit in de eigen regio kan worden opgewekt. Restwarmte Warmte die vrijkomt bij een (industrieel) productieproces en die ingezet kan worden als bron voor nieuwe of bestaande warmtenetten. Schillabel Het schillabel geeft een indicatie van de kwaliteit van de gebouwschil. Het is gebaseerd op het energielabel van het gebouw, maar dan exclusief de warmtevoorziening en eventuele opwek. Transitievisie Nieuwe Warmte (TVW) Plan op gemeenteniveau waarin het globale tijdpad wordt bepaald waarin buurten aardgasvrij kunnen worden gemaakt en met welke warmtetechniek. Warmtenet of stadsverwarming Infrastructuur die warm water vanuit een collectieve of centrale warmtebron via een leidingnetwerk onder de grond levert aan gebouwen voor ruimteverwarming en eventueel warm tapwater.
Warmtepomp Een warmtepomp onttrekt warmte uit de buitenlucht of grond(water). Door middel van een warmtepomp die op elektriciteit werkt wordt de temperatuur verhoogd en afgegeven aan de binnenruimte. Wijkuitvoeringsplan (WUP) Gedetailleerd plan waarin de uitvoering van de Transitievisie Nieuwe Warmte concreet wordt gemaakt op wijkniveau. Dit gebeurt in samenwerking met gebouweigenaren, huurders en andere stakeholders.
19
BIJLAGE B.
TECHNISCHE ONDERBOUWING
Voor het opstellen van de Transitievisie Nieuwe Warmte is een technische analyse uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van een multicriteria-analyse. Een multicriteria-analyse is een methode om een onderbouwde keuze te maken tussen diverse alternatieven op basis van meerdere criteria. In deze bijlage worden de aardgasvrije alternatieven uitgebreid omschreven en de criteria en de beoordeling en weging daarvan toegelicht. Tot slot worden de belangrijkste resultaten van de analyse gedeeld.
B.1.
Warmtetechnieken
In Nederland worden de meeste gebouwen nog verwarmd met aardgas. Om van het aardgas af te gaan zijn er verschillende alternatieven. In de Transitievisie Nieuwe Warmte worden alleen de meest volwassen technieken meegenomen: all-electric, midden temperatuur (MT) warmtenet, lage temperatuur (LT) warmtenet en groengas. Waterstof is uiteraard ook een aardgasvrij alternatief. Het voordeel van waterstof is dat het huidige gasnetwerk, indien niet verouderd, waarschijnlijk gebruikt kan worden om waterstof te transporteren. De verwachting is echter dat waterstof pas na 2030 op grote schaal beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving. Waterstof speelt namelijk ook een belangrijke rol in de verduurzaming van de industrie. In de eerste editie van de Transitievisie Nieuwe Warmte is waterstof daarom nog niet meegenomen. De visie wordt elke vijf jaar bijgesteld. In een volgende editie kan waterstof mogelijk toegevoegd worden als alternatief. Daarnaast kunnen er in de toekomst mogelijke nieuwe technieken of toepassingen ontstaan, die tegen die tijd meegenomen kunnen worden.
Individuele oplossingen All-electric Een elektrische warmtepomp wordt gebruikt om de ruimtes in een gebouw te verwarmen. Daarnaast wordt de warmtepomp gebruikt voor warm tapwater voor bijvoorbeeld de douche. De warmtepomp onttrekt de warmte uit de bodem, de lucht of uit het water. Aangezien bij allelectric tevens op elektriciteit wordt gekookt, is er geen aansluiting op het gasnet meer nodig. Een warmtepomp levert warmte met een lage temperatuur. Het is daarom belangrijk om een gebouw eerst goed te isoleren. Daarnaast zijn er aanpassingen aan de installaties nodig. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het plaatsen van vloerverwarming en/of lage temperatuurradiatoren. Deze gebouwaanpassingen leiden tot hogere investeringen enerzijds en lagere energielasten anderzijds. Een warmtepomp vraagt om wat meer ruimte dan een CV-ketel. Installeren van een warmtepomp betekent een hoger elektrisch energieverbruik. Omdat de warmtepomp warmte uit de omgeving (uit de lucht, bodem of water) haalt is dit energieverbruik echter aanzienlijk lager dan met verwarmen op gas. Als het gebouw het toelaat is het mogelijk om (een deel van) deze elektriciteit zelf op te wekken met behulp van zonnepanelen. Bij grootschalige toepassing van warmtepompen in een wijk moet het elektriciteitsnet mogelijk worden verzwaard.
20
Voordelen: + Individueel toepasbaar + Geen gasaansluiting nodig + Lager energieverbruik dan met gas of hogere temperatuur verwarmingssystemen
Nadelen: − Goede isolatie (minimaal schillabel B) is vereist en daardoor niet geschikt voor elke woning. − Hoge investeringen − Relatief groot ruimtebeslag − Verzwaring elektriciteitsnet nodig
Groengas Groengas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit Groengas wordt geproduceerd uit mest, tuinafval, resten van groente en fruit, maar ook afval op stortplaatsen en rioolslib. De duurzame productie van groengas is momenteel nog zeer beperkt, daarom kan groengas nog niet op grote schaal worden ingezet voor de verduurzaming van buurten en wijken. De bestaande aardgasleidingen kunnen worden gebruikt om het groengas naar de gebouwen te transporteren. Groengas kan zowel in een Hr-ketel als in een hybride warmtepomp (zie kader) worden gebruikt. Bij groengas is de overstap naar elektrisch koken niet noodzakelijk. Voor groengas is isolatie van gebouwen minder belangrijk, omdat de temperatuur van de warmte bij de verbranding van groengas voldoende is om de gebouwen te verwarmen. Isolatie wordt echter altijd dringend aangeraden, omdat de vraag naar warmte dan afneemt en het beschikbare groengas optimaal kan worden ingezet. Voordelen: + Slechts isoleren tot schillabel D + Huidige aardgasnet kan worden gebruikt + Geen aanpassingen aan technische installaties nodig
Nadelen: − Beschikbaarheid groengas onbekend − Kosten van inzet van groengas op grote schaal zijn nog onbekend
+ Elektrisch koken niet nodig
Collectieve oplossingen Midden temperatuur (MT) warmtenet Bij een warmtenet worden gebouwen verwarmd met warmte uit de omgeving. Het is een collectief systeem waarbij meerdere gebouwen, of zelfs hele buurten, op het warmtenet zijn aangesloten. De warmte wordt via leidingen van de warmtebron(nen) naar de gebouwen getransporteerd. Een warmtenet heeft een aanvoer- en retourleiding. In een gebouw wordt warmte uit de aanvoerleiding onttrokken en gebruikt voor ruimteverwarming en eventueel voor warm tapwater.
21
Hiervoor is een afleverset1 nodig en deze vervangt de CV-ketel. Het afgekoelde water gaat vervolgens via de retourleiding terug naar de warmtebron. Een MT warmtenet heeft een aanvoertemperatuur tussen de 55 en 80 graden Celsius. Voorbeelden van warmtebronnen die deze temperatuur kunnen leveren zijn geothermie en restwarmte uit de industrie. Voor MT warmtenetten is isolatie van gebouwen minder belangrijk, omdat de temperatuur voldoende is om de gebouwen te verwarmen. Isolatie is echter altijd aan te raden, omdat de vraag naar warmte dan afneemt en de beschikbare warmtebronnen optimaal kunnen worden ingezet. Daarnaast moet worden overgestapt op elektrisch koken, zodat geen aansluiting op het gasnet nodig is. Een warmtenet is met name interessant wanneer de gebouwdichtheid en warmtevraag relatief hoog zijn. Wanneer meer gebouwen aansluiten op een warmtenet, dalen de kosten per aansluiting. Hierbij is het wel van belang dat de gebouwen dicht bij elkaar staan. In buitengebieden waar woningen verder uit elkaar staan, is een warmtenet kostbaar. Voordelen: + Slechts isoleren tot schillabel D + Beperkte aanpassingen aan de installaties nodig + Collectief systeem en daardoor centraal en extern beheerd + Geen gasaansluiting nodig
Nadelen: − Bij toepassing in gebouwen met een slechte isolatie wordt veel energie verspild. − Toepasbaarheid afhankelijk van beschikbare warmtebronnen − Duurzaamheid afhankelijk van beschikbare warmtebronnen. − Kosten afhankelijk van aantal aansluitingen op warmtenet − Minder keuzevrijheid
Lage temperatuur (LT) warmtenet Een LT warmtenet is vergelijkbaar met een MT warmtenet. Een LT warmtenet heeft echter een lagere aanvoertemperatuur, tussen de 35 en 55 graden Celsius. Voorbeelden van warmtebronnen die deze temperatuur kunnen leveren zijn aquathermie waarbij warmte wordt onttrokken uit oppervlaktewater, of restwarmte uit rioolwaterzuiveringsinstallaties en datacenters. Ook WKO systemen waarbij de warmte uit de bodem komt kunnen als bron voor een LT warmtenet dienen. Voordat gebouwen worden aangesloten op een LT warmtenet, moeten de gebouwen eerst goed worden geïsoleerd. Wanneer dit niet gebeurt kan een gebouw onvoldoende worden verwarmd en dit gaat ten koste van het comfort. Daarnaast zijn aanpassingen aan de installaties nodig. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het plaatsen van vloerverwarming en/of lage temperatuurradiatoren. Aangezien de aanvoertemperatuur te laag 1
De afleverset bevindt zich in uw meterkast, berging of andere technische ruimte en zorgt ervoor dat de warmte van het warmtenet de verwarmingsinstallatie van uw woning bereikt.
22
is voor warm tapwater, is per gebouw tevens een boosterwarmtepomp nodig. Bij een LT warmtenet zijn de warmteverliezen in het warmtenet lager.
Voordelen: + Collectief systeem en daardoor centraal en extern beheerd + Lagere warmteverliezen in warmtenet + Geen gasaansluiting nodig
Nadelen: − Goede isolatie (minimaal schillabel B) is vereist en daardoor niet geschikt voor elke woning − Toepasbaarheid afhankelijk van beschikbare warmtebronnen − Tarief afhankelijk van aantal aansluitingen op warmtenet − Minder keuzevrijheid
Verwarmen met een hybride warmtepomp? Een hybride warmtepomp kan worden gezien als een tussenoplossing om van het aardgas af te gaan. Een hybride warmtepomp is een elektrische warmtepomp gecombineerd met een Hr-ketel. De warmtepomp levert de basislast van de warmtevraag. De Hr-ketel springt bij op koude winterdagen of bij grote vraag naar warm tapwater. Het gebruik van een hybride-warmtepomp vermindert de vraag naar aardgas aanzienlijk. In de toekomst kan een hybride warmtepomp mogelijk ook in combinatie met een duurzaam gas worden ingezet. De beschikbaarheid van duurzame gassen is echter nog onzeker.
B.2.
Besliscriteria
Om een beeld te krijgen hoe kansrijk een warmtetechniek is voor een bepaalde buurt, zijn per buurt verschillende criteria beoordeeld. De score van de verschillende criteria zijn gecombineerd in een multicriteria-analyse. De criteria zijn hieronder toegelicht.
Isolatieniveau Warmtetechnieken all-electric en LT warmtenet verwarmen gebouwen op een lage temperatuur. Dit is echter alleen mogelijk wanneer gebouwen voldoende zijn geïsoleerd. Het uitgangspunt is dat voor deze warmtetechnieken schillabel B nodig is. Warmtetecnieken MT warmtenet en groengas verwarmen gebouwen op een hogere temperatuur. Goed isoleren blijft het streven, omdat gebouwen die goed geïsoleerd zijn minder warmte nodig hebben. Kortom, de beschikbare warmtebronnen kunnen effectiever worden ingezet. Uitgangspunt is dat voor deze warmtetechnieken schillabel D nodig is. Het isolatieniveau wordt bepaald door het gemiddelde schillabel van gebouwen in een bepaalde buurt te berekenen. Er wordt gebruik gemaakt van landelijke data van het Planbureau voor de Leefomgeving. Niet voor elk gebouw is data beschikbaar. Wanneer het schillabel voor een gebouw ontbreekt, is een grove inschatting gemaakt op basis van het bouwjaar en woningtype. Wanneer het gemiddelde schillabel van een buurt slecht is, betekent dit dat er relatief veel 23
isolatiemaatregelen nodig zijn om deze buurt aardgasvrij te maken. Dit geldt met name voor de lage temperatuuroplossingen als all-electric en LT warmtenet. Doordat de buurt eerst aan de slag moet met isoleren, zal deze buurt pas op langere termijn aardgasvrij kunnen worden. Nationale kosten De nationale kosten zijn de kosten voor de Nederlandse samenleving als geheel. Het zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om op een bepaalde aardgasvrije warmtetechniek over te stappen. Dit zijn bijvoorbeeld de kosten voor aanpassingen aan gebouwen als isolatie en een (hybride) warmtepomp, kosten voor infrastructuur als verzwaring van het elektriciteitsnet of aanleg van een warmtenet en kosten voor de duurzame bron. De nationale kosten worden uitgedrukt in euro per ton vermeden CO2-uitstoot. Wanneer de nationale kosten hoog zijn, betekent dit dat het relatief duur is voor de samenleving om op deze warmtetechniek over te stappen. De nationale kosten zijn berekend met behulp van de startanalyse. De startanalyse is een technisch-economisch rekenmodel en is ontwikkeld door het Planbureau van de Leefomgeving. Collectief woningbezit Elk gebouw heeft een eigenaar. Dit kan een particulier zijn, maar bijvoorbeeld ook een woningcorporatie. Een woningcorporatie bezit meestal tientallen tot honderden woningen in een gemeente. In dit geval spreken we van collectief woningbezit.
Wanneer het collectief woningbezit in een buurt relatief hoog is, is het eenvoudiger om gezamenlijke afspraken te maken over isolatiemaatregelen of de gewenste aardgasvrije warmtetechniek. In de gemeente Dronten is er één woningcorporatie actief, namelijk Oost Flevoland Woondiensten (OFW). OFW heeft zo’n 4.900 woningen in bezit, inclusief zorg- en studentenwoningen. Geschiktheid van het elektriciteitsnet voor all-electric Door gebouwen massaal aan te sluiten op een elektrische warmtepomp, neemt de vraag naar (duurzame) elektriciteit significant toe. Het is belangrijk dat het elektriciteitsnet daarvoor geschikt is. In sommige buurten zullen kabels worden vervangen door dikkere kabels of extra transformatorstations worden geplaatst. De geschiktheid van het stroomnet speelt een belangrijke rol bij de warmtetechnieken all-electric en eventueel bij groengas wanneer gekozen wordt voor een hybride oplossing. In Dronten is Liander de netbeheerder voor het elektriciteitsnet. Liander heeft in kaart gebracht in welke buurten grote aanpassingen aan het elektriciteitsnet nodig zijn om gebouwen op grote schaal over te laten stappen op een elektrische warmtepomp. In deze inschatting is gekeken naar de geschiktheid van de laagspanningskabels, middenspanningsstations, wijksamenstelling en isolatieniveau.
In de buurten waar dit speelt vraagt dit niet alleen extra investeringen in het elektriciteitsnet kosten, maar kan dat ook leiden tot een langere doorlooptijd totdat het elektriciteitsnet volledig geschikt is . Koppelkansen De warmtetransitie is een complexe opgave en heeft een grote impact op de omgeving. Op grote schaal worden gebouwen geïsoleerd. Afhankelijk van de warmtetechniek moet het elektriciteitsnet mogelijk worden verzwaard of een warmtenet worden aangelegd. Deze opgaven hoeven niet op zichzelf te staan. Door werkzaamheden op elkaar af te stemmen kan overlast worden beperkt, 24
kosten worden bespaard en neemt het draagvlak onder inwoners toe. Deze koppelkansen hoeven zich niet te beperken tot de warmtetransitie. Er kan ook worden gekeken naar de aanleg, renovatie of vervanging van de riolering of wegen, maar ook maatregelen voor klimaatadaptatie. Om koppelkansen te benutten is het belangrijk dat de gemeente, provincie, woningcorporaties, netbeheerder en andere belangrijke stakeholders met elkaar in gesprek gaan.
B.3.
Score criteria per buurt
De bovengenoemde criteria worden in principe gescoord van laag (1) naar hoog (5). Dit is echter alleen mogelijk als buurten op basis van kwantitatieve variabelen met elkaar kunnen worden vergeleken. Voorbeelden van kwantitatieve criteria zijn bijvoorbeeld afstand, kosten en leeftijd omdat deze zijn uit te drukken in getallen of waarden. Bij de criteria isolatieniveau, nationale kosten, collectief woningbezit en geschiktheid van het elektriciteitsnet voor het toepassen van 100% all-electric is een kwantitatieve beoordeling mogelijk. Bij het criterium koppelkansen kan dit niet. De vervanging van de riolering in één straat is niet kwantitatief te vergelijken met grootschalige renovatieplannen door een woningcorporatie. Dit criterium is daarom kwalitatief beoordeeld. Tabel 1: Beoordelingsmatrix besliscriteria technische analyse.
❶
❷
❸
❹
❺
All-electric en LT warmtenet
Gemiddeld schillabel E, F of G
Gemiddeld schillabel D
Gemiddeld schillabel C
n.v.t.*
Gemiddeld schillabel A of B
MT warmtenet en groengas
Gemiddeld schillabel G
Gemiddeld schillabel F
Gemiddeld schillabel E
n.v.t.*
Gemiddeld schillabel A, B, C of D
Nationale kosten
Meer dan 800 euro per ton CO2
Tussen 650 en 800 euro per ton CO2
Tussen 500 de 650 euro per ton CO2
Tussen 350 en 500 euro per ton CO2
Minder dan 350 euro per ton CO2
Collectief woningbezit
Minder dan 5%
Tussen 5% en 10%
Tussen 10% en 20%
Tussen 20% en 30%
Meer dan 30%
Geschiktheid van het elektriciteitsnet voor all-electric
0% tot 20% geschikt
20% tot 40% geschikt
40% tot 60% geschikt
60% tot 80% geschikt
80% tot 100% geschikt
Isolatieniveau
* Bij twee criteria is een score van 4 niet mogelijk. De reden hiervoor is om het verschil extra te benadrukken tussen wel en geen noodzakelijk aanpassingen.
B.4.
Resultaten per criterium
Voor de drie aardgasvrije warmtetechnieken all-electric, LT warmtenet en groengas zijn per buurt in de gemeente Dronten de scores voor de verschillende criteria bepaald. De warmtestrategie MT warmtenet is buiten beschouwing gelaten, aangezien er momenteel geen warmtebronnen zijn met een midden of hoge temperatuur die voldoende potentie hebben om een warmtenet te kunnen realiseren. De resultaten van de multicriteria-analyse worden hieronder per criterium toegelicht.
25
B.4.1.Isolatieniveau De resultaten van het criterium ‘isolatieniveau’ zijn weergegeven in Figuur 1 voor de warmtetechnieken all-electric en LT warmtenet en in Figuur 2 voor groengas.2 Uit de analyse blijkt dat alle buurten in de gemeente Dronten een gemiddeld schillabel D of hoger hebben. Op drie buurten na is het gemiddelde schillabel zelfs C of hoger. Een groot aandeel van de buurten heeft zelfs een gemiddeld schillabel B of hoger.
Figuur 1: Score van het isolatieniveau voor warmtetechnieken all-electric en LT warmtenet.
2
Er zijn twee kaarten gemaakt omdat de scoring voor all-electric en LT-warmtenet verschillend is van de scoring van groengas. Dit komt door het verschil in het vereiste isolatieniveau.
26
Figuur 2: Score van het isolatieniveau voor warmtetechniek groengas.
Om over te stappen op all-electric of een LT warmtenet is het belangrijk om in diverse buurten eerst grootschalig in te zetten op isoleren. Wanneer de gebouwen onvoldoende worden geïsoleerd, is de warmtevraag te hoog om met lage temperatuuroplossingen te kunnen verwarmen. Alle buurten in gemeente Dronten zijn wel voldoende geïsoleerd om over te stappen op groengas. Desalniettemin blijft isoleren in deze buurten zinvol om energie te besparen. Aangezien er nog veel onzekerheid is over de beschikbaarheid van groengas in de toekomst, is isoleren tot een niveau waarop lage temperatuuroplossingen mogelijk zijn tevens zinvol.
27
B.4.2.Nationale kosten De resultaten van het criterium ‘nationale kosten’ zijn per warmtetechniek weergegeven in Figuur 3 tot en met Figuur 5. De nationale kosten voor all-electric en een LT warmtenet zijn in veel buurten vrijwel gelijkwaardig. In de meeste buurten liggen deze kosten tussen de 350 en 650 euro per ton bespaarde CO2-uitstoot. De nationale kosten van groengas zijn over het algemeen het laagst. De beschikbaarheid en prijs van groengas zijn echter nog uiterst onzeker, zoals eerder in deze bijlage vermeld.
Figuur 3: Score van de nationale kosten voor warmtetechniek all-electric.
28
Warmtenet: brontemperatuur of leveringstemperatuur? Bij een warmtenet worden gebouwen verwarmd met warmte uit de omgeving. Dit kan een warmtebron zijn met een lage, midden of hoge temperatuur. De warmte wordt via leidingen van de warmtebron naar de gebouwen getransporteerd. De brontemperatuur is niet altijd gelijk aan de temperatuur waarmee de warmte aan gebouwen wordt geleverd. Bij een lage brontemperatuur kan de warmte middels een warmtepomp in temperatuur worden verhoogd. Aangezien voor inwoners de leveringstemperatuur van belang is, wordt in deze visie bij een LT warmtenet en MT warmtenet altijd de leveringstemperatuur bedoeld. De enige uitzondering hierop is bij de berekening van de nationale kosten. De Startanalyse, een analysetool van de overheid, gaat namelijk uit van de brontemperatuur. Wij hebben over de nationale kosten van een LT warmtenet daarom een verdiepingsslag uitgevoerd om deze resultaten juist te interpreteren.
Figuur 4: Score van de nationale kosten voor warmtetechniek LT warmtenet.
29
Figuur 5: Score van de nationale kosten voor warmtetechniek groengas.
Zoals aangegeven liggen de nationale kosten van all-electric en een laagtemperatuur warmtenet over het algemeen dicht bij elkaar. Dit komt onder andere doordat het isolatieniveau van gebouwen en woningen voor beiden technieken gelijk moet zijn. Wel betekent dit dat er zijn kansen voor een LT warmtenet. Dit komt doordat er mogelijk gebruik gemaakt kan worden van laagtemperatuurbronnen, zoals het oppervlaktewater. Er zijn vervolgonderzoeken nodig om de technische en financiële haalbaarheid van een LT warmtenet verder te bepalen. In de buitengebieden rolt er ook een relatief goede score 3 uit het model, maar is de gebouwdichtheid laag. De kosten voor de aanleg van een warmtenet zijn dan toch relatief hoog per aansluiting. Een aanleg van een warmtenet in het buitengebied wordt als niet realistisch gezien.
30
Uit Figuur 5 blijkt dat de nationale kosten van groengas in veel buurten onder de 350 euro per ton bespaarde CO2-uitstoot ligt. Dit betekent dat deze warmtetechniek op basis van de nationale kosten in veel buurten de voorkeur krijgt. De oorzaak van deze lage nationale kosten is dat groengas getransporteerd kan worden door het bestaande aardgasnet en er slechts beperkte aanpassingen aan gebouwen hoeven te worden gemaakt. Aangezien groengas momenteel zeer beperkt beschikbaar is en de prijs van groengas hoger ligt dan aardgas, is het verstandig om gebouwen goed te isoleren. Dit zorgt er ook voor dat de beschikbare hoeveelheid groengas gebruikt kan worden om zoveel mogelijk gebouwen te verwarmen. Daarnaast wordt bespaard op de jaarlijkse energierekening. Er is grote onzekerheid over de hoeveelheid groengas die in de toekomst beschikbaar komt. Het zal in elk geval niet voldoende zijn om in de komende jaren een substantieel aantal gebouwen in Nederland van groengas te voorzien. In de analyse is daarom gekeken naar de waarde die groengas in een bepaalde buurt heeft. Het gaat dus over de meerkosten om op een alternatieve aardgasvrije warmtetechniek over te stappen in plaats van groengas. Wanneer de meerkosten om op een andere strategie over te gaan relatief hoog zijn, heeft groengas een hogere waarde. Het groengas dat in die buurt gebruikt wordt, bespaart daar dus meer kosten.
De beschikbare hoeveelheid groengas zal eerst worden ingezet in buurten waar de waarde van groengas relatief hoog is. Uit de analyse blijkt dat dit met name in het buurten waar er meer geïsoleerd dient te worden of waar er relatief veel aan het elektriciteitsnet gedaan moet worden in het geval van een laagtemperatuuroplossingen.
31
B.4.3.Collectief woningbezit De resultaten van het criterium ‘collectief woningbezit’ zijn weergegeven in Figuur 6. In 11 van de 42 buurten is het aandeel woningen in bezit van OFW meer dan 30%. In deze buurten is de kans groter dat de woningbouwcorporaties de kartrekkers voor de warmtetransitie worden, omdat het eenvoudiger zal zijn om gezamenlijke afspraken te maken over isolatiemaatregelen of de gewenste aardgasvrije warmtetechniek.
Figuur 6: Score van het collectief woningbezit van woningcorporaties.
32
B.4.4.Geschiktheid elektriciteitsnet voor all-electric De resultaten van het criterium ‘geschiktheid van het elektriciteitsnet voor toepassing van 100% allelectric’ zijn weergegeven in Figuur 7. Deze inventarisatie is gemaakt op basis van eerste inschattingen van netbeheerder Liander. In deze inventarisatie wordt rekening gehouden met de geschiktheid van de laagspanningskabels, middenspanningsstation, wijksamenstelling en isolatieniveau. Uit de resultaten blijkt dat er significante aanpassingen in de elektra-infrastructuur benodigd zijn in diverse buurten indien er grootschalig overgestapt wordt naar all-electric oplossingen. Voor individuele huishoudens worden er vooralsnog geen problemen verwacht. Ook zijn er buurten die volgens de data zonder grote aanpassingen al geschikt zijn voor all-electric oplossingen op grote schaal. Figuur 7 geeft slechts een indicatie. Het is daarom noodzakelijk om de netbeheerder goed bij de plannen van de gemeente te blijven betrekken. Daarnaast spelen er nog andere uitdagingen voor de netbeheerder, zoals het toenemend aantal elektrische auto’s. Door de toename van laadpalen in een buurt of wijk kan het zijn dat om die reden het elektriciteitsnet verzwaard moet worden. Dit kan mogelijk een koppelkans zijn in de toekomst voor de warmtetransitie.
Figuur 7: Score van de geschiktheid van het elektriciteitsnet voor toepassing van 100% all-electric van Liander.
33
B.4.5.Koppelkansen Om de warmtetransitie mogelijk te maken wordt er ook gekeken naar koppelkansen. Koppelkansen kunnen ervoor zorgen dat er bijvoorbeeld kosten bespaard worden of dat overlast voor omwonenden wordt beperkt. Mogelijke koppelkansen voor de gemeente Dronten worden hieronder besproken. Planningen van woningcorporatie OFW Binnen de gemeente Dronten heeft OFW concrete verduurzamingsplannen en heeft deze uitgewerkt in een routekaart. In de komende jaren heeft OFW plannen om in diverse buurten aan de slag te gaan met verduurzamen. Mogelijk kunnen de gemeente en OFW samen optrekken om de verduurzaming van woningen binnen de gemeente te stimuleren. Planningen netbeheerder De planningen van de netbeheerder zijn ook een mogelijke koppelkans in de warmtetransitie. Mogelijke verbetering van de elektrische infrastructuur kan bijvoorbeeld een bepaalde buurt of wijk meer geschikt maken voor een all-electric oplossing. Het kan er echter ook voor zorgen dat het elektriciteitsnet eerst verzwaard moet worden voordat een hele wijk over gaat op een all-electric oplossing. Daarnaast kan de vervanging van elektriciteitskabels mogelijk gecombineerd worden met het aanleggen van collectieve warmtevoorzieningen. Een mogelijke koppelkans kan ook zijn dat het net verzwaard moet worden door het toenemend aantal elektrische auto’s.
Momenteel zijn erg geen concrete koppelkansen bekend vanuit de netbeheerder. Het is echter wel belangrijk dat Liander goed aangesloten blijft bij de plannen van de gemeente Dronten.
B.5.
Conclusies
Op basis van de bovenstaande onderzoeken kunnen er eerste conclusies getrokken worden die van toepassing zijn op de gemeente Dronten. Waterstof en groengas kunnen in de toekomst mogelijk een belangrijke rol spelen in de warmtetransitie, maar de beschikbaarheid van deze duurzame gassen is nog erg onzeker. Door deze onzekerheid worden deze duurzame gassen niet gezien als oplossingen voor de korte termijn. Een warmtenet op basis van midden- of hoge temperatuurbronnen is momenteel geen mogelijkheid voor Dronten. Er zijn geen warmtebronnen die voldoende capaciteit hebben om een MT warmtenet te kunnen voorzien van warmte. Om deze reden zijn MT warmtenetten verder niet meegenomen in de onderzoeken. Laagtemperatuuroplossingen, zoals all-electric en een laagtemperatuur warmtenet, zijn op basis van de analyses goede mogelijkheden om de gemeente Dronten van het aardgas af te halen. Er wordt verondersteld dat er minimaal een schillabel B nodig is voor laagtemperatuuroplossingen. Het gemiddelde schillabel binnen de gemeente Dronten is hoog en daarmee lijkt isoleren tot minimaal schillabel B voor een groot deel van de gebouwen en woningen binnen de mogelijkheden te vallen. Wel is aanvullend onderzoek noodzakelijk om uit te wijzen of dit isolatieniveau haalbaar is voor de verschillende woningen en hoe dit dan gehaald kan worden.
Kijkend naar de nationale kosten liggen de warmtestrategieën all-electric en LT warmtenet dicht bij elkaar. Dit komt doordat er ten eerste mogelijke laagtemperatuurbronnen aanwezig zijn. Daarnaast zijn de aanpassingen aan de woningen, zoals isolatie, en aanpassingen aan het elektriciteitsnet ongeveer gelijk aan elkaar. Wel is onderzoek nodig of een LT warmtenet daadwerkelijk technisch en financieel haalbaar is. Het elektriciteitsnet zal op meerdere plekken aangepast worden indien er wordt gekozen voor een allelectric oplossing. In een aantal buurten hoeven er slechts beperkte aanpassingen gemaakt te worden,
34
maar er zijn ook buurten waar Liander nog echt aan het werk moet. Het is belangrijk om in gesprek te blijven met Liander over de plannen binnen de gemeente Dronten. Laagtemperatuuroplossingen, en met name all-electric, lijkt een goede manier te zijn om van het aardgas af te stappen. Dit hoeft niet in één keer, maar het kan juist stapsgewijs. Een goede eerste stap is om ervoor te zorgen dat gebouwen en woningen voldoende geïsoleerd zijn. Dit kan op natuurlijke momenten, zoals bij een grootschalige verbouwing of een verhuizing. Het overstappen op een warmtepomp kan ook op een natuurlijk moment. Bijvoorbeeld als de CV-ketel aan vervanging toe is. Als de CV-ketel vervangen wordt en de woning is nog niet voldoende geïsoleerd voor een all-electric oplossing, dan is een hybride warmtepomp een goede tussenstap om alvast een groot deel van de CO2 uitstoot te verminderen. Doordat de verduurzaming stapsgewijs gaat en voor iedereen op een ander moment kan komen, is niet een wijkaanpak maar juist een individuele aanpak de meest logische aanpak. Wel kan er gebruik gemaakt worden van koppelkansen, zoals de verduurzamingsagenda van OFW.
35
BIJLAGE C.
OVERZICHT BUURTEN
De gemeente Dronten bestaat uit 42 buurten. In Figuur 8 tot en met Figuur 11 zijn overzichten van de verschillende buurten weergegeven.
Figuur 8: Overzicht gemeente Dronten.
36
Figuur 9: Overzicht kern Dronten.
37
Figuur 10: Overzicht kern Swifterbant.
38
Figuur 11: Overzicht kern Biddinghuizen.
39
BIJLAGE D.
PARTICIPATIE
In deze bijlage leest u over het participatieproces wat is doorlopen voor het tot stand komen van de Transitievisie Nieuwe Warmte. Het verloop en de uitkomsten van de verschillende onderdelen van het participatieproces staan hieronder beschreven. Participatie is belangrijk voor het opstellen van de Transitievisie Nieuwe Warmte. De warmtetransitie heeft immers betrekking op iedereen. Netbeheerders, woningcorporaties en de eigenaren en bewoners van de huizen: zowel koop- en huurwoningen als bedrijfsruimtes en overige utiliteitsgebouwen. Het is essentieel voor de uitvoering om draagvlak te hebben onder bewoners en woning- en gebouweigenaren. Door hen te betrekken in de warmtetransitie wordt duidelijk wat de mogelijkheden en obstakels zijn en creëren we draagvlak door deze mogelijkheden en obstakels tijdig een plek te geven in het proces. Er is gekozen voor een compacte projectorganisatie op te stellen, zodat de lijnen kort zijn en de verschillende stakeholders dicht op het vuur zitten. In Figuur 12 is de projectorganisatie schematisch weergegeven.
Figuur 12: Schematische weergave van de projectorganisatie.
40
De Transitievisie Nieuwe Warmte geeft richting in de aanpak en geeft duidelijkheid over het tijdspad en de volgorde waarin de wijken worden aangepakt. De Transitievisie heeft nog een vrij hoog abstractieniveau. Daarom gaan we uit van het principe: • • •
Iedereen krijgt de kans om op een relevant niveau mee te denken; We houden het aantal momenten om te participeren beperkt om overvraging te voorkomen. Meedenken op dit niveau is namelijk niet voor iedereen aantrekkelijk; We zijn duidelijk over de kaders van de Transitievisie, en wat later volgt in de plannen voor de individuele aanpak.
Het participatieproces wordt doorlopen volgens de Handleiding Drontens Model. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende projectfasen, omdat afhankelijk van de projectfase participatie en communicatie een andere rol spelen. De participatie met elk van de stakeholders heeft een ander doel en vraagt om een andere aanpak.
PARTICIPATIEPROCES
Bewonersonderzoek
Dialoogsessies
Workshops
Informatieavond
• Online enquête • 168 deelnemers
• Actieve meedenkers • Bewonersorganisaties • Ondernemers
• Stakeholders
• Voorleggen Concept Transitivisie Nieuwe Warmte • Online informatieavond XX deelnemers • Fysieke informatieavond XX deelnemers
Bewonersonderzoek Datum: Methode: Aantal deelnemers:
16 maart 2021 – 4 april 2021 Maptionnaire 168 inwoners, 5 bedrijfspandeigenaren
Uitkomsten: Voor het opstellen van de Transitievisie Nieuwe Warmte is tussen een bewonersonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit bewonersonderzoek is het ophalen van verkennende informatie en wensen uit de wijken en het betrekken van de ‘brede bevolking’ om te komen tot een compleet beeld van technische en sociale (on)mogelijkheden in de warmtetransitie. De mate van participatie die hier beoogd is, is raadplegen/consulteren van bewoners en inventariseren hoe bewoners aankijken tegen de transitie naar aardgasvrij. De volledige rapportage van de uitkomsten van het bewonersonderzoek is te lezen op Dronten.ikpraatmee.nl Bewoners van de gemeente Dronten zijn middels sociale media, het online participatieplatform dronten.ikpraatmee.nl en een bericht in de krant uitgenodigd deel te nemen aan het online bewonersonderzoek over aardgasvrij wonen. Dit bewonersonderzoek heeft plaatsgevonden via online enquêtetool Maptionnaire. De enquête is gelanceerd op 16 maart 2021 en gesloten op 4 april 2021. 168 inwoners en vijf bedrijfspandeigenaren hebben de enquête beantwoord. De enquête is
41
beantwoord door bewoners verspreid over het buitengebied en de woonkernen Dronten, Biddinghuizen, Ketelhaven en Swifterbant. In het bewonersonderzoek zijn vragen gesteld over de woonsituatie, fysieke staat van de woning en de manier van verwarmen. Op deze manier ontstaat een beeld van de staat van de wijk. Vervolgens is gevraagd hoe bewoners en bedrijfspandeigenaren aankijken tegen aardgasvrij wonen en welke aspecten zij belangrijk vinden. Ten slotte zijn vragen gesteld welke initiatieven en activiteiten in de buurt al worden georganiseerd. Zo wordt duidelijk of bewoners zich actief willen inzetten in de transitie naar aardgasvrij en waar koppelkansen liggen met bestaande initiatieven. Het bewonersonderzoek geeft geen representatieve weergave van de hele situatie in de gemeente Dronten. Daarvoor is een groter aantal respondenten per buurt nodig. Het onderzoek is ook geen draagvlakmeting. Wel toont het onderzoek kwalitatieve informatie over bijvoorbeeld de zorgen die inwoners van de gemeente Dronten hebben, en welke aspecten van een alternatieve warmteoplossing belangrijk zijn voor inwoners.
Dialoogsessies Als vervolg op het bewonersonderzoek zijn in drie sessies inhoudelijke gesprekken gevoerd met inwoners, bewonersorganisaties en ondernemers. Hen is gevraagd hun lokale kennis te delen waar kansen en opgaven liggen om Dronten duurzaam te verwarmen. Ook is gesproken hoe inwoners en ondernemers in het vervolg het best kunnen worden betrokken en geholpen. Actieve meedenkers (inwoners) Datum: 18 mei 2021 Locatie: Microsoft Teams (online) Aantal deelnemers: 7 inwoners Uitkomsten: Deelnemers zijn geïnteresseerd in de warmtetransitie en willen betrokken zijn bij de keuzes die gemaakt worden voor de omgeving. Ze dragen graag bij aan oplossingen, maar zijn ook benieuwd wat al is onderzocht. Uit ervaring blijkt dat concrete acties in de buurt goed bevallen, zoals de warmtescan en dat de gemeente in de buurten gaat meepraten. De deelnemers geven ook de volgende tips mee: -
Open communicatie; Kijk naar landelijke initiatieven en gebruik kennis van professionals; Grootschalige inkoop verduurzamingsmiddelen; In iedere kern een energiewinkel; Betrek lokale ondernemers en bewoners.
Deelnemers geven aan betrokken te willen worden via lokale nieuwskanalen, e-mail, sociale media, nieuwsbrief, De Drontenaar, bewonerssessies en in een later stadium op een meer persoonlijk niveau. Een aantal deelnemers zegt ook als ambassadeur op te willen treden en kennis te delen met buurtgenoten: personen zijn bekend bij gemeente. Deelnemers hebben behoefte aan visie en strategie van de gemeente. De wens is om de transitie rustig te laten verlopen met kleine lokale stappen, in plaats van grote integrale projecten. De Golfresidentie zegt zelf aan de slag te willen.
42
Bewonersorganisaties Datum: 25 mei 2021 Locatie: Microsoft Teams (online) Aantal deelnemers: 5 deelnemers Deelnemende organisaties: -
OFW Golfresidentie Dronten Dorpsbelangen Swifterbant Adviesraad Sociaal Domein Dronten Huurdersbelangenvereniging
Uitkomsten: De bewonersorganisaties geven uit ervaring aan dat ontwikkelingen samen met de buurt worden opgepakt. Kartrekkers spelen hierin een belangrijk rol. In de communicatie naar inwoners is het belangrijk helder en eerlijk te zijn en uitleg te geven op een manier dat iedereen het begrijpt. Op het moment zijn weinig initiatieven bekend die goed kunnen aansluiten op de warmtetransitie. De deelnemers adviseren om VvE’s te betrekken. De deelnemers delen dat goede communicatie belangrijk is en geven daarvoor suggesties: ga langs bij bewoners, spreek begrijpelijke taal voor iedereen (ook anderstaligen), en communiceer via meerdere kanalen als (sociale) media en kartrekkers in de buurten. Inwoners kunnen worden betrokken door te inspireren en leren van ervaringen. En richt de transitie niet alleen in op technische problemen maar op de zorgen en bezigheden van inwoners. De deelnemers willen op verschillende manieren betrokken worden bij het proces: -
Adviesraad Sociaal Domein leest mee met Transitievisie Nieuwe Warmte m.b.t. leesbaarheid van informatie; Dorpsbelang Swifterbant blijft graag betrokken in hele proces (visievorming + uitvoering); Golfresidentie kijkt graag met gemeente wat mogelijkheden zijn.
Ondernemers Datum: 10 juni 2021 Locatie: Microsoft Teams (online) Aantal deelnemers: 7 ondernemers Deelnemende organisaties: -
LTO Noord SEA-kerngroep Bedrijventerreinen Remako Keyter Intarcon Dronten Swifterwint op Land
Uitkomsten: De ondernemers gaven aan dat zij koppelkansen zagen voor de warmtetransitie bij de realisatie van waterstof bij IJsseloog en processen met een grote uitwisseling van warmte en koude, zoals de ijsbaan/zwembad en agrarische bedrijven. Andere kansen worden gezien in aardwarmte en infrarood. Volgens de deelnemers kunnen ondernemers worden betrokken in de warmtetransitie door ondersteuning in onrendabele investering, concrete initiatieven voor specifieke bedrijfstakken en het faciliteren van kennisdeling. Dit laatste kan door voorlichtingsavonden, collectieve kennisverschaffing en het delen van voorbeelden en ervaringen. 43
De deelnemende ondernemers willen goed geïnformeerd worden door goede communicatie middels flyers, Flevopost en andere media. De rol van de LTO met betrekking tot het buitengebied wordt afgestemd met afdelingen van omliggende gemeentes. Verder willen de deelnemende ondernemers een vervolg en kennissessies organiseren.
Workshops In de twee workshops is met verschillende afdelingen binnen de gemeente en met organisaties zoals woningcorporatie OFW, netbeheerder Liander en Waterschap Zuiderzeeland gekeken naar de technische analyse en de mogelijke oplossingen voor de woningen in Dronten. In deze workshops zijn de koppelkansen geïnventariseerd.
Bewonersavond oktober <Nader in te vullen>
44