Venhuizen - Zuiderdijk 30 rob 27-2 (2023-07)
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Venhuizen - Zuiderdijk 30 Drechterland
DATUM IMRO IDN
27-2-2023 NL.IMRO.0498.20220935-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Venhuizen - Zuiderdijk 30 J. Posthumus
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20220935
AUTEUR STATUS
Rho adviseurs concept
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Projectgebied
6
1.3
Planologische regeling
7
1.4
Leeswijzer
8
Projectbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Voorgenomen initiatief
12
2.3
Ruimtelijke en functionele inpassing
13
2.4
Verkeer en parkeren
18
Hoofdstuk 3
Beleidskader
19
3.1
Rijksbeleid
19
3.2
Provinciaal beleid
21
3.3
Gemeentelijk beleid
22
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
24
4.1
Ecologie
24
4.2
Bodemkwaliteit
25
4.3
Water
25
4.4
Bedrijven en milieuzonering
27
4.5
(Spoor)wegverkeerslawaai
28
4.6
Luchtkwaliteit
28
4.7
Archeologie
28
4.8
Cultuurhistorie
29
4.9
Kabels en leidingen
29
4.10
Externe veiligheid
29
4.11
Duurzaamheid
30
Uitvoerbaarheid
31
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31
5.2
Economische uitvoerbaarheid
32
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/98
Hoofdstuk 6
Conclusie
33
6.1
Aanleiding
33
6.2
Afweging
33
6.3
Conclusie
33
Bijlage
35
Bijlage 1
Stikstofberekening aanlegfase
37
Bijlage 2
Stikstofberekening gebruiksfase
45
Bijlage 3
Quickscan ecologie
53
Bijlage 4
Advies Archeologie West-Friesland
85
Bijlage 5
Watertoets
91
4/98
Ruimtelijke onderbouwing
5/98
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen is een loon- en aannemersbedrijf gevestigd. Het bedrijf is voornemens om het bestaande bedrijfsgebouw gefaseerd uit te breiden. Het bestaande bedrijfsgebouw bestaat uit een schuur en kantoor en heeft een afmeting van 60 x 60 meter. De uitbreiding betreft de bouw van een vrijstaande overkapping aan de westkant van het bedrijf (100 x 16 meter) in de vorm van een kapschuur. Binnen de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch loonbedrijf' is het mogelijk om binnen het bouwvlak gebouwen en overkappingen te bouwen ten behoeve van het agrarisch loonbedrijf. De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan, omdat de uitbreiding deels buiten het bouwvlak en binnen de bestemming 'Natuur' ligt. Er kan medewerking worden verleend aan de ontwikkeling middels het verlenen van een omgevingsvergunning conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning buitenplanse afwijking). Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied betreft het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen. Het gebied ligt aan de Zuiderdijk en ligt ten noordoosten van het dorp Oosterleek en ten zuiden van het dorp Venhuizen. De situering is weergegeven in figuur 1.
6/98
Figuur 1. Luchtfoto met situering projectgebied
1.3
Planologische regeling
Bestemmingsplan Drechterland Zuid Het projectgebied is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan Bestemmingsplan Drechterland Zuid, vastgesteld op 24 juni 2013. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het projectgebied de volgende bestemmingen: Enkelbestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf', Enkelbestemming 'Natuur', Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en Gebiedsaanduiding 'Kwaliteitszone'. Uitsluitend binnen het op de gronden aanwezige bouwvlak mogen gebouwen en overkappingen gebouwd worden. De maximale goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt respectievelijk 5 meter en 10 meter. Figuur 2 geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer. De uitbreiding van het loon- en aannemingsbedrijf ligt deels buiten het bouwvlak en binnen de bestemming 'Natuur' en is daarmee in strijd met het geldende bestemmingsplan. Aanvullende regels gelden op gronden met een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' bij plannen die een oppervlakte hebben van meer dan 500 m² en dieper gaan dan 40 cm onder het maaiveld. In dergelijk geval is een archeologisch rapport of een quickscan van Archeologie West-Friesland vereist. Onderhavige aanvraag omvat een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen met circa 1.600 m² ten opzichte van de bestaande situatie. Gronden met de Gebiedsaanduiding 'Kwaliteitszone' zijn mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke waarden.
Dit houdt onder meer in dat grootschalige ontwikkelingen in het gebied tussen de linten, in de directe omgeving van de dijk, niet zijn toegestaan. In dit gebied mogen bouwwerken uitsluitend worden gebouwd indien voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het Beeldkwaliteitsplan Westfriese omringdijk.
7/98
Figuur 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de gewenste ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling getoetst aan de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 behandelt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de conclusie.
8/98
Hoofdstuk 2 2.1
Projectbeschrijving
Huidige situatie
Het projectgebied is gelegen aan de Zuiderdijk en ligt ten noordoosten van het dorp Oosterleek en ten zuiden van het dorp Venhuizen. De Zuiderdijk vormt de waterkering van het Markermeer en is onderdeel van de Westfriese Omringdijk die rondom West-Friesland loopt. De dijk doet tevens dienst als weg. Aan de Zuiderdijk staat relatief weinig bebouwing. De schaarse bebouwing bestaat onder meer uit (dijk)woningen. Rond het perceel Zuiderdijk 30 ligt aan de noord- en westkant een open en weids polderlandschap. Aan de oostkant staan vrijstaande woningen en een park met recreatiewoningen. De oude lintstructuur van de Zuiderdijk wordt begeleid door vrijstaande, traditionele bebouwing met een wisselende rooilijn. De bebouwing is doorgaans georiënteerd op de weg. Op het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen is een loon- en aannemersbedrijf gevestigd. Op het perceel staan achter de bedrijfswoning de bedrijfsgebouwen. De bedrijfswoning op perceel Zuiderdijk 30 heeft zijn oriëntatie op de Zuiderdijk. Een situatietekening van de huidige situatie en zijn omgeving is weergeven in figuur 3 en 5. Een aanzicht, vanaf de Zuiderdijk, is weergeven in figuur 4.
9/98
Figuur 3.
Situatietekening huidige situatie
Figuur 4.
Aanzicht vanaf de Zuiderdijk
10/98
Figuur 5.
11/98
Overzicht bestaande situatie
2.2
Voorgenomen initiatief
Het bedrijf voornemens is de bestaand bedrijfsbebouwing uit te breiden middels de nieuwbouw van een overkapping zijnde en kapschuur aan de westkant van het huidige bedrijfsbebouwing van het bedrijf. De kapschuur is benodigd voor de stalling van materieel en materiaal dat al op het terrein aanwezig is. Doel van de initiatiefnemer met de kapschuur is om het perceel een opgeruimder aanblik te geven en te zorgen dat het op het perceel aanwezig zijde materiaal en materieel overkapt wordt. Waardoor de kwaliteit van het materiaal en materieel behouden kan blijven en zoals nu het geval is niet onderhevig is aan de weersinvloeden omdat het allemaal in de open lucht bevindt. Een overzicht van de gewenste indeling van de locatie is weergeven in figuur 6.
12/98
Figuur 6.
2.3
tekening toekomstige situatie
Ruimtelijke en functionele inpassing
Het plan stelt de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw in het landelijk gebied voor. Van belang is dat de bebouwing op een verantwoorde wijze wordt ingepast in het landschap. De totale oppervlakte qua gebouwen bedraagt 5.200 m2. Een overzicht van de gewenste indeling van de locatie is weergeven in figuur 6. De landschappelijke inpassing, conform de landschappelijke inpassing van boerenerven, is mede naar aanleiding van het advies van de Welstandcommissie totstand gekomen.
13/98
De nieuwbouw van de kapschuur vind ten opzichte van de bestaande bedrijfsbebouwing naast de bestaande bedrijfsbebouwing maar een klein gedeelte zal voor de bestaande voorgevel lijn naast de bestaande bedrijfsbebouwing worden gerealiseerd. Dit heeft namelijk te maken met het overdekken van de spoelplaats. Zodat met slecht weer de werknemer beschut is om z'n werk te doen. De kapschuur zal qua vormgeving en materiaalgebruik aansluiten op de bestaande bebouwing. De kapschuur heeft een goothoogte van 5.7 meter en een bouwhoogte van 7.8 meter. Met de voorgestane bouwhoogte van de kapschuur blijft deze lager dan de bestaande bedrijfsbebouwing. In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing kort beschreven volgens de ruimtelijke kwaliteitssystematiek van de provincie. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Provincie Noord-Holland, 2018) In de Leidraad is het Noord-Hollandse landschap onderverdeeld in deelgebieden. Het projectgebied ligt in het deelgebied West-Friesland Oost. Ontstaansgeschiedenis West-Friesland is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing van zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. West-Friesland is dan ook een archeologisch waardevol gebied, met in de bodem relicten van nederzettingen uit Steentijd, Bronstijd, Ijzertijd en Romeins tijd (zie ook archeologie). Vooral de resten uit de Midden- en Late-Bronstijd uit oostelijk West-Friesland zijn uniek. Vanaf de Ijzertijd vernatte het gebied waardoor er veen tot ontwikkeling kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het veen in ontginning genomen. Om het gebied te ontwateren werden vanuit bestaande veenrivieren parallelle sloten het veen in gegraven. Op de droge toplaag kon men vervolgens wonen en akkers aanleggen. Een deel van de ontginningen werd beperkt door natuurlijke grenzen of bezitsgrenzen maar elders trok men onder druk van de bodemdaling steeds verder het veen in – net als in andere veengebieden.
Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, ten oosten van Hoorn en bij Medemblik lagen veel nederzettingen op kreekruggen. Kreekruggen zijn kronkelende zandbanen die op veel plaatsen in West-Friesland voorkomen. De zandbanen zijn met zand opgevulde restanten van voormalige getijgeulen. Er zijn twee hoofdtakken. De noordelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Abbekerk, Twisk en Opperdoes naar Medemblik. De zuidelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Wognum ten noorden langs Hoorn naar Wijdenes en verder richting Enkhuizen.
14/98
De meeste nederzettingen in de veenontginningen kregen de vorm van langgerekte linten. Veel plaatsnamen in West-Friesland eindigend op –woud, -woude en –broek (zoals Westwoud en Grootebroek) herinneren nog aan het onontgonnen landschap en de veenvegetatie. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie. Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Doordat de gronden ter weerszijden van de opgevulde getijdegeulen zijn ingeklonken en het zand in de geulen niet, zijn deze met zand gevulde geulen nu lichte verhogingen in het landschap. Dit noemt men reliëfinversie. Vanaf omstreeks de 11e eeuw begon men met het aanleggen van dijken om de veenontginningen tegen inbraken van de zee te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw vormden deze dijken één geheel: de Westfriese Omringdijk. Door de gesloten dijk nam de invloed van de zee sterk af. De Omringdijk onderging na aanleg nog flinke veranderingen door de vele doorbraken en achter zwakke dijktracés werden inlaagdijken (reservewaterkeringen) aangelegd. In de late middeleeuwen trachtte Graaf Floris V West-Friesland aan zich te onderwerpen door dwangburchten – waaronder kasteel Radboud bij Medemblik– te bouwen langs de dijk.
Nog altijd vormt de Omringdijk door zijn hoogte en als scheiding tussen landschapstypen die in verschillende periode zijn ontstaan, de markante begrenzing van het oude zeekleigebied. Het gebied kende lang vooral een agrarisch gebruik (akkerbouw en fruitteelt). Het grootste deel van het transport ging over water. Polder het Grootslag was bijvoorbeeld een ‘vaarpolder’ met een zeer beperkt aantal wegen. Als onderdeel van de intensivering en structuurverbetering van de Nederlandse landbouw vonden in de tweede helft van de 20e eeuw grootschalige ruilverkavelingen en daarmee schaalvergroting plaats. Het landschap werd getransformeerd, maar dat gebeurde niet overal op dezelfde manier of in dezelfde mate. In polder Het Grootslag is het landschap in de jaren 80 bijvoorbeeld ingrijpend getransformeerd, veel sloten werden gedempt en er werd een wegennetwerk aangelegd. De ecologische zone in de polder verwijst nog naar de vaarpolderstructuur die er vroeger was. Langs de Markermeerdijk tussen Hoorn en Enkhuizen is het historische landschap nog zichtbaar. Sindsdien is het beeld van het agrarisch landschap onder invloed van schaalvergroting van agrarische bebouwing verder gewijzigd. In delen van polder het Grootslag, waar het projectgebied deel van uitmaakt, bijvoorbeeld begint het agrarisch platteland meer de verschijningsvorm van een bedrijventerrein te krijgen.
Het gebied ten zuiden van Andijk is ingericht als glastuinbouwgebied. Andere delen van het ensemble zijn in de laatste decennia van de vorige eeuw flink verstedelijkt, bijvoorbeeld bij Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Hoogkarspel, Bovenkarspel en Wervershoof. Kernwaarden West-Friesland Oost heeft de volgende drie provinciale kernwaarden: de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken. Landschappelijke karakteristiek
15/98
West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. De ligging van de linten is afhankelijk van de richting van de ontginningen en vaak sterk gerelateerd aan de ondergrond (de hooggelegen kreekruggen). Waterlopen als de Kadijk, de Gouw, de Groote Vliet en de Molensloot zijn enkele relicten van het ooit waterrijke landschap. De kronkelende dijken en de braken en wielen zijn het resultaat van de lange strijd tegen het buitenwater. Tussen Enkhuizen en Hoorn vormt de Westfriese Omringdijk een scherpe grens tussen land en water. De dijk is hier meer belast door wind en golven en voorland ontbreekt vrijwel geheel. Aan de binnenzijde, bij Wijdenes en Schellinkhout, is het historische landschap met een fijnmazige verkaveling, boomgaarden (fruitteelt), historische linten en waterlopen nog redelijk intact gebleven. Openheid en ruimtebeleving Dit oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten. In het kleinschalige landschap aan de Markermeerdijk, tussen Hoorn en Enkhuizen, is het oorspronkelijke landschap en de openheid het best bewaard gebleven.
Aan beide zijden van het lint is het landschap open (de zogenaamde ‘gedeelde ruimte’). Ruimtelijke dragers De Westfriese Omringdijk markeert de begrenzing van het oude zeekleigebied. Dit is een provinciaal monument en een ruimtelijke drager van regionale betekenis. De dijk is door de scheiding water en land, het steile profiel en de grote hoogte zeer herkenbaar in het landschap. In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. Ambities en Ontwikkelprincipes De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. De ambities en ontwikkelprincipes zijn onder andere gebaseerd op het Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk (Feddes/Olthof, Grontmij in opdracht van provincie Noord-Holland, 2009), Een dijk van een regio, structuurschets Westfriesland (Urhahn | stedenbouw & strategie, in opdracht van de zeven Westfriese gemeenten, 2017) en de Handreiking Ruimtelijke inpassing Bollenbroeierij het Grootslag (PARK-advies provincie Noord-Holland, 2016). De ontwikkeling vindt plaats in het grootschalig landbouwgebied langs de Zuidelijke kustzone Enkhuizen-Hoorn.
De verkavelingsstructuur bestaat hier uit lange, vrij smalle noord zuid gericht kavels. Het gebied is open. Het perceel wordt aan de zuidzijde begrensd door een watergang. Kenmerkend voor de omgeving van het projectgebied aan de Zuiderdijk is de openheid en de opstrekkende verkaveling. In de omgeving is weinig
16/98
opgaand groen. De incidentele beplanting die in het gebied is, bestaat voornamelijk uit beplanting rond/op erven. De verkavelingsstructuur is regelmatig en grootschalig. Kavels worden van elkaar gescheiden door sloten. Het gebied is ontsloten door de Zuiderdijk die onderdeel is van de Westfriese Omringdijk. Het projectgebied ligt ten noorden van de Zuiderdijk en ten noordoosten van het dorpje Oosterleek. Het perceel ligt als los element aan de Westfriese Omringdijk. De nieuwbouw vindt plaats in aansluiting op de bestaande bebouwing, aan de westzijde. De bebouwing blijft binnen de bestaande verkaveling. Voor het gebied gelden verder geen specifieke landschappelijke of aardkundige waarden. Ook met de uitbreiding blijft er voldoende ruimte bestaan tussen de bebouwing aan de Zuiderdijk. Er is geen sprake van een verdichting van de zichtlijnen vanaf de openbare weg. De aanwezige zichtlijnen blijven grotendeels bestaan. Het open karakter van het gebied kenmerkend. Aangezien de nieuwe bebouwing aansluit op de bestaande bebouwing en wordt ingepast in de bestaande verkaveling, wordt geen afbreuk gedaan aan deze openheid. De nieuwbouw sluit qua situering en richting ook aan op de bestaande bebouwing. Dit sluit ook goed aan op het huidige ordeningspatroon. Ten zuiden van het projectgebied bevindt zich de Westfriese Omringdijk. Deze blijft met de ontwikkeling onaangetast.
Vanaf de dijk moet het zicht vanaf de Westfriese Omringdijk op het kleinschalige landschap en op het open water behouden blijven. Door de gewenste uitbreiding directe achter -en naast de bestaande bebouwing te realiseren, zal sprake blijve van geconcentreerde bebouwing. Hierdoor blijft het zicht op het kleinschalige landschap behouden. Aan de voorzijde van het bedrijf bevinden zich een aantal bomen, zoals bij de meeste (agrarische) percelen het geval is. In de gewenste situatie wordt rondom het projectgebied deze typische elementen aangevuld. Het gewenste bedrijfsgebouw zal qua vormgeving en materiaalgebruik aansluiting vinden bij de huidige bedrijfsgebouwen waardoor een eenduidig beeld zal ontstaan. De omvang van het bedrijfsperceel sluit in de nieuwe situatie aan op de bestaande bedrijfsloodsen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de bebouwingskarakteristiek. In de omgeving is sprake van een weide, grootschalig en open landschap met langs de linten enige laan- en erfbeplanting. Voor de inpassing van de ontwikkeling wordt uitgegaan van het realiseren van een zo compact mogelijk erf, met een eenvoudige rechthoekige vorm, passend bij de huidige verkavelingsstructuur. Daarnaast is het van belang dat er tussen de linten ruimte blijft behouden en deze niet aan elkaar groeien. Met de uitbreiding van het bedrijf is hier geen sprake van.
Er blijft ruimte tussen het lint van de Elbaweg ten noorden van het projectgebied en het lint van de Zuiderdijk. De landschappelijke inpassing bestaat uit een combinatie van een dichte boomsingel (combinatie bomen en struiken) en een bomenrij aan de noordzijde, oostzijde en westzijde. Aan de noordizijde is verder nog een grondwal en aan de noordzijde bevinden zich nog enkele boomsingels. Aan de Markermeerzijde is het bedrijfserf begrensd met een bomenrij en een boomgaard. Tevens is er sprake van een open en groen voorerf met enkele boomgroepen bestaande uit bomen van de eerste orde. Het nieuwe erf is begrensd door bestaande sloten. Het erf sluit hierdoor goed aan in het huidige verkavelingspatroon. Met het groene en open woonerf, het
17/98
omplante bedrijfserf en het patroon van sloten wordt een respectvolle omgang met de Westfriese Omringdijk en structuur en openheid van het landschap getoond.
2.4
Verkeer en parkeren
Het bedrijf heeft een goede en overzichtelijke aansluiting op de Zuiderdijk, dat op zijn beurt direct is aangesloten op de provinciale weg N307 en N506 via de Dorpsweg. De weg heeft voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie met betrekking tot het projectgebied op te vangen. De verkeersbewegingen nemen met de nieuwe kapschuur niet toe omdat het gaat om het onderdak bieden van de materialen en materieel dat nu buiten liggen waardoor de kwaliteit en levensduur door wind en weer wordt aangetast. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid. Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
18/98
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. IN de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het projectgebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk
19/98
kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De beoogde ontwikkelingen binnen het projectgebied raken geen van bovenstaande Rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor deze ruimtelijke onderbouwing. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het streven is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee het voorkomen van (onaanvaardbare) leegstand en onnodig bouwen in de groene omgeving.
Uit jurisprudentie is gebleken dat wanneer een plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. In voorliggend geval wordt deze oppervlakte overschreden waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Historie en behoefte aan uitbreiding De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een bestaand bedrijf. De behoefte blijkt uit de concrete vraag en probleemstelling van het bedrijf. Het productenpakket van het bedrijf breid nog steeds uit en de machines zijn aanzienlijk groter in omvang geworden. De bestaande gebouwen worden daardoor te krap. Daarnaast is het wenselijk om kostbare producten, die nu voor een groot deel buiten worden opgeslagen, inpandig op te slaan. Het bedrijfsperceel ligt beleidstechnisch in het buitengebied. Daarom moet de afweging gemaakt worden of de hiervoor beschreven behoefte opgevangen kan worden in het bestaand stedelijk gebied. Dit zou een verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein betekenen. Het bedrijfs is lokaal georiënteerd. Het heeft een sterke positie de regio en het daaromheen liggende agrarische gebied. De klantenkring en ook de werknemers komen uit deze regio.
Het verplaatsen van het bedrijf naar een locatie buiten deze regio zou de afzetmarkt zodoende grotendeels doen wegvallen. Locatiekeuze De bedrijventerreinen liggen allemaal op circa 10 kilometer afstand. Bedrijfsverplaatsing naar één van deze bedrijventerreinen betekent verplaatsen naar buiten de klantenregio van het bedrijf. Dit is bedrijfseconomisch niet aanvaardbaar, daar het betekent dat het bedrijf (vaste) klanten zal verliezen, doordat het de bijzondere
20/98
lokale gebondenheid verliest en op de nieuwe locatie moet concurreren met de gevestigde orde. Daarnaast zorgt een mogelijke verplaatsing voor langere aanrijtijden en grotere afstanden. Dit werkt kostenverhogend en is ten nadele van de concurrentie. Een andere nadeel is dat huidige werknemers op zeer korte afstand van het bedrijf wonen. Een mogelijke verplaatsing zorgt voor langere woon-werk afstanden en wordt men genoodzaakt de auto te gebruiken. Verplaatsen naar een bedrijventerrein wordt gelet op het voorgaande niet als mogelijk alternatief beschouwd. In de huidige situatie is voor het bedrijf sprake van ruimte tekort. Het bedrijf huurt daarom in de huidige situatie gebouwen in de omgeving van het bedrijf. Wegens bedrijfslogistieke redenen is het van belang dat de uitbreiding plaats vindt op het perceel zelf en niet op een elders gelegen perceel in de regio. Concentratie van de bedrijfsvoering is daarom van groot belang. Voor een optimale bedrijfsvoering is het van belang dat de bedrijfsactiviteiten geconcentreerd plaats vinden. Hierdoor is sprake van een efficiënte bedrijfsvoering. Daarnaast zorgt een concentratie ervoor dat het aantal verkeersbewegingen zo minimaal mogelijk blijft. Andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn dan ook niet gewenst. De meeste geschikte locatie voor de bedrijfsontwikkeling is daarom de huidige.
Het bedrijf heeft een zeer duidelijke regiofunctie. Het bedrijf maakt sinds 1939 deel uit van het bebouwingslint en kan worden gezien als één van de noodzakelijke voorzieningen binnen de beschreven regio. Een verplaatsing zou voor zowel het bedrijf als voor de regio een groot verlies zijn. Tot slot vergt een verplaatsing forse investering in een nieuwe locatie en onacceptabele kapitaalsvernietiging van de bestaande locatie. Deze wegen op geen manier op tegen de ruimtelijke impact van de nu voorgestelde ontwikkeling. Conclusie Gezien het vorenstaande is een gedegen afweging gemaakt om het bedrijf uit te breiden binnen het projectgebied en wordt geconcludeerd dat dit project voldoet aan de uitgangspunten van de ladder van duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsverordening NH2020 Volgens de Omgevingsverordening NH2020, zijn de onderstaande regels van toepassing. Artikel 6.33 lid 3 Agrarische bedrijven in landelijk gebied a. agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; b. het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of c. het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en d. de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt.
21/98
De ontwikkeling betreft de uitbreiding van een agrarisch aanverwant bedrijf. Het betreft namelijk een bedrijf in landelijk gebied. Dat hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene of recreatieve gebieden voor publieke doeleinden, en gebruik maakt van werktuigen, apparatuur of agrarisch loonwerk. Er kan toepassing worden gegeven aan onderdeel a van artikel 6.33. In de gewenste situatie beslaat het bouwvlak minder dan 2 hectare. Aan onderdeel d van artikel 6.33 wordt daarmee ook voldaan. Artikel 6.43 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen Het projectgebied is niet gelegen binnen het Bijzonder provinciaal landschap, zoals weergeven op de kaart van de provinciale verordening. Wel grenst het projectgebied aan het Natuurnetwerk Nederland. Een ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Dit project voorziet niet tot een een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland. De ontwikkeling vindt namelijk buiten de grenzen van het NNN-gebied plaats.
Overigens betreft het het voorzetten van de bestaande activiteiten, maar zullen deze nu inpandig plaatsvinden in plaats van buiten op het terrein zelf. In die zin kan geconcludeerd worden dat er geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvinden. Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteit Daarnaast moet voldaan worden aan artikel 6.59. Artikel 6.59 heeft betrekking op de ruimtelijke kwaliteit eis bij nieuwe ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling is hiervoor een beeldkwaliteitparagraaf (zie paragraaf 2.3) in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Hiermee voldoet het plan aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de regels van de Omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
Visie op Drechterland In 2021 heeft de gemeente de “Visie op Drechterland” vastgesteld. De centrale visie wordt omschreven als: “Drechterland, een vitale, aantrekkelijke en duurzame gemeente om in te leven, te wonen en te werken”. Gemeente Drechterland zet in op versterking van de lokale economie met accent op de landen tuinbouw en recreatie. Startende- en gevestigde ondernemers worden gefaciliteerd en er vindt een stimulering plaats voor een circulaire economie. Daarbij moet de unieke identiteit van de kernen en het landschap in Drechterland behouden blijven. Tevens heeft verduurzamen van de agrarische sector heeft prioriteit. Door de ontwikkeling van het plan aan de Zuiderdijk 30 wordt de lokale economie en werkgelegenheid gestimuleerd. Er vindt een toekomstgerichte ontwikkeling plaats, waarbij de landschappelijke waarden behouden blijven. De uitbreiding van het bedrijf draagt bij aan een vitaler Drechterland. Bedrijventerrein SED / Regio
22/98
Op het ogenblik wordt gewerkt aan de visie bedrijventerreinen in de regio West-Friesland. De conclusie uit de visie is dat er voor de SED minimaal 50 hectare land benodigd is om bedrijven de ruimte te kunnen bieden op een bedrijventerrein. Op dit moment zitten alle bedrijventerreinen binnen de gemeente en SED vol en daarbij is uitbreiding niet mogelijk. Dit betekent dat de huidige bedrijventerreinen aan hun maximale omvang zitten en de bedrijven ook geen uitbreidingsmogelijkheden meer hebben dan de bestaande situatie zoals die nu is. Een verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein is dan ook niet mogelijk. Structuurvisie Landschap Gemeente Drechterland De Structuurvisie Landschap Gemeente Drechterland biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap en geeft kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Drechterland. Deze visie is afgestemd op het Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk. Uitgangpunt voor deze structuurvisie landschap is de toekomstvisie Drechterlandschap, vastgesteld op 28 november 2008. De Structuurvisie Landschap vormt de basis voor de uitwerking in bestemmingsplannen en is tevens gemeentelijk beeldkwaliteitsplan in de zin van de provinciale verordening Noord Holland. In de structuurvisie zijn uitgangspunten voor verschillende deelgebieden geformuleerd en zijn veranderingen in het landelijk gebied uitgewerkt.
Het projectgebied valt in het deelgebied behouden en versterken. De belangrijkste algemene uitgangspunten zijn: openheid van open gebieden beschermen; Westfriese Omringdijk met bijbehorende open zone behouden; karakteristiek van opstrekkende kavelsloten behouden; nieuw water realiseren als versterking van bestaand patroon; bedrijfsgebouwen in de richting van de opstrek; (agrarische) bedrijfsgebouwen flankeren met erfbeplanting met name indien grenzend aan open doorzichten; materialen in gedekte aardse kleuren die zich voegen in het landschap. De landschappelijke inpassing, conform de landschappelijke inpassing van boerenerven, is mede naar aanleiding van het advies van de Welstandcommissie totstand gekomen. Voor de ontwikkeling is een beeldkwaliteitparagraaf (zie paragraaf 2.3) in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Hiermee voldoet het plan aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit.
23/98
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).
4.1
Ecologie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt zowel de bescherming van natuurgebieden als de bescherming van soorten en hun verblijfsplaatsen. De provinciale verordening wijst beschermde gebieden aan die van belang zijn voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN)) en Weidevogelleefgebieden. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uit maken van het Europese Netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuurnetwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig Natura 2000-gebied betreft het Eilandspolder en ligt op circa 23 km afstand. Het Markermeer en IJmeer liggen op een kortere afstand. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het projectgebied is door de Provincie niet aangewezen als weidevogelleefgebied. Verstoring van weidevogels is niet aan de orde. Zekerheidshalve is voor het project een stikstofberekening uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 1 en 2.
Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland en overige ecologische verbindingen ondervinden geen belemmeringen van de ontwikkeling vanwege het feit dat hier geen sprake is van areaalverlies. De gronden ter hoogte van de uitbreiding zijn door de gemeente bestemd als 'Natuur'. Dit vanwege het feit dat het NNN-gebied voorheen van toepassing was op deze gronden. Echter zijn de grenzen van het NNN-gebied aangepast en maken de gronden geen deel meer uit van natuur, maar van het bedrijfsperceel zelf. De uitbreiding zorgt voor niet voor negatieve effecten van wezenlijke kenmerken en waarden van het nabij gelegen NNN-gebied. Zekerheidshalve is voor het project een beoordeling op de effecten van dit NNN-gebied uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten op beschermde gebieden niet te verwachten is.
24/98
Soortenbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng. Het voorkomen van verstoring van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect, omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Mogelijk moet rekening gehouden worden met deze soorten, bij de ruimtelijke procedure, als zijn voorkomen. Er worden geen gebouwen gesloopt of bomen gekapt. Daarnaast worden er geen watergangen gedempt. Hierdoor wordt geen potentieel leefmilieu van beschermde diersoorten verstoord. Zekerheidshalve is voor het project een ecologische onderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten op beschermde soorten niet te verwachten is.
4.2
Bodemkwaliteit
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Het perceel voor de uitbreiding betreft gronden die in de huidige situatie al in gebruik zijn bij het bedrijf. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek nodig. Vanwege het agrarische grondgebruik is de verwachting dat de bodem geschikt is voor de toekomstige functie. De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft de toetsende en handhavende taak als het gaat om het (her)gebruik van de bodem. Zij zijn hiervoor het bevoegd gezag. De omgevingsdienst zal hiervoor een advies gegeven.
4.3
Water
Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke ordening geworden. Wateradvies Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan in het kader van de watertoets. In dit advies (zie bijlage 5) staan de maatregelen die Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de ingevoerde gegevens heeft het hoogheemraadschap een aantal opmerkingen. Daarnaast is er
25/98
een aantal aspecten die het HHNK graag in de uitwerking van het plan verwerkt willen zien. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn Waterplan 2022-2027 opgesteld. In het Waterplan zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het plan is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterplan is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gebiedsbeschrijving Het projectgebied is gelegen nabij peilgebieden 6090-3 en 6090-2 in de polder Drieban.
Het ter plaatse geldende streefpeil is NAP -2,1 respectievelijk -1,95 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen. Beschermingszone B van een regionale waterkering Het projectgebied ligt ook gedeeltelijk binnen de beschermingszone B van een regionale waterkering. De op het schetsplan aangegeven locatie is geen probleem voor de waterveiligheid – werkzaamheden als graven van oppervlaktewater en aanbrengen van verharding is hier toegestaan. Waterkwantiteit Uit de ingediende gegevens bij de genoemde digitale watertoets blijkt dat de realisatie van het plan een toename van verharding en bebouwing tot gevolg heeft. De toename bedraagt 770 m2. In de huidige situatie is sprake van een totale verharding van 12.150 m2 en in de toekomstige situatie 12.920 m2. Het toekomstige gebouw komt namelijk grotendeels te liggen op gronden die in de huidige situatie al verhard zijn. De feitelijke toename is dan ook niet 1.600 m2, maar 770 m2. Voor ontwikkeling in het buitengebied geldt dat bij een toename van 800 m2 aan verharding er watercompenatie moet plaatsvinden. Daar de verharding met minder dan 800 m2 toeneemt, is watercompensatie ook niet nodig. Inrichting watersysteem Er mogen geen doodlopende sloten worden gegraven als watercompensatie, omdat dit de waterkwaliteit niet bevorderd.
Er moet een rondgaand watersysteem ontstaan, dus een bestaande sloot verbreden is wél een mogelijkheid. Waterkwaliteit en riolering Met het project is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het
26/98
oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het HHNK voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. In dit geval wordt het sanitair afvalwater opgevangen in een put en per as afgevoerd. HHNK adviseert ook om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Met voorgenoemde adviezen wordt bij de uitvoering van het plan rekening gehouden. Vergunningen Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan oppervlaktewater, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap en het aanleggen van =800 m² verharding is een watervergunning of ontheffing van het hoogheemraadschap nodig. Afhankelijk van de complexiteit van aanvraag en/of werken is het belangrijk om hierover in een vroeg stadium overleg te starten, zodat onderzoeken tijdig kunnen worden gestart en wordt voorkomen dat onnodige onderzoeken worden gedaan. Houdt u rekening met de noodzakelijke proceduretijd die hiermee is gemoeid.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. Het bedrijf voert derhalve werkzaamheden uit die vallen in milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand van 30 meter, in gemengd gebied, geldt. De uitbreiding vindt plaats op meer dan 50 meter vanaf de uitbreiding tot de meest dichtbij gelegen woonbestemming aan de Zuiderdijk 29. De uitbreiding vindt plaats naast het reeds bestaande bouwvlak (lees bebouwing), waarmee de bestaande afstand én planologische situatie gehandhaafd blijft. Deze bestaande afstand tussen de woning Zuiderdijk 29 en het reeds bestaande bouwvlak is circa 10 meter (de percelen grenzen aan elkaar). De afstand tussen bedrijf en woning wijzigt niet door de uitbreiding. Deze bedraagt in zowel de huidige als nieuwe situatie 10 m. Deze geeft daarmee geen aanleiding tot een negatieve beoordeling.
Door de uitbreiding neemt wel het (bebouwde) oppervlak van het bedrijf toe. Echter, de grootte van een bedrijf is geen criterium voor de aan te houden afstand conform de richtlijn van het VNG. Hiermee concluderen we dat de nieuwe situatie gelijk is aan de bestaande situatie. Vanuit de milieuzonering bestaan dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Andere woningen van
27/98
derden in de directe omgeving (met bijbehorende bestemmingen) bevinden zich op een afstand van meer dan 40 meter van het bouwvlak van het bedrijf aan de Zuiderdijk 30.
4.5
(Spoor)wegverkeerslawaai
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. In voorliggend geval zijn wegverkeers-, railverkeers en industrielawaai niet van belang aangezien er geen nieuw geluidsgevoelig object wordt gerealiseerd. Het is daarom niet noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan de Wgh.
4.6
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3. Een plan dat slechts in zeer beperkte mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt hier niet aan voldaan. Het project zal geen stijging van het aantal verkeersbewegingen met zich meebrengen.
Als gevolg hiervan is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
4.7
Archeologie
Voor het aspect archeologie is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
28/98
Op basis van het geldende bestemmingsplan "Drechterland Zuid" geldt voor het hele projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op grond van deze regeling geldt dat bij ingrepen c.q. verstoringen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een omvang groter dan 500 m², archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De omvang van de uitbreiding bedraagt 1.600 m². Het betreft gronden die momenteel onbebouwd zijn. Omdat de grenswaarde van 500 m² wordt overschreden is (verkennend) archeologisch onderzoek noodzakelijk. Aan de hand van verkennend bureau- en booronderzoek kan worden bepaald of er zich ter plaatse mogelijk archeologische resten bevinden en of daar vooraf nader onderzoek voor moet worden uitgevoerd. In dit kader is, in 2012, advies gevraagd aan Archeologie West-Friesland. Het advies is als bijlage 4 toegevoegd. De conclusie is dat het niet nodig is om nader archeologisch onderzoek te plegen tijdens of voorafgaande aan de bouw. Het gebied is archeologisch vrijgegeven door Archeologie West-Friesland.
4.8
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het projectgebied. Binnen het projectgebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren van het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. Daar de verkavelingsstructuur ongewijzigd blijven, worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Ook wordt geen afbreuk gedaan aan de Westfriese Omringdijk en daarin specifiek de Markermeerdijk. In het geldende bestemmingsplan heeft de dijk een kwaliteitszone middels de aanduiding 'kwaliteitszone'. Deze aanduiding is mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke waarden, wat onder meer inhoud dat het belangrijk is dat in het gebied tussen de linten, in de directe omgeving van de dijk, geen ontwikkelingen op grote schaal plaatsvinden. Op de gronden ter plaatse van deze aanduiding mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd indien voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het Beeldkwaliteitsplan Westfriese omringdijk. Met de uitwerking van de plannen is hiermee rekening gehouden. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.
4.9
Kabels en leidingen
Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een projectgebied rekening moet worden gehouden. In het projectgebied en in de directe nabijheid van het projectgebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of een hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor dit project.
4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie.
29/98
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Uit de inventarisatie van de risicokaart blijkt dat het projectgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een LPG-tankstation. Het is daarom niet noodzakelijk om in het kader van dit project het groepsrisico te verantwoorden. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor het plan.
4.11 Duurzaamheid Duurzaamheid vormt een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Met dit plan is voldoende rekening gehouden met duurzaamheid door het toepassen van allerlei energiebesparende maatregelen. Verder heeft het bedrijf duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Om een bijdrage te leveren aan het verminderen van het broeikaseffect heeft het bedrijf gekozen voor een certificering op de CO2-Prestatieladder. Hiervoor hebben zij het beleid voor het duurzaam ondernemen, de CO2-reductiedoelstellingen en de acties geformuleerd om continu te werken aan verbetering van behaalde resultaten. Zelf wil het bedrijf op alle niveaus in de organisatie milieubewustzijn creëren en meetbare duurzaamheidsresultaten boeken. Daarom hebben ze de CO2-Footprint voor de eigen organisatie opgesteld en zijn ze inmiddels CO2 Bewust niveau 3 gecertificeerd volgens de CO2-Prestatieladder. Dat dwingt het bedrijf om te kiezen voor een duurzaam machinepark en te werken aan een energiearm kantoor en energiezuinige bedrijfsprocessen.
30/98
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke project. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Participatie De initiatiefnemer heeft de directe omgeving bij de planvorming betrokken en is daardoor uiteindelijk tot het voorliggende plan gekomen. Procedure (uitgebreide) Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo (goede ruimtelijke onderbouwing). Onderdeel van de procedure is het vooraf aanvragen van een Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) bij de gemeenteraad. Indien de gemeenteraad besluit bereid te zijn tot afgifte tot een verklaring van geen bedenkingen dan wordt in eerste instantie besloten over een ontwerpverklaring. De ontwerpverklaring zal samen met de benodigde stukken gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage liggen en kunnen er zienswijzen worden ingediend. Onderdeel van de beoordeling tot afgifte van een verklaring van geen bedenkingen is dat de gemeenteraad in kennis wordt gesteld van de participatie met de omgeving. Zodat de gemeenteraad een juist besluit kan nemen over de afgifte van een VVGB.
Zienswijzen Zienswijzen worden beantwoord door het college en aan de raad voorgelegd met het verzoek kennis te nemen en akkoord te geven met de beantwoording en over te gaan tot afgifte van de definitieve verklaring van geen bedenkingen. Na afgifte van de definitieve Verklaring van geen bedenkingen kan het college overgaan tot vergunningverlening. De verleende omgevingsvergunning alsmede de verklaring van geen bedenkingen, welke onderdeel uit maakt van de omgevingsvergunning wordt met de daarbij behorende stukken voor ene ieder gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan men en beroepschrift indienen bij de Rechtbank en Hoger beroep instellen bij de Raad van State indien de verleende omgevingsvergunning in stand blijft bij de rechtbank.
31/98
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze waarop gemeentelijke kosten op het plan worden verhaald (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De financiële haalbaarheid is niet in het geding. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gemeente sluit met de aanvrager een planschade overeenkomst af.
32/98
Hoofdstuk 6 6.1
Conclusie
Aanleiding
Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, voor de bouw en uitbreiding van bedrijfsgebouwen bij het loon- en aannemersbedrijf op het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen in afwijking van het geldende bestemmingsplan.
6.2
Afweging
Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel rijks-als provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie.
6.3
Conclusie
Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
33/98
34/98
Bijlage
35/98
36/98
Bijlage 1
37/98
Stikstofberekening aanlegfase
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.