Raadsvoorstel Vaststellen ambitieniveau en strategie ruimtelijke klimaatadaptatie (2021-07)
Tekst van het document
Voorstel aan de gemeenteraad Onderwerp: Zaaknummer:
Vaststellen ambitieniveau en strategie ruimtelijke klimaatadaptatie 798242
RTG: Raadsvoorstel:
8 februari 2021 1 maart 2021, nr. 2021-07
Portefeuillehouder: Programma:
J.H.N. Broeders 6: Milieu
Karakter:
Besluitvormend
Bijlagen:
1. Multimediaverslag 2. Rapportage stresstest (PDF; link naar online Sway-rapportage klik hier) 3. Rapportage strategie (PDF; link naar online Sway-rapportage klik hier) 4. Overzicht kenmerken strategieën Klimaatadaptatie Westfriesland
Voorgesteld besluit: Klimaatambitie B met de bijbehorende adaptatiestrategie vast te stellen als richtinggevend kader op basis waarvan we tot 2050 onze ruimtelijke omgeving klimaatbestendig inrichten.
Inleiding Het klimaat verandert wereldwijd. Het wordt gemiddeld warmer. De effecten zijn ook in ons land al merkbaar. Lange periodes van droogte wisselen af met korte, hevige neerslag. We krijgen vaker met hittegolven te maken. Daar bovenop neemt het risico op overstromingen toe. Deze effecten leiden op termijn tot mogelijk grote, negatieve gevolgen voor de leefbaarheid. Maatregelen zijn nodig om veilig en comfortabel te kunnen blijven wonen, werken en recreëren. Ook in de regio Westfriesland. Het Rijk zag deze noodzaak ook en heeft in 2017 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) uitgebracht, als toevoeging op het Nationaal Deltaprogramma. In het DPRA staan twee hoofddoelen: 1. Nederland moet in 2050 helemaal klimaatbestendig en waterrobuust zijn ingericht ten aanzien van de thema’s wateroverlast, hittestress, droogte en gevolgen van overstromingen; 2. Als tussendoel moet klimaatadaptief handelen uiterlijk in 2020 in beleid en uitvoering zijn verankerd. In de Structuurschets Westfriesland (2016) maakten de Westfriese gemeenten al duidelijk dat ze klimaatadaptatie als een gezamenlijke opgave zien. Intussen is het onderwerp ook opgenomen in het Pact 7.1.
Na het klimaatevent Westfriesland (juli 2018) zijn we met de zes andere Westfriese gemeenten, het Hoogheemraadschap (HHNK), de omgevingsdienst (ODNHN) en andere stakeholders aan de slag gegaan om het tussendoel te kunnen realiseren. Dat deden we op basis van een gezamenlijk opgesteld regionaal plan van aanpak, waarin we gebruik maakten van de stappen weten, willen en werken uit het DPRA. We kochten begeleiding en expertise in bij een adviesbureau. In de eerste stap ‘weten’ analyseerden we ons gebied op mogelijke klimaatkwetsbaarheden, ook wel de klimaatstresstest genoemd. In de tweede stap ‘willen’ voerden we diverse gesprekken met stakeholders. Belangrijke thema’s in deze gesprekken waren a) prioriteren op basis van risico’s, b) het aanhaken bij maatschappelijke thema’s, c) eenduidigheid in de aanpak, d) de rol van inwoners, bedrijven en instellingen en e) organisatie. De gesprekken resulteerden in drie mogelijke ambitieniveaus met bijbehorende strategieën. Tezamen wordt dit ook wel de risicodialoog genoemd. De Westfriese colleges hebben zich unaniem uitgesproken voor één ambitieniveau. Daarmee zijn we op een belangrijk punt in het proces gekomen. Het is nu aan u om een besluit te nemen over ambitie en bijbehorende strategie.
Hiermee stellen we het richtinggevend kader vast op basis waarvan we tot 2050 onze verantwoordelijkheid nemen om de ruimtelijke omgeving klimaatbestendig in te richten. De volgende stap ‘werken’ is het daadwerkelijk uitvoeren van activiteiten voor een klimaatbestendige inrichting. Uw besluit is bepalend voor de koers die in de komende jaren wordt gevolgd.
1
Beoogd effect Het beoogde effect van het kiezen voor strategie B is in Drechterland op een veilige en comfortabele manier te kunnen blijven wonen, werken en recreëren. Met het hanteren van de voorgestelde strategie B zijn de (rest)risico’s van de gevolgen van klimaatverandering aanvaardbaar. Met Ambitieniveau B zetten we actief in op het meegroeien met de klimaatverandering. We richten ons op een beschermingsniveau dat vergelijkbaar is met dat van nu. In 2050 zullen we, ondanks de klimaatverandering die we nu verwachten, even vaak hinder of schade ervaren door wateroverlast, hitte, droogte en waterkwaliteit als nu. Zo bieden we onze inwoners, ondernemers en bezoekers een even goede bescherming als nu. Daarnaast benutten we klimaatadaptatie actief om waarde toe te voegen aan onze stedelijke leefomgeving. In de bijlage 2: ‘Rapportage stresstest’ vindt u een uitgebreidere toelichting van ambitieniveau A, B en C. In bijlage 4 vindt u een overzicht van de belangrijkste kenmerken per strategie. Beleidsvrijheid / -ruimte (wettelijk kader) De opgaven op het gebied van ruimtelijke (klimaat)adaptatie komen voort uit het DPRA. Het kiezen van een strategie om de doelen voor klimaatadaptatie in 2050 te behalen is een raadsbevoegdheid. Argumenten Hieronder de argumenten voor het voorstel om te kiezen voor strategie B op een rij.
Daarbij is ook beargumenteerd waarom wij A en C een minder goede keuze vinden om in de tijdsspanne tot 2050 de ruimtelijke leefomgeving klimaatbestendig in te gaan richten. 1. Ambitie B is gericht op gelijk houden van het beschermingsniveau: Met een keuze voor ambitie B zullen inwoners en bedrijven in 2050 ondanks klimaatverandering even vaak hinder of schade ervaren als nu het geval is. Zo ‘boeren we niet achteruit’. Bij ambitie A wordt maar beperkt gereageerd op de gevolgen van klimaatverandering. We pakken bij dit ambitieniveau alleen de grootste risico’s aan op basis van de huidige klimaatscenario’s. Als gevolg hiervan neemt het beschermingsniveau voor de totale openbare ruimte van de gemeente af. De kosten Ambitie C levert een hoger beschermingsniveau op, maar dat brengt aanzienlijke inspanningen (en kosten) van zowel gemeente als inwoners en bedrijven met zich mee. Ook staat de haalbaarheid van ambitie C in gebieden met veel ruimteclaims onder druk. Er zijn veel opgaven waarvoor de gemeente staat zoals biodiversiteit, energietransitie, woningbouwuitbreiding, etc. Sommige opgaven zijn goed te rijmen met klimaatadaptatie maar anderen niet. 2. Ambitie B biedt de meest gunstige verhouding tussen maatschappelijke kosten en baten. Klimaatadaptatie brengt onvermijdelijk kosten met zich mee. Niet reageren op klimaatverandering óók.
In de vorm van schade voor inwoners en bedrijven. Het gaat erom hierin een acceptabele en meest gunstige balans aan te brengen. Kosten hangen rechtstreeks samen met maatregelen, onderzoeken en andere zaken die aan de ‘voorkant’ worden uitgevoerd. Baten komen aan de ‘achterkant’ tot uiting, dus na het treffen van maatregelen. Uit de klimaatstresstest is naar voren gekomen dat wateroverlast de grootste risico’s met zich meebrengt in Westfriesland. Bij ambitieniveau A pakken we concreet de opgaven op dat gebied op een specifieke locatie aan. Bij B is de aanpak gericht om meekoppelkansen te creëren. De aanpak van wateroverlast kan tegelijkertijd oplossingen bieden voor hittestress en droogte, door vergroening van de omgeving. Ambitieniveau A brengt van de drie varianten, op korte termijn, de laagste kosten met zich mee. We pakken hierbij alleen de punten aan die nu in de stresstest naar voren gekomen zijn als groot knelpunt. Voor de rest van de totale leefomgeving voeren we bij dit niveau geen maatregelen uit qua klimaatbestendigheid. Risico hiervan is er de komende jaren (doordat de gevolgen van klimaatverandering toenemen) weer op andere locaties dan nu in beeld zijn, knelpunten ontstaan. Op lange termijn kan ambitieniveau A daarom juist hogere kosten (schade) tot gevolg hebben.
De meerkosten van ambitie C ten opzichte van de ambitie B zijn fors, terwijl het restrisico relatief weinig afneemt. Daardoor lijkt de kosten – batenverdeling buitenproportioneel. 3. Ambitie B draagt aanzienlijk bij aan een groenere en aantrekkelijke leefomgeving De belangrijkste maatschappelijke baat is natuurlijk de beoogde klimaatbestendigheid. Tegelijk ontstaat ook meerwaarde in de vorm van een groenere en aantrekkelijke leefomgeving. Ambitie B levert een aanzienlijk groenere leefomgeving op.
2
Daarnaast is het uitgangspunt van ambitieniveau B ook om zoveel mogelijk meekoppelkansen te creëren met andere toekomstige ruimtelijke opgaven. Zo willen we bijvoorbeeld doelen op gebied van biodiversiteit en recreatie meenemen bij klimaatadaptatieopgaven. Dat betekent een flinke meerwaarde. Bij ambitie A is de toegevoegde waarde voor de leefomgeving gering omdat er puur gekeken worden naar de opgaven in een specifieke wijk of buurt zoals deze in beeld is gebracht in de stresstest. Bij ambitie C stijgt deze zelfs nog boven ambitie B uit. Er wordt hier uiteraard ook gekeken naar meekoppelkansen maar er wordt bij dit ambitieniveau uitgegaan van klimaatadaptatie als hoofddoel ten opzichte van andere beleidsvelden. 4. Een gezamenlijke keuze versterkt de mogelijkheden voor afstemming in de uitvoering Elk college in Westfriesland stelt de raad voor te besluiten ambitie B vast te stellen. De uitvoeringsagenda, op te stellen na het raadsbesluit per gemeente, bevat een regionaal deel plus een deel per gemeente. Naast concrete maatregelen in straten, wijken en buurten omvat de uitvoeringsagenda activiteiten als o.a. onderzoeken, communicatie en subsidie-trajecten. Bij een gelijke ambitie is er veel overlap in deze activiteiten. Hiermee ontstaan er meer mogelijkheden voor gezamenlijke aanpak. Een gezamenlijke aanpak levert vooral meer kansen op voor subsidiemogelijkheden.
Er zijn nu al een aantal Rijkssubsidieregelingen opengesteld, deze zijn alleen beschikbaar voor gezamenlijke, regionale plannen. Kanttekeningen / alternatieven De strategieën zijn ontwikkeld op basis van de huidige verwachtingen ten aanzien van klimaatverandering en de nu beschikbare kennis van het gebied. De klimaatscenario’s worden periodiek geactualiseerd. En de beschikbare kennis van het gebied ontwikkelt zich in de tijd. Het DPRA gaat daarom uit van een periodieke herijking. Elke vijf á zes jaar wordt het proces opnieuw doorlopen. In de klimaatstresstest kunnen de op dat moment actuele klimaatscenario’s worden meegenomen, evenals resultaten van uitgevoerde onderzoeken en maatregelen. Een keuze voor een ambitie en strategie betekent dat gemeenten in Westfriesland de komende jaren de eerste concrete stappen kunnen zetten op weg naar een klimaatbestendige inrichting in 2050. Onderweg zijn er bijstuurmomenten. Zoals al eerder beschreven worden alle gemeenteraden in de regio voorgesteld voor ambitieniveau B te kiezen. Het ambitieniveau richt zich vooral op het oppakken van de opgaven binnen het eigen grondgebied van de gemeente. Het kiezen van een ander ambitieniveau levert geen concrete nadelen of risico’s op gebied van inrichten van een klimaatbestendige ruimtelijk omgeving ten opzichte van de andere gemeentes in de regio.
Indien gemeenten besluiten voor A of C te kiezen bemoeilijkt dit vooral de samenwerking in de regio. Daarnaast bestaat er het risico dat er geen aanspraak gemaakt kan worden op beschikbare subsidieregelingen aangezien deze uitgaan van regionale aanvragen. Draagvlak Onze inwoners, bedrijven en instellingen zijn gebaat bij maatregelen tot behoud van veiligheid en leefbaarheid. Tijdens het proces om te komen tot een strategie waren diverse stakeholders betrokken. Het ging om (semi)overheid, (vertegenwoordiging van) commerciële partijen en instellingen. Met elkaar vormen die een brede afspiegeling van de maatschappij. Vanuit hun achtergrond leverden zij waardevolle input bij de stresstest en de risicodialoog, om zo te komen tot maatschappelijk aanvaardbare oplossingen. Communicatie: Uw besluit heeft impact op inwoners, bedrijven en instellingen. Lokaal, regionaal en bovenregionaal (Noorderkwartier; dit is het deel van Noord-Holland boven het Noordzeekanaal) wordt daarom gewerkt aan verschillende vormen van communicatie. De uitingen zijn momenteel gericht op bewustwording. Afhankelijk van uw besluit gaan de uitingen zich ook richten op gedragsverandering. Voor de stakeholders met wie we in het proces al om tafel hebben gezeten verzorgen we nieuwsbrieven. Planning, evaluatie en verantwoording Als u instemt met het advies werken we de uitvoeringsagenda uit voor de komende jaren.
Die bestaat uit een gezamenlijk deel en een lokaal deel per gemeente. Gelukkig hoeven we de maatregelen in de uitvoeringsagenda niet op stel en sprong uit te voeren. Hiervoor hebben we tot 2050 de tijd. Bovendien zijn ze niet in beton gegoten. Dat biedt gelegenheid om slim om te gaan met de opgaven. Door tijdig en goed met andere partijen af te stemmen kunnen verschillende opgaven worden gecombineerd. Zodat een gebied in de openbare ruimte maar één keer op de schop hoeft. Het Deltaplan noemt dit ‘meekoppelkansen benutten’. In 2026 start het proces opnieuw met het uitvoeren van de stresstest.
3
Die moet het effect van uitgevoerde maatregelen in beeld brengen. En maakt inzichtelijk wat de actuele klimaatscenario’s betekenen voor de kwetsbaarheid van het gebied. Financiën Voor het grootste deel worden de financiële gevolgen in de periode tot 2050 verwerkt in de onderhoudsbudgetten voor openbare ruimte (riolering, groen, groot onderhoud wegen, etc.) als in projectenbudgetten voor ruimtelijke opgaven (woningbouw, aanleg nieuwe recreatievoorzieningen, etc.). Zoals onder ‘Planning, evaluatie en verantwoording’ stellen we, na de keuze voor de nu voorliggende strategie, een uitvoeringsprogramma op voor de daadwerkelijke, concrete maatregelen voor het uitvoeren van de strategie. Voor wat betreft extra kosten op korte termijn voor klimaatadaptatie (bijvoorbeeld capaciteit communicatie en onderzoekskosten) zal uw raad straks bij de behandeling van het uitvoeringsprogramma gevraagd worden een besluit te nemen. Hoe hoog de meerkosten als gevolg van klimaatadaptatie uiteindelijk uitvallen is nog onzeker. Bepalende factoren - naast de keuze voor een ambitie – zijn onder andere: De keuze voor een maatregeltype in de praktijk: Bij het bepalen van de kosten voor wateroverlast is gewerkt volgens het principe ‘eerst groen, dan grijs’. Dat is niet voor niets. Groene maatregelen zijn namelijk relatief goedkoop en bieden meerwaarde voor het tegengaan van hitte en droogte.
Daarnaast kan het ook doelen dienen die niet vanuit klimaatadaptatie bepaald zijn zoals biodiversiteit of recreatie. Dat betekent dat er ook vanuit andere budgetten dan specifiek voor klimaatadaptatie kan worden bijgedragen aan de klimaatadaptatieopgaven. Anderzijds vragen groene maatregelen wel om meer, schaarse ruimte. Meer focus op ‘grijze’ maatregelen betekent dat de kosten hoger zullen uitvallen. De mate van integraal programmeren: Een gemiddelde straat, buurt of wijk is eens per 30 jaar ‘aan de beurt’ voor grootschalig onderhoud. Dat is het moment om mee te koppelen en de inrichting klimaatbestendig te maken. Als klimaatbestendigheid op andere momenten wordt ingebouwd heeft dat een kostenverhogende werking. Resultaten van onderzoeken: Tijdens het proces bleek dat sommige onderwerpen nader onderzocht moeten worden om inzicht te krijgen in risico’s. Bijvoorbeeld de aantasting van houten paalfunderingen in relatie tot de grondwaterstand. De uitkomsten van die onderzoeken zijn mogelijk van invloed op de inschatting van risico’s en daarmee op de kosten. Slagen in het verwerven van subsidies: In de komende jaren zijn subsidies beschikbaar vanuit het Rijk (Impulsregeling), de Provincie en Europa (LIFE). Uit de klimaatstresstest en risicodialogen kwamen risico’s op wateroverlast het sterkst naar voren. Deze risico’s bepalen naar verwachting een groot deel van de kosten.
Daarbij biedt juist de aanpak van wateroverlast tegelijkertijd oplossingen voor hittestress en droogte, door vergroening van de omgeving. Daarom is het thema wateroverlast gebruikt voor het maken van een indicatieve berekening van maatregelkosten. De resultaten per gemeente zijn opgenomen in de rapportage over de strategie.
Hoogkarspel, 26 januari 2021. Burgemeester en wethouders van Drechterland, De secretaris, De burgemeester,
C.M. Minnaert
M. Pijl
4