Raadsmemo instrumenten omgevingswet
Tekst van het document
Raadsmemo instrumenten omgevingswet Informerend Zaaknummer: 688740 Bijlage: Geachte raad, Aanleiding Naar aanleiding van de behandeling van de omgevingsvisie bij de Rondetafelgesprekken op 12 januari 2026 informeren wij u over de aard en wettelijke inkadering van de instrumenten van de omgevingswet. Ook informeren wij u over de doorwerking van Rijks- en provinciaal beleid naar de gemeente. Deze memo dient ter verduidelijking. Informatieverstrekking Om de Omgevingswet in de praktijk uit te voeren, heeft de gemeente verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsvisie, programma’s en het omgevingsplan zijn belangrijke instrumenten die in elkaars verlengde liggen. Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan over de leefomgeving. Dit plan richt zich op de hele fysieke leefomgeving en op de lange termijn. Dit betekent dat de omgevingsvisie een hoog abstractieniveau heeft. De omgevingsvisie bevat volgens de Omgevingswet (artikel 3.2) een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit/waarden van de fysieke leefomgeving, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen en de hoofzaken van het integrale beleid. In elk geval worden de ambities en de doelen op hooflijnen weggegeven. De gemeenteraad is bevoegd gezag.
Programma’s Het programma is een politiek-bestuurlijk document waarin de gemeente nadere keuzes maakt over de fysieke leefomgeving. Voor het programma bepaalt artikel 3.5 van de Omgevingswet dat een programma de uitwerking van het te voeren beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving bevat. Het programma werkt doelen uit de omgevingsvisie verder uit in bijvoorbeeld concrete maatregelen. Programma's zijn door de wetgever bedoeld voor het meer uitvoeringsgerichte beleid. Daarom is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een programma vast te stellen (artikel 3.4 van de Omgevingswet). Programma’s zijn grotendeels vormvrij en kunnen gebiedsgericht of themagericht worden ingevuld. In de omgevingsvisie voor de SED organisatie is in paragraaf 5.2 beschreven welke programma’s in elk geval zijn voorzien. Omgevingsplan Het omgevingsplan bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1, lid 1, Omgevingswet). Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, lid 1, Omgevingswet). Met regels in het omgevingsplan bepaalt de gemeente de inrichting van het grondgebied en het gebruik van gronden en bouwwerken.
Het omgevingsplan bevat algemeen verbindende regels. Dit betekent dat de regels in het omgevingsplan voor iedereen gelden. De regels kunnen inhouden dat een bepaalde activiteit verboden is zonder voorafgaande melding of zonder vergunning. De gemeenteraad is bevoegd gezag.
Samenvattende tabel belangrijkste verschillen tussen de instrumenten Omgevingsvisie Programma’s Omgevingsplan Integrale en lange termijn visie Nadere uitwerking van doelen Regels over activiteiten fysieke met hoofdlijnen van het beleid en ambities voor de fysieke leefomgeving (evenwichtige voor de fysieke leefomgeving. leefomgeving. Korte tot toedeling van functies aan middellange termijn. locaties) 1 omgevingsvisie voor het hele Meerdere programma’s Tijdens de overgangsfase tot grondgebied. Uiterlijk 1 januari mogelijk, zowel thema- als eind 2031 krijgen gemeenten de 2027 moet de gemeente een gebiedsgericht. Meeste tijd om het omgevingsplan van omgevingsvisie hebben programma’s zijn niet rechtswege om te vormen tot 1 vastgesteld. verplicht. omgevingsplan voor de hele gemeente. Grotendeels vormvrij Grotendeels vormvrij In mindere mate vormvrij Gemeenteraad bevoegd gezag College bevoegd gezag Gemeenteraad bevoegd gezag Zelfbindend (geen mogelijkheid Zelfbindend (geen Algemeen verbindend bezwaar en beroep) mogelijkheid bezwaar en (mogelijkheid bezwaar en beroep) beroep) Doorwerking beleid van provincie en Rijk De provincie en het Rijk kunnen door het stellen van instructieregels het Rijks- en provinciaal beleid laten doorwerken in het omgevingsplan van de gemeente.
De gemeente moet deze instructieregels opvolgen bij het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan, een voorbeeld hiervan zijn de NNNgebieden. NNN gebieden Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk 1. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: aanwezige dier- en plantensoorten, typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. De gemeente is verplicht de aangewezen NNN-gebieden te laten doorwerken in het gemeentelijke omgevingsplan. De juridische status van de NNN-gebieden kan alleen worden gewijzigd door aanpassing van de omgevingsverordening (Provincie) en achtereenvolgens het omgevingsplan (Gemeente). De omgevingsvisie wijst geen NNN-gebieden aan en kan wettelijk geen algemeen verbindende regels bevatten. Kortom, het is onmogelijk om met wijziging van de omgevingsvisie de werking van NNN-gebieden aan te passen. Andersom geldt de verplichting in het omgevingsplan niet. Wanneer de provincie NNN-gebied opheft (ontgrenzing), kan de gemeenteraad beslissen of de natuurbescherming gehandhaafd wordt of wordt gewijzigd naar een andere bestemming.
Daarbij moet ook grondig worden afgewogen of een dergelijk verlies aan landschappelijke, natuurlijke en ecologische waarden en kwaliteiten verantwoord en wenselijk is. Vervolg Groeiproces De gemeente heeft vaak meerdere Omgevingswet instrumenten nodig om de beleidsdoelen te behalen. De juiste mix van (beleids)instrumenten bepaalt het succes. Ook beïnvloeden de instrumenten elkaar. Het werken met zowel de omgevingsvisie als programma’s is nieuw en een leeren groeiproces. Tegelijkertijd komen er door de tijd nieuwe opgaven op de gemeente af en veranderen inzichten door de tijd. Daarom is voorgesteld de omgevingsvisie na 2 jaar te evalueren en zo nodig aan te passen, en daarna elke 4 jaar. Ook kan het zijn dat er nog meer programma’s nodig zijn, of dat programma’s worden bijgesteld of komen te vervallen. Het opstellen van het omgevingsplan is bovendien juridisch-technisch een zeer omvangrijke en complexe opgave. Om die reden geldt er ook een ruime overgangstermijn tot 2031. De komende jaren ligt de focus op de beleidsneutrale omzetting van het omgevingsplan van rechtswege naar het omgevingsplan nieuwe stijl conform de Omgevingswet. Als deze basis goed staat zal het omgevingsplan steeds periodiek worden gewijzigd/geactualiseerd op basis van nieuwe beleidsinzichten die voortvloeien uit de omgevingsvisie en programma’s of door instructieregels vanuit 1
Natuurnetwerk Nederland | Natuur en biodiversiteit | Rijksoverheid.nl
het Rijk en provincie. Hoogkarspel, 21 januari 2026 Burgemeester en wethouders van Drechterland De secretaris, De burgemeester,
M.N. Schroor
B.W. Diepstraten