Nota van beantwoording zienswijzen voorkeursrecht Hoogkarspel Zuid (2024-41)
Tekst van het document
Nota van beantwoording zienswijzen Vestigen voorkeursrecht in het gebied Hoogkarspel Zuid.
Gemeente Drechterland
Inhoudsopgave 1. 2. 3. 4. 5.
Leeswijzer Gevolgde procedure Lijst van indieners Samenvatting inhoud zienswijzen en reactie van de gemeente Lijst van wijzigingen
1. Leeswijzer In de hierna volgende hoofdstukken worden de door indieners gegeven zienswijzen behandeld. Hoofdstuk 2 zet de gevolgde zienswijze procedure uiteen. In hoofdstuk 3 is de geanonimiseerde lijst van indieners van een zienswijze opgenomen. In dit hoofdstuk wordt tevens bezien of de ingediende reacties aan alle formele eisen voldoen en dus ontvankelijk zijn. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 de zienswijze kort samengevat en wordt er inhoudelijk op ingegaan. Tot slot is in hoofdstuk 5 aangegeven op welke punten de aanvraag aangepast zal worden naar aanleiding van de zienswijze.
2. Gevolgde procedure Burgemeester en wethouders hebben op 9 juli 2024 op grond van artikel 9.1 lid 2 van de Omgevingswet bij voorkeursrechtbeschikking op onroerende zaken in Hoogkarspel Zuid een voorkeursrecht gevestigd. Dit kan wanneer er bij het besluit van aan de onroerende zaken een niet-agrarische functie is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte functie. Dit besluit vervalt van rechtswege indien niet binnen 3 maanden na het ingaan van het besluit van burgemeester en wethouders een opvolgende voorkeursrechtbeschikking is genomen door de gemeenteraad. Binnen deze 3 maanden na het collegebesluit kan de gemeenteraad een voorkeursrechtbeschikking nemen op basis van artikel 9.1 lid 1 sub c van de Omgevingswet. Het besluit van de gemeenteraad vervalt van rechtswege 3 jaar na het ingaan daarvan tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een omgevingsvisie of een programma of is toegedeeld in een omgevingsplan. Terinzagelegging De voorkeursrechtbeschikking van het college d.d. 09 juli 2024 heeft samen met bijbehorende bijlagen, bevattende de kadastrale kaart met daarop de kadastrale aanduiding van de in de voorkeursrechtbeschikking opgenomen onroerende zaken, de grootte, de namen van de eigenaren c.q.
rechthebbenden alsmede overige relevante gegevens gedurende zes weken ter inzage gelegen van 12 juli 2024 tot en met 23 augustus. Zienswijze Het college zal de gemeenteraad voorstellen om een opvolgende voorkeursrechtbeschikking te nemen. Dat besluit van de gemeenteraad wordt voorbereid conform de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat belanghebbenden gedurende een termijn van 6 weken, van 12 juli 2024 tot en met 23 augustus 2024 mondelinge of schriftelijke zienswijze kunnen indienen.
3. lijst van indieners In deze Nota beantwoording zienswijzen zijn de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van de eigenaren van de percelen zichtbaar. Dat heeft te maken met het feit dat de gegevens in het Kadaster volgens de wet (artikel 47 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG)) voor
iedereen toegankelijk en openbaar moet zijn. Hiermee is de rechtszekerheid in het vastgoedverkeer gewaarborgd en ontstaat er geen misverstand over wat van wie is. Van het recht om zienswijzen in te dienen is gebruikgemaakt door de volgende indieners: Nummer 1.
Naam Mevrouw mr. S. Smit van Schenkeveld Advocaten namens V.O.F. Reus Maatinterieurs en haar vennoten J.G.J. Reus en D.N.G. Reus
Percelen Gemeente Drechterland, sectie H, nummers 595 en 596
Ontvangen 14 augustus 2024
Ontvankelijkheid De zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn binnen gekomen. De zienwijzen zijn hierdoor ontvankelijk en moeten worden beoordeeld. Belanghebbende Op grond van het bepaalde in artikel 3.12 van de Algemene wet bestuursrecht is in de kennisgeving van de terinzagelegging aangegeven dat alleen belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om een zienswijze naar voren te brengen. Op grond van artikel 1.1 van de Omgevingswet zijn bij een voorkeursrechtbeschikking vervreemders als belanghebbenden aan te merken. Een vervreemder is, voor zover voor de ingediende zienswijze van belang, de eigenaar van een onroerende zaak waarop een voorkeursrecht is gevestigd, die tot vervreemding daarvan wil overgaan, een rechthebbende op een recht van opstal, erfpacht, beklemming of vruchtgebruik waaraan een onroerende zaak waarop een voorkeursrecht is gevestigd is onderworpen en die tot vervreemding daarvan wil overgaan, of degene die bij ontbinding van een gemeenschap met de vereffening is belast en die tot vervreemding van een onroerende zaak waarop een voorkeursrecht is gevestigd wil overgaan; De indiener van zienswijze 1. is mevrouw mr. S. Smit van Schenkeveld Advocaten namens V.O.F. Reus Maatinterieurs en haar vennoten J.G.J. Reus en D.N.G. Reus. De heren J.G.J. Reus en D.N.G.
Reus zijn eigenaar van de percelen, kadastraal bekend als gemeente Drechterland, sectie H, nummers 595 en 596. Indiener is om die reden belanghebbende.
4. Zienswijzen Hieronder volgt een samenvatting van de ontvangen zienswijzen, de reactie van de gemeente hierop en de conclusie als dit leidt tot een aanpassing van één of beide ontwerp besluiten. Volgt uit de reactie op de zienswijze dat een aanpassing van de ontwerp besluiten niet nodig is dan wordt er niets onder de conclusie vermeld.
Indiener 1 (mr. S. Smit van Schenkeveld Advocaten) Zienswijze A. Indiener is van mening dat het college ten onrechte een voorkeursrecht heeft gevestigd op haar percelen. Ook menen zij dat het besluit niet voldoet aan de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb.
Reactie Volgens artikel 9.1, lid 1 onder c, heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om een gemeentelijk voorkeursrecht te vestigen op een onroerende zaak via een voorkeursrechtbeschikking. Dit kan worden toegepast wanneer de betreffende onroerende zaak zich bevindt op een locatie die in de voorkeursrechtbeschikking is bestemd voor een nietagrarische functie of als moderniseringslocatie. Voorwaarde hierbij is dat het huidige gebruik van de zaak afwijkt van de beoogde functie, en dat deze functie niet is opgenomen in een gemeentelijke, provinciale of nationale omgevingsvisie of een programma. Tevens mag de functie niet zijn toegewezen in een omgevingsplan. De gemeente kan zich niet vinden dat het voorgenomen besluit niet voldoet aan artikel 3:2 Awb (verzamelen alle relevante feiten en af te wegen belangen), artikel 3:4 Awb, afweging betrokken belangen, artikel 3:46 Awb en artikel 3:46 Awb (motivering). Het voorgenomen besluit is voorbereid met in achtneming van alle relevante feiten en belangen. De wetgever geeft een gemeente (college en raad) de mogelijkheid om een voorkeursrechtbeschikking te nemen indien aan de voorwaarden wordt voldaan. In het geval van de nieuwe functies in een gebied een niet-agrarische bestemming krijgen en waarvan het gebruik afwijkt van de functie. Aan beide voorwaarden wordt voldaan.
Indien wordt voldaan aan de voorwaarden dan is de wetgever van oordeel dat hiermee de belangen van de grondeigenaren in voldoende mate zijn afgewogen tegenover het belang van de gemeente/het maatschappelijk belang. In de zienswijze wordt niet gemotiveerd waarom er sprake is van strijdigheid met de genoemde artikelen. Indiener heeft gevraagd om uitstel voor het indienen van de bezwaargronden. In de beantwoording
Conclusie
van het bezwaarschrift zal daarop nader worden ingegaan. Voor de beantwoording van de zienswijze is dat niet meer haalbaar. B.
C.
Gelet op artikel 16.32c van de Omgevingswet (Ow) dient dit bezwaar ook te worden gezien als dat het is gericht tegen de nog te nemen voorkeursrechtbeschikking van de gemeenteraad. In dat verband moet dit bezwaar worden aangemerkt als een zienswijze namens cliënten.
Cliënten menen dat geen sprake is van spoed, op grond waarvan voor het vestigen van het voorkeursrecht door het college aan hen de gelegenheid geboden had moeten worden om vooraf een zienswijze in te dienen.
In tegenstelling hetgeen indiener stelt dat artikel 16.32c. Ow alleen maar dat als bezwaar aanhangig is tegen een voorkeursrechtbeschikking van het college van burgemeester en wethouders en die beschikking vervalt omdat voor de onroerende zaak een voorkeursrechtbeschikking van de gemeenteraad in werking is getreden. Het bezwaar tegen het besluit van het college wordt dan automatisch een bezwaar gericht tegen de voorkeursrechtbeschikking van de gemeenteraad. Om die reden worden alle ingediende bezwaarschriften tegen de voorkeursrechtbeschikking afgehandeld nadat het besluit van de gemeenteraad in werking is getreden. Het artikel bepaalt niet dat in dat verband een bezwaar tegen de voorkeursrechtbeschikking van het college tevens moet worden gezien als een zienswijze. Het besluit van het college is niet voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en is ook geen toepassing gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit van de gemeenteraad wordt wel voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. Algemene wet bestuursrecht en artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. In tegenstelling tot hetgeen indiener stelt geeft de Algemene wet bestuursrecht de gemeente de mogelijkheid om een beschikking voor te bereiden zonder dat een belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege mag blijven als de vereiste spoed zich daartegen verzet of het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende
daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. Juist bij een voorkeursrechtbeschikking is dit aan de orde. Het is niet de bedoeling dat een voorgenomen vestiging van een voorkeursrecht ontkracht kan worden door bij het besluit van het college toepassing te geven aan artikel 4.8 van de Algemene wet bestuursrecht. Immers in dat geval worden eigenaren en rechthebbende in de gelegenheid gesteld om hun onroerende zaken te vervreemden en schiet het vestigen van een voorkeursrecht zijn doel voorbij. D.
Daarnaast volgt uit het besluit niet dat sprake is van gronden, waaronder die van cliënten, waaraan in de nabije toekomst een andere functie wordt toebedeeld, dan de huidige functie. Aan de vereisten voor het vestigen van een voorkeursrecht is dan ook niet voldaan. De raad en ook het college hebben dat niet onderkend in het besluit/het voorgenomen besluit.
In het raadsvoorstel is opgenomen dat het voorkeursrecht alleen gevestigd kan worden voor onroerende zaken die in de nabije toekomst een andere functie krijgen dan de agrarische functie. Of waarvan het gebruik afwijkt van de functie. Het voorkeursrecht is gevestigd omdat in de toekomst de gronden herontwikkeld kunnen gaan worden. Voor de herontwikkeling in het gebied Hoogkarspel Zuid wordt met behulp van het gebiedsgerichte programma de mogelijkheid van transformatie naar een woninggebied verkend. De toegedachte functies zijn niet alleen de functie wonen, maar ook andere functies, welke deel uit kunnen maken van een dergelijke ontwikkeling. Hierbij kunt u denken aan functies zoals groen, water, verkeer, maar ook maatschappelijk, kantoor commercieel etc. Op dit moment is nog niet duidelijk wat de exacte functies per perceel zullen zijn. Binnen het systeem van de Omgevingswet komen alleen onroerende zaken in aanmerking, waarvan het huidig gebruik afwijkt van de toekomstige functie. In de toekomstige functie zal een afwijkende nog definitief te bepalen functie worden opgenomen waaronder wonen, maar ook andere functies, zoals bedrijf, maatschappelijk, commercieel, groen, water en verkeer kunnen aan de orde zijn. Er wordt voldaan aan beide criteria, waardoor de gemeente de onroerende zaken kan aanwijzen.
Zelfs indien de functie in basis gelijk blijft maar een andere vorm/uitvoering van de functie is voorzien dan nog moet dat als een
gewijzigde functie moet worden gezien. Uit de parlementaire behandeling van de oude Wet voorkeursrecht gemeenten blijkt dat de voorkeursregeling niet zo beperkt behoeft te worden uitgelegd dat deze alleen kan worden toegepast wanneer de nieuwe bestemming op wezenlijk andere gebruiksvormen ziet. Ook wanneer de nieuwe bestemming voorziet in een vergelijkbaar maar intensiever gebruik dan het bestaande, zal van een afwijkend gebruik kunnen worden gesproken. Dit is ook bevestigd in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hiernaast geldt dat in dit stadium van de planvorming dat alleen op hoofdlijnen de functiewijziging bekend is en dat gedurende de planvorming er meer duidelijkheid ontstaat over de daadwerkelijke invulling op perceelsniveau. Dat is echter pas aan de hand bij de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het voorkeursrecht niet te vestigen of er anderszins aanpassingen aan te doen.