CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Quick scan flora en fauna Noorderdracht 20a te Oosterblokker 2019.3269 (2021-20)

Gemeenteraad 31 mei 2021, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Noorderdracht 20a te Oosterblokker (2021-20)3.128 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN NOORDERDRACHT 20A TE OOSTERBLOKKER

Concept rapport

QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN NOORDERDRACHT 20A TE OOSTERBLOKKER

rapportnummer 2018.3269 februari 2019 In opdracht van: AROM Oud Brandevoort 12 5706 NE HELMOND

Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl

© Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2019 Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 4 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 4

2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 5 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 5 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 5

3. METHODE........................................................................................................................................................... 7

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ...................................................................................... 8 4.1 FLORA ...................................................................................................................................................... 8 4.2 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................................... 8 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN.............................................................................................................................. 8 4.4 BROEDVOGELS ......................................................................................................................................... 9 4.5 AMFIBIEËN ................................................................................................................................................ 9 4.6 VISSEN ..................................................................................................................................................... 9 4.7 REPTIELEN ...............................................................................................................................................

9 4.8 OVERIGE .................................................................................................................................................. 9

5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 10

GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 11

BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 12 1. PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 13 2. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 15

Adviesbureau Mertens

1

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

1. INLEIDING

1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de uitbreiding van een tuincentrum aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.

N▲

-

Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker.

1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker is een tuincentrum gelegen. Dit gebied betreft een tuincentrum met kassen, loodsen en verharde parkeerplaatsen met rondom enkele sloten. In de voorgenomen situatie worden opstallen gesloopt om nieuwbouw en uitbreiding van parkeren te kunnen realiseren. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op donderdag 7 februari 2019.

Adviesbureau Mertens

2

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied en directe omgeving aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker.

Adviesbureau Mertens

3

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

Figuur 3. Impressie van de plannen aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker.

1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie?

1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen.

Adviesbureau Mertens

4

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN

2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).

De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn:  in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;  ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Noord-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien.

Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van Adviesbureau Mertens

5

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019 instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.

Adviesbureau Mertens

6

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

3. METHODE Op donderdag 7 februari 2019 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.

Adviesbureau Mertens

7

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING

4.1 Flora Het plangebied betreft een bebouwd en verhard gebied en is derhalve volledig in cultuur gebracht. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 7 februari 2019 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten.

4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In de te slopen opstallen zijn geheel geen geschikte openingen aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Er zijn geen openingen voor vleermuizen vastgesteld waarin deze kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte daklijsten en geschikte beluchtingsgaten om achter of in te kruipen. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn ook geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. De te slopen opstallen zijn geen onderdeel in een lijnvormig landschapselement waarop vleermuizen zich kunnen oriënteren. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve elementen aanwezig. Negatieve effecten op vliegroutes worden derhalve uitgesloten.

De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger als gevolg van de aanwezige ecotopen (verhardingen e.d.). Het plangebied en directe omgeving is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt de aanwezigheid van overige zoogdieren uitgesloten. Gedurende het verkennend onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de steenmarter.

Adviesbureau Mertens

8

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 7 februari 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Voor huismus en gierzwaluw zijn de te slopen opstallen volledig ongeschikt. Er zijn geen geschikte openingen vastgesteld voor huismus of gierzwaluw. Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 7 februari 2019 zijn geen huismussen vastgesteld in het plangebied. Huismus en gierzwaluw zijn de afgelopen vijf jaar ook niet gemeld in het gebied (Waarneming.nl). Negatieve effecten op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. In het gebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel en winterkoning. In verband met het voorkomen van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de te slopen opstallen buiten het broedseizoen te slopen of op een manier dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.

4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van amfibieën uitgesloten. Rugstreeppad komt niet voor in en rond (<4 km) van het plangebied 4.6 Vissen In het plangebied ontbreekt het aan constant oppervlaktewater. Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het gebied, wordt het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten. Rond het tuincentrum liggen enkele watergangen. Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zijn bijvoorbeeld kleine modderkruiper en bittervoorn niet meer beschermd. Voor de nog wel beschermde grote modderkruiper zijn deze sloten rond het plangebied geen leefgebied doordat geschikte ecotopen ontbreken (sloot met goed ontwikkelde vegetatie) en in de omgeving van het plangebied komt de grote modderkruiper niet voor (zie Ravon.nl, Nie, 1996). Het voorkomen en negatieve effecten op beschermde vissen wordt uitgesloten. 4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten.

Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.

Adviesbureau Mertens

9

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE

Er is het voornemen voor de uitbreiding van een tuincentrum aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. In verband met het voorkomen van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de (resten van) de opstallen buiten het broedseizoen te slopen of op een manier dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan de Noorderdracht 20a te Oosterblokker zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Adviesbureau Mertens

10

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noorderdracht 20a te Oosterblokker. Concept rapport februari 2019

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Literatuur  Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348.  Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476.  EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103.  EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7.  Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368.  Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584.  Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1260.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.

 Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84.  SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels.  Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151.  Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.

Website  www.ravon.nl  www.waarneming.nl  www.sovon.nl  www.telmee.nl  www.zoogdiervereniging.nl

Adviesbureau Mertens

11

Wageningen

BIJLAGEN

1. PLANGEBIED

N▲

2. BEGRIPPEN

Baltsplaats

Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.

Foerageergebied

Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.

Foerageerplaats

Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.

Kolonie

Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.

Migratieroute

Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.

Paarplaats

Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.

Verblijfplaats

Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).

Vliegroute

Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.

Voorbijvliegend

Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.

Zwermen

Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.

Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en

temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10069352/1