CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting bp Havenweg 1a-1b (2024-38)

Gemeenteraad 23 september 2024, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Havenweg 1 (Sportvelden Schellinkhout) (2024-38)14.825 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5

Water

Op grond van de Bro (artikel 3.1.6) moet aandacht worden besteed aan de waterhuishouding een waterparagraaf worden opgenomen in de toelichting van ruimtelijke plannen. Hierin wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op zowel het grondwater als het oppervlaktewater. Het is een schriftelijke weergave van de zogenoemde watertoets. De watertoets heeft als doel om waterhuishoudkundige doelstellingen te betrekken bij relevante besluiten en ruimtelijke plannen. Toetsing Voorliggend plangebied valt binnen het beheersgebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Omwille van de omvang van het planvoornemen is er door Gemeente Drechterland voor gekozen om direct overleg te plegen met het HHNK betreffende de waterhuishouding rondom het plangebied. Uit het overleg is gebleken dat het planvoornemen aanvaardbaar is voor HHNK. Wel is nadere afstemming nodig over de exacte uitvoering waarbij keuzen nodig zijn die echter alleen binnen het bestemmingsplan mogelijk zijn. Conclusie Hoewel nadere afstemming met het HHNK nodig is over de exacte uitvoering, vormt het milieuaspect water geen belemmering voor het planvoornemen.

24

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Toetsing In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is de ev-signaleringskaart ontwikkeld. Op deze risicokaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen aangegeven. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is op de ev-signaleringskaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn. Op basis van deze kaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op de externe veiligheid van voorgenomen ontwikkeling.

Ook maakt de voorgenomen ontwikkeling geen risicoveroorzakende inrichtingen mogelijk in het plangebied. Conclusie De normen voor externe veiligheid zoals aangegeven in het Bevi, het Bevt en het Bevb vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen kan wat het aspect externe veiligheid betreft uitvoerbaar worden geacht.

4.7

Erfgoed

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is bepaald dat in het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen het belangrijkis om aandacht te besteden aan erfgoed. In welke mate er in een plangebied sprake is van erfgoed, dient aan de hand van onderzoek te worden bepaald. Vervolgens moet worden aangegeven op welke manier met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Het belangrijkste onderdeel van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de aanwezige archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Indien dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet elk ruimtelijk plan een analyse bevatten van de overige cultuurhistorische waarden in relatie tot het plangebied. 4.7.1

Archeologie

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Archeologie Voor het plangebied is een archeologische quickscan door Archeologie West-Friesland uitgevoerd, de rapportage hiervan is bijgevoegd als Bijlage 9. Uit de resultaten van deze rapportage blijkt dat er op basis

25

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

van de geplande ontwikkeling en de archeologische verwachting voor de prehistorie en Middeleeuwen een aanvullend archeologisch onderzoek vereist is. Reeds is ADC Archeologie bezig met opstellen van een Programma van Eisen. De resultaten van het onderzoek worden verwerkt in het bestemmingsplan.

4.7.2

Cultuurhistorie

Het plangebied valt net buiten de historische dorpskern van Schellinkhout. De dorpskern ten oosten van het plangebied is een terrein van hoge archeologische waarde (AMK monumentnummer 14873, CHW code WFR364A). De polder van Schellinkhout staat op de Cultuurhistorische Waardenkaart aangeduid als van zeer hoge historisch-geografische waarde (CHW code WFR308G). In de polder is een regelmatige strokenverkaveling aanwezig uit de Vroege of Volle Middeleeuwen. Dit oorspronkelijke verkavelingspatroon is ter hoogte van de sportvelden aangepast. Het plangebied ligt net ten noorden van de Westfriese Omringdijk. Dit is een provinciaal monument en terrein van hoge archeologische waarde (AMK monumentnummer 10852). De dijk bij Schellinkhout heeft niet altijd op de plek gelegen waar deze nu ligt. De oude dijk uit de 12de eeuw liep een stuk zuidelijker. Vanuit Schellinkhout liep een veenriviertje (de Dracht) richting de oude dijk. Via een sluis mondde dit riviertje uit in de Zuiderzee. Rond 1300 is de dijk door een stormvloed doorgebroken ter hoogte van de sluis. Er is toen een binnendijks meer ontstaan waaromheen een inlaagdijk werd aangelegd. Zo werd de dijk verplaatst naar de huidige locatie. Door de dijkdoorbraak moest een deel van de bewoning bij Schellinkhout landinwaarts worden verplaatst.

Uit historische en archeologische gegevens blijkt echter dat een deel van de huizen behouden bleef en toen dus buitendijks kwamen te liggen. Dit kon worden bevestigd tijdens een archeologische begeleiding uitgevoerd tussen 2010 en 2012. Voor het bepalen van de aanwezigheid van bewoningsresten uit de Nieuwe Tijd kan gebruik worden gemaakt van historisch kaartmateriaal. De oudste kaart van Schellinkhout is de kaart van Langedijck uit 1603. Op deze kaart staan ten noorden van de dijk een aantal huizen ingetekend (zie figuur 7). Het plangebied ligt hier ongeveer tussenin, maar de oostelijke bebouwing bevindt zich mogelijk ter hoogte van de geplande langzaam verkeerweg. De bebouwing direct links van het plangebied is weergegeven op de beleidskaart als oranje stip (afb. 3). De kaart van Langedijck is niet heel nauwkeurig. De exacte locatie van de bebouwing is daarom onduidelijk.

26

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Figuur 7. De globale ligging van het plangebied (zwarte cirkel, bij benadering) op de kaart van Langedijck uit 1603 (bron: Rijksarchief Den Haag).

Figuur 8. De globale ligging van het plangebied (zwarte cirkel, bij benadering) op de kaart van Johannes Dou uit

27

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

ca. 1651-1654). Op de historische kaart van Johannes Dou uit ca. 1651-1654 is de bebouwing ten westen van het plangebied verdwenen (afb. 5). Binnen of net ten oosten van het plangebied, vlak tegen de dijk, is wel bebouwing aanwezig. Nog iets verder richting het oosten staat een meelmolen ingetekend (molendatabasenr. 8176). Deze molen zou rond 1609 zijn gebouwd 'bezijden en benoorden de Meeweg' door Aerian Cornelis Rensesz. In 1820 werd de molen afgebroken. De molen valt dus niet samen met de locatie van het plangebied.

Figuur 9. De ligging van het plangebied (zwarte stippellijn) op de kadastrale minuutkaart uit 1824 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Op de kadastrale minuutkaart uit 1824 is de situatie in meer detail weergegeven (Figuur 9). Het plangebied valt grotendeels samen met de percelen C98, C99, C101, C101bis en een klein stukje van C102. De percelen C101 en C101bis waren in het bezit van de gemeente en in gebruik als rietland. De overige percelen werden gebruikt als weiland. De zuidzijde van het plangebied valt daarnaast samen met de dijksloot (C206) en de dijk. Het dijkhuis vlak naast het plangebied (C162bis) was in het bezit van het bestuur van Drechterland en werd gebruikt door Willem den Roos. Kwaliteitszone en panoramazone Westfriese Omringdijk Op het plangebied ligt de gebiedsaanduiding Kwaliteitszone. De gebiedsaanduiding zegt in feite dat er binnen deze zone, van 200 meter diep, geen ontwikkelingen op grote schaal mogen plaatsvinden. Mochten er toch bouwwerken worden gebouwd dan moeten die voldoen aan de voorwaarden van het Beeldkwaliteitsplan Westfriese omringdijk zoals opgesteld door provincie Noord-Holland (2009). In dit beeldkwaliteitsplan wordt gesteld dat ontwikkelingen die de openheid aantasten bij voorkeur niet in deze zone worden geplaatst. Als er toch ontwikkelingen plaatsvinden moeten deze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de dijk.

28

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Het plangebied valt grotendeels in de kwaliteitszone van de Westfriese omringdijk, maar ligt ook in het stedelijk gebied van Schellinkout. Zie figuur 7. Momenteel worden de gronden gebruikt voor sportvelden. Er wordt hiermee al een stedelijke functie toegestaan. Met het planvoornemen wordt de locatie herontwikkeld waarbij rekening wordt gehouden wordt de ruimtelijke kwailiteit van de dijk (zoals gesteld in het beeldkwaliteitsplan). De woningen waar vanaf de dijk op uitgekeken wordt worden met de voorgevel naar de dijk toegericht. Zodoende worden de landschappelijke waarden iet aangetast. Daarnaast is er de ‘panoramazone’. Deze benoemt belangrijke ruimtelijke relaties tussen dijk en de omgeving buiten de kwaliteitszone. Voor de panoramazone geldt dat de aangrenzende open ruimtes zo open mogelijk moeten blijven. De meest westelijk gelegen gronden van het plangebied vallen binnen de panoramazone. Deze krijgen de bestemming groen, er mag zodoende niet in worden gebouwd. Ook wordt met de hoogte van het groen rekening gehouden met molenbiotoop van de molen ten westen van het plangebied. Door in de panoramazone geen bouwwerken toe te staan en geen hoge bomen toe te staan wordt rekening gehouden met de panoramazone.

Figuur 10. Panoramazone en kwaliteitszone Westfriese Omringdijk nabij Schellinkhout. 4.7.3

Conclusie erfgoed

In onderhavig planvoornemen wordt rekening gehouden met de kwaliteitszone van de Westfriese Omringdijk en panoramazones. Het planvoornemen kan voor het aspect cultuurhistorie betreft uitvoerbaar worden geacht. Wat betreft het aspect archeologie wordt een aanvullend archeologisch onderzoek verwacht, hiervoor wordt momenteel een programma van eisen opgesteld.

4.8

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf wordt getoetst of er geen onevenredige belasting plaatsvindt op de omliggende infrastructuur van het plangebied. Daarnaast wordt getoetst of er voldoende parkeerruimte aanwezig is in verband met de nieuw te realiseren functies. Verkeer Voor een ruimtelijk plan geldt dat verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen moeten

29

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

worden onderbouwd. Op 18 augustus 2022 is door Anteagroup een verkeersonderzoek betreffende het planvoornemen uitgevoerd (Bijlage 10). Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat er extra verkeersgeneratie ontstaat door de voorgenomen nieuwbouwwijk. Dit extra verkeer leidt niet tot knelpunten in de verkeersdoorstroming. De verkeersveiligheid en leefbaarheid blijven op beide wegen geborgd, aangezien de maximale verwachte etmaalintensiteiten onder de grenswaarden blijven die voor erftoegangswegen worden gehanteerd. Op basis van de ongevallenstatistieken zijn geen aanwijsbare knelpunten aanwezig in de verkeersveiligheid op de Havenweg en kruispunt Dorpsweg-Havenweg. Daarnaast leidt maximaal 1 extra auto per 75 seconden in de drukke spitsuren niet tot een geheel ander verkeersbeeld op genoemde wegen. Advies bouwfase Voor de bouwfase wordt geadviseerd om de bouwlogistiek zodanig te organiseren dat bouwvrachtwagens niet gelijktijdig in beide rijrichtingen over de Havenweg en Dorpsweg rijden. Op de havenweg is geen ruimte beschikbaar voor bouwvrachtwagens om elkaar te passeren, vanwege het parkeren op de rijbaan. Ook op de Dorpsweg is de ruimte in de breedte beperkt, waardoor een vergrote kans op bermschade bestaat.

Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Voor het parkeren in het plangebied worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 aangehouden. Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'. In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor het aantal parkeerplaatsen dat nodig is in het plangebied. Woontype

CROW classificatie

Min. Max. Aantal Min. benodigde Max. benodigde Kencijfer kencijfer parkeerplekken parkeerplekken

Levensloopbestendig 'Koop, 1,7 (koop) appartement, duur'

2,5

3

5,1

7,5

Levensloopbestendig 'Huur, 1,0 (huur) appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)'

1,8

5

5

9

Beneden- of bovenwoning

'Huur, 1,0 appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)'

1,8

10

10

18

Tussen- of hoekwoning

'Koop, huis, tussen/hoek'

1,6

2,4

23

36,8

55,2

Twee-onder-één-kap 'Koop, huis, woningen twee-onder-een kap'

1,8

2,6

8

14,4

20,8

Vrijstaande woningen 'Koop, huis, vrijstaand'

1,9

2,7

12

22,8

32,4

30

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Totaal

94,1

142,9

Tabel 1 Het parkeren vindt deels plaats op eigen kavel en deels langs de noord-zuidwegen. Hiermee zijn de geparkeerde auto's nabij, maar domineren niet het beeld van de woonstraten. Er zijn minimaal 95 parkeerplekken in het plangebied benodigd en op maximaal 143 volgens de parkeernormen van het CROW. In artikel 11 van de regels is geborgd dat aan deze parkeernormen van de CROW moet worden voldaan. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren is geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.9

Luchtkwaliteit

Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit wordt als nibm beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.610 auto's (bij 100% autoverkeer), dan wel 130 vrachtwagens (bij 100% vrachtverkeer) per dag leidt (grenswaarden 2018). Kenniscentrum InfoMil vermeldt op hun website dt als de luchtkwaliteit aan de PM10-normen voldoet, dit ook geldt voor de PM2,5-normen. Op grond hiervan is toetsing aan de grenswaarden voor PM2,5 niet nodig, als aan de PM10 normen wordt voldaan. De voorgenomen ontwikkeling van 61 woningen is een handeling of activiteit volgens het NIBM. De ontwikkeling zorgt in beperkte voor een verkeerstoename op de omliggende wegen. De ontwikkeling valt daarmee binnen de categorie 'Niet in betekenende Mate' zoals bedoeld in het NIBM. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Conclusie Het planvoornemen kan wat het aspect luchtkwaliteit betreft uitvoerbaar worden geacht.

4.10 Bodem In het Bro is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen.

Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen.

31

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Onderzoek In november 2023 is door IDDS een bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 11. Uit analyse van de resultaten blijkt dat de in de bodem (grond en grondwater) aangetoonde lichte verontreinigingen dermate gering zijn dat er geen noodzaak bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Het aangetoonde gehalte asbest ter plaatse van het dammetje ligt ruimschoots onder de waarde voor nader onderzoek. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit van het gehele projectgebied zijn er ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen. Ook op basis van de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem zijn er ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling en eventuele afzet-/verwerking van het slib geen belemmeringen. Voor de aanbevelingen wordt verwezen naar het bijgevoegde onderzoek. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.11 Kabels en leidingen Kabels en leidingen worden met uitzondering van de middelste straat in het plangebied onder de straat gelegd (wat afwijkt van de gemeentelijke LIOR. Daarin wordt uitgegaan van ligging onder een trottoir). Bij de materiaalkeuze wordt ervanuit gegaan dat de rijloper in tweeën wordt gedeeld. Hiermee wordt het autoverkeer verleid om zo min mogelijk over de zone met de kabels en leidingen te rijden. Vanuit de afdeling beheer is aangegeven dat met een ligging van kabels en leiding onder de rijloper (in plaats van het trottoir) er met extra beheerkosten rekening moet worden gehouden. In het gebied worden openbare laadpalen aangelegd. Hoeveelheid en exacte positie wordt in de uitwerkingsfase vastgelegd. Om hierop voor te sorteren moet er voldoende ruimte worden gereserveerd voor de benodigde kabels.

4.12 M.e.r.-beoordeling Een plan-m.e.r. is een in de Wet milieubeheer (Wm) vastgelegde procedure waarmee voor de m.e.r.-(beoordelings)plichtige onderdelen van een ruimtelijk plan de milieugevolgen op basis van een zekere bandbreedte worden beoordeeld. Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De drempelwaarden waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op het planvoornemen is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., van toepassing. D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Deze drempelwaarde wordt met de ontwikkeling uit dit bestemmingsplan niet overschreden. Conform het gewijzigde Besluit m.e.r. dient voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de daar genoemde drempelwaarden voldoen, een toets aan 'Bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' te worden uitgevoerd, een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Aard, omvang en ligging zijn begrippen die bij deze beoordeling centraal staan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet in de meeste gevallen worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie (artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r.). Dit is niet het geval wanneer het bevoegd gezag tevens degene is die de activiteit onderneemt.

32

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

De gemeente Drechterland heeft een voortrekkersrol in het op gang brengen van de projectontwikkeling. De gemeente is initiatiefnemer voor het opstellen van voorliggende ruimtelijke onderbouwing en is in dezen ook het bevoegd gezag. Er hoeft dan ook geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. In onderstaande tabel worden de mogelijke milieueffecten behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen. Hoofdthema 1: Kenmerken van het project De omvang van het project.

Het plangebied is 3 hectare groot en voorziet in de bouw van circa 2.240 m2 aan verharding. Er komen 61 woningen in de vorm van vrijstaande, twee-onder-een-kap, rijtjes- benedenbovenwoningen en levensloopbestendige woningen. Het project blijft ver onder de drempelwaarde van 100 hectare en 2.000 woningen.

De cumulatie met andere projecten.

Er zijn in de directe omgeving geen andere projecten waar rekening mee gehouden moet worden.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

Voor de bouw worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (beton, hout, grond).

De productie van afvalstoffen.

Enkel relevant tijdens de bouw.

Verontreiniging en hinder.

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouw- en sloopwerkzaamheden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn echter niet aan de orde, hetgeen blijkt uit de natuurtoets en de uitgevoerde Aerius-berekening. Ten aanzien van de toekomstige gebruiksfase kan op basis van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken worden geconcludeerd dat er geen onevenredige verontreiniging en hinder zullen optreden. Zie voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk.

Het risico van zware ongevallen Binnen en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen en/of rampen, waaronder rampen gelegen waarvan een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied door klimaatverandering. van het groepsrisico over het plangebied gesitueerd is. Daarnaast is in de nabijheid geen sprake van transportroutes met vervoer van gevaarlijke stoffen die van invloed zijn op het plangebied. De meest nabijgelegen risicobronnen op ruime afstand en zijn daarmee niet van invloed op de planlocatie. Met het planvoornemen worden voorts geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Risico's voor de menselijke gezondheid.

Het planvoornemen maakt geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk met effecten op de volksgezondheid (zoals hinderveroor-zakende objecten/activiteiten). Een goed ontwerp van de toekomstige woon- en leefomgeving op de planlocatie kan juist in positieve zin bijdragen aan de gezondheid van toekomstige gebruikers.

Hoofdthema 2: Plaats van het project Het bestaande grondgebruik

Het plangebied bestaat uit een vrijwel onbebouwd voormalig sportterrein. Aan de rand is een enkel gebouw aanwezig. In en om het plangebied is groen aanwezig.Het noordelijke deel van het terrein betreft een reacreatiebosje, met skatepark en parkeerplekken.

33

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied.

Het plangebied heeft door het huidige gebruik geen hoge ecologische waarde. De Natura 2000-gebieden die het dichtst bij het plangebied zijn gelegen zijn: - Markermeer & IJmeer, gelegen op een afstand van circa 370 meter; Polder Zeevang, gelegen op een afstand van circa 9,9 km; - IJsselmeer, gelegen op een afstand van circa 13,6 km; - Eilandspolder, gelegen op een afstand van circa 15,9 km. Voor Markermeer & IJmeer en Polder Zeevang geldt dat deze gebieden niet stikstofgevoelig zijn. Geconstateerd kan worden dat gebieden met (hogere) natuurwaarden op een behoorlijke afstand van de planlocatie liggen en derhalve door het planvoornemen niet negatief zullen worden beïnvloed. Er bestaat namelijk geen directe ecologische relatie tussen de planlocatie, aard van het plan (woningbouwvoornemen met uitsluitend lokale effecten) en de soorten- en gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden in de regio.

Het opnamevermogen van het Hier is aanvullende informatie uit te ontvangen onderzoeken natuurlijke milieu, met in het benodigd. PM bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden. Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect De potentiële negatieve effecten zijn beperkt en uitsluitend lokaal van (geografische zone en grootte van aard. Daarnaast is een tijdelijk effect gedurende de aanlegfase de getroffen bevolking) mogelijk. Gelet op de aard van de omgeving, waarbij gevoelige, waardevolle en woongebieden niet binnen het bereik van de potentiële effecten gelegen zijn, is het bereik van het potentiële effect zeer beperkt te noemen. Het grensoverschrijdende karakter van het effect.

Geen

De intensiteit en de complexiteit van het effect.

De potentieel aanzienlijke effecten op de directe woon- en leefomgeving wijzigen niet significant als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Het effect is beperkt tot het plangebied en nabije omgeving. De relevante milieuaspecten zijn onderzocht waaruit geen redenen blijken om aan te nemen dat sprake is van onoverkomelijke belemmeringen voor planontwikkeling op deze planlocatie.

De waarschijnlijkheid van het effect.

Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is geen sprake

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

De bouwfase levert tijdelijke effecten op. Na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase treedt een permanent effect op ten aanzien van verkeer en luchtkwaliteit. De effecten van verkeer op de luchtkwaliteit en geluid zijn beperkt.

Conclusie De boordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in de Wet milieubeheer en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft in vergelijking met de drempelwaarde van een stedelijk ontwikkelingsproject een relatief geringe omvang. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een

34

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Gezien de te verwachten effecten kan worden geconcludeerd dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat er geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r.- procedure zinvol z zaken. Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn. SVBP2012 De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

5.2

Toelichting op de regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 - Inleidende regels In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming. Bouwregels De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden.

Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijgebouwen, overkappingen en/of bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten. Afwijken van de bouwregels

35

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming. Specifieke gebruiksregels Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend. Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen in een aantal concrete situaties bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Door deze regel is de verplichting opgelegd om bij het uitvoeren van bepaald werk, geen bouwwerk zijnde of bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning aan te vragen. Op deze vergunningplicht kunnen uitzonderingen worden geformuleerd. Daarnaast zijn er toetsingscriteria gesteld dan wel is aangegeven wanneer het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden toelaatbaar zijn. Hoofdstuk 3 - Algemene regels In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouwregels en algemene gebruiksregels.

De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot bouwen uitgewerkt. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.

5.3

Toelichting op de bestemmingen

Groen De gronden binnen de bestemming 'Groen' zijn met name bedoeld voor de grotere groenvoorzieningen. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, maar wel andere bouwwerken zoals speelvoorzieningen. De bouwhoogte hiervan is begrensd en mag maximaal vijf meter zijn. Verder mogen de gronden ook worden gebruikt voor water en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ruimtelijke waarden van de groengebieden. Verkeer - Verblijf De bestemming 'Verkeer - Verblijf' is bedoeld voor woonstraten, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Er geldt een maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken die bedoeld zijn voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer. Water De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor vaarten, sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen waterlopen ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging en het behoud van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden en voor extensief dagrecreatief medegebruik. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt vijf meter. Wonen - 1 en Wonen - 2

36

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Binnen de bestemmingen 'Wonen - 1' en 'Wonen - 2' mag er gewoond worden, eventueel in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsactiviteit. De volgende ondergeschikte functies zijn toegstaan: kleinschalige duurzame energiewinning, wegen en paden, parkeervoorzieningen en water. In totaal mogen er 61 woningen worden gebouwd. Op de verbeelding is per bouwvlak het maximum aantal woningen aangegeven. Ook zijn de maximale goot- en bouwhoogtes op de verbeelding opgenomen. Alle woningen moeten worden gebouwd met een kap. Het onderscheid tussen de bestemmingen 'Wonen - 1' en 'Wonen - 2' ziet op respectievelijk vrijstaande woningen en aaneen gebouwde woningen. Verder zijn er bouwregels opgenomen voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen binnen en buiten het bouwvlak en voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Er zijn binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de bouw- en goothoogte van hoofdgebouwen en de bouwhoogte van bijgebouwen. Het gebruik van bouwwerken voor een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit is toegestaan, mits de vloeroppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van de uitoefening van het beroep of het bedrijf beperkt blijft tot 40 m².

Er zijn binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de inwoning van zorgbehoevenden of zorgverleners en voor een bed and breakfast. Waarde - Archeologie Om de archeologische waarden in het plangebied te beschermen zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Bij diverse ingrepen dient er archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is niet het geval als de ingreep een kleinere oppervlakte heeft dan respectievelijk 0, 100 of 500 m² en niet dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld.

5.4

Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden: Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure Na aankondiging in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast. Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

37

Havenweg 1a-1b, Schellinkhout

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie In het kader van Vitale Dorpen zijn in 2017 dorpsgesprekken gevoerd over woningbouwmogelijkheden. De afdeling voetbal van de Omni Vereniging gaf toen te kennen haar activiteiten te beëindigen. Daarmee konden de sportvelden verder worden verkend als één van de opties voor dorpsuitbreiding. In 2019 is door de raad besloten dat er een ontwikkelplan voor de sportvelden mag worden opgestart. In 2020 heeft een architectenbureau een stedenbouwkundige schets opgesteld. Dit is met de buurt overlegd en heeft goedkeuring van de raad gekregen. Eind 2020 zijn de plannen met de provincie besproken en is er een gemeentelijke stedenbouwkundige bij de gebiedsontwikkeling betrokken. Hieruit zijn een aantal verbeterpunten naar voren gekomen welke zijn verwerkt in het uiteindelijke stedenbouwkundig plan. Op dinsdagavond 8 juni 2023 heeft een inloopavond plaatsgevonden. Doel van deze avond was om inwoners en ander geïnteresseerden bij te praten over de plannen voor woningbouw op de sportvelden in Schellinkhout. Tijdens de avond is er geen algemene presentatie gegeven, maar zijn de laatste plannen tentoongesteld en was er ruimte om vragen te stellen. Vragen gingen o.a. over het openbaar groen, de zicht op de dijk en de afwikkeling van het (bouw)verkeer.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Dit bestemmingsplan ziet toe op de bouw van maximaal 61 woningen en betreft daarmee een bouwplan op grond van artikel 6.2.1 Bro onder a: "de bouw van één of meer woningen". Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. Met het grondexploitatieplan wordt de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan geborgd.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14426384/1