CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Algemeen beheerkader biodiversiteit SED (2021-22)

Gemeenteraad 31 mei 2021, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vergroten biodiversiteit (2021-22)4.855 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BEHEREN OP BIODIVERSITEIT Algemeen kader voor de SED-gemeenten

Auteurs Frans Bouwman Iefje Soetens Julia Kloosterboer Datum 25 november 2019 Status Concept Projectleider Frans Bouwman

Inhoud Inleiding ................................................................................................................................................... 3 Aanleiding Beheerplan biodiversiteit .................................................................................................. 3 Doel en begrenzing beheerkader ........................................................................................................ 3 Leeswijzer ............................................................................................................................................ 3 1

2

3

Biodiversiteit en Ecosystemen ........................................................................................................ 4 1.1

Wat is biodiversiteit?............................................................................................................... 4

1.2

Klimaatadaptatie en biodiversiteit .......................................................................................... 4

1.3

Kenmerken van kwalitatieve en robuuste ecosystemen ........................................................ 4

Beheer en ambities ......................................................................................................................... 6 2.1

Doelstelling beheermaatregelen ............................................................................................. 6

2.2

Ambities – wenselijk of realistisch? ........................................................................................ 6

2.3

Beheermaatregelen om biodiversiteit te vergroten ............................................................... 7

2.3.1

Algemene maatregelen ................................................................................................... 7

2.3.2

Maatregelen bosplantsoen ............................................................................................. 8

2.3.3

Maatregelen Gazon en berm........................................................................................... 8

2.3.4

Maatregelen Oever ......................................................................................................... 9

Implementatie en Besluitvorming ................................................................................................. 10 3.1

Integraal afwegingskader ...................................................................................................... 10

3.1.1

Ruimtelijke voorwaarden en kansen ............................................................................. 10

3.1.2

Organisatorische voorwaarden ..................................................................................... 10

3.1.3

Sociaal-maatschappelijke voorwaarden........................................................................ 11

3.1.4

Financiële voorwaarden ................................................................................................ 11

3.2

Vragenlijst .............................................................................................................................. 11

3.3

Implementatie in de SED-werkgemeenten ........................................................................... 12

Bijlagen .................................................................................................................................................. 13 Bijlage 1 – Maatregelen biodiversiteit bermen ................................................................................. 13 Bijlage 2 – Maatregelen biodiversiteit bosplantsoen........................................................................ 15 Bijlage 3 – Maatregelen biodiversiteit oevers/watergangen ............................................................ 16 Bijlage 4 – Maatregelen biodiversiteit algemeen en gazon .............................................................. 17

Beheren op biodiversiteit

2

25 november 2019

Inleiding Aanleiding Beheerplan biodiversiteit Landelijk worden verschillende diersoorten bedreigd. Hierbij gaat het vooral om kleinere diersoorten, zoals insecten, kleine zoogdieren en vogels, die een essentiële rol spelen in het gehele ecosysteem. Een achteruitgang in populatiegrootte of zelfs extinctie van kleinere diersoorten kan uiteindelijk gevolgen hebben voor voedselproductie, klimaatbeheersing en beschikbaarheid van grondstoffen voor onder andere medische toepassingen. Er wordt daarom door verschillende overheden en publieke terrein-beherende instanties ingezet op het versterken van biodiversiteit. Ook de drie gemeentebesturen van het werkverband SED hebben aangegeven een bijdrage te willen leveren aan het versterken van biodiversiteit op het eigen grondgebied. Flora en fauna leeft zowel op particuliere (buiten)terreinen als in de openbare buitenruimte. Een groot deel van het gemeentelijk areaal bestaat uit publieke buitenruimte. Hiervan is een groot deel onverhard en heeft geen verkeersfunctie, maar een ‘groene’ functie. We noemen dit de groene buitenruimte. In de groene buitenruimte kunnen met maatregelen op het gebied van inrichting en beheer het plaatselijke ecosysteem en de biodiversiteit worden versterkt. Dit vraagt echter wel om veranderingen ten opzichte van de huidige praktijk van beheer.

Doel en begrenzing beheerkader Nieuw aan te leggen groen biedt de beste kansen voor meer biodiversiteit. Maar ook verandering in beheer biedt kansen. Dit beheerkader maakt inzichtelijk welke veranderingen in het beheer van de groene buitenruimte kunnen bijdragen aan het behouden en versterken van de biodiversiteit. Tevens wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit met zich meebrengt: ruimtelijk, organisatorisch, financieel en maatschappelijk. De afweging óf deze maatregelen, welke maatregelen en in welke mate deze zullen worden ingezet valt buiten de scope van dit beheerplan. Hiervoor is een integrale afweging nodig waarbij de maatregelen op hun haalbaarheid en wenselijkheid worden bezien vanuit maatschappelijk, organisatorisch en financieel perspectief. In dit beheerplan zullen de overwegingen echter wel op een rij worden gezet en wordt er een strategie voorgesteld.

Leeswijzer Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 (Biodiversiteit en Ecosystemen) uiteengezet wat biodiversiteit is en waarom het van belang is. De belangrijkste ruimtelijke randvoorwaarden voor een succesvolle transformatie worden beschreven. In dit hoofdstuk wordt tevens de relatie gelegd met de groene stedelijke buitenruimte. Het volgende hoofdstuk (3), beheer en ambities, geeft aan welke doelstelling kan worden nagestreefd. Het beschrijft verder hoe met beheermaatregelen de biodiversiteit kan worden behouden en, of versterkt. De factoren die een rol spelen bij het al dan niet welslagen van de transformaties zijn in hoofdstuk 4 beschreven. Dit zijn niet enkel ruimtelijke randvoorwaarden, maar ook organisatorische, financiële en sociaal maatschappelijke factoren. Met al deze factoren op een rij ontstaat een afwegingsmodel. Tevens is aangegeven op welke wijze dit beheerkader kan worden geïmplementeerd in de drie verschillende gemeenten van de werkgemeenschap SED. Beheren op biodiversiteit

3

25 november 2019

1 Biodiversiteit en Ecosystemen 1.1 Wat is biodiversiteit? Biodiversiteit is kortweg de verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied – van een waterdruppel tot een compleet bos of zelfs de aarde als geheel. Biodiversiteit omvat alle soorten planten, dieren en micro-organismen, maar ook de enorme genetische variatie binnen die soorten en de variatie aan ecosystemen waar ze deel van uitmaken, van moerassen tot woestijnen. Het gaat dus lang niet alleen over bloemen, bomen en aaibare beesten. Het begrip omvat het totaalpakket aan levende organismen en systemen – en de interacties daartussen.

‘’Het behoud en herstel van natuur en landschap en daarmee biodiversiteit in Noord-Holland is van belang vanuit de betekenis van de natuur, het voortbestaan van soorten en ecosystemen op zichzelf. De biodiversiteit is tevens onmisbaar voor de mens: zoals voor de voedselvoorziening, natuurlijke plaag-bestrijding en bestuiving, voor schone lucht en schoon en gezond water, voor ontspanning en gezondheid en voor een aantrekkelijke woon- en werkomgeving.’’ [Groen Kapitaal Verklaring, Provincie Noord-Holland, 2015]

Biodiversiteit is van groot belang voor verschillende aspecten van de leefomgeving. Ten eerste is vrijwel al ons voedsel te herleiden tot biodiversiteit, of het nu gaat om wilde of gedomesticeerde planten en dieren. Naast natuurwaarde is ook natuurbeleving waardevol. Veel mensen genieten van groen en natuur. Een park waar je even op adem kunt komen, de seizoenen kunt ruiken en in contact kunt blijven met de natuur, wordt hoog gewaardeerd. De natuurwaarden hoeven niet op te houden bij de grens van de bebouwde kom. Dit zorgt ervoor dat de leefomgeving aantrekkelijk blijft en bewoners gezonder houdt. Verder is het grootste deel van alle bouwmaterialen, industriële grondstoffen en medicijnen direct afgeleid van biologische hulpbronnen. Ook de toeristische sector is afhankelijk van de biodiversiteit omdat deze grotendeels gebaseerd is op de aanwezigheid van natuur. Daarnaast is natuur de basis voor talloze recreatieve, educatieve en culturele activiteiten. Hiermee vertegenwoordigt biodiversiteit een grote economische waarde.

1.2 Klimaatadaptatie en biodiversiteit Hoewel het verhogen van de biodiversiteit niet direct van invloed hoeft te zijn op de klimaatsverandering, kunnen andersom de maatregelen die genomen (moeten) worden in het kader van de klimaatadaptatie wel van grote invloed zijn op de biodiversiteit. Vergroening van de bebouwde omgeving, maatregelen ter voorkoming van hittestress en droogte- en wateroverlast kunnen allemaal een positief effect hebben op de biodiversiteit. Bij de afweging van de te nemen maatregelen in het kader van de klimaatadaptatie zal daarom ook de biodiversiteit een afwegingskader moeten zijn. Het veranderen van het beheer en eventueel de inrichting van de openbare ruimte ten behoeve van de biodiversiteit kan wel een positief effect hebben op klimaatadaptatie. Groen zorgt voor tempering van de temperatuur en water wordt vastgehouden. Met name bosplantsoen en bomen spelen hier een belangrijke rol in. Beschoeiing vervangen door natuurlijke oevers met plasberm levert naast verhoging van de biodiversiteit ook een hogere capaciteit van de wateropvang.

1.3 Kenmerken van kwalitatieve en robuuste ecosystemen De kwaliteit van de leefomgeving voor populaties kan op verschillende wijzen worden versterkt. Belangrijk daarbij is het stimuleren van groei van de populatie van bestuivers. Bestuivers, zoals bijen, zorgen namelijk voor het verspreiden van plantensoorten en ze bestuiven land- en tuinbouwgewassen. Een maatregel daartoe is het stimuleren van kleurrijk en gevarieerd groen omdat dit het basisvoedsel vormt voor deze bestuivers en andere insecten. Daarbij is het van belang dat de voorkomende soorten (flora) jaarrond zorgen voor voedsel. Dit betekent dat diversiteit in de Beheren op biodiversiteit

4

25 november 2019

flora noodzakelijk is. Dit is overigens niet enkel gewenst vanuit de beschikbaarheid van voedsel, maar ook omdat een variatie in soorten een ecosysteem robuuster maakt, waardoor het minder kwetsbaar is voor de uitval van een of enkele soorten. Inheemse soorten hebben zich reeds in het verleden bewezen als succesvol ter plaatse; deze soorten komen er immers al generaties lang voor. Vaak zijn het juist deze soorten (flora) waar insecten en bestuivers goed bij gedijen. Om deze reden is de toepassing van exoten risicovol: mogelijk verstoren zij de balans op een wijze die niet kan worden voorzien. Naast voedsel is ook het bieden van schuilgelegenheid van belang. Voor kleinere soorten zijn kruidachtige soorten geschikt. Vogels, amfibieën, reptielen en kleine zoogdieren hebben echter specifiekere behoeften aan heesters. Water-land overgangen en dan bij voorkeur met een flauwe overgang blijken een van de meest waardevolle ecosystemen te zijn voor het vergroten van de kwaliteit van de biodiversiteit. Ecosystemen zijn robuust als het voorbestaan van de soorten beter beschermd is. De omvang (oppervlak) van een ecosysteem is daarvoor een belangrijke maat en graadmeter. Een andere factor van belang is de bereikbaarheid en beschikbaarheid van andere ecosystemen (verbindingen). Dit maakt dat er uitwisseling mogelijk is waardoor het leefgebied wordt vergroot.

Een soort is daardoor minder afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel of schuilgelegenheid in het eigen leefgebied en ook kunnen nieuwe soorten zich vestigen. De rand van met name hoger bosplantsoen (de zoom), is bij uitstek de plaats waar uitwisseling plaatsvindt, alhoewel een zekere omvang (oppervlak) ook wenselijk is om een robuust ecosysteem te kunnen vormen. Een derde belangrijke ruimtelijke factor is de beperking van conflicterend gebruik. Denk aan ingrijpende bouwactiviteiten, gewasbesproeiing door agrariërs, recreatief gebruik van parken en Voorbeeld van een biodiverse rand stranden. Tenslotte is extensief gebruik van de natuur, bijvoorbeeld natuur die alleen bezocht wordt door wandelaars en beheerders, gunstig voor de biodiversiteit. Deze gedachtegang sluit aan op het Natuur- en Recreatieplan dat door de zeven Westfriese gemeenten is vastgesteld in 2016. Uit een onderzoek van de Universiteit Utrecht kwamen een aantal uitgangspunten naar voren over het beheren op biodiversiteit; ▪ Een openbaar groenvlak met een grotere oppervlakte heeft een grotere biodiversiteit dan een openbaar groenvlak met een kleinere oppervlakte. ▪ Groenvlakken die zijn aangelegd met bosplantsoen hebben een grotere biodiversiteit dan groenvlakken die zijn aangelegd met gras.

▪ Plekken waar het groen in de wijk meer met elkaar verbonden is hebben een hogere biodiversiteit dan plekken waar het groen minder verbonden is. 1

1

Beerens, A. 2010. De relatie tussen biodiversiteit en openbaar groen in de Gemeente Utrecht. Universiteit Utrecht.

Beheren op biodiversiteit

5

25 november 2019

2 Beheer en ambities 2.1 Doelstelling beheermaatregelen Beheerambities voor het versterken van biodiversiteit worden geformuleerd als inspanningsverplichting in kwantiteit voor areaal (ruimtelijke eenheden: volume, oppervlak, lengte, punt) en kwalitatieve voorwaarden waaraan deze moeten voldoen (zo lang mogelijk, zo veel/groot mogelijk aaneengesloten, verbindend tussen, in de nabijheid of afwezigheid van).

2.2 Ambities – wenselijk of realistisch? Het gewenste resultaat van beheer gericht op het versterken van biodiversiteit is het vergroten van het aantal verschillende soorten op individuele locaties, en het versterken en eventueel vergroten van de populaties. Dit resultaat is te meten door de aanwezige soorten te inventariseren en aan de hand van tellingen een schatting te maken van de omvang van de populatie. Dit hoeft niet voor alle mogelijk voorkomende soorten te gebeuren. Een aantal soorten kan worden geselecteerd, omdat de aanwezigheid van deze soorten een indicatie is voor het voorkomen van andere soorten en daarmee de kwaliteit van het leefgebied. Alhoewel er een direct verband bestaat tussen het resultaat van de inventarisatie en tellingen en de gerealiseerde kwaliteit van het leefgebied door de getroffen maatregelen in beheer en inrichting, is het niet aan te bevelen om dit resultaat direct na te streven met maatregelen in beheer en inrichting. Het aantal geïnventariseerde soorten en gemeten omvang van de populaties wordt namelijk door veel verschillende factoren beïnvloed die niet altijd te beheren zijn. Denk hierbij aan toevalligheden als weersomstandigheden en plotse ziekten. Maar ook hele kleine afwijkingen in grondsoort, aanwezige mineralen en waterstand kunnen van grote invloed zijn op de kwaliteit van het leefgebied.

Het is daarom van belang om soorten en populatiegrootte (het gewenste resultaat) niet te hanteren als output indicator voor de inspanningen in beheer en inrichting. Wel kan een inspanning worden gehanteerd als norm (inspanningsverplichting). In het voorliggende beheerplan wordt daarom gekozen voor een aantal beheermaatregelen die bewezen zinvol zijn voor het versterken van de biodiversiteit. Daarnaast wordt aangegeven welk aandeel van het bestaande areaal zal worden beheerd op een wijze die populaties versterkt. De exacte locatiekeuzes voor toepassing van deze maatregelen, wordt ingegeven door de ambitie om een zo groot mogelijke bijdrage te leveren aan het versterken van de biodiversiteit. Dit wordt in het vervolg van dit beheerplan nader uitgewerkt.

Beheren op biodiversiteit

6

25 november 2019

2.3 Beheermaatregelen om biodiversiteit te vergroten In het voorafgaande hoofdstuk werd onderbouwd dat vooral het vergroten van de soortendiversiteit, verbindingen (een robuust netwerk), randen en flauwe overgangen van water naar land van belang zijn. Zowel kruidachtige planten als heesters zijn van grote waarde. Met beheermaatregelen kan sterk worden bijgedragen aan deze kwalitatieve randvoorwaarden voor sterke ecosystemen. Zowel algemene maatregelen kunnen hieraan bijdragen, als ook specifieke maatregelen voor verschillende beheertypen.

2.3.1 Algemene maatregelen Algemene maatregelen zijn maatregelen die bij het beheer van bosplantsoenen, gazons en bermen, en oevers genomen kunnen worden om de biodiversiteit te verhogen. •

• •

Het weren van chemische bestrijdingsmiddelen Om op de meest ecologisch vriendelijke wijze onkruid te bestrijden, moet in plaats van chemische bestrijdingsmiddelen gebruik gemaakt worden van andere opties. Het gebruik van chemische middelen in de openbare ruimte is in Nederland niet meer toegestaan, echter de Europese regels geven hier nog ruimte voor. Onderstaande opties staan van minst ecologisch vriendelijk tot meest ecologisch vriendelijk: - Standaard chemisch en borstelen/chemisch - DOB laag (uitspoeling 3%) - DOB hoog (uitspoeling 25%) - Borstelen - Hete lucht/ water - Handmatig - Toepassen van inheemse soorten Hanteren van maai- en onkruidbeheer waarbij planten en grassen de kans krijgen om zich te ontwikkelen, waardoor verscheidenheid aan bloei, ruigtes en bosjes kunnen ontstaan Bijsturen in soorten door middel van bijzaaien van kruidenmengsel, plaatselijk vervangen door inheemse soorten heesters en/of nieuwe aanleg.

Voorbeeld van gefaseerd maaien

Beheren op biodiversiteit

7

25 november 2019

Voor de verschillende beheertypen zijn de volgende maatregelen waardevol.

2.3.2 Maatregelen bosplantsoen Beeld en functie bosplantsoen Het beeld van een extensief beheerd bosplantsoen kenmerkt zich door een dichte inheemse struiken- en kruidenlaag eventueel aangevuld met een open boomlaag of enkele verspreide bomen. Voorkomende soorten zijn bijvoorbeeld: Rhamnus frangula (vuilboom), Corylus (hazelaar), Amelanchier (krentenboompje), Crateagus (meidoorn) en Carpinus (haagbeuk). De belangrijkste functies zijn het geleiden van de openbare ruimte, de nadruk ligt hier dus op het begeleiden. Wanneer de strook plantsoen een breedte heeft van meer dan 6 meter wordt weer van afscherming gesproken. Door hun omvang en samenstelling zijn extensief beheerde bosplantsoenvakken vaak een goede basis voor het ontwikkelen van droge natuurwaarden. In dit type groen kunnen vogels en kleine zoogdieren leven, evenals insecten. In het eindbeeld komen ook in deze beplantingsvorm hoge bomen voor maar wel in mindere mate als in de beheergroep bos. De afstand van bomen tot de erfgrens van aanwonenden dient zo groot te zijn dat geen takken overhangen en de tuinen voldoende zonlicht krijgen. De gewenst minimale breedte van een vak (vakmaat) is zes meter. Beheermaatregelen bosplantsoen Het onderhoud is in principe extensief. Wandelpaden worden vrijgehouden van overhangende takken zodat de doorgang vrij blijft.

Jonge beplanting wordt in een tijdsbestek van 5 tot 10 jaar door dunning op de gewenste afstand gebracht. De beplanting kan zo een natuurlijk mogelijke habitus ontwikkelen. Het dunnen dient tijdig te gebeuren om te voorkomen dat dunne, stakige opstanden ontstaan. Er moet voldoende licht in de beplanting kunnen komen. Extensief beheerde bosplantsoenvakken worden tweemaal per jaar uitgemaaid. Hierdoor voorkomt men overlast door ongewenste kruidenvegetatie en uitgroei van zaailingen. In de volgroeide beplanting zal slechts incidenteel ingegrepen hoeven te worden, rust is hierbij het devies. Zo kan een natuurlijk evenwicht ontstaan tussen de verschillende soorten beplanting. Voorwaarde voor de ontwikkeling van extensief bosplantsoen is: voldoende ruimte om uit te kunnen groeien. De afschrijvingstermijn van deze beheergroep 30 tot 40 jaar. Samenvatting beheermaatregelen bosplantsoen • Vergroten gelaagdheid en diversiteit door houtrillen (broed- en bergplekken) en lippen (omtrekken) • Vergroten gelaagdheid en diversiteit door mantel- of zoombeheer met een kruidenlaag • Vergroten diversiteit door inboet of plaatselijk vervangen van heesters door bloeiende en vruchtdragende inheemse heesters.

2.3.3 Maatregelen Gazon en berm Beeld en functie bermen Bermen bestaan uit een vegetatie van gras en kruiden. Ze worden duidelijk minder intensief beheerd dan de gazons en bevinden zich hoofdzakelijk langs de doorgaande wegen in de gebieden met veel agrarische activiteiten. Bermen hebben veel verschillende functies zoals begeleiding en steun van de weg en opvang van regenwater. Daarnaast bieden bermen ruimte voor bomen, kabels, leidingen, verkeersborden, uitwijkmanoeuvres en parkeren. Tenslotte hebben bermen een ecologische functie voor planten, insecten en kleine zoogdieren. Daardoor kunnen ze landschappelijk maar ook visueel aantrekkelijk zijn. Beheermaatregelen bermen en gazon Beheren op biodiversiteit

8

25 november 2019

• • • • •

Vergroten randen en gelaagdheid door sinusbeheer. Dat houdt in het maaien gefaseerd gebeurt op verschillende tijdstippen. Dit is gericht op voorjaars-, najaars- en zomerbloei en het laten ontstaan van (kleine) ruigten/bosjes. Vergroten soortenrijkdom door maaimethode. Dit betekent maaien en afvoeren in plaats van klepelen. Vergroten soortenrijkdom door gefaseerd en periodiek maaien. Versterken soortenrijkdom door middel van verschraling door het afvoeren van het maaisel of het aanbrengen van een zandachtige bodem. Beheren door middel van begrazing, waardoor dominanten soorten worden onderdrukt en zaden worden verspreid.

2.3.4

Maatregelen Oever

Beeld en functie oever Taluds en slootkanten zijn qua type groen en beheer vergelijkbaar met bermen, maar wijken af doordat het maaiveld onder een helling ligt. Taluds en slootkanten zorgen voor een natuurlijke overgang van water naar het maaiveld. Beheermaatregelen oever • Ontstaan van ruigtes en bosjes door aanpassing in het maaibeleid • Afhankelijk van maaien of klepelen, het afvoeren van de plantenresten In bijlage I zijn per beheertype en aangegeven op welke wijze deze maatregelen in het beheer kunnen worden geïntegreerd.

Beheren op biodiversiteit

9

25 november 2019

3 Implementatie en Besluitvorming 3.1 Integraal afwegingskader 3.1.1 Ruimtelijke voorwaarden en kansen 1. Kansrijke beheertypen bosplantsoen, gazons en bermen, oevers en waterovergangen. De beheertypen bosplantsoen, bermen en oevers en mantelzones hebben de grootste impact op biodiversiteit. Gazons, bomen en sierplantvakken met kruidachtige planten dragen in verhouding tot voorgenoemde groepen minder bij aan de biodiversiteit. Desondanks zijn zij door hun oppervlak en eenvoudige aanpassingen in beheer interessant om de biodiversiteit te vergroten. 2. Grote oppervlakten en lange randen. Verhoudingsgewijs dragen grote oppervlakten meer bij aan biodiversiteit. De omvang én de vorm zijn beide bepalend in de robuustheid van het ecosysteem. Grote oppervlakten en langere randen de voorkeur. 3. Verbindingen en grotere structuren (netwerken maken). Flora en fauna hebben routes nodig om het leefgebied te vergroten en daarmee de soort daarmee minder kwetsbaar te maken. Verbindingen zijn belangrijk en versterken het gehele systeem meer dan lineair. Zorg dat plaatsen waar biodiversiteit versterkt wordt verbonden zijn met andere plaatsen waar de biodiversiteit op orde is of wordt gebracht. 4. Flauwe en geleidelijke overgangen nat – droog en overgangszones bosplantsoen naar grasland.

In deze tussenzones zijn er bepaalde soorten omgevingsfactoren die op andere locaties niet voorkomen, waardoor veel planten- en dierensoorten in een dergelijke tussenzone goed gedijen. Er is namelijk sprake van genoeg voedsel, water en beschutting. Hierdoor is het een aantrekkelijk ecosysteem. 5. Inheemse soorten. Gebruik zoveel mogelijk inheemse soorten. Zoals eerder vermeld zijn veel dieren- en plantensoorten die van nature voorkomen in Nederland op elkaar afgestemd. Met name voor bestuivers en insecten zijn inheemse soorten van groot belang.

3.1.2 Organisatorische voorwaarden 6. Grondsoorten Er zal rekening gehouden moeten worden met de grondsoort die voornamelijk klei is. Klei is als grondsoort zeer voedselrijk voor planten, wat intensief verschalen vaker noodzakelijk maakt. 7. Beschikbare kennis en materieel Weeg af welke investering in materieel en specifieke kennis noodzakelijk is. Zet de investering af tegen de te verwachten impact. 8. Balans met andere gebruiksfuncties Er zal rekening gehouden worden met overige gebruiksfuncties zodat de vorm van beheer niet leidt tot een overmatige hoeveelheid overlast voor gebruikers. Bijvoorbeeld maaisel dat het aangrenzende wegdek glad maakt of wildgroei die tot onoverzichtelijke verkeerssituaties leidt. 9. Noodzakelijke vervangingen Bij vervangingen in woonwijken kan worden gekozen voor soorten die meer bijdragen aan de biodiversiteit. Dit versterkt en ondersteunt de plaatselijke biodiversiteit (waarin particuliere Beheren op biodiversiteit

10

25 november 2019

achtertuinen een belangrijke rol spelen). Hierin is het van belang dat gekeken wordt naar de ruimte die elke boom of plant heeft om te groeien en of deze geplant is op de juiste plaats. 10. Zekerheid op een goede uitkomst Een transformatie naar openbaar groen met meer waarde voor biodiversiteit blijft een uitdaging waar onzekerheden in zitten. Als het resultaat tegenvalt, is aanpassing van de inspanning noodzakelijk (andere maatregelen) of zal er tevens een inspanning nodig zijn om het oude beeld te herstellen. De organisatie dient hierop te kunnen inspelen door zicht te houden op de ontwikkelingen en tijdig een afgewogen nieuwe koers te varen. 3.1.3

Sociaal-maatschappelijke voorwaarden

11. Voorlichting bewoners Verruiging en ‘verwildering’ zal door bewoners worden gezien als ‘slecht’ beheer en onderhoud. Als maatregelen worden genomen in woonomgevingen of op beeldbepalende locaties is communicatie noodzakelijk. Ook is begrip en geduld nodig voor het feit dat het gewenste eindbeeld niet direct bereikt wordt. Daar gaat tijd over heen, waarbij het groen in eerste instantie wellicht een povere aanblik biedt. 12. Terughoudend toepassen in woonwijken Wegens de geringere acceptatie in woonwijken voor ‘verwildering’ is het verstandig om geen plantvakken om te vormen die niet een wezenlijke bijdrage leveren aan het versterken van biodiversiteit door hun oppervlak of verbindend vermogen.

3.1.4 Financiële voorwaarden 13. Investering omvorming Voor de verandering zijn soms eenmalige investeringen noodzakelijk. Deze kunnen per beheermaatregel worden weergegeven en uitgerekend. 14. Extra middelen onderhoud Na de verandering zijn soms aanvullende middelen nodig voor goed beheer. Aan de andere kant zijn de kosten van beheer gericht op biodiversiteit soms lager. 15. Extra middelen communicatie Communicatie met de omgeving is noodzakelijk om draagvlak te verkrijgen voor het veranderde beeld. Dit geldt in het bijzonder voor situaties die als ‘rommeliger’ of ‘sociaal onveiliger’ kunnen worden ervaren. 16 Financiële reserve afbreukrisico In de verandering en omvorming zitten risico’s. Het is natuur, en natuur is niet volledig voorspelbaar waardoor onvoorziene negatieve effecten kunnen optreden (ongewenste soortengroei, onverwachts niet beheersbaar met beschikbaar materieel). Ook is de maatschappelijke acceptatie onvoldoende voorspelbaar. Het kan noodzakelijk blijken om een ambitie naar beneden toe bij te stellen als er ongewenste maatschappelijke bijeffecten optreden. Het afbreukrisico bij omvormingen is groter dan bij maatregelen die enkel vragen om ander onderhoud. Het maatschappelijk afbreukrisico in gebieden die intensief worden gebruikt is groter dan het risico in laag intensief gebruikte gebieden.

3.2 Vragenlijst Voor elke mogelijke maatregel kan de verwachte impact in beeld worden gebracht. Risico’s worden benoemd en kosten en baten in beeld gebracht. Met zicht op deze impact kan zorgvuldig worden gekozen hoe de beschikbare middelen het meest effectief kunnen worden ingezet. Beheren op biodiversiteit

11

25 november 2019

Afwegingskader Ruimtelijk a) Levert het beheertype een grote bijdrage aan biodiversiteit? b) Is het een aanzienlijk oppervlak (verhoudingsgewijs) met een grote rand? c) Draagt het bij aan de ontwikkeling van een robuust netwerk? d) Is het een flauwe overgang van water naar land of van bosplantsoen naar grasland/gazon/berm? e) Betreft het inheemse soorten of worden deze gestimuleerd? Organisatorisch a) Is de grondsoort klei een risico voor het welslagen? b) Is benodigde kennis en materieel eenvoudig beschikbaar? c) Hoe groot is het risico op conflict met andere gebruiksfuncties? d) Is de omvorming niets anders dan een voorziene omvorming, die nu echter wordt gerealiseerd met meer geschikte soorten? e) Hoe groot is de zekerheid op een goede uitkomst (beheerstechnisch en maatschappelijk)? Sociaal-maatschappelijk a) Hoeveel voorlichting van bewoners is nodig en is deze geborgd? b) Hoeveel gebruikers kunnen overlast van de maatregelen ervaren en welke impact hebben de maatregelen op hun directe leefomgeving? c) Wat is de maatschappelijke impact indien de maatregel niet slaagt? Financieel a) Zijn er Investeringskosten voor de omvorming beschikbaar? b) Zijn er extra middelen voor het terugkerend beheer langdurig beschikbaar? c) Zijn er kosten voor communicatie over de verandering nodig, en zijn deze beschikbaar? d) Wat is de financiële impact indien de maatregel niet slaagt? Kan dit

risico worden gedragen?

3.3 Implementatie in de SED-werkgemeenten Dit algemene beheerplan Biodiversiteit kan in elk van de drie SED gemeenten een eigen invulling krijgen. De ambitie kan daarmee lokale accenten krijgen. Maar ook de uiteindelijk te kiezen strategie is afhankelijk van de lokale situatie, zowel ruimtelijk, maatschappelijk als bestuurlijk. In aanvulling op dit algemene beheerplan wordt voor elke gemeente een specifiek beheerplan (of beheerparagraaf) Biodiversiteit ontwikkeld.

Beheren op biodiversiteit

12

25 november 2019

Bijlagen Bijlage 1 – Maatregelen biodiversiteit bermen

MAATREGELEN BIODIVERSITEIT BERMEN NB: grasland in schaduw/ onder bomen is weinig geschikt voor ontwikkeling van bloemrijke graslanden. Grasstroken met veel externe invloed is niet geschikt voor bloemrijke bermen (1,5 vanuit wegen)

Verbeteren maaitijdstip (=onderdeel Sinusbeheer)

Voor zomerbloei: - 1e beurt: half-mei - half juni - 2e beurt: september - half oktober Voor voorjaarsbloei: - 1e beurt: half-juni - half juli - 2e beurt: september - half oktober Gefaseerd maaien: - deel van areaal maaien voor voorjaarbloei en deels voor zomerbloei en deels voor ruigte. Locaties van elk kunnen door de jaren heen wijzigen.

Methode maaien en afvoeren: hooilandbeheer (=onderdeel Sinusbeheer)

- maaien in 1 snede (expliciet: niet klepelen) - maaisel na 3 tot 10 dagen afvoeren (zaden rijpen af en vallen op de grond) - maaisel na 3 tot 10 dagen afvoeren (insecten kunnen veilig heenkomen zoeken) - hooi oprapen en afvoeren (niet afzuigen)

Methode maaien en afvoeren: maaien en direct afvoeren (=onderdeel Sinusbeheer)

- maaien en oprapen 1 werkgang (expliciet: niet klepelen) - zo mogelijk maaisel verzamelen zonder afzuigen

- Monitoren soortenrijkdom en verspreiding - Monitoren gewenste en ongewenste soorten - Adviseren: maaitijdstip en -frequentie - Adviseren: bijzaaien

Volgen van de ontwikkeling

Beheren op biodiversiteit

13

25 november 2019

MAATREGELEN BIODIVERSITEIT BERMEN NB: grasland in schaduw/ onder bomen is weinig geschikt voor ontwikkeling van bloemrijke graslanden. Grasstroken met veel externe invloed is niet geschikt voor bloemrijke bermen (1,5 vanuit wegen)

Bijsturen soorten d.m.v. bijzaaien

- dun doorzaaien

Nieuwe aanleg

- verwijderen vegetatie - inzaaien gewenst mengsel - Adviseren: maaitijdstip en -frequentie - Adviseren: bijzaaien

Plaatselijk laten ontstaan van ruigten (variabele locaties door de jaren heen) (=onderdeel Sinusbeheer)

- plaatselijk ruigte met hogere en overjarige planten (overwintering insecten) - slechts 1 maal per 2 tot 5 jaar maaien - toepassingslocaties door de jaren variëren -Gefaseerd maaien: - deel van areaal maaien voor voorjaarbloei en deels voor zomerbloei en deels voor ruigte. Locaties van elk kunnen door de jaren heen wijzigen.

Versneld verschralen

Beheren op biodiversiteit

- de eerste jaren 3 maal per jaar maaien en afvoeren - 1e beurt: half - mei - 2e beurt: half juni - half juli - 3e beurt: september - oktober

14

25 november 2019

Bijlage 2 – Maatregelen biodiversiteit bosplantsoen

MAATREGELEN BIODIVERSITEIT BOSPLANTSOEN Maatregel

Illustratie

Afwijking t.o.v. standaard beheer

Maken Houtrillen

- Zo nodig plaatsen extra palen om takken tussen te leggen. - Gesnoeide takken in plaats van afvoeren verwerken in houtril - (NB alleen te maken in bosplantsoen waar gesnoeid wordt. Aanleg kosten daarom over 4 of 5 kalender jaren spreiden.

Ontwikkelen zoom-mantel vegetatie

- aanleg kruidlaag 2-3m langs bosplantsoen - verwijderen boomvormers uit mantelzone - gefaseerd maaien van kruiden

Inheemse vegetatie

- uitsluitend toepassen van inheemse soorten (als waardplant voor met name insecten soorten)

- ringen van bomen (structuurvariatie, verjonging en verkrijgen dood hout) - omtrekken boomvormers (structuurvariatie, verjonging en verkrijgen dood hout) - lippen van bomen (structuurvariatie, verjonging) Duurzaam beheer

Beheren op biodiversiteit

15

25 november 2019

Bijlage 3 – Maatregelen biodiversiteit oevers/watergangen MAATREGELEN BIODIVERSITEIT OEVERS /WATERGANGEN Verbeteren maaitijdstip - uitvoering in oktober Gefaseerd maaien: - deel van areaal maaien en deel niet maaien voor ruigte. Locaties van elk kunnen door de jaren heen wijzigen.

Werk selectief en Plaatselijk laten ontstaan van ruigten (variabele locaties door de jaren heen)

- plaatselijk ruigte met hogere en overjarige planten (overwintering insecten) - slechts 1 maal per 2 tot 3 jaar maaien - uitvoeren in oktober - toepassingslocaties door de jaren variëren Selectief maaien: -Uitsluitend jaarlijks maaien wat volgens de keur moet (=verordening waterschap). Gefaseerd maaien: - deel van areaal jaarlijks maaien en deels voor ruigtebeheer. Locaties van elk kunnen door de jaren heen wijzigen. - eenmaal per 8-15 jaar kappen (Elzenhakhout) - eenmaal per 4-100 jaar kappen (Wilgenhakhout)

Werk selectief en Plaatselijk laten ontstaan van oever bosjes (variabele locaties door de jaren heen)

Gefaseerd uitvoeren: - jaarlijks een deels van de oeverbosjes onderhouden. Locaties kunnen door de jaren heen wijzigen.

Afvoeren plantenresten

Indien aanliggende berm ecologische waarden heeft: - afvoeren maaisel Noodzaak: - niet nodig wanneer aanliggende berm middels klepelen wordt beheerd

Voorkomen vissterfte

Beheren op biodiversiteit

Voorkomen zuurstofgebrek en troebel water (door werkzaamheden: - niet de bodem roeren - inzet boot die de bodem niet raakt - in 1 richting uitvoeren van de werkzaamheden (vluchtweg vissen) - duikers voor werkzaamheden zo nodig doorspuiten (vluchtweg vissen)

16

25 november 2019

Bijlage 4 – Maatregelen biodiversiteit algemeen en gazon

MAATREGELEN BIODIVERSITEIT ALGEMEEN Communicatie: website gemeente

via website informeren over: - wijziging in onderhoudsmaatregelen - wijziging in beeld - reden van de wijziging

Communicatie: infopagina lokale krant

via lokale krant informeren over: - wijziging in onderhoudsmaatregelen - wijziging in beeld - reden van de wijziging

Communicatie: informatiepaneel

via informatiepaneel: - wijziging in onderhoudsmaatregelen - wijziging in beeld - reden van de wijziging

MAATREGELEN BIODIVERSITEIT GAZON NB: grasland in schaduw/ onder bomen is weinig geschikt voor ontwikkeling van bloemrijke graslanden. Grasstroken met veel externe invloed is niet geschikt voor bloemrijke bermen (1,5 vanuit wegen)

Gazon beheren als kruidenberm

Voor zomerbloei: - 1e beurt: half-mei - half juni - 2e beurt: september - half oktober Voor voorjaarsbloei: - 1e beurt: half-juni - half juli - 2e beurt: september - half oktober Gefaseerd maaien: - deel van areaal maaien voor voorjaarbloei en deels voor zomerbloei en deels voor ruigte. Locaties van elk kunnen door de jaren heen wijzigen.

Beheren op biodiversiteit

17

25 november 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10067848/1