Bijlage 1 Concept kaderstellend besluit inzake wijzigingen Wet gemeenschappelijke regelingen in Noord-Holland Noord (2023-45)
Tekst van het document
Concept Kaderstellend Besluit inzake wijzigingen Wet gemeenschappelijke regelingen in Noord-Holland Noord
Leeswijzer Op de hierna volgende pagina’s is per te wijzigen artikel het kader uitgewerkt. In juni hebben alle gemeenteraden tijdens de regionale raadsbijeenkomsten een toelichting gehad op dit voorstel en is inbreng opgehaald. Op basis van de inbreng (zie bijlage met Vragen en Antwoorden) is het voorstel op onderdelen aangepast en aangescherpt. Elk artikel bevat: 1. Een samenvatting van het voorstel; 2. Eerste aanzet voor een tekstvoorstel om op te nemen in de gemeenschappelijke regelingen NB dit tekstvoorstel kan worden aangepast op basis van de besluitvorming van alle raden! 3. Een advies of het tekstvoorstel moet gelden voor alle gemeenschappelijke regelingen of dat maatwerk moet worden toegepast; 4. Informatie of het voorstel aansluit bij het advies van de griffiers; 5. Nadere toelichting op het voorstel; 6. Bijlage met informatie uit de wet, de memorie van toelichting en de handreiking van de VNG.
Overzicht te wijzigen artikelen 1.
Artikel 1
Zienswijzeprocedure aangaan / treffen / wijziging regeling
2.
Artikel 9
Opnemen voorwaarden uittreding en de gevolgen daarvan
3.
Artikel 10, lid 5 en 6 + Artikel 34, 34B en 35
Aanvullende zienswijze Nieuwe uiterlijke termijnen kadernota & begroting
4.
Artikel 10 lid 7
Participatie van ingezetenen
5.
Artikel 11A
Evaluatie
6.
Artikel 17
Actieve informatieplicht vanuit het bestuur
7.
Artikel 24A
Mogelijkheid gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen
8.
Archiefparagraaf
Omdat niet alle gemeenschappelijke regelingen voldoen aan de eisen van de Archiefwet is het voorstel alle regelingen, waarop dit van toepassing is, gelijktijdig aan te passen.
Vervolgstappen Besluitvorming op de kaders staat in alle raden in Noord-Holland Noord gepland in oktober 2023. Het kaderstellend besluit is leidend bij de doorvertaling naar alle gemeenschappelijke regelingen, die voor 1 juli 2024 moeten zijn gewijzigd. Deze ontvangt u vervolgens via de regietafel (gelijktijdig met de kadernota’s 2025 van de gemeenschappelijke regelingen) eerst nog een keer voor een zienswijzeprocedure en vervolgens (gelijktijdig met de begroting 2025 en jaarstukken 2023 van alle GR) ter besluitvorming.
1
Kaders per artikel Artikel 1 Verplichte zienswijzeprocedure bij het treffen, het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een GR Dit artikel hoeft niet opgenomen te worden in de regelingen zelf. Deze verplichting vloeit direct voort uit de wet. Opnemen in de regelingen is daarom niet noodzakelijk. Artikel 9 Voorwaarden uittreding De uittredingsbepaling is een verplicht onderdeel van de gemeenschappelijke regeling. Het betreft een (vrij technische) wijziging waarbij wordt bepaald wat de minimale termijn van deelname, de opzegtermijn en de uittreedsom is. Bij uittreding is het voorstel een minimale termijn van deelname te hanteren van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling en een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht te nemen. De uittreedsom wordt berekend aan de hand van de directe reële schade, berekend over een overbruggingsperiode van 5 jaar. De hoogte van de reële schade wordt berekend door de accountant van de GR, aangevuld met een bindend advies van een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een externe accountant).
Artikel 10 Lid 5 en 6 Aanvullende zienswijzeprocedure omtrent besluiten en Artikel 34 34b 35 Aanpassen termijnen voor indiening van kadernota, ontwerpbegroting en begroting Voorstel is om naast de verplichte zienswijzeprocedure op de begroting een aanvullende zienswijze procedure vast te leggen voor drie besluiten: 1. Kadernota (is nu al het geval in Noord-Holland Noord en wordt hiermee bevestigd), 2. Bestemming van het rekeningresultaat (in plaats van de jaarrekening als geheel) en 3. Strategische of meerjarenplannen (voor zover een GR een dergelijk plan of document heeft). Voorstel is daarnaast om de termijnen te handhaven die in 2018 zijn overeengekomen in het kader van vaststelling van FUGR (en Spoorboekje) en deze op te nemen in de GR, met inbegrip van de onder 1 genoemde besluiten. Het handhaven van de huidige afspraken voorkomt vergaderingen voor raden in het zomerreces, en blijft binnen de nieuwe wettelijke termijnen. Artikel 10. Lid 7 Participatie van ingezetenen en belanghebbenden Het voorstel is om participatie voor ingezetenen en belanghebbenden alleen op te nemen in de gemeenschappelijke regeling als de raden bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam. Het overgrote deel van de GR-en zijn collegeregelingen, en zijn er dus geen bevoegdheden overgedragen.
Daar ligt het voor de hand om inspraak lokaal in te passen via reguliere inspraakmogelijkheden bij bijv. het vaststellen van beleidskaders die door de GR-en uitgevoerd worden. Wanneer de raden wel bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ligt inspraak rechtstreeks bij de gemeenschappelijke regeling wel voor de hand. Hoe deze inspraak wordt geregeld is aan het Algemeen Bestuur van de regeling. In de bijlage is een overzicht opgenomen van GR-en waarvoor dit geldt. Artikel 11a: Evaluatie gemeenschappelijke regeling Elke GR dient een tekst op te nemen over de evaluatie van de regeling. Dit betekent dat in elke regeling wordt aangegeven of er wel of niet evaluaties plaats vinden, en zo ja, op welke wijze. Het voorstel is dat in elke GR evaluaties plaats vinden en om hierbij ruimte te geven voor maatwerk. Elke GR kan met een tekstvoorstel komen voor een evaluatieprocedure en deze wordt met het geheel van de gewijzigde regeling voor zienswijze en/of besluit aan de raden voorgelegd. Artikel 17 Actieve informatieplicht van bestuur aan raden Informatieverstrekking aan de raden (en staten) gebeurt zo vroeg mogelijk, schriftelijk en op hoofdlijnen.
Het bestuur (DB, AB en/of voorzitter) zendt de informatie altijd schriftelijk, rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden van de deelnemende gemeenten (en staten), in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door DB of voorzitter dan worden de AB-leden vooraf geïnformeerd. Artikel 24a Gemeenschappelijke adviescommissie Dit artikel hoeft niet opgenomen te worden in de regelingen zelf. Deze verplichting vloeit direct voort uit de wet. Opnemen in de regelingen is daarom niet noodzakelijk. Archiefparagraaf Het gaat om het actualiseren en in overeenstemming brengen van de archiefparagrafen met de Archiefwettelijke vereisten. De paragraaf bevat artikelen over Archiefzorg, Archiefbeheer, Archiefbewaarplaats, Toezicht, Verantwoording, Terbeschikkingstelling en Beheer. 2
Artikel 1
Verplichte zienswijzeprocedure bij het treffen, het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een collegeregeling, burgemeestersregeling of een gemeenteregeling tussen colleges en burgemeesters.
Samenvattend Dit artikel hoeft niet opgenomen te worden in de regelingen zelf. Deze verplichting vloeit direct voort uit de wet. Opnemen in de regelingen is daarom niet noodzakelijk. Tekstvoorstel voor in de gemeenschappelijke regeling Geen. Gebruik tekstvoorstel N.v.t. Advies griffiers De griffiers vinden nadere advisering niet nodig, omdat dit een verplichte wijziging betreft. Toelichting Het betreft hier een wettelijke verplichting met als doel de raden meer invloed te geven bij het aangaan, wijzigen van een regeling of bij het toe- of uittreden van een deelnemer aan de regeling. Consequentie van het invoeren van dit artikel is in veel gevallen een langere doorlooptijd. Deze verplichte zienswijzeprocedure geldt alleen voor collegeregelingen en burgemeestersregelingen. Voor regelingen die getroffen of mede getroffen worden door de raden, hoeft dit niet (artikel 1, lid 2). De raad krijgt 8 weken de tijd voor het uitbrengen van een zienswijze aan het eigen college/de burgemeester. Daarna komt er een nieuw voorstel met het verzoek om toestemming te verlenen. Dit is al een bestaande procedure. Afhankelijk van hoe het raadsproces is ingericht, loopt de doorlooptijd op van 3 tot 6 maanden. Dit verschilt per gemeente. Bij de gewenste inwerkingtreding moet hiermee wel rekening worden gehouden (eerder aanbieden van het voorstel).
De Wgr onderscheidt expliciet in de zienswijzenprocedure en een daaropvolgende toestemmingsprocedure. Deze kunnen niet gelijktijdig doorlopen worden om zo tijd te winnen. Dan is namelijk weer sprake van de procedure zoals die tot 1 juli 2022 gold. Daarnaast kan dan in gemeenten die geen zienswijzen indienen (en dus meteen toestemming zouden verlenen) geen rekening meer worden gehouden met wijzigingen die eventueel doorgevoerd worden naar aanleiding van zienswijzen van andere gemeenteraden. De gemeenteraden moeten immers uiteindelijk wel allen toestemming geven voor dezelfde gemeenschappelijke regeling. Wil men tijd winnen, dan moet bekeken worden of de procedure voor toestemming niet sneller doorlopen kan worden. Er hoeft dan immers niet meer uitgebreid gedebatteerd te worden, indien reeds rekening is gehouden met de eerdere zienswijzen van de gemeenteraden. Voor de volledigheid wordt hier ook nog opgemerkt dat het college nog definitief moet besluiten over het treffen van de gemeenschappelijke regeling. Het toestemmingsbesluit van de gemeenteraad moet immers voorafgaan aan het besluit van het college, zodat rekening kan worden gehouden met hetgeen in de toestemmingsprocedure aan de orde is gekomen.
3
Bijlagen artikel 1 1. Wgr Wgr-artikel 1 Wettekst (nieuw): Artikel 1, leden 2 en 3: 2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de raden. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte. 2. Memorie van Toelichting Toelichting op de wettekst uit de memorie van toelichting bij artikel 1. Het treffen van een nieuwe regeling is bij uitstek het moment waarop raden hun opvatting kunnen geven over de overdracht c.q. uitvoering van gemeentelijke taken aan een bestuur dat op afstand staat van het lokale bestuur. Onder het treffen van een regeling wordt mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling (artikel 1, derde lid).
Om de raad een meer sturende positie te geven bij het treffen van een regeling tussen colleges wordt raden het recht gegeven een zienswijze naar voren te brengen bij een ontwerpregeling van burgemeesters of colleges van burgemeesters en wethouders. Indien de raden hier geen gebruik van wensen te maken dienen zij de colleges van burgemeester en wethouders of de burgemeesters hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte te stellen, zodat de besluitvorming niet onnodig vertraagd wordt. Vervolgens hebben de raden nog als laatste stok achter de deur de mogelijkheid om hun toestemming tot het treffen van de regeling te onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang (artikel 1, tweede lid, van de Wgr). Onder de weigeringsgrond «strijd met het recht» valt strijd met zowel het geschreven als het ongeschreven recht. Onder de weigeringsgrond «strijd met het algemeen belang» vallen die gevallen waarin de grond voor onthouding van toestemming niet nauwkeurig in de wet kan worden gespecificeerd, waarbij kan worden gedacht aan de situatie dat de raad meent dat het ondoelmatig is om ten aanzien van de desbetreffende belangen samen te werken met andere gemeenten, dat de bevoegdheid zich niet leent voor gezamenlijke behartiging of dat de raad meent dat de eigen betrokkenheid bij een gemeenschappelijke regeling onvoldoende is geborgd in de regeling.
Omdat de raden toestemming moeten verlenen voor het aangaan van een gemeenschappelijke regeling is afgezien van de verplichting voor het college om schriftelijk te reageren op de zienswijze van een gemeenteraad. Als naar het oordeel van de raad onvoldoende is gedaan met een uitgebrachte zienswijze of onvoldoende is uitgelegd waarom een zienswijze geheel of deels niet is overgenomen, kan de raad toestemming onthouden. 3.
Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)
Toelichting (handreiking VNG) De handreiking VNG geeft geen specifiek advies over dit onderdeel.
4
Artikel 9. Voorwaarden uittreding Samenvattend De uittredingsbepaling is een verplicht onderdeel van de gemeenschappelijke regeling. Het betreft een (vrij technische) wijziging waarbij wordt bepaald wat de minimale termijn van deelname, de opzegtermijn en de uittreedsom is. Bij uittreding is het voorstel een minimale termijn van deelname te hanteren van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling en een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht te nemen. De uittreedsom wordt berekend aan de hand van de directe reële schade, berekend over een overbruggingsperiode van 5 jaar. De hoogte van de reële schade wordt berekend door de accountant van de GR, aangevuld met een bindend advies van een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een externe accountant). Tekstvoorstel voor in de gemeenschappelijke regeling Uittreding 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het (algemeen) bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het (algemeen) bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen.
Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel… van deze regeling (NB taken die dus omschreven staan in meestal artikel 3, de opsomming van de op/overgedragen taken), wenst terug te nemen. 3. Het (dagelijks) bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het (dagelijks) bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen.
In de concept-uittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen (NB alleen van toepassing bij openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie), van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 6. Indien het (algemeen) bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling (naam GR) redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling (naam GR) als bedoeld in artikel…. van deze regeling. 7. Het bestuur van ... (naam GR)...
en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam (gemeenschappelijk orgaan/de bedrijfsvoeringsorganisatie) en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 8. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam (gemeenschappelijk orgaan/ de bedrijfsvoeringsorganisatie) én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, 5
waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaatsvindt. 11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam (de bedrijfsvoeringsorganisatie) op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer.
Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. (NB: deze bepaling geldt alleen voor openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie). 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc.
komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel …. van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 11 en lid 12 worden door de accountant van het openbaar lichaam (het gemeenschappelijke orgaan/de bedrijfsvoeringsorganisatie) bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste en tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het (dagelijks) bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het (algemeen) bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 17.
Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van … maanden na vaststelling als bedoeld in het vijftiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan. 6
Gebruik tekstvoorstel Generieke tekst voor alle gemeenschappelijke regelingen. Alleen als er binnen de GR geen sprake is van structurele vaste lasten zoals bijvoorbeeld personeel, gebouwen, vaste verplichtingen kan besloten worden de periode in te korten. In die gevallen dat de structurele vaste lasten aanzienlijk langer zijn dan deze 5 jaar kan overwogen worden deze periode te verlengen. Advies griffiers Het past niet bij de rol van de griffiers om de inhoudelijke bepalingen bij dit artikel te formuleren; deze taak ligt bij de werkgroepen (controllers, juristen). Wel past het bij de adviesrol van de griffiers om de bepalingen die worden ontwikkeld te toetsen op de vraag of voldoende is geborgd dat de raden voldoende invulling kunnen geven aan hun rol bij het besluit over de in te nemen zienswijze. Toelichting Tot 1 juli 2022 hoefde dit formeel slechts bij gemeenschappelijke regelingen die voor onbepaalde tijd waren getroffen, maar sindsdien geldt dit voor alle gemeenschappelijke regelingen. Dus ook bij voor bepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regelingen. Het is immers in ieders belang, dat je vooraf goede en duidelijke afspraken met elkaar maakt, mocht je om redenen op een goed moment niet verder willen met elkaar. Het betreft hier een vrij technische wijziging. Uit de praktijk en jurisprudentie kunnen richtlijnen gedestilleerd worden.
Voor sommige GR-en is de mogelijkheid van uittreden wettelijke beperkt, zoals de VRNHN, de OD en de GGDHN. Er kan wel sprake zijn van een afname van op-/overgedragen extra taken. Besluitvorming door deelnemers Uit de woorden “met inachtneming van artikel 1” moet worden afgeleid dat de besluitvorming rond wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding door de deelnemende bestuursorganen plaatsvindt. Het bestuur van het samenwerkingsverband heeft daarin formeel geen rol. (Handreiking Wijziging Wgr, VNG). In elke regeling worden zo concreet mogelijke bepalingen over wijziging, opheffing, toetreden, uittredingsvoorwaarden voor en gevolgen van uittreding opgenomen. Deze bepalingen betreffen minimaal de volgende onderdelen: * personeel * contracten * huisvesting * investeringen maar ook kan gedacht worden aan: * opzegtermijn * werkelijke kosten vs. ‘verzekeringspremie’/risico-opslag; en bij toetreding: ‘inkoopsom’ * toerekenbaarheid kosten uittreding * onderscheid kosten (bv. frictiekosten; desintegratiekosten; personele kosten) * verplichting tot/mogelijkheid van overnemen personeel e.d. In elke regeling wordt voorts aangegeven op welke wijze geborgd wordt dat raden tijdig in positie worden gebracht om een zorgvuldig besluit te nemen over de zienswijze bij wijziging, opheffing, toetreding, uittreding, zoals bedoeld in art. 1 van de WGR.
Dit komt erop neer dat de zienswijzeprocedure materieel betekenis heeft en niet neerkomt op “tekenen bij het kruisje”. Voorwaarden voor uittreding Bij voorwaarden kan onder andere gedacht worden aan bijvoorbeeld een opzegtermijn of een verbod de eerste jaren na toetreding/treffen van de gemeenschappelijke regeling uit te treden. Ook het besluitvormingsproces is een onderdeel van de voorwaarden voor uittreding, net als andere procedurele afspraken. Dat zijn bepalingen die al regelmatig in gemeenschappelijke regelingen voorkomen. Ook kan gedacht worden aan voorwaarden over het verplicht overnemen van personeel (mits dat personeel of de personeelsvertegenwoordiging daarmee natuurlijk ook instemt langs de daartoe geëigende wegen). Vermogensrechtelijke gevolgen Bij vermogensrechtelijke gevolgen gaat het om de financiële kant van de uittreding, maar ook om de overname van contracten (huurovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten, inkoopcontracten e.d.). In de gemeenschappelijke regeling zal bepaald moeten worden hoe hiermee omgegaan wordt én hoe de uittreedkosten berekend moeten worden. Daarbij zal vooral van belang zijn welke kosten toerekenbaar zijn aan de uittredende partij, want vaak wordt gekozen voor het principe dat de uittreder de kosten van de uittreding betaalt. Bij dat principe past het echter niet dat de uittreder meer kosten betaalt dan strikt noodzakelijk.
De uittredingssom is geen boete om uittreding praktisch 7
onmogelijk te maken. Wat verder van belang is, is om ook reëel te kijken hoe lang een samenwerkingsverband nodig heeft zich aan te passen. Kosten kunnen immers niet tot in de eeuwigheid der dagen aan de uittreder worden toegerekend. Dan zou de uittreder nooit loskomen van het samenwerkingsverband. In de jurisprudentie gaat men daarbij uit van een termijn van maximaal vijf jaar. Wat ook mogelijk is, is dat de uittredende partij een soort van risico-opslag of ‘verzekeringspremie’ betaalt, waarmee eventuele toekomstige risico’s worden afgekocht voor een vast bedrag. Daarmee staat het bedrag vast voor het moment van uittreding, en kunnen er niet jarenlang nog kosten worden toegerekend. Het is overigens niet noodzakelijk om in de gemeenschappelijke regeling expliciete bedragen te noemen, die kunnen immers per deelnemer verschillen, maar ook per periode. Een vaste uittreedsom zou ertoe leiden dat eventuele meerkosten boven dat bedrag niet door de uittreder, maar door het samenwerkingsverband en daarmee door de overblijvende deelnemers moeten worden gedragen. Minimale termijn van deelname Er kan een keuze worden gemaakt: 1. Een minimale periode van 4 jaar; 2. Deelnemers spreken bij aangaan/intreding af gedurende welke periode niet uitgetreden kan worden. Opzegtermijn Er kan een opzegtermijn worden gehanteerd welke afhankelijk kan worden gesteld van: 1.
het (financieel) belang dat met het samenwerkingsverband gemoeid is. 2. een overeen gekomen uittreedregeling, waarin de gevolgen van de uittreding op diverse aspecten (personeel, financieel, huisvesting etc.) worden opgenomen, of 3. een bepaalde termijn, waarbij minimaal 1 kalenderjaar wordt gehanteerd. De mate van urgentie voor uittreden kan hierbij ook een rol spelen. Uittredingsregeling Uitgangspunt bij een eventuele uittreding door een deelnemer c.q. afname van het takenpakket door een deelnemer is dat het samenwerkingsverband voldoende tijd krijgt om zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden en dat partijen een inspanningsverplichting hebben om de nadelige gevolgen van de uittreding zoveel mogelijk te beperken, door bijvoorbeeld overname van personeel of andere lasten (bijv. huisvesting). In een uittredingsregeling wordt nader ingegaan op deze inspanningsverplichtingen en de resultaten daarvan. Bij gemeenschappelijke regelingen met een omvangrijk uitvoeringsapparaat speelt het belang van een dergelijke uittredingsregeling een grotere rol dan relatief kleine samenwerkingsverbanden. Zeker indien er als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is (ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan).
Wijze van berekening uittreedsom Er zijn verschillende mogelijkheden om de berekening van de uittreedsom in een bepaling onder te brengen. 1. Een eenvoudige constructie waarbij wordt bepaald dat de uittreedsom gelijk is aan de bijdrage die de deelnemer op grond van de kostenverdeelsleutel jaarlijks verschuldigd was aan het samenwerkingsverband over het jaar voorafgaand aan de datum van uittreding, berekend over een afbouwperiode van 5 jaar (ieder jaar 20% lager). 2. De uittreedsom wordt berekend aan de hand van de directe reële schade, berekend over een overbruggingsperiode van 5 jaar. 3. De uittreedsom is gelijk aan de verzekeringspremie/risico-opslag/intreedsom die de deelnemer bij het aangaan/intreden van de regeling heeft betaald. Gevolgen vermogen samenwerkingsverband De hoogte van de uittreedsom kan al dan niet verrekend worden met het aandeel van de uittredende deelnemer in het eigen vermogen en/of de algemene reserve van het samenwerkingsverband.
8
Bijlagen Artikel 9. Voorwaarden uittreding 1. Wgr Wgr-artikel 9 – lid 1 • Verplichte wijziging, keuzeruimte in wijze van invulling. • De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. • De regeling waarbij een openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent de vereffening van het vermogen ingeval dat openbaar lichaam wordt ontbonden. • Het bij een regeling ingestelde openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. 2. Memorie van Toelichting Overzicht jurisprudentie Uit de jurisprudentie betreffende geschillen met betrekking tot de uittreedsom blijkt dat een uittreedsom in beginsel over een periode van 5 jaar dient te worden berekend. ECLI:NL:RBDHA:2014:4925/ ECLI:NL:RVS:2015:1198 Uit vaste jurisprudentie van de Kroon (het KB van 14 mei 1985, AB 1985, 424), de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State (de uitspraak van 12 augustus 1993 inzake no. R03.89.3622, Gst.
6977, 4) en de AbRS (de uitspraak van 12 december 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7959) volgt, dat bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom uitgangspunt is dat de uittredende deelnemer de schade van het recreatieschap en de overblijvende deelnemers dient te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling. Bij hiervoor genoemde uitspraak van 12 december 2001 heeft de AbRS onder meer overwogen dat bij het bepalen van mogelijke toekomstige schade het hanteren van een overbruggingsperiode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van uittreding, voor de hand ligt, waarbij in aanmerking is genomen dat van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam mag worden verwacht dat het zich binnen die periode kan aanpassen aan de ten gevolge van de uittreding gewijzigde omstandigheden. Ook in de onder 10 genoemde uitspraak van de Kroon van 14 mei 1985 werd het redelijk en billijk geacht de hoogte van de door de uittredende gemeente te vergoeden schade te baseren op een (afbouw)periode van vijf jaar.
Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat uit de jurisprudentie weliswaar volgt dat van het algemeen bestuur in beginsel mag worden verwacht dat het zich binnen de periode van de begrotingssystematiek kan aanpassen aan ten gevolge van het uittreden gewijzigde omstandigheden, maar dat op dit uitgangspunt een uitzondering kan worden gemaakt wanneer sprake is van langlopende, niet te mitigeren financiële verplichtingen. Nu er in dit geval sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen van het RMD inzake beheer en onderhoud, is het hanteren van een afbouwperiode van vijf jaar in onderhavige zaak volgens verweerder niet redelijk. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen steun voor de stelling van verweerder dat ingeval van substantiële langlopende financiële verplichtingen sprake is van een uitzondering op de regel dat bij het vaststellen van mogelijke toekomstige schade een afbouwperiode van vijf jaar dient te worden gehanteerd waarbinnen het RMD moet worden geacht zich te hebben aangepast aan de uittreding van het Rijk.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat een andersluidende opvatting met zich zou brengen dat het voor deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling met langlopende verplichtingen feitelijk onmogelijk wordt om uit te treden, aangezien de deelnemer in dat geval ondanks zijn uittreding gehouden zou zijn voor zeer lange tijd financieel te blijven bijdragen aan de gemeenschappelijke regeling als nam hij nog deel.
9
Conclusie nav uitspraak 15 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1198): De uitgangspunten die gelden voor het berekenen van de hoogte van een uittreedsom zijn vastgelegd in jurisprudentie en worden herhaald in de uitspraak van 15 april 2015: *de uittredende deelnemer dient de directe kosten van uittreding en de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling. De voorwaarden dat de eigen bijdrage van de achterblijvende deelnemers niet mag stijgen of dat het beleid en takenpakket ongewijzigd moeten kunnen blijven, passen daar volgens de Afdeling niet bij. Bij directe kosten gaat het bijvoorbeeld om de kosten die de GR maakt voor het berekenen van de hoogte van de uittreedsom; *voor het bepalen van toekomstige schade wordt een overbruggingsperiode van vijf jaar gehanteerd, gerekend vanaf de datum van uittreding. Deze periode is gekoppeld aan de gangbare beleidscyclus en wordt gezien als een redelijke periode waarbinnen de GR en de achterblijvende deelnemers voldoende gelegenheid hebben om de (financiële) gevolgen van het uittreden op te vangen en de bedrijfsvoering aan te passen.
Denk bijvoorbeeld aan het wijzigen van beleid en het takenpakket of het opzeggen en wijzigen van lopende overeenkomsten; *langlopende financiële verplichtingen (bijvoorbeeld erfpachtcontracten, beheer- en onderhoudsverplichtingen) vormen in beginsel geen grond om een uitzondering te maken op de overbruggingsperiode van vijf jaar; *de hoogte van de deelnemersbijdrage kan wel een rol spelen bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom. ECLI:NL:RBNHO:2018:7649 (uittreden gemeente Schagen uit GR Geestmerambacht waarbij een afbouwperiode van 9 jaar als uitgangspunt is gehanteerd): Een andersluidende opvatting zou met zich brengen dat het voor deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling met langlopende verplichtingen feitelijk onmogelijk wordt om uit te treden, aangezien de deelnemer in dat geval ondanks zijn uittreding gehouden zou zijn voor zeer lange tijd financieel te blijven bijdragen aan de GR als nam hij nog deel. Inherent aan een Gemeenschappelijke Regeling is nu eenmaal dat een deelnemer, ondanks langlopende financiële verplichtingen, eenzijdig kan besluiten uit te treden en daartoe heeft eiseres besloten.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de door verweerder vastgestelde uittreedsom onredelijk is, nu hij voor de berekening van de hoogte daarvan ten onrechte een termijn gehanteerd heeft die 9 jaar langer is dan de gangbare termijn van 5 jaar. De beroepsgrond slaagt. AB 2015/420 Gemeenschappelijke regeling. De voorwaarden voor uittreding. De jurisprudentie van de Afdeling (en daarvoor de Kroon) onderscheidt twee methoden om de uittredingsschade te berekenen wanneer dit niet in de gemeenschappelijke regeling is bepaald (Intergemeentelijke samenwerking toegepast. Handreiking voor toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, Hasselt: SMG 2013, p. 29). Het is aan de ene kant mogelijk om de uittredende deelnemer over een periode van vijf jaar de eigen kosten voor de deelname door te laten betalen, waarbij de bijdrage ieder jaar met twintig procent afneemt (KB van 14 mei 1985, AB 1985/424). Dit is een efficiënte manier om de uittredingsschade te berekenen omdat niet over iedere (mogelijke) kostenpost gediscussieerd hoeft te worden. Aan de andere kant kan de uittredingsschade bepaald worden door de directe reële schade als gevolg van de uittreding te berekenen.
De termijn waarbij aangesloten kan worden is die van de begrotingssystematiek, in welk verband vijf jaar een redelijke overbruggingsperiode wordt geacht (ABRvS 12 december 2011, ECLI:NL:RVS:2001:AD7959, r.o. 2.5.1). Deze manier om schade te berekenen ligt meer voor de hand indien de gemeenschappelijke regeling grote schade leidt door de uittreding. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de uittreding van een deelnemer direct leidt tot de liquidatie van een deel van gemeenschappelijke regeling (vgl. ABRvS 12 augustus 1993, ECLI:NL:RVS:1993:AQ0619). De Afdeling formuleert vervolgens een aantal uitgangspunten voor de vaststelling van een redelijke schadevergoeding. Daarin houdt de Afdeling om te beginnen vast aan de vijfjaartermijn voor het berekenen van de schade. Tegelijkertijd blijkt uit de door de Afdeling genoemde uitgangspunten dat niet uitgesloten is dat het recreatieschap desalniettemin klem komt te zitten. Om een lange en (soms) bittere juridische strijd te voorkomen dienen deelnemers allereerst een duidelijke uittredingsregeling af te spreken. Deze regeling kan efficiëntie voorop stellen door een gefixeerd bedrag af te spreken. Of deelnemers moeten een materiële beoordeling overeenkomen door verschillende criteria voor het berekenen van de schadevergoeding vast te stellen. Daarbij kan 10
eventueel afgeweken worden van de vijfjaartermijn die de Afdeling als uitgangspunt neemt voor de berekening van de uittredingsschade. Bestaande uittreedregelingen Uittredingsregeling GR Reestmond; richtlijn uittreding GR od utrecht; overzicht voorwaarden uittreding GR Werkvoorzieningschap Tomingroep; Rapport indicatie bepaling uittredingssom Heerhugowaard (PwC); Uittredingsregeling GR Avres; Beleidsregels vermindering extra takenpakket RUD NHN; artt. 26 en 27 GR SVHW 2023. -
Memorie van Toelichting wetsvoorstel Wet democratisering gemeenschappelijke regelingen (Kamerstukken 34.177 nr 3)
De uittredingssom dient reëel te zijn. Dat betekent dat de uittredende deelnemer op zijn hoogst verplicht moet zijn die kosten te vergoeden die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding en bijdragen aan de overtallige kosten in de overbruggingsperiode. De zakelijk gerechtvaardigde kosten dus. Daarbij mag verwacht worden dat het bestuur van de gemeenschappelijke regeling efficiënt en kosten- en schadebeperkend optreedt. Bijvoorbeeld door de overtollige capaciteit zo snel mogelijk af te bouwen.
11
Artikel 10 Lid 5 en 6 + Artikel 34 34b 35
Aanvullende zienswijzeprocedure omtrent besluiten Aanpassen termijnen voor indiening van kadernota ontwerpbegroting en begroting
Samenvattend Voorstel is om naast de verplichte zienswijzeprocedure op de begroting een aanvullende zienswijze procedure vast te leggen voor drie besluiten: 1. Kadernota (is nu al het geval in NoordHolland Noord en wordt hiermee bevestigd), 2. Bestemming van het rekeningresultaat (in plaats van de jaarrekening als geheel) en 3. Strategische of meerjarenplannen (voor zover een GR een dergelijk plan of document heeft). Voorstel is daarnaast om de termijnen voor de kadernota, de begroting en jaarrekening te handhaven die in 2018 zijn overeengekomen in het kader van vaststelling van FUGR (en Spoorboekje) en deze op te nemen in de GR, met inbegrip van de onder 1 genoemde besluiten. Het handhaven van de huidige afspraken voorkomt vergaderingen voor raden in het zomerreces, en blijft binnen de nieuwe wettelijke termijnen. Tekstvoorstel voor in de gemeenschappelijke regeling 1. Het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt uiterlijk 15 december de kadernota aan de gemeenteraden [en provinciale staten] aan voor zienswijze (T-2). 2. Het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt uiterlijk 15 april de conceptbegroting aan de gemeenteraden [en provinciale staten] aan voor zienswijze (T-1).
Het (dagelijks) bestuur dient gelijktijdig met de concept-begroting de voorlopige jaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient aan de raden toe te sturen (T). 3. De gemeenteraden [en provinciale staten] kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken aan het DB van de gemeenschappelijke regeling. 4. Indien de GR gebruikmaakt van een strategisch of meerjarenplan biedt het DB van de gemeenschappelijke regeling dit in concept aan de gemeenteraden [en provinciale staten] aan voor zienswijze. 5. De gemeenteraden [en provinciale staten] geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 6. De gemeenteraden [en provinciale staten] geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de concept-begroting en de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het DB van de gemeenschappelijke regeling. 7. De gemeenteraden [en provinciale staten] geven binnen 10 weken na ontvangst van het concept strategisch of meerjarenplan hun zienswijze hierover aan het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 8.
Het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden [en provinciale staten] voorafgaande aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli (T-1) schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het zesde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 9. Het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden [en provinciale staten] voorafgaande aan het vaststellen van de Kadernota, de jaarrekening en het strategisch of meerjarenplan schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Gebruik tekstvoorstel Generieke tekst voor alle gemeenschappelijke regelingen in Noord-Holland Noord (m.u.v. meerjarig beleidsplan indien dit al is opgenomen in wetgeving aangaande betreffende GR). Advies griffiers In lijn met advies Griffiers op beide wijzigingen (10.5/6 en 34/B, 35). Toelichting aanvullende zienswijzen Uitgangspunt is dat de positie van de raad wordt versterkt in zijn kaderstellende en controlerende rol. Het voorstel is om in alle gemeenschappelijke regelingen voor drie besluiten op te nemen dat er een aanvullende zienswijzeprocedure geldt ten opzichte van de wettelijk verplichte zienswijze procedure(s) (zoals de begroting) . 1.
De kadernota. Conform eerdere besluitvorming in de raden van Noord-Holland Noord is het voorstel dit ook op te nemen in de tekst van de gemeenschappelijke regelingen. 2. De bestemming van het rekeningresultaat. Dit betreft een inperking van de huidige afspraken, waar is voorzien in een zienswijze op de 12
jaarstukken. De jaarstukken zelf betreffen niets meer dan een vastlegging van financiële feiten, waarop een zienswijze feitelijk geen effect kan hebben. Dit geldt wel voor de bestemming van het resultaat van de jaarrekening. Daarvoor lijkt een zienswijze wel op zijn plaats. Bij de bestemming van het rekeningresultaat is immers, anders dan de vaststelling van de financiële feiten uit het verleden, sprake van een op de toekomstgericht besluit waarop de raden hun invloed zouden moeten kunnen uitoefenen. 3. Strategische of meerjarenplannen. Een zienswijze bij dit document geeft een goede invulling aan het doel van deze wijziging van de Wgr, namelijk het beter in positie brengen van raden aan de voorkant. Het past derhalve goed bij het versterken van de kaderstellende rol van de raad. Dit geldt alleen voor GR-en die een strategisch of meerjarenplan hebben. De termijn van 10 weken voor het geven van een zienswijze is qua tijdsduur gelijk aan de termijnen die gelden voor de overige zienswijzen. Toelichting termijnen Het voorstel is de termijnen te handhaven die zijn opgenomen in het zogenaamde Spoorboekje dat is ontwikkeld door de Regietafel, rekening houdend met de noodzakelijke voorbereidingstijden van Gemeenteraden en Algemene Besturen van de gemeenschappelijke regelingen.
Dat betekent dat de Kadernota voor 15 december T-2 bij de gemeenten moet worden aangeleverd en voor zienswijzen moet worden aangeboden aan de raden in januari/februari T-1. De conceptbegroting en jaarrekening worden voor 15 april (resp. T-1 en T+1) aangeboden en de zienswijzen op de concept begroting (en indien van toepassing, de bestemming van het rekeningresultaat) worden uiterlijk 25 juni naar de GR-en gezonden. Het (dagelijks) bestuur reageert voor 15 juli op deze zienswijzen (nieuwe extra wettelijke stap in het proces), zodat nog voor 15 juli het proces bij de gemeenten wordt afgesloten. Indien de reactie op de zienswijzen door het (dagelijks) bestuur in uitzonderlijke gevallen nog een standpuntbepaling van de raad behoeft, kan een incidentele raadsvergadering eind augustus/begin september plaatsvinden. De begroting dient nl. voor 15 september te worden ingezonden aan GS. Dit is ruim binnen de deadlines voor de kadernota’s, jaarrekeningen en begrotingen in nieuwe Wgr: De wetgever beoogt meer ruimte te geven aan raden. Hierbij lijkt echter geen rekening gehouden te zijn met het zomerreces. Effectief is deze aangepaste planning dan ook veel lastiger in te passen dan de huidige planning. De reactie van de (dagelijks) besturen op de zienswijzen van de gemeenten is binnen het proces van het spoorboekje van de Regietafel nog voor het zomerreces af te ronden.
13
Bijlagen Artikel 10 Lid 5 en 6 + Artikel 34 34b 35 1. Wgr Wgr-artikel 10 Lid 5 en 6 Artikel 10, lid 5 Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, met uitzondering van het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 35, en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, en de wijze waarop de zienswijze gegeven kan worden. Artikel 10, lid 6 Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Wgr-artikel 34 34b 35 Artikel 34 1.
Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 3. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. Artikel 34b 5.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 35 1. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 14
6. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. 7. De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken. 2. Memorie van Toelichting Toelichting op de wettekst uit de memorie van toelichting bij de facultatieve zienswijzeprocedure Hiermee is de verplichting geïntroduceerd om in de gemeenschappelijke regeling (hierna: GR) afspraken te maken over besluiten van een bij gemeenschappelijke regeling opgericht samenwerkingsverband, waarop door het bestuur van de regeling een zienswijze aan de raden wordt gevraagd. Voor zover ook de provincie deelneemt in de GR worden in dit stuk niet alleen de raden maar ook provinciale staten bedoeld (zie art. 52, eerste lid Wgr). Met deze bepaling wordt bereikt dat raden hun opvatting kenbaar kunnen maken over bepaalde voorgenomen besluiten voordat het besluit is genomen. De verplichting om een zienswijze te vragen aan de raden geldt nu, op grond van de Wgr, alleen voor de begrotingsprocedure. Daarnaast is regionaal afgesproken dat ook de jaarstukken en de Kadernota voor zienswijze aan de raden worden voorgelegd.
Het is denkbaar dit ook voor andere besluiten te regelen, zoals besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes. De regering heeft er evenwel voor gekozen om niet dwingend voor te schrijven voor welke besluiten een zienswijze aan de raden moet worden gevraagd, maar dit over te laten aan de deelnemers en de raden. De voorgestelde wijziging is bedoeld om een bewuste afweging hierover te bevorderen. Deze wijziging is niet van toepassing in die gevallen waarin reeds op grond van afdeling 3.4 Awb een zienswijzeprocedure is voorgeschreven. Toelichting op de wettekst uit de memorie van toelichting bij de termijnen De inrichting van de begrotingscyclus van gemeenschappelijke regelingen leidt in de praktijk tot een moeilijke verhouding tot die van gemeenten. Bijdragen aan een gemeenschappelijke regeling zijn verplichte uitgaven voor een gemeente die moeten worden verwerkt in de begroting van de gemeente zelf. Daar moet tijd voor zijn. Tegelijkertijd is het ook van belang dat een raad zicht heeft op de doelen van een gemeenschappelijke regeling en op de eigen begroting bij de bespreking van begrotingen van gemeenschappelijke regelingen.
Zonder zicht op de doelen van een samenwerkingsverband is het lastig om iets te vinden van de begroting en zonder goed zicht op de financiële positie van de gemeente is het lastig te oordelen over investeringen of bezuinigingen bij een regeling. Vanuit gemeenteraden komt nu een sterk signaal dat de financiële stukken van een regeling vaak te weinig inhoud bevatten en te vroeg komen om deze goed te kunnen beoordelen. Daarom kiest de regering voor een verruiming van de uiterste termijnen. Per regeling kan gekozen worden voor kortere termijnen, maar niet voor latere data. Dit biedt meer ruimte voor maatwerk al naar gelang de behoefte bij gemeenteraden. Om gemeenteraden meer positie te geven in de begrotingscyclus van een gemeenschappelijke regeling is ervoor gekozen de termijnen voor de indiening van de kadernota, ontwerpbegroting en begroting aan te passen. De begrotingscyclus van gemeenschappelijke regelingen sluit daardoor beter aan op die van gemeenten, waardoor het voor gemeenteraden makkelijker wordt te overzien wat de gevolgen zijn van uitgaven aan regelingen voor de eigen gemeente. Ook krijgen gemeenteraden langer de tijd om een zienswijze op de concept-begroting van een regeling te geven en ontvangen zij de kadernota later.
Dit gebeurt door drie wijzigingen: –de kadernota moet voor 30 april naar gemeenteraden worden gestuurd in plaats van 15 april; –de begroting van een regeling moet uiterlijk 15 september naar gedeputeerde staten worden gestuurd in plaats van 1 augustus; en de ontwerpbegroting moet uiterlijk 12 weken voor 15 september voor een zienswijze aan gemeenteraden aangeboden worden, in plaats van 8 weken. De mogelijkheden voor verruiming van de termijnen worden ingeperkt door samenloop met de gemeentelijke begrotingscyclus en praktische overwegingen als het zomerreces. De regering vindt het daarom niet wenselijk dat de concept-begroting later dan juni naar de gemeenteraden gaat, vandaar de keuze voor een termijn van 12 weken voor een zienswijze. Daardoor kan een raad nog vóór het zomerreces de concept- begroting bespreken en dit na het zomerreces afronden. Door de indiening van de begroting bij de toezichthouder op 15 september te zetten, hebben de gemeenteraden vier weken langer de tijd, namelijk twaalf weken, om tot een eigen of met andere raden afgestemde zienswijze bij de concept-begroting te komen. De datum 15 september ligt fors dichter bij de datum waarop de gemeentelijke begroting moet worden ingediend bij de toezichthouder dan nu het geval is. Daardoor is het mogelijk een meer afgewogen oordeel te hebben over de concept-begroting van een gemeenschappelijke regeling.
De twee maanden tussen beide deadlines worden voldoende geacht om de uitgaven aan een regeling als verplichte uitgaven te verwerken in de gemeentelijke begrotingen. 15
3. Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) Toelichting (handreiking VNG) De mogelijkheid om bepaalde besluiten van het samenwerkingsverband aan zienswijzen te onderwerpen bestond natuurlijk al. Nieuw is dat het nu een verplichting is hieromtrent een afweging te maken in de gemeenschappelijke regeling. Ook wanneer géén zienswijzen worden gebruikt, moet dit in de gemeenschappelijke regeling geregeld worden. Besluiten waarvoor zienswijzen vaak gebruikt worden In de praktijk zijn al wel voorbeelden te vinden van besluiten die aan zienswijzen worden onderworpen. Dit geldt vaak bij de kadernota in het kader van de planning-en control-cyclus (zie par. 2.2) of bij de vaststelling van de jaarrekening. Ook strategische plannen of meerjarenplannen worden vaak onderworpen aan zienswijzen, net als door een algemeen bestuur vast te stellen verordeningen die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Het gaat dus met name om bevoegdheden die direct aan de kaderstellende rol van de gemeenteraad raken. Het lijkt dan ook logisch om de raad zienswijzen te laten geven om een verbeterde democratische invloed te creëren. Het past in die procedure overigens niet het college de zienswijze te laten geven: artikel 10 Wgr schrijft niet voor niets voor dat het om zienswijzen van de gemeenteraden gaat.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan moet reageren op de zienswijzen, zodat raden ook weten wat ermee gebeurd is.
16
Artikel 10. Lid 7 Participatie van ingezetenen en belanghebbenden Samenvattend Het voorstel is om participatie voor ingezetenen en belanghebbenden alleen op te nemen in de gemeenschappelijke regeling als de raden bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam. Het overgrote deel van de GR-en zijn collegeregelingen, en zijn er dus geen bevoegdheden overgedragen. Daar ligt het voor de hand om inspraak lokaal in te passen via reguliere inspraakmogelijkheden bij bijv. het vaststellen van beleidskaders die door de GR-en uitgevoerd worden. Wanneer de raden wel bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ligt inspraak rechtstreeks bij de gemeenschappelijke regeling wel voor de hand. Hoe deze inspraak wordt geregeld is aan het Algemeen Bestuur van de regeling. In de bijlage is een overzicht opgenomen van GR-en waarvoor dit geldt. Tekstvoorstel voor in de gemeenschappelijke regeling Het openbaar lichaam verleent inspraak aan ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Op inspraak is in beginsel de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het openbaar lichaam een andere inspraakprocedure heeft vastgesteld. Gebruik tekstvoorstel Specifiek.
Afhankelijk van welke gemeenschappelijke regelingen in Noord-Holland Noord het betreft. Toelichting: Wanneer de raden bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ligt inspraak rechtstreeks bij de gemeenschappelijke regeling. In deze gevallen kan het tekstvoorstel worden overgenomen. In de andere gevallen is het advies om dit niet op te nemen. Bij de toegevoegde bijlage zijn de verschillende regelingen terug te vinden. Indien het tekstvoorstel in de GR wel wordt opgenomen is het advies om ook spelregels over de inspraak vast te leggen. inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van beleid worden betrokken. Advies griffiers In lijn met advies Griffiers, namelijk: Gelet op het feit dat het overgrote deel van de GR-en in onze regio collegeregelingen zijn en dus geen kaderstellende bevoegdheden zijn overgedragen, lijkt het logisch om inspraak zo veel mogelijk lokaal in te passen via de reguliere inspraakmogelijkheden bij bijv. het vaststellen van beleidskaders die door de GR-en uitgevoerd worden. Wanneer de raden wel bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ligt inspraak rechtstreeks bij de gemeenschappelijke regeling wel voor de hand. Toelichting Participatie bij beleid wordt steeds belangrijker gevonden in bestuurlijk en politiek Nederland.
Om die reden is bij de wijziging van de Wgr ook bepaald dat voorzien moet worden in afspraken omtrent de wijze waarop ingezetenen én belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Voor de invulling van de participatie van inwoners en belanghebbenden is het van belang te kijken naar de taak en bevoegdheden van de GR. Daar waar de GR beleid voorbereidt, uitvoert en evalueert, is inspraak van inwoners en belanghebbenden gewenst. Gaat het om een taak die vooral uitvoering is van door de gemeente reeds vastgesteld beleid, dan is het meer voor de hand liggend om de inspraak nog steeds via de raad te laten verlopen. Uitwerking: 1. In de GR-en die het betreft een algemene bepaling opnemen waaruit volgt dat inwoners (ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden) worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid; 2. Er zal dus alleen een vorm van (burger)participatie moeten plaatsvinden in het geval de bevoegdheden m.b.t. beleid zijn overgedragen aan de AB’s; 3. Daarbij is de gedachte om in beginsel de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen, tenzij het bestuur in een specifiek geval een andere inspraakmogelijkheid vaststelt. 17