CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B6. Toetsingsadvies 'Commissie mer'

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Omgevingsvisie (2026-04)4.242 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Omgevingsvisie SED, gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 21 januari 2025 / projectnummer: 3859

Advies over het MER in het kort Gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland (SED) stellen samen een omgevingsvisie op. Daarin beschrijven ze hoe de gemeenten zich op de lange termijn, tot 2040, ontwikkelen op gebied van bijvoorbeeld woningbouw en mobiliteit. Voor het besluit over de omgevingsvisie is een omgevingseffectrapport1 (OER) opgesteld. De gemeenten hebben de Commissie gevraagd te adviseren over het OER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid ervan.

Wat staat in het OER? Het OER laat zien dat de huidige staat van de leefomgeving in de gemeenten per aspect verschilt. Met de aspecten ontmoetingsplekken, landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarden gaat het goed. Met een groot aantal aspecten kan het beter, waaronder wonen, voorzieningenniveau, beweegvriendelijke leefomgeving, verkeersveiligheid en landbouw. Met de aspecten broeikasgassen, duurzame energieopwekking, circulariteit, duurzame en slimme mobiliteit en biodiversiteit gaat het volgens het OER slecht. Het OER onderzoekt de mogelijke effecten van de voorgestelde beleidsplannen en ambities uit de omgevingsvisie op de huidige staat van de leefomgeving. In de omgevingsvisie zijn ambities opgenomen voor zes thema’s: wonen en samenleven; gezondheid, welbevinden en milieu; duurzaamheid, natuur en recreatie; economie; mobiliteit en toegankelijkheid; ruimtelijke kwaliteit. Het OER stelt dat de ambities uit de omgevingsvisie voor een aantal aspecten leidt tot verbetering van de leefomgeving. Zo komen er meer woningen en wordt ingezet op meer ruimte om te bewegen en elkaar te ontmoeten. Voor een aantal aspecten leidt het voorgestelde beleid ook tot verslechtering. De ruimte voor landbouw wordt bijvoorbeeld kleiner. Ook wordt een verslechtering verwacht in de omgevingsveiligheid, beschermde natuur en het landschap.

Wat is het advies van de Commissie? De Commissie wil de gemeenten en opstellers van het OER complimenteren over de goede leesbaarheid van het OER en de kwaliteit van de publieksvriendelijke samenvatting. De omgevingsvisie is geformuleerd op hoofdlijnen. Scherpe keuzes worden later opgenomen in nog uit te werken thematische of gebiedsgerichte programma’s en meer gedetailleerde omgevingsplannen. De Commissie constateert dat de diepgang van het OER ook beperkt is. Hierdoor ontbreekt op een aantal punten nog informatie die essentieel is voor de besluitvorming over de omgevingsvisie. Het gaat om: 

Kaders voor vervolgprocedures: om de ambities uit de visie uit te kunnen werken in vervolgprocedures, moet eerst duidelijk zijn met welke dilemma’s de gemeenten te maken hebben en welke opties ze hebben om deze dilemma’s aan te pakken. Hiervoor is het ook belangrijk om de samenhang tussen de verschillende dilemma’s en ambities in beeld te brengen. Dit bepaalt namelijk of een verdere uitwerking binnen de eigen

1

Omgevingseffectrapport bij de omgevingsvisie Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland, Royal HaskoningDHV, 9 oktober 2024.

-1-

gemeente kan plaatsvinden, of dat gemeente-overstijgende samenwerking nodig is. De foto van de leefomgeving speelt een belangrijke rol bij het in beeld brengen van deze informatie (zie volgend punt). 

Dilemma’s in beeld met foto van de leefomgeving: de foto geeft al veel nuttige informatie over de staat van de leefomgeving, maar is nog onvoldoende gebruikt om concrete dilemma’s in beeld te brengen waarover de gemeenteraden keuzes moeten maken. Ook ontbreekt voor een aantal aspecten belangrijke inhoudelijke informatie die hiervoor nodig is.

Plausibiliteit en navolgbaarheid omgevingseffecten en doelbereik: de beoordeling van de omgevingseffecten en het doelbereik is voor een aantal aspecten niet goed te volgen. Dit komt deels doordat verschillen in de ordegrootte van effecten niet in beeld zijn en door de weergave van de beoordelingen in een rad van de leefomgeving, waarin positieve en negatieve effecten tegen elkaar weggestreept zijn. Verschillende conclusies zijn daarnaast discutabel omdat sprake is van grote onzekerheden over de toekomst en/of omdat relevante nuances per gemeente of gebiedstype ontbreken.

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het OER op te nemen en dan pas een besluit te nemen over de omgevingsvisie. In hoofdstuk 2 wordt het oordeel toegelicht en geeft de Commissie aandachtspunten voor het vervolgtraject.

Figuur 1: Visiekaart. Bron: ontwerp omgevingsvisie, 8 oktober 2024.

Aanleiding MER De omgevingsvisie beschrijft het integrale beleid van de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland over de fysieke leefomgeving, op de lange termijn (tot 2040). Er is ook een plan-MER (OER) opgesteld. Dit is nodig omdat de visie kaderstellend kan zijn voor mer-(beoordelings)plichtige projecten2

2

Het gaat in ieder geval om de categorieën J11 (stedelijk ontwikkelingsproject) en C2 (windparken) uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

-2-

en omdat een Passende beoordeling opgesteld is. Deze gaat over de impact op Natura 2000-gebieden IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en het Nationaal Landschap Laag Holland met de Natura 2000gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (IVOT), Polder Westzaan, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Eilandspolder. Rol van de Commissie voor de milieueffectrapportage De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het OER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraden van Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland - besluit over de omgevingsvisie. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3859 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het opvolgen ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraden van Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Omgevingsvisie op hoofdlijnen en kaders voor vervolgprocedures Samenhang tussen het OER, de omgevingsvisie en vervolgbesluiten Het OER geeft aan dat de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland (SED) in de omgevingsvisie uitgaat van zes thema’s die belangrijk zijn voor de toekomst, namelijk: 1.

wonen en samenleven;

2.

gezondheid, welbevinden en milieu;

3.

duurzaamheid, natuur en recreatie;

4.

economie;

5.

mobiliteit en toegankelijkheid;

6.

ruimtelijke kwaliteit.

De omgevingsvisie SED beschrijft het beleid op hoofdlijnen. De ambities op bovenstaande beleidsterreinen zijn globaal en nog niet vertaald in concrete doelen. In de visie worden ook nog geen scherpe keuzes gemaakt. Hierdoor blijft nog onduidelijk of de ambities van de gemeenten haalbaar zijn en wat hiervan de (cumulatieve) omgevingseffecten zijn. Deze uitwerking zal later plaatsvinden in thematische of gebiedsgericht programma’s en omgevingsplannen. Een risico van deze aanpak is dat spanning tussen de verschillende opgaven, ambities en belangen pas op een later moment duidelijk wordt. Het is de vraag of in dat stadium nog

-3-

voldoende breed naar de verschillende opgaven en belangen kan worden gekeken om alsnog tot samenhangende oplossingen te komen.

Sturingsmogelijkheden en afhankelijkheden De gemeenten zijn op belangrijke dossiers afhankelijk van keuzes die door andere overheden gemaakt worden.3 Daarnaast beschrijft het OER een aantal ambities en maatregelen waarvoor de gemeenten mede afhankelijk zijn van andere partijen4, van marktontwikkelingen of van gedrag van het publiek. Het gaat bijvoorbeeld om: 

het stimuleren van elektrisch rijden5;

het stimuleren van recreatie in andere natuurgebieden om de recreatiedruk op Natura 2000-gebieden te beperken;

het versterken van het openbaar vervoer aanbod.

Als de gemeenten (deels) afhankelijk zijn van de acties van derden, is onzeker in hoeverre het beoogde positieve effect daadwerkelijk bereikt wordt. Het meewegen van acties van derden kan hierdoor een te gunstig beeld van effecten geven.6 In vervolgbesluiten van de individuele gemeenten zijn de keuzemogelijkheden en effecten daarvan ook afhankelijk van de keuzes die de andere SED-gemeenten maken. Het gaat vooral om keuzes over gemeente-overstijgende onderwerpen zoals wonen, energie, mobiliteit, natuur, landschap, economie en circulariteit. Zo gelden er bijvoorbeeld concrete afspraken over het aantal voor 2030 te realiseren woningen per gemeente7, maar mogen gemeenten deze ook onderling herverdelen. De keuzes die de gemeenten hierin maken zijn van invloed op de omgevingseffecten. Daarnaast kunnen de keuzes over woningbouw (de haalbaarheid van) het doelbereik van andere ambities uit de omgevingsvisie beïnvloeden, bijvoorbeeld ambities voor mobiliteit, gezondheid of natuur.

De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvisie, de volgende informatie in beeld te brengen in een aanvulling op het OER: 

de belangrijkste dilemma’s waarover de gemeenten besluiten moeten nemen (zie ook het advies over de foto van de leefomgeving in paragraaf 2.2);

een overzicht van dilemma’s die binnen de individuele gemeentes opgepakt kunnen worden en van dilemma’s die gemeente-overstijgend zijn;

een overzicht van ambities en maatregelen waarvoor de gemeenten afhankelijk zijn van de acties van derden of van markontwikkelingen. Geef aan hoe deze afhankelijkheid de (onzekerheid over) omgevingseffecten en het doelbereik beïnvloedt (zie ook het advies in paragraaf 2.4.1).

3

Denk bijvoorbeeld aan het Woonakkoord 2020 – 2025 regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland. Daarin is voor regio Westfriesland de ambitie benoemd om in de periode tot 2040 9.000 nieuwe woningen te bouwen.

4 5 6

Denk bijvoorbeeld aan vastgoedinvesteerders, woningbouwcorporaties en openbaar vervoersbedrijven.

Om broeikasgassen en geluidhinder tegen te gaan en de luchtkwaliteit te verbeteren.

In tabel 6-1 van het OER en in tabel 5-2 van de Passende beoordeling is bijvoorbeeld gesteld dat door het stimuleren van

recreatie in andere natuurgebieden, het risico op een significant negatief effect op verschillende Natura 2000-gebieden te voorkomen is.

7

Regionale afstemming woningbouwplannen Westfriesland 2024.

-4-

Foto van de leefomgeving De foto van de leefomgeving8, inclusief de indicatoren die daarin in beeld worden gebracht, zijn het fundament van het OER. De foto geeft aan met welke ruimtelijke problemen, knelpunten en kwaliteiten de gemeenten te maken hebben. Hieruit kunnen dilemma’s worden afgeleid. Met dilemma’s refereert de Commissie aan de noodzakelijk te maken keuze tussen alternatieven (zie paragraaf 2.3 van dit advies) over essentiële onderwerpen, knelpunten of aandachtspunten. Voor de te maken keuzes is niet op voorhand duidelijk hoe de (omgevings)effecten ervan de bestaande kwaliteiten behouden of versterken. Hierdoor is dus onzeker hoe ze bijdragen aan het behalen van de gestelde ambities. De Commissie constateert dat in de foto wel knelpunten en aandachtspunten in beeld zijn gebracht, maar dat vanuit de foto nog geen vertaling is gemaakt naar dilemma’s. Dilemma’s moeten in beeld zijn om ambities en de bandbreedte aan keuzemogelijkheden te bepalen (zie paragraaf 2.3) en voor de beoordeling van de effectiviteit van beleidsmaatregelen. In de foto mist op verschillende punten nog belangrijke informatie die nodig is om de desbetreffende dilemma’s in beeld te kunnen brengen. Voor mobiliteit ontbreekt bijvoorbeeld informatie over verkeersintensiteiten9, parkeren10, ontwikkelingen in de modal split11 en over digitale bereikbaarheid12.

Door het ontbreken van informatie is niet af te leiden wat de uitdagingen zijn in de komende 5 tot 10 jaar. Hierdoor kunnen voor deze aspecten ook geen (effectieve) beleidsmaatregelen geformuleerd worden. Voor andere aspecten ontbreekt informatie doordat belangrijke indicatoren niet zijn meegenomen in het beoordelingskader en in de foto.13 Dit geldt bijvoorbeeld voor de aspecten landbouw en circulariteit: 

Landbouw: de omgevingseffecten van de landbouw zijn in beeld gebracht met één indicator, waarin economische factoren (vitaliteit en winstgevendheid) en milieudruk zijn samengenomen. Hierdoor ontbreekt inzicht in het huidige effect van de landbouw op de leefomgeving, zoals het effect van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op waterkwaliteit en biodiversiteit.

Circulariteit: de foto richt zich enkel op de hoeveelheid restafval binnen de gemeenten, terwijl het OER aangeeft dat de gemeenten circulariteit breder beschouwen.14 Een analyse over het (huidige) aandeel circulaire bouw- en sloop ontbreekt, evenals informatie over het (huidige) aantal circulaire en/of energieneutrale bedrijven.

8

De foto van de leefomgeving geeft een beeld van de huidige situatie in de gemeente Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland. Daarnaast is in de foto beschouwd hoe de gemeenten zich in de toekomst ontwikkelen als ze niet bijsturen. De foto van de leefomgeving is als bijlage 1 toegevoegd aan het OER.

9 10

Problemen in het wegverkeersbeeld en doorstroming zijn hierdoor niet in beeld.

Voor Stede Broec en Drechterland is hierover geen informatie beschikbaar. Voor Enkhuizen wordt alleen ingegaan op de

parkeerdruk en het aantal parkeerplaatsen in het centrum. 11

De modal split gaat over het aandeel gebruikte vervoerswijzen: lopen, fietsen, deelvervoer, openbaar vervoer en auto. Er

wordt bijvoorbeeld vrijwel geen informatie over de kwaliteit van openbaar vervoer geboden. 12

De foto geeft hier geen informatie over, terwijl in de omgevingsvisie wel is aangegeven dat de gemeenten de digitale

bereikbaarheid willen versterken. 13 14

Dit werkt ook door in de beoordeling van omgevingseffecten en het doelbereik.

Het OER stelt dat voor alle gemeenten circulariteit wordt gezien als een breed principe, waar naast afval ook de

bedrijfsvoering en nieuwbouw onder vallen.

-5-

Daarnaast merkt de Commissie op dat een aantal indicatoren nog onvoldoende geoperationaliseerd15 is. Dit geldt bijvoorbeeld voor biodiversiteit, waarbij de gebruikte indicatoren onvoldoende mogelijkheid bieden om uitspraken te doen over het gebied zelf, en die te relateren aan maatregelen of toekomstig beleid.

De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvisie, de ontbrekende informatie over de huidige staat van de leefomgeving zoveel mogelijk aan te vullen in de foto van de leefomgeving. Voeg, waar relevant, aanvullende indicatoren toe en operationaliseer deze zo goed mogelijk. Breng op basis van de aangevulde foto de belangrijkste risico’s en kansen in beeld en vertaal deze naar concrete dilemma’s. Geef daarbij aan welke dilemma’s in vervolgprocedures gemeente- of thema-overstijgend moeten worden opgepakt vanwege de aard van de uitdagingen en mogelijke oplossingen.

Alternatieven Een kernonderdeel van een milieueffectanalyse is het vergelijken van ‘alternatieven’. Inhoudelijk is het een kans om de omgevingsvisie te voeden met (nieuwe) inzichten in (soms onverwachte) kansen en risico’s voor de leefomgeving. Het is ook een kans om mogelijke oplossingen voor de verdeling van de ruimte met elkaar te vergelijken. Het onderzoeken van alternatieven is voor een omgevingsvisie niet altijd nodig. Er zijn verschillende voorbeelden van omgevingsvisies waarvoor geen alternatievenonderzoek is uitgevoerd, maar waar het OER in een iteratief proces een directe rol heeft gespeeld in de concrete uitwerkingen en keuzes die gemaakt worden in de omgevingsvisie. Voor de SEDgemeenten bieden alternatieven echter potentieel belangrijke input voor een onderbouwd gesprek over de mogelijke ontwikkelrichting(en) en te nemen beleidskeuzes. Eventueel conflicterende ambities, te maken keuzes en bijbehorende (omgevings)effecten komen hierdoor in beeld voor de gemeenten tezamen en afzonderlijk. Een voorbeeld hiervan is de woningopgave. Alternatieven dragen bij aan het bepalen van een bandbreedte voor het minimaal en maximaal aantal te bouwen woningen en bij het bepalen van de locatie van de nieuwe woningen.

Zo kunnen de gemeenten ervoor kiezen om volledig in te zetten op inbreiding en/of transformatie in de bestaande kernen, of juist voorontwikkeling van nieuwe wijken in agrarisch gebied aan de randen van bestaande kernen. Ook ligt een keuze voor over de verdeling van de woonopgave tussen de gemeenten. Dergelijke keuzes hebben onderscheidende effecten op de omgeving. Doordat in het OER geen alternatieven zijn onderzocht, is onduidelijk: 

Of alle ambities ingevuld kunnen worden in de beschikbare ruimte, of dat hierin keuzes gemaakt moeten worden.

Welke specifieke ontwikkelmogelijkheden de gemeenten hebben.

Deze punten worden hieronder nader toegelicht.

15

Eenduidig meetbaar en interpreteerbaar maken.

-6-

Passen de ambities in de beschikbare ruimte? In het OER ontbreekt een samenhangend beeld van de ruimtevraag. De fysiek benodigde ruimte voor woningbouw, bedrijventerreinen, nieuwe (fiets)infrastructuur en de energietransitie lijkt op basis van de visiekaart (figuur 1) aanwezig. Of dit inderdaad het geval is, hangt echter af van de exacte invulling van de ambities. Het aantal en type te realiseren woningen heeft bijvoorbeeld een sterke invloed op de ruimtevraag. Ook ruimteclaims van andere ambities, zoals voor biodiversiteit en klimaatadaptatie (water), zijn van invloed op de fysiek beschikbare ruimte. Naast fysiek beschikbare ruimte moet de invulling van de ambities ook passen binnen de beschikbare ‘milieuruimte’. Het gaat dan bijvoorbeeld om beperkingen vanwege geluid en wettelijk beschermde natuur.

Welke ontwikkelmogelijkheden hebben de gemeenten? In het OER is de bandbreedte van mogelijke keuzes niet in beeld gebracht. Hierdoor geeft het OER geen inzicht in de omgevingseffecten en het doelbereik daarvan. Dit is wel belangrijk om in programma’s en plannen onderbouwde keuzes te kunnen maken. Door alternatieven te ontwikkelen, kunnen de gemeenten de kansen en gevolgen van verschillende ontwikkelrichtingen in beeld brengen: "de hoeken van het speelveld verkennen".

Aanbeveling voor het vervolg Een alternatievenonderzoek dat antwoord geeft op bovenstaande vragen, is vooral van waarde wanneer de resultaten een rol spelen in de totstandkoming van de visie. Aangezien de ontwerp omgevingsvisie van de SED-gemeenten al gereed is, ligt het alsnog onderzoeken van alternatieven in deze fase niet voor de hand. Voor de aanscherping van de visie richting uitwerkingsprogramma’s kan een alternatievenonderzoek echter wel van grote meerwaarde zijn. De Commissie beveelt ten zeerste aan om, nadat de dilemma's in beeld zijn gebracht (zie paragraaf 2.2), in vervolgprocedures alternatieve oplossingen te onderzoeken. Dit is vooral van belang voor ‘netwerkaspecten’, zoals energie, mobiliteit, circulariteit, natuur en landschap. Werk waar mogelijk met integrale alternatieven. Beleidsmaatregelen voor biodiversiteit, klimaatadaptatie, groene leefomgeving en ruimtelijke kwaliteit zijn bijvoorbeeld goed te combineren.16 Ook ambities op gebied van woningbouw, voorzieningen, bedrijventerreinen, circulariteit en infrastructuur zijn vaak goed te integreren. Door de ontwikkeling van integrale alternatieven kunnen op gemeente-overstijgend niveau combinaties van maatregelen worden uitgewerkt. Slim gecombineerde maatregelen kunnen elkaar versterken, multifunctioneel ruimtegebruik bevorderen en/of concrete kwantificeerbare oplossingen bieden voor prangende vraagstukken.

16

Het Inspiratieboek Klimaatadaptatie en Biodiversiteit Westfriesland (2022) kan bijvoorbeeld een nuttig hulpmiddel zijn bij het ontwikkelen van dit alternatief.

-7-

Beoordeling van omgevingseffecten, doelbereik en botsproeven 2.4.1

Omgevingseffecten en doelbereik Presentatie van effecten in het Rad van de Leefomgeving De effecten van het voorgenomen beleid zijn getoetst aan de beoordelingsaspecten uit de foto van de leefomgeving en zijn gepresenteerd in het zogenaamde ‘Rad van de Leefomgeving’.17 Het rad lijkt te suggereren dat de ambities uit de omgevingsvisie weinig tot geen invloed hebben op de kwaliteit van de leefomgeving. Dit is mogelijk het gevolg van de manier waarop het rad de onderzoeksresultaten presenteert: 

Positieve en negatieve effecten lijken in de weergave van het rad tegen elkaar weggestreept te zijn. Daarnaast worden in de staafdiagrammen18 positieve en negatieve effecten in termen van aantallen behandeld zonder oog voor de verschillen in ernst, omvang, locatie of schaal. Aantallen (frequenties) kunnen worden opgeteld, maar daarmee zijn de verschillen in de orde van grootte van effecten niet zichtbaar.

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende deelgebieden19, terwijl beleidsuitspraken wel per deelgebied kunnen verschillen. Hierdoor geeft het rad een uitgemiddeld beeld, waaruit niet meer is terug te herleiden hoe effectief de beleidsuitspraken zijn in de verschillende deelgebieden.

Het tweede punt illustreert de Commissie voor de indicator ‘beweegvriendelijke leefomgeving’. Stede Broec en Enkhuizen scoren in de foto ‘groen’ op deze indicator, maar Drechterland ‘oranje’. Daarom is in het OER de referentiesituatie in alle drie de gemeenten als ‘oranje’ beoordeeld. De visie heeft de ambitie om meer sport te faciliteren, dit heeft een positief effect op de indicator ‘beweegvriendelijke leefomgeving’ en wordt daarmee met ‘groen’ beoordeeld. De sportontwikkeling is echter niet voorzien in gemeente Drechterland, maar in de twee andere gemeenten waar deze indicator in de referentiesituatie al positief is beoordeeld.

Plausibiliteit en navolgbaarheid van conclusies OER De Commissie constateert dat verschillende conclusies (beoordelingen) in het OER niet plausibel of navolgbaar zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: 

Beoordeling van aspecten waarvoor de referentiesituatie niet in beeld is: in het OER worden effecten beoordeeld ten opzichte van de foto van de leefomgeving (referentiesituatie). Dit betekent dat effecten in principe niet beoordeeld kunnen worden voor aspecten waarover in de foto geen of onvolledige informatie is opgenomen. Onduidelijk is immers hoe de referentiesituatie eruitziet en dus ook in hoeverre beleidsambities hier een positieve of negatieve invloed op hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor trillinghinder, mobiliteit, (milieueffecten van) landbouw en circulariteit. Mondeling20 hebben de gemeenten daarnaast aangegeven dat het doelbereik (tabel 0-8) niet beoordeeld is ten opzichte van de referentiesituatie. Dat blijkt niet duidelijk uit het

17 18 19

Figuur 7.1 in het OER.

Figuur 0-4 en diverse figuren in paragrafen 5.2 en 5.4 in het OER.

In de visie is het beleid uitgewerkt voor de volgende deelgebieden: West-Fries lintenlandschap; Rechtlijnig landschap;

Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel; Enkhuizen; Hoogkarspel en Venhuizen; Overige kernen; Overige kernenOosterdijk. 20

De Commissie heeft op 26 november 2024 een bezoek gebracht aan de gemeenten, als startpunt van het adviestraject.

Daarnaast heeft de gemeenten en haar adviseurs gesproken tijdens het adviesgesprek op 14 januari 2025.

-8-

OER. De effectiviteit van beleidsmaatregelen (doelbereik) is niet navolgbaar te beoordelen als deze niet is bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. 

Onzekerheden bij beoordelingen op basis van algemene aannames en trends: in het OER zijn verschillende kansen benoemd die zijn gebaseerd op algemene principes en trends. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aspecten duurzame en slimme mobiliteit21 en broeikasgassen22. De uitspraken die in het OER worden gedaan lijken aannemelijk, maar het effect op de omgeving is sterk afhankelijk van de concrete invulling. Die is nog dusdanig onzeker dat ook de waarde van de beoordeling erg onzeker is.

Beoordeling van maatregelen buiten de invloedssfeer van de gemeenten: zoals geconstateerd in paragraaf 2.1 van dit advies, zijn onder andere in de effectbeoordeling voor natuur ‘stimulerende’ maatregelen meegewogen. Deze acties liggen buiten de invloedssfeer van de gemeenten. Het meewegen van deze maatregelen is daarom methodisch discutabel en geeft mogelijk een te gunstig beeld van de omgevingseffecten en het doelbereik.

Inconsistentie in beoordeelde aspecten en indicatoren: knelpunten en aandachtspunten in tabel 0-2 (samenvatting) van het OER komen niet overeen met de aspecten die genoemd worden in de samenvattende tekst. Een aantal relevante aspecten komt in de samenvatting niet meer aan de orde, dit geldt bijvoorbeeld voor gezondheidsaspecten. De beoordelingen in de samenvatting lijken hierdoor inconsistent met de weergave verderop in het OER.

De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvisie, de effectbeoordelingen in het OER te controleren op plausibiliteit en navolgbaarheid. Herzie de beoordelingen waar nodig, mede op basis van de aangevulde informatie in de foto van de leefomgeving. Streep in de presentatie van de beoordelingen positieve en negatieve effecten niet tegen elkaar weg en breng ook verschillen in de ordegrootte van effecten in beeld. Nuanceer de conclusies waar nodig per gemeente of deelgebied.

2.4.2

Botsproeven In het OER zijn botsproeven uitgevoerd, waarin de onderlinge samenhang tussen beleidsuitspraken is beschouwd. De gebruikte terminologie23 suggereert ten onrechte dat omgevingsaspecten in veel bredere zin met elkaar zijn vergeleken. Doordat niet in een bredere context is beschouwd in hoeverre verschillende omgevingsaspecten met elkaar samenhangen en elkaar kunnen beïnvloeden, zijn belangrijke raakvlakken nog niet in beeld. Het gaat bijvoorbeeld om raakvlakken tussen natuur en economie of tussen mobiliteit en duurzaamheid. Omdat de botsproeven geen volledig beeld geven van dergelijke raakvlakken en mogelijke conflicten, wordt ook niet duidelijk of en welke (extra) keuzes gemeenten moeten maken om verschillende ambities te kunnen behalen.

21 22

Voor duurzame en slimme mobiliteit zijn er kansen op positieve effecten door het realiseren van meer laadpalen.

Voor broeikasgassen zijn er kansen op positieve effecten door een toename aan duurzaam opgewekte energie en elektrisch

rijden. Er zijn risico’s op negatieve effecten door een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van woningbouw. 23

Bijvoorbeeld in figuur 0-3 in het OER.

-9-

Aanbeveling voor het vervolg De Commissie beveelt aan om bij de uitwerking van programma’s en plannen, botsproeven uit te voeren voor alle relevante omgevingsaspecten. Breng daarbij de mogelijke conflicten en synergiën in beeld op de relevante raakvlakken, zodat duidelijk wordt waar de gemeenten scherpere keuzes moeten maken voor het oplossen van potentiële conflicten en hoe ze de kansen tot versterking van ambities kunnen verzilveren.

-10-

BIJLAGE 1: Projectgegevens Advies van de Commissie over het op te stellen MER De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep geeft aan welke onderwerpen naar zijn mening moeten worden behandeld in het MER en met welke diepgang. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. ir. Marieke Dijkema mr. drs. Peter Glas (voorzitter) prof. dr. ir. Rob van der Heijden dr. Peter van der Molen Michelle Vanderschuren MSc (secretaris) ir. Suzanne van der Velde Besluit waarvoor dit milieueffectrapport wordt opgesteld Omgevingsvisie. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om het project J11 “stedelijk ontwikkelingsproject” en C2 “windparken”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom wordt een plan-MER opgesteld.

Bevoegd gezag besluit De gemeenteraden van Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland. Initiatiefnemer besluit De colleges van burgemeester en wethouders van Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?

Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft gebruikt? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3859 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16415877/1