CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2 VRNHN was-wordt lijst (2024-06)

Gemeenteraad 26 februari 2024, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Zienswijze wijziging wet GR (2024-06)3.671 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transponeringslijst R VR NHN

De wijzigingen zijn in onderstaand overzicht geel gearceerd. Gemeenschappelijke Regeling VRNHN 2023 Overwegende dat, -

-

-

-

-

-

-

de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders uit een regio een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding veiligheidsregio; deze wet beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing onder één regionale bestuurlijke regie te realiseren; in de wet de omvang van de veiligheidsregio Noord- Holland Noord is bepaald en deze bestaat uit het grondgebied van de zestien deelnemende gemeenten; de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren per 1 januari 2020 in werking is getreden voor werknemers van de sector Ambulancezorg; de Tijdelijke wet ambulance zorg met ingang van 1 januari 2021 is komen te vervallen. Deze tijdelijke wet is vervangen door de Wet ambulancezorgvoorzieningen. Hiermee wordt beoogd de continuïteit van de ambulancezorg voorzieningen voor de lange termijn te waarborgen; de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard per 1 januari 2022 zijn heringedeeld tot een nieuwe gemeente, met de naam Dijk en Waard; de fusie van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard tot de gemeente Dijk en Waard per 1 januari 2022 betekent dat Veiligheidsregio Noord- Holland Noord met ingang van die datum bestaat uit zestien gemeenten;

Gemeenschappelijke Regeling VRNHN 2024 Overwegende dat, -

-

-

-

-

-

de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders uit een regio een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding veiligheidsregio; deze wet beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing onder één regionale bestuurlijke regie te realiseren; in de wet de omvang van de veiligheidsregio Noord- Holland Noord is bepaald en deze bestaat uit het grondgebied van de zestien deelnemende gemeenten; in het algemeen bestuur van 13 oktober 2023 is besloten dat het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en ten minste twee overige leden; de Wet gemeenschappelijke regelingen met ingang van 1 juli 2022 is gewijzigd; de wijzigingen met ingang van 1 juli 2024 moeten zijn doorgevoerd in de gemeenschappelijke regeling; dit aanleiding geeft om de vigerende gemeenschappelijke regeling op onderdelen aan te passen en te actualiseren.

dat daarnaast nog wijzigingen in de gemeenschappelijke regeling dienen te worden aangebracht als gevolg van externe en interne ontwikkelingen in wet- en regelgeving en de organisatie van de veiligheidsregio; - dit aanleiding geeft om de vigerende gemeenschappelijke regeling op onderdelen aan te passen en te actualiseren. besluiten

besluiten

de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio NoordHolland Noord te wijzigen, waardoor deze komt te luiden als volgt:

de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Noord- Holland Noord met ingang van 1 juli 2024 te wijzigen, waardoor deze komt te luiden als volgt:

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VEILIGHEIDSREGIO NOORD-HOLLAND NOORD 2023

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VEILIGHEIDSREGIO NOORD-HOLLAND NOORD 2024

-

DAGELIJKS BESTUUR Artikel 10 Samenstelling

DAGELIJKS BESTUUR Artikel 10 Samenstelling

1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter

1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter

en vier overige leden. 2. De in het eerste lid bedoelde overige leden worden door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 3. De leden van het dagelijks bestuur mogen samen nooit de meerderheid in het algemeen bestuur uitmaken.

en ten minste twee overige leden. 2. De in het eerste lid bedoelde overige leden worden door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 3. De leden van het dagelijks bestuur mogen samen nooit de meerderheid in het algemeen bestuur uitmaken.

INFORMATIE EN VERANTWOORDING Artikel 15 Inlichtingen en verantwoording algemeen bestuur aan raad

INFORMATIE EN VERANTWOORDING Artikel 15 Inlichtingen en verantwoording algemeen bestuur aan raad

Artikel 16 Actieve informatieplicht van bestuur aan raden 1. Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de raden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 2. Bij de informatieverstrekking geldt dat: a. relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium schriftelijk wordt verschaft; b. informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; c. schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (dagelijks bestuur, dagelijks bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door dagelijks bestuur of voorzitter dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd.

HOOFDSTUK 3: BEVOEGDHEDEN BESTUURSORGANEN

Artikel 18a 1. Het (dagelijks) bestuur biedt een strategisch- of meerjarenplan in concept aan de gemeenteraden aan voor zienswijzen. 2. De gemeenteraden geven binnen 10 weken na ontvangst van het concept strategisch- of meerjarenplan hun zienswijze hierover aan het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 3. Het (dagelijks) bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van het strategisch- of meerjarenplan schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

HOOFDSTUK 5: FINANCIELE BEPALINGEN Artikel 26 Kadernota 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin de begroting wordt vastgesteld, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur voor 1 maart van het jaar voorafgaande aan dat waarin de begroting dient hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders naar voren brengen. 3. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de Kadernota schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Het algemeen bestuur stelt de kadernota vóór 15 maart vast. 5. Het algemeen bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. Het dagelijks bestuur zendt het besluit en de kadernota aan de raden, binnen twee weken na de vaststelling als bedoeld in het vierde lid. Artikel 27 Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, een ontwerpbegroting inclusief meerjarenraming en toelichting toe aan de raden van de deelnemers. 2.

Voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting, inclusief wijzigingen, opgenomen ramingen alsmede de rekening resultaten van het voorlaatste jaar. 6.

Artikel 25 Begroting 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast voor 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, een ontwerpbegroting inclusief meerjarenraming en toelichting toe aan de raden van de deelnemers. 3. Voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting, inclusief

4.

5.

6.

7.

wijzigingen, opgenomen ramingen alsmede de rekening resultaten van het voorlaatste jaar. De meerjarenraming omvat een overzicht van lasten en baten voor de drie jaren, volgende op het begrotingsjaar en wordt van een toelichting voorzien. De in de meerjarenraming op te nemen ramingen worden gebaseerd op het loonen kostenpeil dat geldt voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting, verhoogd met de jaarlijks te verwachten trendmatige verhoging. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin deze zienswijze is vervat, bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Na vaststelling zendt het dagelijks bestuur binnen twee weken, maar in ieder geval voor 1 augustus, de begroting aan gedeputeerde staten.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

De meerjarenraming omvat een overzicht van lasten en baten voor de drie jaren, volgende op het begrotingsjaar en wordt van een toelichting voorzien. De in de meerjarenraming op te nemen ramingen worden gebaseerd op het loonen kostenpeil dat geldt voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting, verhoogd met de jaarlijks te verwachten trendmatige verhoging. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen uiterlijk 25 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Bij het voorstel van het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur voegt het dagelijks bestuur een reactienota, waarin gemotiveerd wordt aangegeven op welke wijze de zienswijze wel of niet is verwerkt in dit voorstel. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting geldt schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vijfde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

Het algemeen bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor 15 september, aan gedeputeerde staten.

Artikel 26 Jaarrekening 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin deze zienswijze is vervat bij de voorlopige jaarrekening zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening, vergezeld van de overige in dit artikel bedoelde stukken binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor 15 juli van het jaarvolgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Artikel 28 Jaarrekening 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een ontwerpjaarrekening en accountantsverklaring aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen uiterlijk 25 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de concept bestemming van het rekeningresultaat naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp- jaarrekening zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 3.

4.

5.

4.

Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het algemeen bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling maar in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedupeerde staten. Uiterlijk 15 juli na afloop van het dienstjaar stelt het algemeen bestuur een jaarverslag vast van de door het bestuur van de dienst verrichte werkzaamheden. Dit jaarverslag wordt ter kennis toegezonden aan de raden van de

deelnemers.

Artikel 27 Exploitatieresultaat Bij het vaststellen van de jaarrekening neemt het algemeen bestuur een besluit over de bestemming van het exploitatieresultaat. De artikelen 198, tweede lid, tot en met 201 Gemeentewet zijn voor zoveel nodig van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29 Exploitatieresultaat Bij het vaststellen van de jaarrekening neemt het algemeen bestuur een besluit over de bestemming van het exploitatieresultaat, met inachtneming van artikel 28. De artikelen 198, tweede lid, tot en met 201 Gemeentewet zijn voor zoveel nodig van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28 Garantie deelnemers Voor het betalen van rente en aflossing van geldleningen en in rekening-courant opgenomen gelden staan de deelnemers garant voor zover ter zake door andere overheidsorganen geen garantie is verstrekt. De deelnemers nemen aan de garantie deel in de verhouding van de verdeelsystematiek zoals genoemd in artikel 29. Uit deze bepaling voortvloeiende betalingsverplichtingen worden met de deelnemers afgerekend.

Artikel 30 Garantie deelnemers Voor het betalen van rente en aflossing van geldleningen en in rekening-courant opgenomen gelden staan de deelnemers garant voor zover ter zake door andere overheidsorganen geen garantie is verstrekt. De deelnemers nemen aan de garantie deel in de verhouding van de verdeelsystematiek zoals genoemd in artikel 31. Uit deze bepaling voortvloeiende betalingsverplichtingen worden met de deelnemers afgerekend.

HOOFDSTUK 6: ARCHIEF Artikel 31 Archivering 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen voorziening ingevolge de geldende wetgeving. 2. De secretaris van de Veiligheidsregio is belast met de bewaring en het beheer van deze archiefbescheiden.

Artikel 33 Archiefzorg Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam.

Artikel 34 Archiefbeheer 1. De directeur Veiligheidsregio is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Artikel 35 Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 36 Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 37 Verantwoording 1. De archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2.

Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 38 Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het

2.

openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de

terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. HOOFDSTUK 7: WIJZIGING REGELING

Artikel 41 Voorwaarden uittreding 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk, tenzij wet- en/of regelgeving zich hiertegen verzet. 2. Een deelnemer kan, tenzij wet- en/of regelgeving zich hiertegen verzet, (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wenst terug te nemen. 3. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen, tenzij wet- of regelgeving zich hiertegen verzet. 5.

Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de conceptuittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor

het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de

6.

7.

8.

9.

uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. Het algemeen bestuur van Veiligheidsregio Noord-Holland Noord en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding.

De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 7 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de

10.

uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 7 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel

in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 11. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 12. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 7 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc.

komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 31 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente

13.

14.

15.

16.

17.

naar rato van uittreding. De kosten als bedoeld in lid 11 en lid 12 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste t/m tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. Het algemeen bestuur stelt de conceptuittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het vijftiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt.

HOOFDSTUK 9: SLOTBEPALINGEN Artikel 36 Inwerkingtreding, citeertitel en bekendmaking 1. De gemeente Alkmaar draagt zorg voor de bekendmaking van deze regeling. 2. Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 3. De regeling kan worden aangehaald als ”gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Noord-Holland Noord 2023”.

Artikel 45 Inwerkingtreding, citeertitel en bekendmaking 1. De gemeente Alkmaar draagt zorg voor de bekendmaking van deze regeling. 2. Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 3. De regeling kan worden aangehaald als ”gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Noord-Holland Noord 2024”. HOOFDSTUK 9: EVALUATIEBEPALING Artikel 44 Evaluatiebepaling 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 2. Het dagelijks bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het dagelijks bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving

5.

van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het dagelijks bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13758539/2