11.2 GR WerkSaam was-wordt lijst
Tekst van het document
Was-wordt lijst WerkSaam Huidige tekst
Tekst na wijziging
Nieuw: Artikel 8 en 9 Participatie en inlichtingen
Artikel 8 Participatie Het openbaar lichaam verleent inspraak aan ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Op inspraak is in beginsel de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het openbaar lichaam een andere inspraakprocedure heeft vastgesteld. Artikel 9
• • •
Actieve informatieplicht van bestuur aan raden
Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de raden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de informatieverstrekking geldt dat: Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (dagelijks bestuur, algemeen bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door dagelijks bestuur of voorzitter, dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd.
Artikel 10
Artikel 12
Wet openbaarheid van bestuur
Wijzigt in: Wet open overheid
Artikel 20 Verantwoordings- en informatieplicht
Artikel 21 Verantwoordings- en informatieplicht
4. Het dagelijks bestuur geeft lokale rekenkamers de mogelijkheid onderzoek te doen.
Dit lid vervalt i.v.m. Gemeentewet artikel 184
Artikel 25a Algemene financiële en beleidsmatige kaders Artikel 25 Voorbereiding begroting
Vervallen (is opgenomen in artikel 26) Artikel 27 Voorbereiding kadernota, begroting en jaarrekening. 1
Wordt in het geheel vervangen door: 1. 2.
3.
4. 5. 6.
1. Het dagelijks bestuur stelt een ontwerpbegroting op. Voordat de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, zendt het dagelijks bestuur uiterlijk 15 april deze toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving. De raden beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 3. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het 4. algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. 6.
7.
8.
9.
Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin de begroting wordt behandeld, de kadernota aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient, de conceptbegroting aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. Het dagelijks bestuur dient gelijktijdig met de conceptbegroting de voorlopige jaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient aan de raden toe te sturen. De gemeenteraden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Indien de gemeenschappelijke regeling gebruik maakt van een strategisch of meerjarenplan biedt het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling dit in concept aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. De gemeenteraden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De gemeenteraden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de conceptbegroting en de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling.
De gemeenteraden geven binnen 10 weken na ontvangst van het concept strategisch of meerjarenplan hun zienswijze hierover aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het zesde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de Kadernota, de jaarrekening en het strategisch of meerjarenplan schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde, vijfde en zevende lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
2
Artikel 26: Vaststelling begroting
Artikel 27: Vaststelling begroting
Lid 3 Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Lid 3 Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Artikel 28 Jaarrekening
Artikel 28 Jaarrekening Dit artikel vervalt, want is opgenomen in artikel 25.
Artikel 30 Resultaatbestemming
Artikel 31 Resultaatbestemming
1.
1. Als de jaarrekening sluit met een batig saldo, besluit, met inachtneming van artikel 27, het algemeen bestuur dit saldo geheel of ten dele: c. te bestemmen voor de algemene reserve voor zover deze reserve niet meer bedraagt dan 2,5% van de totale begroting, tenzij op basis van een risicoanalyse blijkt dat een hogere of een lagere algemene reserve noodzakelijk is. d. uit te keren aan de gemeenten naar rato van ieders bijdrage, zoals deze op basis van artikel 27 van deze regeling is vastgesteld voor het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. 2. Als de rekening sluit met een nadelig saldo besluit, met inachtneming van artikel 27, het algemeen bestuur hoe dit saldo wordt gedekt. Als het nadelig saldo structureel blijkt te zijn, wordt een plan opgesteld dat is gericht op het afbouwen en/of dekken van het nadelig exploitatiesaldo. Mocht een aanvullende bijdrage van de gemeenten noodzakelijk zijn, geldt de verdeelsleutel zoals benoemd in artikel 27 van deze regeling.
2.
Als de jaarrekening sluit met een batig saldo, besluit, het algemeen bestuur dit saldo geheel of ten dele: a. te bestemmen voor de algemene reserve voor zover deze reserve niet meer bedraagt dan 2,5% van de totale begroting, tenzij op basis van een risicoanalyse blijkt dat een hogere of een lagere algemene reserve noodzakelijk is. b. uit te keren aan de gemeenten naar rato van ieders bijdrage, zoals deze op basis van artikel 27 van deze regeling is vastgesteld voor het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. Als de rekening sluit met een nadelig saldo besluit, het algemeen bestuur hoe dit saldo wordt gedekt. Als het nadelig saldo structureel blijkt te zijn, wordt een plan opgesteld dat is gericht op het afbouwen en/of dekken van het nadelig exploitatiesaldo. Mocht een aanvullende bijdrage van de gemeenten noodzakelijk zijn, geldt de verdeelsleutel zoals benoemd in artikel 27 van deze regeling.
Artikel
Artikel 35 Evaluatie
Nieuw artikel, zie memo 3
1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 2. Het dagelijks bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het (dagelijks) bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het (dagelijks) bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. 6. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daaropvolgende evaluatieperiode Artikel 36 Uittreding – zie ook memo 1. 2. 3.
4.
Een gemeente kan na besluit van zijn raad en zijn college uit de regeling treden. Uittreding vindt niet eerder plaats dan na 1 januari 2018. Uittreding kan alleen plaatsvinden op de eerste dag van een nieuw kalenderjaar. Een verzoek hiertoe moet uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het jaar van uittreden bij het algemeen bestuur zijn ingediend. De uittredende gemeente is een schadeloosstelling verschuldigd. Deze wordt vastgesteld door het algemeen bestuur op voorstel van een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen waarvan er één wordt aangewezen door de uittredende gemeente, één door het algemeen bestuur en één gezamenlijk.
Artikel 38 Uittreding Wordt in het geheel vervangen door: 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten
4
5.
6.
De schadeloosstelling bedraagt in ieder geval het aandeel in de personeelskosten, gezamenlijk aangegane verplichtingen, frictiekosten en investeringen van de uittredende partij. De uittredende partij betaalt tevens alle kosten die uittreding met zich mee brengt.
behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wenst terug te nemen. 3. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de conceptuittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer.
Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 6. Indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling WerkSaam Westfriesland als bedoeld in artikel 37 van deze regeling. 7. Het algemeen bestuur van WerkSaam Westfriesland en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de 5
uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 8. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 11.
Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten
6
opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 30 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding.
De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste t/m tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het algemeen bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 7
17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Artikel 38 Archief 1. Het bestuur van deze regeling is verplicht de onder haar berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van deze regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het algemeen en dagelijks bestuur van deze regeling wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. 4.
Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van deze regeling, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 de archivaris belast. Met betrekking tot dit toezicht bevat de verordening bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. 5. Voor het beheer van de in lid 3 en 4 bedoelde archiefbescheiden is de archivaris van de archiefbewaarplaats belast.
Artikel 40 Archief Wordt in het geheel vervangen door: 1. Archiefzorg Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. 2. Archiefbeheer a. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. b. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 3. Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats het Westfries Archief. 4. Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Westfries Archief. 5. Verantwoording 8
a. De archivaris van het Westfries Archief brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. b. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. 6. Terbeschikkingstelling a. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. b. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. 7. Beheer archiefbescheiden opgedragen taken a. De deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling besteden het beheer van de archiefbescheiden, ontvangen en opgemaakt als gevolg van de opgedragen taken, uit aan de gemeenschappelijke regeling. b.
Voor de uitvoering van het beheer zoals bepaald in het vorige lid, dragen de deelnemers de bevoegdheden voortvloeiende uit de Archiefwet, Archiefbesluit en Archiefregeling over aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Artikel 42 Toezending regeling
Artikel 42 Toezending regeling
Het college van Hoorn zendt de regeling aan gedeputeerde staten.
Dit artikel vervalt vanwege de wijziging Wgr.
9