Was-wordt lijst Verordening tot wijziging APV Dordrecht, 19e wijziging 10012022.pdf
Tekst van het document
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING
A
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Tenzij anders aangegeven wordt in deze verordening verstaan dan wel mede verstaan onder: a. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk, als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Dordrecht; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. het college: het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Tenzij anders aangegeven wordt in deze verordening verstaan dan wel mede verstaan onder: a. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk, als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Dordrecht; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. het college: het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht; j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Deze wijziging betreft een tekstuele correctie. Abusievelijk is de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' niet als apart lid, maar in die van 'het college' opgenomen. Deze verschrijving is met dit wijzigingsartikel hersteld.
B
Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1. In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1. In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
Deze wijziging bevat tekstuele aanpassingen. In de Algemene plaatselijke verordening werd in diverse artikelen over de Drank- en horecawet gesproken. Deze laatstgenoemde wet is echter sinds 1 juli 2021 vervangen door de Alcoholwet. De tekst van de APV is daarom op dit punt tekstueel geactualiseerd (artikelen 2:24 lid 1 sub d,
1
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
B
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid, niet zijnde een begrafenis of een crematie; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats.
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid, niet zijnde een begrafenis of een crematie; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats.
Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet dranken, rookwaren of spijzen voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis. Onder inrichting wordt tevens verstaan een hierbij behorend terras en andere aanhorigheden, tenzij deze expliciet zijn uitgezonderd; 2. terras: een buiten de besloten ruimte liggend deel van de inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse kunnen worden verstrekt. 3. barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Drank- en horecawet; 4. exploitant: de natuurlijke
Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet dranken, rookwaren of spijzen voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis. Onder inrichting wordt tevens verstaan een hierbij behorend terras en andere aanhorigheden, tenzij deze expliciet zijn uitgezonderd; 2. terras: een buiten de besloten ruimte liggend deel van de inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse kunnen worden verstrekt; 3. barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Alcoholwet; 4. exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon
REDEN VOOR WIJZIGING 2:27 leden 3 en 6, 2:28 lid 2, 2:48 lid 3 sub a en sub b en 3:7 lid 1 sub i onder i).
2
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
B
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven; 5. leidinggevende: 1°. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een inrichting; 2°. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een inrichting; 6. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid Drank- en horecawet; 7. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven; 5. leidinggevende: 1°. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een inrichting; 2°. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een inrichting; 6. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid Alcoholwet; 7. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning inrichting 1. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het eerste lid geldt niet voor een inrichting, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet is verleend en een inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie van deze inrichting ondergeschikt is aan de winkelactiviteit. 3. Voorts geldt het eerste lid niet voor bedrijfskantines en inrichtingen in zorginstellingen, musea, scholen, ziekenhuizen, sportverenigings-, muziekverenigings- en kerkgebouwen, voor zover aan de exploitatie van die inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze gericht is op de bezoekers/ gebruikers van de instelling, sport-, muziekvereniging of kerk waar de inrichting onderdeel van uitmaakt. 4. Indien het verbod, als genoemd in lid 1, op grond van lid 2 of 3 van dit artikel, niet voor een exploitant geldt, is de burgemeester bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen bij het exploiteren van zijn
Artikel 2:28 Exploitatievergunning inrichting 1. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het eerste lid geldt niet voor een inrichting, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is verleend en een inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie van deze inrichting ondergeschikt is aan de winkelactiviteit. 3. Voorts geldt het eerste lid niet voor bedrijfskantines en inrichtingen in zorginstellingen, musea, scholen, ziekenhuizen, sportverenigings-, muziekverenigings- en kerkgebouwen, voor zover aan de exploitatie van die inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze gericht is op de bezoekers/ gebruikers van de instelling, sport-, muziekvereniging of kerk waar de inrichting onderdeel van uitmaakt. 4. Indien het verbod, als genoemd in lid 1, op grond van lid 2 of 3 van dit artikel, niet voor een exploitant geldt, is de burgemeester bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen bij het exploiteren van zijn
REDEN VOOR WIJZIGING
3
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
inrichting. Deze strekken slechts tot bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. 5. De in de leden 2 en 3 genoemde vrijstelling van de vergunningplicht geldt niet voor de terrassen van: a. de in lid 2 bedoelde inrichtingen; b. de in lid 3 bedoelde bedrijfskantines en inrichtingen. 6. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing op de vergunning als genoemd in lid 1 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde.
inrichting. Deze strekken slechts tot bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. 5. De in de leden 2 en 3 genoemde vrijstelling van de vergunningplicht geldt niet voor de terrassen van: a. de in lid 2 bedoelde inrichtingen; b. de in lid 3 bedoelde bedrijfskantines en inrichtingen. 6. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing op de vergunning als genoemd in lid 1 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde.
B
Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken 2. Het is voor personen boven de achttien jaar verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: a. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en horecawet; b. de plaats, niet zijnde een inrichting als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en horecawet.
Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken 2. Het is voor personen boven de achttien jaar verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: a. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. de plaats, niet zijnde een inrichting als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
B
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
REDEN VOOR WIJZIGING
4
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld en/of er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of er in enig ander opzicht sprake is van slecht levensgedrag; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt en, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING
b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld en/of er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of er in enig ander opzicht sprake is van slecht levensgedrag; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt en, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is
5
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: i. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; ii. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; iii. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; iv. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; v. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of vi. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie; j. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt. k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING
tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: i. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; ii. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; iii. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; iv. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; v. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of vi. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie; j. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt. k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de
6
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d.
als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING
Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d.
als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid
7
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING
van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
C
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. 3. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. 4. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:24, tweede lid, onder a, wordt voor de toepassing van dit artikel onder evenement mede verstaan een begrafenis of crematie.
In het nieuwe tweede lid is een verbod opgenomen om enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. In het nieuwe derde lid is voor de strekking van artikel 2:26 het begrip 'evenement' uit artikel 2:24 uitgebreid met crematies en begrafenissen. Met deze twee wijzigingen wordt verwacht dat succesvoller kan worden opgetreden bij evenementen, waarbij verstoring van de openbare orde een reëel gevaar vormt. Deze twee wijzigingen voor artikel 2:26 zijn opgenomen op advies van een werkgroep van het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (het RIEC) die zich bezighoudt met de aanpak van de Outlaw Motorcycle Gangs.
D
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in
Algemeen Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke
8
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke geluidsoverlast van dieren.
APV-ARTIKEL
NIEUW
de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. 3. De last kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet.
REDEN VOOR WIJZIGING hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet ter zake van overtreding van het door de raad bij verordening gestelde voorschrift. Ultimum remedium Uit de Gemeentewet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om opgrond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde
9
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Lid 1 Dit lid is geformuleerd als een zorgplicht. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken. Lid 2 In het tweede lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. Voor alle duidelijkheid: de inhoud van het oude lid 3 is nu onder gebracht in dit lid onder b. In het artikel is niet expliciet bepaald dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen, omdat dit reeds volgt uit de artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Een van de genoemde gevallen is "ernstige vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf". Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 regelt de facto hetzelfde, ook met het tegengaan van overlast als motief. Dit artikel zal naar verwachting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen. De
10
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft. Lid 3 Dit lid regelt expliciet de bevoegdheid van de burgemeester dat de last een verbod kan inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf, Artikel 151d Gemeentewet kan zo worden gelezen dat de raad de handhavingsbevoegdheid van de burgemeester kan reguleren en beperken. De APV kan nadere voorwaarden stellen aan de oplegging van zo'n huisverbod, maar desgewenst kan de gemeenteraad er ook voor kiezen niet de bevoegdheid te geven tot opleggen van een huisverbod. Om onduidelijkheid te voorkomen wordt deze bevoegdheid expliciet benoemd.
E
Afdeling 1 A Commercieel aanbieden deelvoertuigen Artikel 5:12 A Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. deelvoertuig: een publiek toegankelijk voertuig, niet zijnde een auto, dat voor een korte duur (tijd) en tegen betaling in een netwerk wordt aangeboden door een commerciële aanbieder; b. deelvoertuigstation: de haltevoorziening of het dockingstation voor de deelvoertuigen inclusief aanverwante infrastructuur, de plaatsen voor de deelvoertuigen en exclusief het bord dat het deelvoertuigstation aanduidt; c. voertuig: hetgeen hieronder
Toelichting Algemeen Met de nieuwe afdeling 1 A van hoofdstuk 5 wil de gemeente het commercieel aanbieden van deelvoertuigen (niet zijnde auto's) in de openbare ruimte van de gemeente reguleren. Het is een fenomeen dat in Nederland een groeiende populariteit geniet. Het betreft fietsen, bromfietsen of andere voertuigen die bedrijfsmatig ter gebruik in de openbare ruimte worden aangeboden tegen betaling of een op geld waardeerbare tegenprestatie. Deelmobiliteit kan een bijdrage leveren aan een leefbare, duurzame en
11
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1900 en de Wegenwet of indien deze regelgeving geen uitsluitsel geeft, hetgeen daaronder verstaan wordt in het dagelijks gebruik; d. voertuigcategorie: een indeling naar zelfde soort deelvoertuigen; e. voertuigenplafond: het maximum aantal deelvoertuigen van een bepaalde voertuigcategorie waarvoor vergunning(en) wordt verleend; f. vergunningenplafond: het maximum aantal vergunningen dat wordt verleend voor een voertuigcategorie. Artikel 5:12 B Vergunningplicht deelvoertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college deelvoertuigen op een openbare plaats ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden. 2. Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt voor maximaal 2 jaar verleend. 3. Het college wijst voertuigcategorieën aan waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid verleend kan worden. 4. Het college kan bij het gebruik van de bevoegdheid, als bedoeld in het vorige lid, voor een voertuigcategorie een vergunningenplafond en/of een voertuigenplafond vaststellen. 5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de concessiehouder die in Dordrecht op grond van de Wet Personenvervoer 2000 openbaar vervoer met een bus aanbiedt.
Artikel 5:12 C Deelvoertuigstations Het college kan plekken voor het plaatsen van deelvoertuigstations aanwijzen. Artikel 5:12 D Weigerings – en
REDEN VOOR WIJZIGING bereikbare stad en is een middel om minder gestalde voertuigen (met name personenauto's) in de openbare ruimte te krijgen. Door voldoende aanbod aan deelmobiliteit (en openbaar vervoer) zijn inwoners minder aangewezen op het gebruik van een privéauto en kunnen zij op termijn zelfs besluiten hun (tweede) auto weg te doen. Het is van belang dat overlast wordt voorkomen en dat de (deel)voertuigen die worden aangeboden daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de leefbaarheid, duurzaamheid en bereikbaarheid van een stad. Daarom bevat artikel 5:12 B een verbod om zonder vergunning deelvoertuigen commercieel aan te bieden. Het verbod geldt niet voor het bedrijf dat – in opdracht van de provincie Zuid-Holland - in Dordrecht openbaar vervoer met bussen aanbiedt. We willen het beleid deelmobiliteit zo insteken dat aanbieders hun deelvoertuigen daar aanbieden waar ze nodig zijn. Als je zo'n deelvoertuig kunt pakken wanneer en waar je die nodig hebt, zal je eerder geneigd zijn je auto te laten staan of zelfs weg te doen. Auto's zijn uitgezonderd van dit vergunningstelsel via de begripsomschrijving 'deelvoertuig', omdat het deelautobeleid in Dordrecht al wordt gereguleerd via de Parkeerverordening Dordrecht. De vergunningplicht en Europese Dienstenrichtlijn Het aanbieden van deelvoertuigen is een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn.
Deze richtlijn schrijft voor dat een vergunningstelsel voor een
12
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt een vergunning geweigerd, indien: a. het door het college vastgesteld vergunningenplafond of voertuigenplafond door het verlenen van een vergunning wordt overschreden; b. de aanvrager onderdeel uitmaakt van hetzelfde concern waarvan een onderneming die reeds voor dezelfde voertuigcategorie een vergunning heeft, onderdeel uitmaakt. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en 1:8 wordt de vergunning in ieder geval geweigerd cq. ingetrokken, indien de aanvrager c.q. de vergunninghouder niet voldoet aan het bepaalde in de nadere regels, als bedoeld in artikel 5:12 B lid 5. Artikel 5:12 E Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het bepaalde in deze afdeling.
REDEN VOOR WIJZIGING dienst alleen gerechtvaardigd is wanneer aan de volgende eisen voldaan kan worden. 1. Het betreffende vergunningstelstel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverlener; 2. de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; 3. het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn. Ad 1. Het vergunningstelsel kent geen discriminerende werking in de zin van de Dienstenrichtlijn: een ieder kan in principe in aanmerking komen voor een dergelijke vergunning. Wel dient elke aanvrager aan een aantal objectieve eisen te voldoen. Ad 2 en 3. Dordrecht is een eiland en heeft mede daarom beperkte ruimte, zeker in de binnenstad. We weten van ervaringen uit het land dat deelvoertuigen overlast kunnen veroorzaken wanneer zij op allerlei plekken onbeheerd worden achtergelaten en op die plek weer opnieuw worden aangeboden. Dit is ongewenst. Met een vergunningplicht en een toets vooraf proberen we deze overlast te voorkomen c.q. tot een minimum te beperken, dit in het kader van twee dwingende redenen van algemeen belang, namelijk de verkeersveiligheid en het
13
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING stedelijk milieu. Toelichting artikelen Artikel 5:12 A Met de omschrijving van het begrip deelvoertuig in artikel 5:12 A lid a wordt voorkomen dat er discussie ontstaat over de vraag of een voertuig wel een deelvoertuig in de zin van deze afdeling is. In artikel 5.12 A lid b is opgenomen wat in deze afdeling met voertuig bedoeld. Voor de duidelijkheid: het is dezelfde begripsomschrijving als die uit afdeling 1. Steps, Biro's, Segways vallen ook onder dit begrip. Artikel 5:12 B Lid 1 Dit lid creëert de vergunningplicht voor het commercieel aanbieden van deelvoertuigen voor gebruik door derden. Door in dit lid een vergunningplicht in te stellen voor het commercieel aanbieden van deelvoertuigen op openbare plaatsen wordt datgene wat niet is vergund/ toegewezen, verboden. Lid 2 De duur van de vergunning is maximaal twee jaar. Er is hiervoor gekozen om beleid op relatief korte termijn steeds te kunnen aanpassen, omdat deze markt nog volop in ontwikkeling is. Lid 3 Het college wijst voertuigcategorieën aan, waarvoor de vergunningplicht geldt. Dit betekent dat als een deelvoertuig niet onder zo'n aangewezen voertuigcategorie valt, een vergunning niet mogelijk is. De gemeente wil volledige
14
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL
OUD
APV-ARTIKEL
NIEUW
REDEN VOOR WIJZIGING zeggenschap houden welke voertuigen in Dordrecht als deelvoertuig mogen worden aangeboden. Deze markt ontwikkelt zich namelijk op dit moment snel. Lid 4 Het college kan per voertuigcategorie een vergunningenplafond en/of een voertuigenplafond vaststellen. De reden voor deze bevoegdheid is de gemeente vooraf zelf de druk op de beperkte ruimte in de stad moet kunnen bepalen ter bescherming van het stedelijk milieu. De raad geeft met dit lid deze bevoegdheid aan het college. Lid 5 Het verbod als genoemd in lid 2 geldt niet voor de busonderneming die op basis van een concessie van de Provincie Zuid Holland openbaar vervoer met bussen aanbiedt in de zin van de Wet personenververvoer 2000. In dat contract heeft de provincie namelijk een plicht voor de opdrachtnemer opgenomen om voor- en natransport te organiseren. Op grond van artikel 5:12 C kan het college plekken voor het plaatsen van deelvoertuigstations aanwijzen. Dit om verrommeling van de buitenruimte tegen te gaan. Op grond van artikel 5:12 E kan het college nadere regels vaststellen, bijvoorbeeld eisen ten aanzien de wijze van aanbieden van deelvoertuigen e.d. De bevoegdheid is ruim gesteld om snel in te kunnen spelen op (on)gewenste ontwikkelingen.
15
WAS/WORDT LIJST VOOR DE VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING APV-ARTIKEL F
OUD
Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaar en de politieambtenaren werkzaam voor de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, bedoeld in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering.
APV-ARTIKEL
NIEUW
Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaar en de politieambtenaren werkzaam voor de Nationale Politie, bedoeld in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering.
REDEN VOOR WIJZIGING Artikel 6:2 lid 1 is aangepast door geen politie eenheid meer te vermelden. Dit op advies van de VNG Met deze aanpassing wordt voorkomen dat ambtenaren van de politie van de landelijke eenheid - wanneer zij in deze regio werkzaam zijn - niet bevoegd zijn om als toezichthouder voor de APV op te treden.
16