CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorstel Vaststellen Herinvoering exploitatievergunning horeca - Raadsvoorstel.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 30 juni 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 6: Vaststellen Herinvoering exploitatievergunning horeca - Raadsvoorstel5.984 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeentebestuur Spuiboulevard 300 3311 GR DORDRECHT

Aan de gemeenteraad

Datum Zaaknummer

2 juni 2026

Betreft

Vaststellen Herinvoering exploitatievergunning horeca

2026-0052608

Vergadering van Portefeuillehouder: Begrotingsprogramma Kernteam/Opgave: Openbaar:

Nanning Mol Levendig, Leefbaar en Veilig Dordrecht Samenleving - Veiligheid Ja

Voorgesteld besluit 1. de Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging, vast te stellen. 2. de Verordening tot wijziging van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2026, vijfde wijziging, vast te stellen. Deadline Er is geen wettelijke/formele deadline. Het is echter zeer wenselijk dat het college uiterlijk 2 juni 2026 beslist, zodat het voorstel op 16 juni 2026 bij de agendacommissie van de raad ligt. Besluitvorming door de raad uiterlijk 14 juli 2026 is zeer wenselijk, zodat de horecabranche tijdig kan worden geïnformeerd en zich kan voorbereiden op de inwerkingtreding per 1 oktober 2026. Raadsvoorstel Hoe zijn de bevoegdheden rond dit onderwerp verdeeld? Het college bereidt het raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht en het raadsvoorstel tot wijziging van de Legesverordening 2026 voor. De raad stelt deze wijzigingsverordeningen vast. In navolging hiervan trekt de burgemeester het 'Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning' in; daartoe is hij zelfstandig bevoegd. Wat is het doel? Het doel van de “herinvoering van de exploitatievergunning horeca” is tweeledig: 1.

Het ondermijningsproof maken van de APV, zodat ondermijning binnen de horecabranche beter kan worden tegengegaan.

2.

Het creëren van een consistent exploitatievergunningenstelsel voor horeca-inrichtingen, waarbij voor horeca-inrichtingen in beginsel dezelfde vereisten uit de APV gelden in het kader van de openbare orde en het woon- en leefklimaat.

De doelen kunnen worden bereikt door de vrijstellingen van de vergunningplicht op te heffen, zoals deze zijn opgenomen in de APV (sinds 2016) en het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” (sinds 2014). Wat zijn per beslispunt de argumenten en wat is hierop de toelichting? 0. Samenvatting Voorgesteld wordt om de exploitatievergunning voor horeca opnieuw in te voeren. Een exploitatievergunning is een vergunning die een horecaondernemer nodig heeft om een horeca-

Zaaknummer

2026-0052608

inrichting te mogen exploiteren. Deze vergunning is een belangrijk instrument voor de burgemeester om vooraf te beoordelen of een horeca-inrichting verantwoord kan worden geëxploiteerd, met het oog op openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat. Daarnaast maakt de vergunning het mogelijk om ondernemers te toetsen op integriteit (onder andere via de Wet Bibob), voorschriften te verbinden aan de exploitatie en – indien nodig – handhavend op te treden. In Dordrecht is deze vergunningplicht in het verleden grotendeels losgelaten. In 2014 zijn verschillende categorieën horeca, zoals lunchrooms, koffiebars en ijssalons, vrijgesteld van de vergunningplicht vanwege het veronderstelde beperkte risico voor de openbare orde en veiligheid. In 2016 zijn horeca-inrichtingen met een Alcoholwetvergunning ook vrijgesteld van de vergunningplicht. Het doel hiervan was het verminderen van regeldruk voor ondernemers. De praktijk laat echter zien dat deze versoepelingen ook een keerzijde hebben. Zonder exploitatievergunning is er minder zicht op wie er actief is in de sector. Er ontbreken in veel gevallen mogelijkheden om horecaondernemingen vooraf te toetsen en gericht toezicht uit te oefenen. Zo kan bijvoorbeeld bij een lunchroom zonder vergunningplicht niet vooraf worden getoetst of de exploitant een strafrechtelijk verleden heeft en via de horecazaak witwassen faciliteert.

Ook kan de gemeente bij een horecazaak waar regelmatig vechtpartijen plaatsvinden geen gerichte eisen stellen aan bijvoorbeeld beveiliging, toezicht en bedrijfsvoering om dergelijke incidenten te voorkomen. Hierdoor kan minder goed en minder tijdig worden gestuurd op risico’s voor de leefbaarheid en veiligheid. Tegelijkertijd is de context veranderd. De aandacht voor ondermijnende criminaliteit is de afgelopen jaren toegenomen. De horecasector wordt landelijk gezien als kwetsbaar voor misbruik, bijvoorbeeld voor witwassen of het faciliteren van criminele activiteiten. Hoewel concrete signalen niet altijd direct zichtbaar zijn, is preventief optreden van groot belang om te voorkomen dat dergelijke praktijken zich in Dordrecht kunnen vestigen. Het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) heeft geadviseerd om de exploitatievergunningplicht opnieuw in te voeren. Daarnaast wijkt Dordrecht met de huidige situatie af van andere gemeenten in de regio, wat het risico op een aanzuigende werking vergroot. Het opnieuw invoeren van de exploitatievergunningplicht is daarom noodzakelijk. Hiermee krijgt de gemeente weer de mogelijkheid om horeca-inrichtingen vooraf te toetsen, ondernemers te screenen en waar nodig voorwaarden te stellen aan de exploitatie.

Dit versterkt de aanpak van ondermijnende criminaliteit, draagt bij aan de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat en zorgt voor een gelijker en transparanter speelveld voor horecaondernemers. Vrijwel alle horeca, inclusief afhaal- en bezorgrestaurants, komen (weer) onder de vergunningplicht te vallen. Alleen voor paracommerciële instellingen (zoals sportkantines), bedrijfskantines, zorginstellingen en ‘ondergeschikte’ horeca in winkels blijft een vrijstelling bestaan. Tegelijkertijd is er nadrukkelijk oog voor de positie van ondernemers. De vergunning geldt in beginsel voor onbepaalde tijd en hoeft daardoor slechts eenmaal te worden aangevraagd. Een Bibob-onderzoek kan echter na vergunningverlening opnieuw plaatsvinden als daartoe op basis van signalen aanleiding bestaat. Daarnaast wordt gewerkt met overgangstermijnen, wordt de aanvraagprocedure waar mogelijk vereenvoudigd en wordt een specifieke groep ondernemers vrijgesteld van leges. Met dit voorstel beschikt de gemeente weer over het noodzakelijke instrumentarium om Dordrecht veilig en leefbaar te houden en een eerlijke en toekomstbestendige horecasector te waarborgen. 1. Achtergrond Voor een goed begrip van de argumentatie wordt eerst kort de achtergrond geschetst. De exploitatievergunningplicht voor horeca is al lange tijd opgenomen in de APV (artikel 2:28, eerste lid, APV). 1.1.

Vrijstellingsbesluit burgemeester (2014) Echter is in november 2014 het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” genomen door de toenmalige burgemeester (RIS-dossier: 1394953). Daarbij zijn een aantal categorieën horecainrichtingen vrijgesteld van de vergunningplicht in het kader van deregulering. Het gaat om automatieken, broodjeszaken, croissanteries, koffiebars, lunchrooms, ijssalons, tearooms en inrichtingen die worden geëxploiteerd door paracommerciële rechtspersonen. De achterliggende

Zaaknummer

2026-0052608

gedachte hiervan was dat deze soorten horeca vrijwel geen impact hebben op de openbare orde. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat deze inrichtingen gesloten zijn tussen 22:00 en 07:00 uur. 1.2. Wijziging APV door gemeenteraad (2016) In november 2016 heeft de gemeenteraad (RIS-dossier: 1686707) bovendien besloten de APV te wijzigen met het doel de administratieve lasten voor ondernemers te reduceren. Door deze APVwijziging werd de vergunningplicht geschrapt voor inrichtingen die in het bezit zijn van een Alcoholwetvergunning (artikel 2:28, tweede lid, APV). 1.3. Evaluatie (2019) Sindsdien zijn horeca-inrichtingen in Dordrecht dan ook grotendeels vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht. In 2019 heeft een evaluatie plaatsgevonden, waarbij de herinvoering van de exploitatievergunningplicht aan bod kwam (RIS-dossier: 2422758). Toen is besloten daar niet toe over te gaan, maar eerst andere instrumenten te benutten. Inmiddels is gebleken dat alternatieve middelen, zoals het opleggen van maatwerkvoorschriften en de vergunningplicht voor malafide ondernemers, onvoldoende handvatten bieden om effectief te kunnen optreden. Kort gezegd omdat deze maatregelen niet preventief kunnen worden ingezet en de (juridische) lat om deze maatregelen toe te passen erg hoog ligt.

Daardoor is een maatwerkvoorschrift slechts in twee gevallen opgelegd, terwijl een aanwijzing van malafide ondernemers of branches nog niet heeft plaatsgevonden. 2. Argumenten “herinvoering exploitatievergunning” 2.1. Aanleiding RIEC - gezamenlijke strijd tegen ondermijnende criminaliteit Het Aanjaagteam Ondermijning, dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid, heeft een handreiking APV en ondermijning voor gemeenten opgesteld in samenwerking met verschillende gemeenten, Regionaal Informatie- en Expertisecentra (RIEC) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze handreiking ziet erop om de gemeentelijke APV’s ondermijningsproof te maken door de APV’s te verrijken met die bepalingen die het mogelijk maken om ondermijning tegen te gaan. Het RIEC-accountmanagement heeft bekeken welke stappen nog gezet kunnen worden om de APV in Dordrecht ondermijningsproof te maken. Daaruit blijkt dat het herinvoeren van de exploitatievergunningplicht een noodzakelijke stap is. Daarbij is geconstateerd dat de APV in Dordrecht op dit punt nadrukkelijk afwijkt van andere gemeenten in de regio, en is in dat kader ook gewezen op verplaatsingseffecten (waterbed effect). Het RIEC heeft de gemeente Dordrecht in 2023 geadviseerd te onderzoeken of de vrijstellingen van de vergunningplicht kunnen worden opgeheven (ook wel “herinvoering van de exploitatievergunningplicht” genoemd). 2.2.

Opheffing vrijstellingen vergunningplicht in APV en Vrijstellingsbesluit Om de APV in Dordrecht ondermijningsproof te maken, en daarmee de weerbaarheid tegen ondermijnende criminaliteit te vergroten, is het noodzakelijk om de genoemde vrijstellingen op te heffen, zoals geadviseerd door het RIEC. Hiervoor moet allereerst de APV worden gewijzigd door de gemeenteraad, door de daarin per november 2016 opgenomen vrijstelling te laten vervallen in artikel 2:28, tweede lid, APV. Ten tweede zal het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” van november 2014 moeten worden ingetrokken door de burgemeester. De consequentie hiervan is dat inrichtingen die zijn vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht omdat zij beschikken over een Alcoholwetvergunning, alsnog exploitatievergunningplichtig worden en een aanvraag om een exploitatievergunning moeten indienen. Dit geldt eveneens voor de inrichtingen die vallen onder de categorieën die zijn genoemd in het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” (zoals lunchrooms en ijssalons). 2.3. Paracommerciële rechtspersonen De vrijstelling die geldt voor inrichtingen die worden geëxploiteerd door paracommerciële rechtspersonen (zoals deze sinds 2014 is opgenomen in het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning”) kan in stand worden gelaten en worden overgeheveld naar artikel 2:28, derde lid, van de APV.

De hierbij in het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” reeds gestelde voorwaarde dat deze inrichtingen niet geopend zijn buiten het tijdvak van 07:00 uur tot 22:00 uur, blijft daarbij in stand. Uit de overleggen met de verschillende partners is namelijk niet gebleken van een noodzaak om deze vrijstelling voor deze specifieke groep inrichtingen op dit moment te laten vervallen. 2.4. Afhaal- en bezorgrestaurants In de handreiking van het RIEC worden ook 'afhaalpunten, fast- en foodbezorging, take away, en maaltijdbezorging' onder de exploitatievergunningplicht gebracht. Dergelijke 'afhaal- en

Zaaknummer

2026-0052608

bezorgrestaurants' vallen op dit moment in Dordrecht niet onder het begrip ‘inrichting’ in de zin van artikel 2:27 APV, waardoor deze categorie om die reden buiten de exploitatievergunningplicht valt. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat met deze categorie wordt gedoeld op inrichtingen waar niet ‘ter plaatse’ dranken en spijzen kunnen worden gebruikt. Voorgesteld wordt om het advies van het RIEC over te nemen en de zogenoemde 'afhaal- en bezorgrestaurants' (waar dus niet ‘ter plekke’ dranken en spijzen kunnen worden gebruikt) ook onder het begrip 'inrichting' van artikel 2:27 APV te laten vallen. Deze ondernemingsvorm is de laatste jaren sterk in populariteit toegenomen en is nauw verwant aan 'reguliere' horecazaken. Door de 'afhaal- en bezorgrestaurants' exploitatievergunningplichtig te maken, wordt voorkomen dat zij de Bibob toets ontlopen. Het voorkomt dat horeca-inrichtingen de exploitatievergunningplicht omzeilen door het afschaffen van (beperkte) zitgelegenheid. Het risico op een verplaatsingseffect naar deze branche, wordt daarmee gemitigeerd. De voorgestelde aanscherping verkleint het risico op ondermijning en voorkomt dat de gemeente onbewust criminele activiteiten faciliteert.

Het exploitatievergunningplichtig maken van 'afhaal- en bezorgrestaurants' komt om de genoemde redenen landelijk steeds vaker voor, bijvoorbeeld in de gemeenten Alkmaar, Schagen, Roosendaal, Ede, Den Helder, Ermelo en Arnhem. In dit kader wordt ten slotte geadviseerd om in de definitie 'inrichting' te verduidelijken dat ook coffeeshops waar uitsluitend kan worden afgehaald (voor gebruik elders dan ‘ter plaatse’) onder de exploitatievergunningplicht vallen. Sinds de invoering van het rookverbod komt het namelijk steeds vaker voor dat een coffeeshop geen gelegenheid meer biedt om ‘ter plaatse’ in de inrichting te gebruiken. Ook dit type coffeeshop dient onder de exploitatievergunningplicht te blijven vallen. Op basis van een analyse van de inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel (KvK) wordt ingeschat dat de categorie 'afhaal- en bezorgrestaurants' (waar dus niet ‘ter plekke’ dranken en spijzen kunnen worden gebruikt) op dit moment beperkt is in Dordrecht. Naar schatting gaat het om circa 18 inrichtingen. 2.5. Tegengaan (ondermijnende) criminele activiteiten – uitvoeren Bibob-toets Zoals hiervoor reeds beschreven, is het voornaamste doel van de “herinvoering van de exploitatievergunningplicht” het ondermijningsproof maken van de APV waarmee de weerbaarheid tegen ondermijnende criminaliteit in Dordrecht wordt vergroot.

De Wet Bibob vormt daarbij een belangrijk onderdeel van de aanvraagprocedure voor een exploitatievergunning. Een Bibobonderzoek is noodzakelijk om de horecabranche, die gevoelig is voor criminogene invloeden, te beschermen tegen illegale praktijken. Door middel van een Bibob-onderzoek kan de integriteit van de aanvrager, financier, zeggenschaphebbende en zakelijke relatie worden beoordeeld. Als neveneffect kan de mogelijkheid van een Bibob-onderzoek aan de voorkant een afschrikkend effect hebben, zodat criminelen zich niet in Dordrecht vestigen. Het draagt bovendien bij aan de bescherming van de concurrentiepositie van bonafide ondernemers. De noodzaak voor een exploitatievergunning ligt (naast het beheersen van openbare orde) alleen al in het feit dat er zonder vergunningplicht geen mogelijkheid is om inrichtingen (zonder Alcoholwetvergunning) te onderwerpen aan een Bibob-onderzoek en om ondernemers te screenen op hun levensgedrag. Door de vrijstellingen van de vergunningplicht op te heffen, kan bij horecainrichtingen (alsnog) een Bibob-onderzoek worden uitgevoerd. Dit belang geldt in het bijzonder voor de inrichtingen die nu nog vallen onder het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning”, aangezien zij niet beschikken over een Alcoholwetvergunning en (in beginsel) niet eerder zijn onderworpen aan een Bibob-onderzoek.

Aangezien de Alcoholwet eveneens een grondslag biedt voor het uitvoeren van een Bibob-onderzoek is het belang van het laten vervallen van de vrijstelling voor de exploitatievergunning in zoverre minder groot voor de categorie inrichtingen die reeds over een Alcoholwetvergunning beschikt. 2.6. Bescherming openbare orde en woon- en leefklimaat De “herinvoering van de exploitatievergunning” dient ook een ander doel, namelijk het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van horeca-inrichtingen. De vergunningplicht in de APV biedt hiervoor de basis. Dit geldt temeer voor inrichtingen met een Alcoholwetvergunning die nu zijn vrijgesteld van de exploitatievergunning. Juist bij inrichtingen waar alcohol wordt geschonken is het risico op incidenten die invloed hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat immers groter. In dit kader wordt gewezen op de volgende argumenten:

Zaaknummer

2026-0052608

a. Preventieve toets woon- en leefklimaat De exploitatievergunning dient een ander doel dan de Alcoholwetvergunning, namelijk de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat vs. (primair) de volksgezondheid. De exploitatievergunning is daarmee primair een overlastvergunning: zij biedt de burgemeester de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horeca-inrichting zich verdraagt met het woon- en leefklimaat ter plaatse. b. Vergunningvoorschriften De exploitatievergunning biedt – anders dan de Alcoholwetvergunning – de burgemeester de mogelijkheid voor het verbinden van voorschriften en beperkingen ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat (zoals de beperking van openingstijden, de verplichting van een veiligheidsplan, de verplichting van portiers en ‘maatwerkvoorschriften’ gebaseerd op de specifieke situatie). Aan een Alcoholwetvergunning mogen alleen voorschriften worden verbonden die betrekking hebben op de verstrekking van alcohol. c. Weigeringsgronden De burgemeester heeft de mogelijkheid om de vestiging van een horeca-inrichting vooraf te toetsen. Hij kan een vergunning onder meer weigeren indien het woon- en leefklimaat of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, indien de vestiging in strijd is met het omgevingsplan en indien de exploitant en leidinggevenden van slecht levensgedrag zijn. d.

Uitoefenen toezicht Er zijn meer mogelijkheden voor het uitoefenen van toezicht. Zonder exploitatievergunningplicht hoeven ondernemers die geen alcohol schenken geen vergunning aan te vragen bij de gemeente. Er is geen contactmoment met de gemeente, Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) of het ondernemersloket en deze ondernemers blijven daardoor 'buiten beeld'. Pas als de ondernemers hun horeca-activiteiten uitoefenen zullen zij opgemerkt worden door bijvoorbeeld Handhaving of de wijkmanager. Tot die tijd is niet bekend dat deze ondernemers zich gevestigd hebben in Dordrecht. e. Meer mogelijkheden handhaving Het biedt meer mogelijkheden om te handhaven en in dat kader maatwerk te bieden. De mogelijkheid om adequaat handhavend te kunnen optreden is een absolute voorwaarde om de openbare orde, leefbaarheid en veiligheid te kunnen waarborgen. Zonder exploitatievergunning kan niet adequaat worden opgetreden tegen incidenten die zien op de exploitatie van de inrichting. Bij ondernemers met een Alcoholwetvergunning kan alleen handhavend opgetreden worden naar aanleiding van die vergunning. Handhaving ziet dan alleen op de Alcoholwet.

Een exploitatievergunning kan als handhavingsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, bijvoorbeeld indien de vergunningsvoorwaarden worden overtreden, indien er sprake is van schijnbeheer of discriminatie, of indien zich feiten voordoen die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting. f. Rechtsbescherming De komst van een horeca-inrichting heeft impact op het woon- en leefklimaat. Door het ontbreken van een exploitatievergunning hebben omwonenden en overige belanghebbenden geen mogelijkheid op te komen tegen de vestiging van een horeca-inrichting. Dit gaat dus ten koste van de rechtsbescherming van burgers. g. Consistent vergunningenstelsel Gelet op het voorgaande is er noodzaak om niet alleen de vrijstellingen in het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” op te heffen, maar ook die voor inrichtingen met een Alcoholwetvergunning in artikel 2:28, tweede lid, APV. Het zou bovendien afbreuk doen aan de consistentie van het exploitatievergunningenstelsel als Alcoholwetvergunninghouders wel vrijgesteld zouden blijven, temeer omdat juist bij dit type inrichtingen eerder incidenten in relatie tot de openbare orde en het woon- en leefklimaat vallen te verwachten.

Het is van groot belang dat voor (vrijwel) iedere horeca-inrichting dezelfde vereisten uit de APV gelden in het kader van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. 3. Argumenten waarborgen belangen ondernemers De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de “herinvoering” van de exploitatievergunningplicht vraagt om een zorgvuldige afweging van uiteenlopende aspecten, met oog voor enerzijds het

Zaaknummer

2026-0052608

versterken van de aanpak van ondermijnende criminaliteit en het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, en anderzijds het voorkomen van onnodige belasting van horecaondernemers. Daarom wordt voorzien in de volgende waarborgen voor reeds bestaande horeca-inrichtingen. 3.1. Bibob-beleidslijn Uit de sinds 1 januari 2020 geldende 'Bibob-beleidslijn gemeente Dordrecht' volgt dat eigen Bibobonderzoek in beginsel standaard plaatsvindt bij elke aanvraag om een exploitatievergunning. Een uitzondering hierop geldt voor ondernemers die in de twee jaren voor hun aanvraag reeds (in een ander kader) met positief resultaat zijn onderzocht op grond van de Wet Bibob (tenzij sprake is van relevante signalen). Deze uitzondering zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor inrichtingen die reeds zijn onderzocht in het kader van hun Alcoholwetvergunning. De beleidslijn wordt momenteel geactualiseerd. In dat kader bestaat de intentie om in de nieuwe beleidslijn op te nemen dat voor horeca-inrichtingen met een Alcoholwetvergunning een termijn van 5 jaar geldt in plaats van 2 jaar in verband met de aanvraag om een exploitatievergunning, vanwege de nauwe relatie tussen de twee vergunningen en het feit dat het hier gaat om bestaande horeca-inrichtingen die reeds enige tijd worden geëxploiteerd.

Daardoor zal een groter deel van de bestaande horeca-inrichtingen niet opnieuw onderworpen hoeven te worden aan een Bibob-onderzoek. Op basis van een analyse van KvK-gegevens en de registratie van de huidige Alcoholwetvergunninghouders, wordt ingeschat dat bij circa 20% van de totaal te verwachten aanvragen om een exploitatievergunning van bestaande horeca-inrichtingen een Bibob-onderzoek achterwege kan blijven. Uiteraard worden startende nieuwe horecaondernemers na de herinvoering van de exploitatievergunningplicht wel onderworpen aan een Bibob-onderzoek, net als de bestaande horeca-inrichtingen die niet vallen onder de genoemde (5 jaars) uitzondering. Daarbij staat voorop dat de aanvrager alleen de gegevens hoeft te verschaffen waarover hij redelijkerwijs (nog) de beschikking kan krijgen. In dat kader wordt samen met OZHZ onderzocht of, en zo ja op welke wijze, het Bibob-vragenformulier kan worden aangepast voor bestaande ondernemers. 3.2. Inwerkingtreding en gefaseerde overgangstermijnen Door de herinvoering van de exploitatievergunningplicht moeten zowel bestaande als startende horeca-inrichtingen een exploitatievergunning aanvragen. Ervan uitgaande dat definitieve besluitvorming in de raad plaatsvindt in juli 2026, wordt voorgesteld de Verordening tot wijziging van de APV, 26e wijziging, in werking te laten treden per 1 oktober 2026.

Daarmee wordt ruimte gecreëerd om de horecabranche te informeren en voor te bereiden (communicatie), en het vergunningsverleningsproces verder te verfijnen. Dit zou betekenen dat nieuwe horeca-inrichtingen die vanaf deze datum willen starten, in het bezit moeten zijn van een exploitatievergunning. Voor bestaande horecaondernemers zonder een exploitatievergunning wordt voorgesteld om in de APV een gefaseerde overgangsregeling op te nemen, zodat hen een redelijke termijn wordt gegeven om zich aan te passen aan de gewijzigde regelgeving en bovendien wordt bijgedragen aan de zorgvuldigheid en evenredigheid van het proces. Hierbij komt dat een gefaseerde overgangsregeling de uitvoerbaarheid ten goede komt, gelet op het totaal aantal te verwachten aanvragen. Voorgesteld wordt om de volgende gefaseerde overgangstermijnen op te nemen in de APV: 1.

Inrichtingen onder het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” (circa 55 inrichtingen): 6 maanden; uiterlijk per 1 april 2027 een exploitatievergunning.

2.

Inrichtingen met een Alcoholwetvergunning (circa 140 inrichtingen): 9 maanden; uiterlijk per 1 juli 2027 een exploitatievergunning.

3.

Afhaal- en/of bezorgrestaurants (circa 18 inrichtingen): 12 maanden; uiterlijk per 1 oktober 2027 een exploitatievergunning.

Categorie 1 betreft de intrekking van het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning” door de burgemeester per genoemde datum. Categorie 2 en categorie 3 betreffen een wijziging van de APV door de gemeenteraad. Hierbij wordt benadrukt dat de inrichtingen al 2 à 3 maanden vóór het einde van hun overgangstermijn een aanvraag moeten indienen bij OZHZ, aangezien er immers een behandeltermijn (van in eerste instantie 8 weken) van toepassing is. Daar wordt in de communicatie op aangestuurd.

Zaaknummer

2026-0052608

3.3. Omgevingsplan In de huidige APV is opgenomen dat een vergunning wordt geweigerd door de burgemeester als de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan. Voorgesteld wordt om in de overgangsbepaling in de APV op te nemen dat deze weigeringsgrond niet geldt voor bestaande horeca-inrichtingen die al worden geëxploiteerd vóór de herinvoering van de exploitatievergunningplicht. Deze weigeringsgrond is immers in beginsel gericht op startende horeca-inrichtingen, waarbij voorafgaand aan de start van de exploitatie kan worden getoetst of zij passen binnen het omgevingsplan. Daarbij komt dat deze toets ook verder afstaat van de doelen die met de herinvoering van de exploitatievergunningplicht worden beoogd. Het buiten toepassing laten van de weigeringsgrond laat overigens onverlet dat bij strijd met het omgevingsplan kan worden opgetreden via omgevingsrechtelijke handhaving, zoals dat nu ook al het geval is bij reeds bestaande horeca-inrichtingen die momenteel zijn vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht. 3.4. Legeskosten Op grond van de Legesverordening betaalt iedereen die een exploitatievergunning aanvraagt leges. De kosten bedragen € 926,- per 2026.

Mede gelet op een eerdere door Koninklijke Horeca Nederland Drechtsteden (KHN) ingediende zienswijze is onderzocht of bepaalde groepen inrichtingen kunnen worden vrijgesteld van het betalen van leges. Daarbij is gebruikgemaakt van de expertise van het Juridisch Kenniscentrum (JKC) en Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden (GBD). Er bestaat aanleiding om één specifieke groep vrij te stellen van leges. Het gaat dan om de groep horeca-inrichtingen die vóór 1 januari 2017 beschikten over een exploitatievergunning voordat zij van deze vergunningplicht werden vrijgesteld, en die sindsdien in dezelfde hoedanigheid zijn voortgezet. Het gegeven dat deze groep beschikte over een exploitatievergunning die is komen te vervallen, rechtvaardigt (gelet op het gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel) dat voor hen andere regels gelden dan voor horecaondernemers die later zijn gestart en geen exploitatievergunning hebben gehad. Een aandachtspunt is dat - o.a. vanwege tijdsverloop - uit de systemen van OZHZ en de gemeente niet volledig meer valt te herleiden om welke exacte inrichtingen het gaat. Daarom wordt beoogd om voor de vrijstelling van leges als peildatum 1 januari 2017 aan te houden, aangezien deze datum kort na de inwerkingtreding van de laatste exploitatievergunningvrijstelling in november 2016 is gelegen.

Dit komt de uitvoerbaarheid ten goede en werkt bovendien ten voordele van de horecabranche. Ter voorkoming van een onnodige lastenverzwaring en onevenredige benadeling van ondernemers, wordt aldus voornoemde wijziging van de Legesverordening 2026 voorgesteld (beslispunt 2). De vrijstellingsbepaling zal ook in de Legesverordening 2027 worden opgenomen, waarna de bepaling naar verwachting per 1 januari 2028 kan worden geschrapt (omdat de betreffende horecainrichtingen in de loop van 2027 weer over een exploitatievergunning moeten beschikken). Op basis van een analyse van KvK-gegevens wordt ingeschat dat circa 46 inrichtingen vallen onder de legesvrijstelling. De behandelkosten van de aanvragen van deze groep zullen uit de algemene middelen moeten worden bekostigd. In de paragraaf over de financiële gevolgen wordt hier nader op ingegaan. 4.Resumerend 4.1. Beslispunt 1 (APV) Kortom; met de 26e wijziging van de APV worden concreet de volgende zaken doorgevoerd: 1. Het begrip ‘inrichting’ in artikel 2:27 APV wordt verduidelijkt door “afhaalcoffeeshops” nu expliciet te noemen en aangevuld met “afhaal- en/of bezorgrestaurants”, waardoor deze laatstgenoemde branche onder de exploitatievergunningplicht komt te vallen. 2. De vrijstelling voor Alcoholwetvergunninghouders wordt verwijderd uit artikel 2:28, tweede lid, APV. 3.

De vrijstelling die geldt voor paracommerciële rechtspersonen, zoals deze sinds 2014 is opgenomen in het “Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning”, wordt overgeheveld naar artikel 2:28, derde lid, APV. 4. Overgangsbepalingen om te voldoen aan de exploitatievergunningplicht worden toegevoegd aan artikel 6:5 A APV, voor Alcoholwetvergunninghouders en voor “afhaal- en/of bezorgrestaurants”. 5. In de overgangsbepaling wordt opgenomen dat de weigeringsgrond 'strijd met omgevingsplan' niet geldt voor reeds bestaande horeca-inrichtingen.

Zaaknummer

2026-0052608

4.2. Beslispunt 2 (Legesverordening) Met de 5e Wijziging van de Legesverordening 2026 wordt een vrijstellingsbepaling toegevoegd, waardoor een specifieke groep 'oudere' horeca-inrichtingen geen legeskosten hoeven te betalen voor hun vergunningaanvraag. Wat zijn kanttekeningen en/of risico’s bij dit voorstel? 1. Verhoging regeldruk ondernemers Door de herinvoering van de exploitatievergunning worden de administratieve lasten voor ondernemers vergroot. Horeca-inrichtingen moeten immers een (extra) vergunning aanvragen. In dat kader moeten zij diverse gegevens aanleveren. Omdat een exploitatievergunning (met uitzondering voor coffeeshops) voor onbepaalde tijd geldt, hoeft een aanvraag slechts eenmaal te worden gedaan. Dit betekent overigens niet dat nadien (na vergunningverlening) niet nog eens een Bibob-onderzoek kan plaatsvinden als signalen daartoe aanleiding geven. In het geval van een nieuwe horeca-inrichting die alcohol wil schenken, kunnen de aanvragen om een Alcoholwetvergunning en een exploitatievergunning gelijktijdig worden ingediend en vervolgens simultaan worden behandeld. Voor zover er overlap bestaat in de te verstrekken gegevens, hoeven deze gegevens in dat geval vanzelfsprekend maar eenmaal te worden aangeleverd.

Voor de huidige reeds bestaande horeca-inrichtingen geldt dat zij eveneens een exploitatievergunning moeten aanvragen, met inachtneming van de beschreven overgangstermijnen. Horeca-inrichtingen die al beschikken over een Alcoholwetvergunning kunnen het gevoel krijgen dat zij dezelfde gegevens opnieuw moeten aanleveren. Hierbij staat echter voorop dat de aanvrager alleen de gegevens hoeft te verschaffen waarover hij redelijkerwijs (nog) kan beschikken. Met OZHZ wordt onderzocht of, en zo ja op welke wijze, de aanvraagprocedure (en het Bibob-vragenformulier) kan worden aangepast, zodat het proces zo eenvoudig en ondernemersvriendelijk is en de regeldruk niet onnodig wordt verhoogd. 2. Kostenverhogend voor ondernemers De herinvoering van de exploitatievergunningplicht betekent dat ondernemers voor dit product leges gaan betalen. Het legestarief bedraagt in 2026 € 926,-. Alleen bestaande horecaondernemers die reeds vóór 1 januari 2017 beschikten over een exploitatievergunning en sindsdien in dezelfde hoedanigheid zijn voortgezet, worden hiervan vrijgesteld in de Legesverordening. In het kader van het algemene kostenplaatje voor een startende ondernemer wordt nog gewezen op het volgende. In sommige gevallen dient een ondernemer ook een omgevingsvergunning aan te vragen met bijbehorende legeskosten.

In dat geval is een ondernemer al snel circa € 2.000,- kwijt aan vergunningen voordat hij is gestart. Als een ondernemers alcohol wil schenken komt daar nog een Alcoholwetvergunning bij met een legestarief van € 371,-. Dit kan voor een startende ondernemer een drempel opwerpen om te gaan ondernemen, terwijl ondernemersdienstverlening bij het college hoog op de agenda staat. Hierbij komen nog de kosten die ondernemers kwijt zijn aan het (eventueel via derden zoals hun boekhouder) achterhalen van de voor de aanvragen benodigde gegevens. 3. Weigeringsgronden vs. levendigheid In de huidige APV en de Wet Bibob staan diverse weigeringsgronden, waaraan moet worden getoetst bij een vergunningaanvraag. Het kan voorkomen dat een beperkt deel van de bestaande horeca-inrichtingen niet volledig door deze toets komt, bijvoorbeeld vanwege het levensgedrag van de exploitant of omdat er een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in de Wet Bibob. Alhoewel de herinvoering van de exploitatievergunningplicht juist beoogt om een dergelijke toetsing mogelijk te maken, kan de keerzijde hiervan zijn dat een enkele bestaande horeca-inrichting zijn exploitatie moet staken omdat de vergunningaanvraag wordt afgewezen. Dit kan in voorkomende gevallen een (tijdelijke) impact hebben op de levendigheid van de stad. 4.

Juridisch risico: ‘oude’ vergunningen Horecaondernemers die vóór de vrijstellingen van de exploitatievergunningplicht (dus vóór november 2014, respectievelijk november 2016) in het bezit waren van een exploitatievergunning, dienen eveneens een nieuwe exploitatievergunning aan te vragen. Het is juridisch niet mogelijk om deze groep bijvoorbeeld ambtshalve opnieuw een vergunning te verlenen of de 'oude' vergunningen te laten herleven. ‘Oude’ ondernemers zouden zich echter op het standpunt kunnen stellen dat zij nog een ‘oude’ vergunning hebben en dat zij om die reden

Zaaknummer

2026-0052608

geen nieuwe vergunning hoeven aan te vragen. Om dit (juridische) risico zo veel mogelijk te mitigeren wordt voorgesteld deze groep vrij te stellen van het betalen van leges. 5. Juridisch risico: beperkte groep legesvrijstelling Er bestaat in juridische zin geen aanleiding om andere groepen vrij te stellen van leges, zoals bijvoorbeeld de ondernemingen die reeds in het bezit zijn van een Alcoholwetvergunning. De exploitatievergunning betreft een vergunning van andere aard en de behandeling van de aanvraag vergt een nieuwe beoordeling met bijbehorende behandelkosten. Dat veel ondernemingen een tijd lang zijn vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht, maakt niet dat zij om die reden nu geen leges hoeven te betalen na het vervallen van die vrijstelling. Er bestaat echter een risico dat er juridische procedures zullen worden gevoerd over de heffing van leges, dan wel de legesvrijstelling voor een beperkte groep. Welk (participatie)proces is doorlopen om tot dit voorstel te komen? Interne en externe partners Bij de voorbereiding van dit voorstel zijn verschillende externe en interne partners betrokken, te weten OZHZ, politie, Team Handhaving, ondermijnings- en Bibob-specialist Team Veiligheid, Team Financiën, Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden (GBD), Juridisch Kenniscentrum (JKC) en Dordt Onderneemt.

Verder is de ontwerp APV-wijziging getoetst door de Juridische Adviesgroep Regelgeving (JAR). Horeca-branche Branchevereniging Koninklijke Horeca Nederland Drechtsteden (KHN) is op meerdere momenten in 2025 en 2026 geïnformeerd over het onderzoek naar en de voortgang van het traject 'herinvoering exploitatievergunning'. Op 2 februari 2025 heeft KHN een schriftelijke reactie gegeven, die is betrokken bij het onderzoek en de voorbereiding van het voorstel. Daarnaast heeft het onderwerp op de agenda gestaan tijdens het Horeca Overleg Platform (HOP) op 10 november 2025. Inspraakprocedure In de periode van 6 maart 2026 tot en met 16 april 2026 heeft het concept-besluit 'Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging' en de voorgenomen intrekking van het 'Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning' ter inzage gelegen. Daarbij is aangegeven wat de gevolgen zijn voor de branche van de herinvoering van de exploitatievergunning. Vanuit Dordt Onderneemt is de inspraakmogelijkheid extra onder de aandacht gebracht van de horecabranche via een mailbericht aan circa 200 horecaondernemers. Verder heeft KHN hier aandacht aan besteed in hun eigen nieuwsbrief. Er is desondanks slechts één summiere zienswijze binnengekomen.

Wat zijn de belangrijkste gerelateerde besluiten? Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning (2014) - raadsinformatiebrief Initiatiefvoorstel Lastenvermindering met oog voor veiligheid - raadsvoorstel https://www.dordrecht.nl/pls/idad/mozEgemDocument?F_DOCNR=5854218 (RIS-dossier: 1610129) Evaluatie regeling exploitatievergunningen (2019) - raadsinformatiebrief Hoe wordt dit betaald? De herinvoering van de exploitatievergunningplicht brengt zowel eenmalige (incidentele) als terugkerende (structurele) kosten met zich mee. Op basis van de huidige inzichten zijn de volgende kostenposten in kaart gebracht. Incidentele kosten Ingeschat wordt dat er circa 213 vergunningaanvragen van bestaande horeca-inrichtingen worden ingediend. Bij circa 20% van deze inrichtingen hoeft naar verwachting geen Bibobonderzoek te worden uitgevoerd omdat zij onder de verruimde uitzondering van de nieuwe Bibobbeleidslijn gaan vallen (5-jaarstermijn i.p.v. 2 jaar). De kosten voor de behandeling door OZHZ van deze vergunningaanvragen worden geraamd op in totaal € 252.344,30. Hier staan de legesopbrengsten tegenover die worden geraamd op € 154.642,-. Daarbij is er rekening mee gehouden dat circa 46 inrichtingen voor legesvrijstelling in aanmerking komen. Dit zal uit de algemene middelen moeten worden bekostigd en heeft daarmee een negatieve invloed op de kostendekkendheid van de legesverordening.

Het voorgaande betekent dat de incidentele kosten voor de aanvragen van bestaande horeca-inrichtingen uitkomen op circa € 97.702,-.

Zaaknummer

2026-0052608

De (administratieve) voorbereidingskosten van OZHZ (o.a. aanpassen van de website, het publiceren van actuele informatie en het aanpassen van de bestaande (aanvraag)formulieren) worden geraamd op € 33.849,-. Voorts moet hieraan worden toegevoegd de inschatting van OZHZ dat er ten aanzien van een beperkt deel van de genoemde inrichtingen bestuursrechtelijke handhaving (handhavingsjuristen) dient plaats te vinden wegens het niet regelconform handelen, ten bedrage van circa € 27.079,-. Dit komt uit op een totaalbedrag van € 158.630,- aan incidentele kosten (€ 97.702 + € 33.849 + € 27.079). Structurele kosten Als structurele kosten zijn geraamd de kosten die samenhangen met de behandeling van aanvragen van jaarlijks te verwachten nieuwe ondernemingen (circa 15 per jaar). Dit wordt ingeschat op € 5.573,- per jaar vanaf 2027 (€ 19.463,- kosten OZHZ minus € 13.890,legesopbrengsten), wat neerkomt op een kostendekkendheid van 71%. Vanuit Handhaving Dordrecht is aangegeven dat het uitoefenen van toezicht op de (extra) exploitatievergunningen kan worden meegenomen in de reguliere horeca controles. De inschatting is dat het structurele budget voor bestuursrechtelijke handhaving door OZHZ kan worden vervuld uit de reguliere inzet, waarbij wordt opgemerkt dat een goede inschatting hiervoor op dit moment lastig is te maken.

Dekking Binnen de begroting van Dordrecht zijn er op dit moment geen incidentele en geen structurele middelen voor de herinvoering van de exploitatievergunning beschikbaar. Voor de genoemde tekorten is op dit moment dan ook geen dekking beschikbaar uit de algemene middelen. De kosten zullen in 2026 beperkt zijn, omdat valt te verwachten dat het overgrote deel van de aanvragen in 2027 worden ingediend vanwege de overgangstermijnen die worden geboden. Ook de genoemde bestuursrechtelijke handhaving zal zich pas in 2027 gaan voordoen. Feitelijk zullen de kosten dan ook grotendeels in 2027 vallen. Dit geldt alleen niet voor de genoemde (incidentele) voorbereidingskosten van OZHZ ten bedrage van € 33.849,-, die in 2026 worden gemaakt. Bij uitzondering worden deze incidentele voorbereidingskosten voor 2026 gedekt binnen het programma Integrale Veiligheid. De claim voor 2027 wordt opgevoerd bij de perspectiefnota (PPN2027), waarbij het verzoek ziet op budget voor de begroting 2027. Besluitvorming PPN2027 vindt plaats in de raad op 14 juli 2026. Bij de daaropvolgende begrotingsvaststelling in november 2026 geeft de raad formeel het budget voor 2027 voor deze casus. Overig Bij het voorgaande is nog niet ingespeeld op onvoorziene financiële risico’s die zich zouden kunnen voordoen.

Zo zouden er hogere kosten dan geraamd kunnen ontstaan, indien er meer aanvragen binnenkomen dan verwacht, er bezwaar- en eventueel beroepsprocedures volgen of complexere Bibob-onderzoeken benodigd zijn. Dit kan leiden tot extra personeels- en juridische kosten. Wat is het vervolg op het raadsbesluit? Bekendmaking en inwerkingtreding Na vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging, en de Legesverordening 2026, 5e wijziging, zullen deze besluiten bekend worden gemaakt in het digitale Gemeenteblad, waarna zij per 1 oktober 2026 in werking zullen treden. Intrekking 'Vrijstellingbesluit exploitatievergunning' Na vaststelling door de raad van de herinvoering van de exploitatievergunningplicht, trekt de burgemeester het 'Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning' in per 1 april 2027 (vanwege de geboden overgangstermijn). Communicatie De periode tussen de definitieve besluitvorming in de raad (verwachting juli 2026) en de inwerkingtreding per 1 oktober 2026, wordt gebruikt om de horecabranche definitief en volledig te informeren. Met afdeling Communicatie en Dordt Onderneemt wordt afgestemd op welke wijze de “herinvoering” van de exploitatievergunning aan de horecabranche zo adequaat mogelijk kan worden gecommuniceerd.

Implementatie vergunningprocedure Ter implementatie van de definitieve besluitvorming over de herinvoering van de exploitatievergunning, wordt met OZHZ bekeken hoe de huidige aanvraagprocedure zo mogelijk kan worden verfijnd. Daarnaast wordt de Bibob-beleidslijn geactualiseerd.

Zaaknummer

Het college van Burgemeester en Wethouders

2026-0052608

Zaaknummer

2026-0052608

De raad van de gemeente DORDRECHT; gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 2 juni 2026 inzake Vaststellen Herinvoering exploitatievergunning horeca;

gelet op artikel 160, lid 1 onder b van de Gemeentewet; artikel 149 van de Gemeentewet; gelet op Hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 van de APV Legesverordening 2026 Vrijstellingsbesluit exploitatievergunning Hoofdstuk 4 Participatie- en Inspraakverordening Dordrecht ;

besluit:

1. de Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging, vast te stellen. 2. de Verordening tot wijziging van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2026, vijfde wijziging, vast te stellen.

Aldus besloten in de vergadering van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1143/documents/48791