CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein Dordrecht.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 10 maart 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 39: Vaststellen verordening sociaal domein Dordrecht - Raadsvoorstel29.968 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Verordening Sociaal Domein Dordrecht De RAAD van de gemeente Dordrecht; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2025 inzake Vaststellen Verordening Sociaal Domein Dordrecht; Gelet op de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Jeugdwet b e s l u i t: Vast te stellen de navolgende Verordening Sociaal Domein Dordrecht

1

Wat staat er in deze verordening? H1: Inleiding H2: Toegang tot hulp en ondersteuning H3: Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) H4: Werk en participeren (Participatiewet) H5: Inkomen en schulden (Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) H6: Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet) H7: Inwonersparticipatie H8: Kritiek op de uitvoering, evaluatie en monitoring H9: Begrippen en afkortingen H10: Slotbepalingen

2

Hoofdstuk 1. Inleiding Ons doel: een sterk en sociaal Dordrecht. Een stad waar iedereen prettig kan wonen en leven en mag zijn wie hij is. Een stad waarin elke Dordtenaar gelijke kansen krijgt om zich te ontwikkelen en mee te doen aan de samenleving, op welke manier dan ook. We streven naar een inclusieve samenleving waarin iedereen meetelt, meedoet en zichzelf mag zijn, ook wanneer er sprake is van beperkingen of kwetsbaarheden. Om dit te bereiken, zetten we in op het versterken van de integrale samenwerking en dienstverlening binnen het sociaal domein. Door hulp en ondersteuning beschikbaar te houden voor mensen die het écht nodig hebben en door de toegang tot voorzieningen gerichter en meer samenhangend te organiseren, zorgen we ervoor dat onze inzet doelgericht, rechtvaardig en duurzaam is. Zo bouwen we aan een sterk en sociaal Dordrecht.

Artikel 1.1 Waar gaat deze integrale verordening sociaal domein over? Deze integrale verordening sociaal domein geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:  Maatschappelijke ondersteuning;  Werken en participeren;  Uitkeringen;  Schuldhulpverlening;  Gezond en veilig opgroeien.

Artikel 1.2 Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat:  Mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;  Mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;  Mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;  Mensen hun financiën op orde hebben;  Kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.

Artikel 1.3 Taak van de gemeente Het is de taak van de gemeente om zijn inwoners daarbij te helpen. De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hieronder benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Of als een inwoner voldoende zelf kan, eventueel met hulp van het sociaal en/of informeel netwerk. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat in deze verordening om de:  Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);  Participatiewet (PW);  Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);  Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);  Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);  Jeugdwet. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. In deze verordening wordt aangegeven voor welke onderwerpen er nadere regels zijn opgesteld. Met het beschrijven van deze regels zorgen we ervoor dat inwoners weten waar ze recht op hebben. Dit draagt bij aan het vertrouwen in de overheid.

Artikel 1.4 Uitgangspunten De integrale visie sociaal domein laat zien wat er nu en in de komende jaren nodig is voor een sterk en sociaal Dordrecht. De integrale verordening sociaal domein houdt rekening met de uitgangspunten uit de visie sociaal domein 2030:

3

Bestaanszekerheid is de basis Het hebben van een stabiele basis is belangrijk, zodat Dordtenaren geen zorgen hoeven te maken over de dagelijkse overleving. Dit gaat bijvoorbeeld om het hebben van voldoende inkomen, een veilige plek om te wonen en het krijgen van hulp en zorg als dat nodig is. Dordtenaren helpen elkaar zo veel als mogelijk We vinden het belangrijk dat mensen (in bijvoorbeeld een buurt) goed met elkaar omgaan en zich met elkaar verbonden voelen. Dat ze elkaar kennen en elkaar helpen als dat nodig is. Als er problemen ontstaan, worden deze zo veel als mogelijk zelf of in het eigen sociale netwerk opgelost. Er zijn voldoende en kwalitatief goede algemene voorzieningen Niet alle hulpvragen kunnen zelf of onderling worden opgelost. Daarom willen we dat Dordtenaren in dat geval gebruik kunnen maken van voorzieningen die voor iedereen toegankelijk zijn. Dat zijn bijvoorbeeld plekken waar je naar binnen kunt lopen met een hulpvraag, maar ook plekken waar je anderen kan ontmoeten. We regelen specialistische hulp: passender, tijdiger en meer in samenhang Voor hulpvragen die niet opgelost kunnen worden met algemene voorzieningen is meer specialistische hulp nodig. De gemeente heeft als taak inwoners toegang te geven tot hulp en inwoners passend en tijdig te helpen. Bij complexe problemen is vaak hulp nodig uit verschillende wetten.

We regelen de zorg in samenhang met elkaar, want we willen namelijk dat inwoners hier zo min mogelijk last van hebt.

Artikel 1.5 Verband tussen verordening en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten genoemd bij artikel 1.3. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Voor sommige artikelen is echter geen directe verwijzing in de wet terug te vinden. Dat komt doordat gemeenten beschikken over beleidsvrijheid, waarmee zij binnen wettelijke kaders eigen keuzes kunnen maken in de uitvoering.

Hoofdstuk 2: Toegang tot hulp en ondersteuning Soms hebben inwoners ondersteuning nodig om mee te blijven doen in de samenleving. Wanneer dit niet zelf lukt of met behulp van het sociaal netwerk kunnen inwoners terecht bij integrale toegangspunten voor informatie, advies en hulp. Veel vormen van hulp zijn gratis. We noemen dit ook wel niet-geïndiceerde ondersteuning, want er is geen besluit van de gemeente voor nodig. Lukt het vervolgens toch niet om de problemen op te lossen? Dan kunnen inwoners extra ondersteuning vragen aan de gemeente. Dat heet geïndiceerde hulp of -ondersteuning. En daar is wel een besluit van de gemeente voor nodig. In dit hoofdstuk leggen we in grote lijnen uit hoe inwoners toegang krijgen tot hulp en ondersteuning als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. We beschrijven het algemene proces dat meestal gevolgd wordt. Omdat de regels en werkwijzen per wet kunnen verschillen gaan we in de volgende hoofdstukken dieper in op wat er precies nodig is per wet. Zo krijgt u eerst een overzicht van het geheel, en daarna meer uitleg per onderdeel.

Artikel 2.1 Toegang tot ondersteuning via de gemeente 1.

2.

Iedere inwoner van de gemeente die een hulpvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, schulden en/of opgroeien en opvoeden, kan zich melden bij het college voor een integrale beoordeling van zijn ondersteuningsbehoefte. Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners: a. gratis en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. gratis worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van:

4

i.

3.

4.

het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en ii. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. indien nodig worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en d. worden gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de Jeugdwet. Indien sprake is van samenloop van ondersteuningsbehoeften onder de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening zorgt het college voor een afgestemde inzet van voorzieningen. Voor zover persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wettelijke taken van het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden deze persoonsgegevens verwerkt op basis van artikel 6, eerste lid, onderdeel c en e van de Algemene verordening gegevensbescherming, en – indien van toepassing – artikel 9, tweede lid, onderdeel g en/of h AVG. De beperkingen, omtrent het delen van gegevens met betrokken partijen, van de in dit artikel genoemde materiewetten worden hierbij in acht genomen.

Gegevens mogen slechts worden gedeeld met betrokken partijen indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van deze wettelijke taken en passend binnen de op deze wetten gebaseerde verwerkingsverantwoordelijkheden.

5

Hoofstuk 3. Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Het is belangrijk dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en zelf een huishouden kunnen voeren. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Lukt het niet op eigen kracht, met hulp van iemand uit het netwerk of met ondersteuning vanuit voorliggende voorzieningen of organisaties? Dan kan de gemeente samen met de inwoner kijken of er ondersteuning is om de situatie te verbeteren. De ondersteuning kan verschillende vormen hebben. De gemeente zorgt voor algemene voorzieningen. Deze zijn gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van inwoners. Inwoners kunnen zonder indicatie gebruik maken van deze algemene voorzieningen. Soms moet er wel een eigen bijdrage worden betaald. De gemeente biedt ook voorzieningen waarvoor een indicatie nodig is. Daarover leest u in dit hoofdstuk meer.

Paragraaf 3.0 Begripsomschrijvingen Artikel 3.0 Begripsomschrijvingen In hoofdstuk 3 wordt verstaand onder: a. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres; b. Huisgenoot: alle medebewoners die op hetzelfde adres verblijven als cliënt; c. Hulpverlener: de persoon of organisatie die ondersteuning levert en die wordt betaald uit een persoonsgebonden budget; d. Maatwerkvoorziening: de maatwerkvoorziening als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet Maatschappelijke ondersteuning, te verstrekken als voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget; e. Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; f. Mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1.1.1 van de wet Maatschappelijke ondersteuning biedt; g. Melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet Maatschappelijke ondersteuning; h.

Ondersteuningsplan: een door de cliënt en de gecontracteerde aanbieder overeengekomen plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning; i. Onderzoeksverslag: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet Maatschappelijke ondersteuning; j. Persoonlijk plan: persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet Maatschappelijke ondersteuning; k. Werkingsgebied Wijkhopper: bestemmingen die binnen het bereik liggen van een enkele rit met de Wijkhopper; l. Zorgplan: een door de cliënt en de aanbieder of pgb-leverancier gemaakt plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder of pgb-leverancier te verlenen Wmoondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning, en dat dient als werkdocument dat wordt aangevuld met de geleverde ondersteuning en bereikte effecten.

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1 Reikwijdte 1.

2.

Dit hoofdstuk van de verordening heeft betrekking op de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen met betrekking tot de zelfredzaamheid en participatie, met uitzondering van de voorzieningen voor opvang en beschermd wonen. Dit hoofdstuk van de verordening is van toepassing op personen: a. die inwoner zijn; en

6

b. c.

3.

die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en/of participatie; of die, al dan niet woonachtig in de gemeente, als mantelzorger ondersteuning aan een inwoner van de gemeente bieden. Het college kan, onverminderd het bepaalde in deze verordening, en in aanvulling op artikel 3.9.1 en artikel 3.9.2, nadere regels stellen over de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder begrepen de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Paragraaf 3.2 Toegang Algemene voorzieningen Artikel 3.2.1 Toegang algemene voorzieningen 1. 2.

De algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. Inwoners die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening wenden zich rechtstreeks tot een aanbieder van deze voorziening.

Paragraaf 3.3 Toegang Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.3.1 Melding 1. 2. 3. 4.

De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij de Sociale Dienst Drechtsteden. De melding vindt elektronisch (via de website), telefonisch of mondeling plaats. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, en, indien de cliënt een emailadres heeft opgegeven en kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is, per e-mail. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na dagtekening van de ontvangstbevestiging een persoonlijk plan in te dienen.

Artikel 3.3.2 Cliëntondersteuning Het college wijst cliënten die een melding doen en hun mantelzorgers op de mogelijkheid zich gedurende de procedure desgewenst te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner.

Artikel 3.3.3 Onderzoek en gesprek 1.

2.

3.

Het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bestaat in ieder geval uit een gesprek met de cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft gedaan, en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk de mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale netwerk. Het college vraagt voor het gesprek aan de cliënt alle overige gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, te verschaffen. Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, tenzij het college daarover al beschikt. Indien de cliënt en de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend zijn kan het college, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in overleg met de cliënt afzien van een onderzoek.

Artikel 3.3.4 Het onderzoeksverslag 1. 2.

Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een onderzoeksverslag. Het college voegt opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt toe aan het onderzoeksverslag én verstrekt het aangepaste onderzoeksverslag aan de cliënt of diens vertegenwoordiger.

Artikel 3.3.5 De aanvraag 1. 2. 3. 4. 5.

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan via een daartoe door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook worden ingediend door middel van ondertekening van het onderzoeksverslag dan wel de op het onderzoeksverslag aangetekende mondelinge bevestiging van de aanvraag. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening overlegt de cliënt een budgetplan, een zorgplan en een verklaring omtrent gedrag van maximaal zes maanden oud van de hulpverlener. Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing overlegt de cliënt een budgetplan en een offerte.

Artikel 3.3.6 Medewerking cliënt en huisgenoten 7

1.

Het college is, onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening: a. de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten, op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten, op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken. De cliënt en diens huisgenoten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b. Indien de cliënt of diens relevante huisgenoten geen gehoor kunnen geven aan de oproep op een door het college te bepalen plaats en tijdstip te verschijnen, dan kan een huisbezoek plaatsvinden, waaraan de cliënt en huisgenoten verplicht hun medewerking moeten verlenen.

2. 3.

Artikel 3.3.7 Advisering Het college is bevoegd om, indien dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, zich te laten adviseren door een daartoe aangewezen instantie.

Artikel 3.3.8 Ondersteuningsplan 1.

Het college kan, indien dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of het bepalen van de benodigde maatwerkvoorziening, door de aanbieder een ondersteuningsplan laten opstellen. Artikel 3.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

2.

Artikel 3.3.9 Heronderzoek en evaluatie 1.

Na toekenning van een maatwerkvoorziening voor dienstverlenende ondersteuning wordt periodiek een evaluatie gepland om de ondersteuningsdoelen te monitoren. Na toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of aanpassing kan periodiek een evaluatie worden gepland om de doeltreffendheid van de voorziening te monitoren. Indien de beschikkingsperiode afloopt en de ondersteuning nog niet is beëindigd, kan het college besluiten cliënt te informeren via een brief dat door of namens de cliënt een melding kan worden gedaan als de ondersteuning nog nodig is. De doelgroepen die actief geïnformeerd worden, worden uitgewerkt in de beleidsregels. Voor het heronderzoek worden dezelfde stappen doorlopen als bij het reguliere onderzoeksproces zoals beschreven in artikel 3.3.1 tot en met 3.3.5. Artikel 3.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

2. 3.

4. 5.

Paragraaf 3.4 Algemene voorzieningen Artikel 3.4.1 Algemene voorziening 1. 2.

3.

Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van gemeente Dordrecht of voor een specifieke doelgroep. Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan: a. de bevordering van de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners; b. het in staat stellen van mantelzorgers en vrijwilligers om hun taken als mantelzorger en vrijwilliger uit te voeren. Algemene voorzieningen sluiten zoveel mogelijk aan op eigen initiatieven van burgers of bestaande maatschappelijke initiatieven.

Artikel 3.4.2 Ambulante ondersteuning Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde ambulante ondersteuning. Deze ondersteuning omvat waar nodig: 1. informatie, advies; 2. vraagverheldering; 3. kortdurende ondersteuning; 4. langdurende ondersteuning.

Artikel 3.4.3 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning 8

Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde dagactiviteiten met lichte ondersteuning met het oog op het aangaan van sociale contacten, het bieden van enige structuur alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers.

Artikel 3.4.4 Vervoersvoorzieningen De algemene vervoersvoorzieningen bestaan uit een collectief aanbod van vervoersdiensten.

Artikel 3.4.5 Mantelzorgondersteuning Het college draagt zorg voor ondersteuning ten behoeve van de mantelzorger met als doel het blijvend kunnen bieden van de mantelzorg en het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger, door waar nodig (deels of tijdelijk) taken over te dragen aan een vrijwilliger of professional.

Artikel 3.4.6 Zorgoppas De algemene voorziening Zorgoppas bestaat uit het inzetten van gespecialiseerde oppas voor zorgintensieve kinderen.

Paragraaf 3.5 Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.5.1 Uitgangspunt bij beoordeling maatwerkvoorziening Het college neemt het onderzoeksverslag, en indien aanwezig het ondersteuningsplan, als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 3.5.2 Algemene toegangscriteria en weigeringsgronden 1.

Er bestaat aanspraak op een maatwerkvoorziening: a. voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie, en b. voor zover deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is, en c. indien deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en d. voor zover de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie niet kan verminderen of wegnemen: i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; v. door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; vi. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; vii. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

2.

Een aanvraag op een maatwerkvoorziening wordt geweigerd: a. indien de cliënt geen inwoner is; b. voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te zijn, of indien de voorliggende voorziening de kosten van de maatvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt; c. indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; d. indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt. e. indien de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, evalueren of nakomen van het ondersteuningsplan. f. indien sprake is van een verzoek voor een voorziening, die al eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij: i. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van

9

omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of iii. de eerder verstrekte voorziening in onvoldoende mate ondersteuning biedt; g. indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat: i. de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en lid 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of artikel 3.3.6 van deze verordening, of ii. een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 3.3.6 van deze verordening. ii.

Artikel 3.5.3 Individuele begeleiding 1.

2.

Een aanvraag op individuele begeleiding wordt geweigerd: a. indien verblijf een noodzakelijk onderdeel is van het totale ondersteuningspakket; b. voor zover de compensatie kan worden bereikt met dagbesteding. Een voorziening voor lichte vormen van individuele begeleiding kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is.

Artikel 3.5.4 Dagbesteding 1.

2.

3.

Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding als a. de cliënt als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende in staat is om zelf of met behulp van zijn netwerk zinvolle tijdsinvulling met sociale contacten of deelname aan het maatschappelijk verkeer te organiseren, of b. er sprake is van een beperking of specifieke omstandigheid, waardoor gedurende de dagbesteding deskundigheid vereist is, of c. overbelasting van mantelzorgers daardoor wordt voorkomen. Een voorziening voor dagbesteding kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is. Indien meerdere opties voor passende dagbesteding beschikbaar zijn, wordt gekozen voor de dichtstbijzijnde passende locatie.

Artikel 3.5.5 Huishoudelijke ondersteuning 1.

2.

Onverminderd artikel 2.3.5 lid 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning indien de cliënt wegens een beperking niet zelfstandig in staat is om huishoudelijke taken te verrichten of deze opnieuw aan te leren. Het schoonhouden en/of schoonmaken van de buitenkant van de woning, zoals het ramen lappen aan de buitenkant en het onderhouden van de tuin, maken geen deel uit van de huishoudelijke ondersteuning.

Artikel 3.5.6 Logeeropvang of kortdurend verblijf 1.

2.

Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of kortdurend verblijf, terugkerend met een maximum van gemiddeld 3 etmalen per week of aaneengesloten, als er zonder de inzet hiervan overbelasting van de mantelzorger dreigt of in onverwachte situaties en a. de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp, en b. ondersteuning vanuit de algemene voorziening voor respijtzorg, dagbesteding en ambulante ondersteuning niet voldoende oplossing bieden, en c. de cliënt geen aanspraak kan maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen. Een voorziening voor logeeropvang of kortdurend verblijf kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is.

Artikel 3.5.7 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen

1 0

1.

2.

Een aanvraag op een maatwerkvoorziening ter compensatie van door een cliënt ondervonden beperkingen in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning wordt geweigerd, indien: a. de aanvraag betrekking heeft op verhuiskosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt; b. sprake is van een maatwerkvoorziening in een woongebouw dat specifiek is gericht op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat: i. reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten, of ii. voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen; c. de maatwerkvoorziening betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor mobiliteitshulpmiddelen; d. de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd; e. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud; f.

de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college; g. de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen.

Artikel 3.5.8 Vervoer 1. 2.

3. 4.

Een vervoersvoorziening wordt geweigerd als de cliënt redelijkerwijs in staat is zelfstandig het openbaar vervoer te bereiken en te gebruiken of dit (opnieuw) aan kan leren. Een te verstrekken maatwerkvoorziening voor lokaal vervoer ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie wordt toegekend met een omvang van maximaal 1500 kilometer per jaar. Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening kan het college het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur hanteren. Bij het verstrekken van collectief vraagafhankelijk vervoer komt, binnen zijn werkingsgebied, de Wijkhopper als goedkoopst adequate voorziening als eerste vervoersoptie in aanmerking, tenzij in de cliënt gelegen beperkingen zich daartegen verzetten.

Artikel 3.5.9 Soorten persoonsgebonden budget Er zijn twee soorten persoonsgebonden budget te onderscheiden, te weten: a. persoonsgebonden budget ten behoeve van de inkoop van diensten, zoals begeleiding, dagbesteding of huishoudelijke ondersteuning. b. persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, vervoersvoorziening, dan wel een woningaanpassing.

Artikel 3.5.10 Criteria persoonsgebonden budget 1.

2.

Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een persoonsgebonden budget voor de inkoop van diensten, indien het persoonsgebonden budget wordt besteed bij een hulpverlener die minimaal voldoet aan de in artikel 3.9.3 eerste lid opgenomen kwaliteitseisen. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 opgenomen voorwaarden.

1 1

3.

4.

5.

6.

In het budgetplan, zoals genoemd in artikel 3.3.5, is ten minste opgenomen: a. wat de motivering is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te ontvangen; b. welke maatwerkvoorziening de cliënt met het persoonsgebonden budget zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; c. hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; d. op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; e. op welke wijze de cliënt een overeenkomst aangaat met de persoonsgebonden budget-aanbieder; f. of de maatwerkvoorziening voldoet aan alle kwaliteitseisen die het college stelt aan de voorziening in natura en als dit niet het geval is waarom de voorziening volgens cliënt toch van voldoende kwaliteit is; g. op welke wijze is gewaarborgd en duidelijk is dat de maatwerkvoorziening geschikt is voor de te behalen doelen en resultaten waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt; h. op welke wijze de (kwaliteit) van de ondersteuning wordt gecontroleerd; i. hoe cliënt omgaat met geconstateerde onjuistheden; j. hoe de cliënt zelf of met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk of diens vertegenwoordiger de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; k.

indien van toepassing: wie cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het persoonsgebonden budget te behartigen en de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken uit te voeren. Aan deze budgetbeheerder zijn dezelfde voorwaarden gebonden als aan de budgethouder. In aanvulling op lid 3 geldt voor diensten dat in het budgetplan ten minste omschreven staat: a. wie de directe hulpverlener(s) is; b. wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); c. wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid en de deskundigheid van deze vervanger; d. op welke wijze de cliënt de hulpverlener(s) aanstuurt in de praktijk. Een gesprek met cliënt, zijn vertegenwoordiger en/of de persoon uit het sociale netwerk die de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken gaat uitvoeren maakt onderdeel uit van de toetsing als bedoeld in lid 2. Het budgetplan vormt de basis voor dit gesprek. Onverminderd artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt een aanvraag op een persoonsgebonden budget geweigerd: a. indien de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet of onvolledig ingevuld heeft overgelegd; b. indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; c.

indien de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; d. indien ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; e. indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; f. indien de cliënt naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren, tenzij de cliënt het beheren laat uitvoeren door een derde die wel in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren; g. indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is;

1 2

h.

7.

indien sprake is van vervanging van een maatwerkvoorziening in natura waarvan de afschrijftermijn nog niet is verstreken; i. indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; j. voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding buiten Nederland. Het beheer van het persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in het zesde lid onder f kan niet worden uitgevoerd door een hulpverlener die de ondersteuning levert.

8. Indien bij heronderzoek of tussentijdse evaluatie blijkt dat te weinig vooruitgang is geboekt met de ingezette ondersteuning, de gestelde doelen onvoldoende bereikt worden en de ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan participatie en zelfredzaamheid van de cliënt kan het college besluiten (een deel van) de ondersteuning te vervangen door specialistische ondersteuning.

Artikel 3.5.11 Hoogte persoonsgebonden budget 1.

2.

3.

4.

5.

6.

De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt voor de afzonderlijke voorzieningen berekend volgens de in deze verordening opgenomen wijze. De berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget betreft een maximum. Het definitieve persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de werkelijke kosten. Bij dienstverlening is sprake van een gedifferentieerde tariefstelling voor inkoop via een persoonsgebonden budget bij een professionele hulpverlener en inkoop bij een nietprofessionele hulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk. Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning is gelijk aan het loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Daarbij is het niet van belang of het om een formele of informele hulpverlener gaat. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank. Het persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding en/of dagbesteding: a. is gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd, indien sprake is van dienstverlening door een professionele hulpverlener; b.

in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van respectievelijk individuele begeleiding of dagbesteding van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 3.9.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG) 30 van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank. Het persoonsgebonden budget voor kortdurend verblijf en/of logeeropvang: a. is gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college de verblijfscomponent van kortdurend verblijf en/of logeeropvang heeft gecontracteerd, indien sprake is van dienstverlening door een professionele hulpverlener; b.

in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van kortdurend verblijf en/of logeeropvang van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 3.9.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan anderhalf maal het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag. Van een professionele hulpverlener, zoals bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, is sprake indien de hulpverlener voldoet aan alle in artikel 3.9.3 opgenomen kwaliteitseisen.

1 3

7.

Het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening a. is gelijk aan het gemiddelde kilometertarief voor het totale regionale gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer van het voorgaande kalenderjaar, indien cliënt gebruik kan maken van het collectief vervoer maar kiest voor een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget; b. is gebaseerd op de tarieven voor taxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Het totale budget voor een kalenderjaar wordt, indien het een gedeelte van het jaar betreft, naar rato berekend voor de resterende maanden van een kalenderjaar. Het totale jaar wordt berekend door de som van: i. het kilometertarief en minutentarief vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometers zoals opgenomen in artikel 4.8, en ii. het opstaptarief vermenigvuldigd met het quotiënt van het maximum aantal kilometers en de gemiddelde kilometerafstand collectief vervoer van het voorgaande kalenderjaar; c. is gebaseerd op de tarieven voor rolstoeltaxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en is aangewezen op een rolstoeltaxi.

Het totale budget voor een kalenderjaar wordt, indien het een gedeelte van het jaar betreft, naar rato berekend voor de resterende maanden van een kalenderjaar. Het totale jaar wordt berekend door de som van: i. het kilometertarief en minutentarief vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometers zoals opgenomen in artikel 3.5.8, en ii. het opstaptarief vermenigvuldigd met het quotiënt van het maximum aantal kilometers en de gemiddelde kilometerafstand collectief vervoer van het voorgaande kalenderjaar; d. is voor vervoer naar dagbesteding gebaseerd op de tarieven voor (rolstoel)taxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, en wordt vergoed tot maximaal het aantal kilometers vanaf het woonadres naar de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie. 8. Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel a. is gelijk aan het maandtarief vermenigvuldigd met de afschrijvingstermijn vermenigvuldigd met factor 0,6. b. de afschrijftermijn bedraagt vijf jaar voor vervoershulpmiddelen en rolstoelen. De afschrijftermijn bedraagt 10 jaar voor woonhulpmiddelen. c. het persoonsgebonden budget voor onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel bedraagt in totaal maximaal €500 per jaar, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten.

Dit bedrag kan jaarlijks op 1 januari geïndexeerd worden conform de prijsindex die gehanteerd wordt voor het contract met de hulpmiddelenleveranciers. 9. Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing opgenomen in het Prijsafsprakenboek a. is voor de aanschaf van de woningaanpassing gelijk aan de prijs van de goedkoopst passende woningaanpassing in natura conform de lijst van prijzen zoals opgenomen in het contractueel overeengekomen Prijsafsprakenboek; b. is voor het onderhoud gelijk aan het bedrag, zoals dat door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd. 10. Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing die niet is opgenomen in het Prijsafsprakenboek a. is voor de aanschaf van de woningaanpassing gelijk aan het bedrag van de kosten van de woningaanpassing in natura middels een kostenbepaling door een door het college gecontracteerd bouwbedrijf of leverancier. b. is voor het onderhoud gelijk aan het bedrag, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd.

1 4

11. Het persoonsgebonden budget voor de kosten van verhuizing en inrichting: a. is voor de verhuizing gelijk aan de kosten voor een gecontracteerd verhuisbedrijf in natura. b. is voor stofferingskosten gelijk aan de door het Nibud gehanteerde bedragen voor stoffering met inachtneming van de bijbehorende afschrijvingstermijn. De totale hoogte van de stofferingskosten is gelijk aan: i. 100% van de maximale vergoeding als huidige stoffering niet ouder dan één jaar; ii. 75% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen één en drie jaar oud is; iii. 50% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen drie en vijf jaar oud is; iv. 25% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen vijf en zeven jaar oud is; v. 0% van de maximale vergoeding als huidige stoffering ouder is dan zeven jaar. 12. In aanvulling op de in lid 11 genoemde kosten kan bij overbrugging de eerste huur van de nieuwe woning worden vergoed voor de duur van maximaal een maand.

Artikel 3.5.12 Besteding persoonsgebonden budget 1. 2.

3.

Het persoonsgebonden budget moet volledig worden besteed aan de ondersteuning en het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt. Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een persoonsgebonden budget -administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige (eindejaars)uitkering; e. kosten voortgezette diagnostiek; f. kosten voor het volgen van cursussen en informatiemateriaal over het persoonsgebonden budget; g. de bijdrage; h. reiskosten van de hulpverlener. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen; i. indirect cliëntgebonden uren en niet cliëntgebonden uren. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen. De cliënt hoeft, indien het persoonsgebonden budget is verstrekt voor ondersteuning die bestaat uit dienstverlening, van het persoonsgebonden budget 5% per jaar niet te verantwoorden, met een minimum van €20,- per jaar en een maximum van €250,- per jaar. Wanneer de budgetperiode minder is dan een jaar, wordt het verantwoordingsvrije bedrag berekend naar rato.

Paragraaf 3.6 Bijdrage Artikel 3.6.1 Bijdrageplicht algemene voorzieningen 1. 2.

Het college kan een bijdrage vragen voor het gebruik van een algemene voorziening. De bijdrage is inkomensonafhankelijk.

Artikel 3.6.2 Algemeen: Compensatie gebruikskosten 1.

2.

De aanbieder van een algemene voorziening kan aan de cliënt een bijdrage vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de cliënt gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dagopvang en; b. het gebruik van maaltijden bij dagbesteding; c. uitstapjes die vanuit de algemene voorziening voor dagbesteding of dagopvang worden georganiseerd. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende algemene voorzieningen: a. zorgoppas.

1 5

3. 4.

De hoogte van de bijdrage is maximaal de kostprijs van de voorziening. De aanbieder maakt de verschuldigdheid van de bijdrage en hoogte van de kosten zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken.

Artikel 3.6.3 Bijdrage zorgoppas Voor de inzet van zorgoppas door ouder(s) of verzorgers ten behoeve van zorgintensieve kinderen is een bijdrage verschuldigd van € 9,- per maand en een ouderbijdrage van € 8,- per opgepast uur.

Artikel 3.6.4 Bijdrage maatwerkvoorziening 1.

2.

3.

4. 5.

De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van: a. woningaanpassingen voor minderjarige kinderen; b. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten; c. vergoeding voor kosten ter overbrugging eerste huur. De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit: a. een opstaptarief van € 1,12 per rit en een tarief van € 0,19 per gereden kilometer als de besproken aanvangstijd van de rit binnen de daluren ligt; b. een opstaptarief van € 1,57 per rit en een tarief van € 0,27 per gereden kilometer als de besproken aanvangstijd van de rit buiten de daluren ligt. De cliënt met een inkomen tot maximaal 140% van de geldende bijstandsnorm en een geldige indicatie voor collectief vervoer als maatwerkvoorziening ontvangt een korting van 40% op het opstaptarief en het kilometertarief. De daluren voor het collectief vervoer, zoals bedoeld in lid 2, zijn op werkdagen tussen 10:00 uur en 16:00 uur en na 18:00 uur, en op alle beschikbare rittijden in de weekenden. De startdatum van de bijdrage als bedoeld in lid 1 is de datum waarop de ondersteuning aanvangt.

Artikel 3.6.5 Kostprijs 1.

2.

De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor het college de maatwerkvoorziening in natura betrekt van een gecontracteerde leverancier of aanbieder, inclusief eventuele reparatie- en onderhoudskosten. De kostprijs van maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.

Paragraaf 3.7 Toezicht en handhaving Artikel 3.7.1 Kwaliteits- en calamiteitentoezicht algemene voorzieningen Het college zorgt voor kwaliteitstoezicht en een meldpunt voor calamiteiten voor de algemene voorzieningen waarbij dagopvang, begeleiding, respijtzorg en/of logeeropvang onderdeel uitmaakt van de ondersteuning.

Artikel 3.7.2 Fraudepreventie maatwerkvoorzieningen Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op maatwerkvoorzieningen wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

Artikel 3.7.3 Toezicht op kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid maatwerkvoorzieningen 1.

2.

Het college doet stelselmatig onderzoek naar de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de aanspraak op een maatwerkvoorziening. Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de

1 6

rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en de wederzijds tussen het college en de cliënt resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Artikel 3.7.4 Tegengaan oneigenlijk gebruik 1.

2.

3.

Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. het college verricht zo nodig onderzoek bij aanbieders van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of persoonsgebonden budget-leveranciers die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente; c. het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; d. het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen; e. het college voert periodiek controles en evaluaties uit bij langlopende indicaties; f. het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget op: i.

de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen; ii. de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt en de persoonsgebonden budget-leverancier te overleggen budgetplan en zorgplan. g. het college monitort het gebruik van het persoonsgebonden budget en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. Als bij onderzoek blijkt dat er sprake is van gebreken in de kwaliteit, doelmatigheid of rechtmatigheid van de ondersteuning, kan het college in een schriftelijke aanwijzing een hersteltraject opleggen. Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en/of verscherpt toezicht instellen. Deze zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen.

Artikel 3.7.5 Toezichthouder 1. 2.

3.

De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouders stellen jaarlijks een onafhankelijk werkprogramma op. De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouder kan naast deze functie geen andere functies namens of in dienst van de betreffende gemeente of inkooporganisatie bekleden die niet verenigbaar zijn met het toezichthouderschap. De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouder, vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn taak als toezichthouder.

Paragraaf 3.8 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering Artikel 3.8.1 Beëindiging 1.

Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen of opschorten, indien: a. niet wordt voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de verordening, waaronder de in paragraaf 3.2, 3.3 en 3.5 genoemde toegangscriteria; b. de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen of in een ziekenhuis; c. de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de maatwerkvoorziening;

1 7

d. e.

2.

de cliënt is overleden; de cliënt niet meer beschikt over de met een persoonsgebonden budget aangeschafte maatwerkvoorziening of de in eigendom verleende maatwerkvoorziening in natura, terwijl de periode waarover de maatwerkvoorziening is toegekend nog niet is verstreken. Het college heeft het recht om de bestaande aanspraak op een maatwerkvoorziening tussentijds opnieuw te beoordelen, met een eventueel ongunstiger besluit tot gevolg, onder toepassing van een overgangstermijn.

Artikel 3.8.2 Herziening en intrekking Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien: a. niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of deze verordening. b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; c. de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

Artikel 3.8.3 Terugvordering 1.

2.

Indien het besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken, kan het college, onverminderd artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: a. het ten onrechte betaalde persoonsgebonden budget terugvorderen; b. de geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen dan wel het object van de maatwerkvoorziening zelf terugvorderen. Onverminderd artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan het college, indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening is beëindigd op grond van artikel 6.1 lid 1 onder e: a. het deel van het persoonsgebonden budget terugvorderen dat betrekking heeft op de nog niet verstreken periode waarover het persoonsgebonden budget is toegekend; b. het deel van de geldswaarde van de maatwerkvoorziening in natura terugvorderen dat betrekking heeft op de nog niet verstreken periode waarover de maatwerkvoorziening is in natura is toegekend.

Paragraaf 3.9 Kwaliteit Artikel 3.9.1 Kwaliteitseisen De aanbieder van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening zorgt voor een goede kwaliteit van de voorziening, wat in ieder geval betekent dat: a. de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is; b. de voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt; c. de voorziening is afgestemd op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; d. de beroepskracht die een voorziening levert, handelt in overeenstemming met de professionele standaard; e. de voorziening voldoet aan de door de aanbieder en het college overeengekomen kwaliteitseisen.

Artikel 3.9.2 Prijs-kwaliteitverhouding levering voorzieningen door derden 1.

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde.

1 8

2.

Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op ten minste de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college houdt bij het leveren van hulpmiddelen en woningaanpassingen en het vaststellen van de tarieven daarvan, ten minste rekening met: a. de aard en omvang van de te leveren hulpmiddelen of woningaanpassingen; b. de kwaliteitseisen van het hulpmiddel of de woningaanpassing; c.

de reële marktprijs van het hulpmiddel of de woningaanpassing, en d. de eventuele extra taken die in verband met het hulpmiddel of de woningaanpassing van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, levering en plaatsing van het hulpmiddel of de woningaanpassing; ii. instructie over het gebruik van het hulpmiddel of de woningaanpassing; iii. onderhoud van het hulpmiddel of de woningaanpassing; iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. lokaal team).

Artikel 3.9.3 Kwaliteitseisen hulpverleners 1.

2.

Iedere leverancier of hulpverlener, die ondersteuning levert die bestaat uit dienstverlening, zorgt voor een goede kwaliteit van de ondersteuning, wat in ieder geval betekent dat: a. de voorziening voldoet aan de in artikel 3.9.1 opgenomen eisen; b. de hulpverlener actief en integraal samenwerkt met andere hulpverleners/aanbieders in het belang van de cliënt, en ervoor zorgt dat de ondersteuning aansluit bij de eventuele hulp die wordt geboden vanuit het sociale netwerk van de cliënt; c. de hulpverlener aantoonbaar, met een zorgplan, werkt aan de doelen van de beschikking; d. de hulpverlener een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren heeft. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen: i. ondersteuningsplan of budgetplan per cliënt waarin gemaakte afspraken en communicatie zijn opgenomen; ii. een zorgplan; iii. urenregistraties; iv. urendeclaraties; v. evaluaties. e. de hulpverlener onderbouwd kan aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden; f. de hulpverlener, als dat wordt gevraagd, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet overleggen die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de hulpverlening; g.

de hulpverlener niet handelt in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, niet misleidt, geen fraude pleegt en geen ondeskundige ondersteuning biedt, en dit in het verleden ook niet heeft gedaan. De professionele hulpverlener moet voldoen aan de in het eerste lid opgenomen kwaliteitseisen en de volgende kwaliteitseisen:

1 9

a. b.

de hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; de hulpverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten en voldoet aan de kwaliteitseisen die voor betreffende ondersteuning worden gesteld; c. de hulpverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden; d. de hulpverlener zorgt voor vervanging bij diens afwezigheid, zodat de ondersteuning gecontinueerd wordt met inachtneming van dezelfde kwaliteitseisen. e. de hulpverlener, en de eigenaar, directeur of bestuurder van de organisatie waar de hulpverlener werkt, behoren niet tot het sociale netwerk van de cliënt; f. de hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld, en doet dit bij de Dienst Gezondheid & Jeugd; g. de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen: i. cliëntadministratie ii. ondersteuningsplan of budgetplan per cliënt waarin gemaakte afspraken, risicoinventarisatie (veiligheid) en communicatie is opgenomen; iii. een zorgplan; iv. urenregistraties; v. urendeclaraties; vi. evaluaties; vii. zorgovereenkomst(en) met derdenbeding; viii. diploma’s van de medewerkers per functie (indien van toepassing); ix.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1070/documents/46530