CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

TVW 2021 Dordrecht - Bijlagen.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 22 juni 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 31: Vaststellen Transitievisie Warmte 2021 - Raadsvoorstel17.774 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit wordt versterkt bij de vraag naar energie die nodig is voor het opwekken van warmte voor ruimteverwarming, omdat deze vraag sterk seizoensgebonden is. Bij een grotere ongelijktijdigheid is het (nog) lastiger om vraag naar elektriciteit en aanbod van (duurzame) elektriciteit op elkaar af te stemmen. Technieken die ongelijktijdigheden in elektriciteitsvraag en -aanbod op grote schaal kunnen overbruggen zijn kostbaar of gebaseerd op fossiele energie, bijvoorbeeld gascentrales die snel bij kunnen springen. Bij grotere ongelijktijdigheid wordt er dus meer afhankelijkheid gecreëerd van fossiele energie, ook op de lange termijn. Dit heeft dus een grote impact op zowel de toekomstbestendigheid als de duurzaamheid van de oplossing. Om een blijvende afhankelijkheid van fossiele energie te voorkomen is het daarom van belang om voor aardgasvrije warmteoplossingen te kiezen, die een zo laag mogelijke impact hebben op de capaciteitsvraag van het elektriciteitsnet. In figuur 3 is voor de meest voorkomende warmteoplossingen voor bestaande woningbouw de vraag naar elektriciteit voor ruimteverwarming in kWh per jaar weergegeven.

9

CE Delft (2020), Systeemstudie Energie-infrastructuur Zuid-Holland.

30

Elektriciteitsgebruik in kWh van verschillende warmteoplossingen

7,200

3,700 3,200 2,600 1,600 0

900

600 200

Figuur 3. Elektriciteitsvraag diverse warmteoplossingen voor een rijwoning met basisniveau isolatie.

Uit de grafiek kan worden afgeleid dat zowel bij een middentemperatuur warmtenet met een mix van diverse warmtebronnen als bij een all-electric oplossing met een mix van individuele oplossingen, elektriciteit een belangrijke energiebron zal zijn voor de warmtevoorziening. De impact op het elektriciteitsnet is sterk gecorreleerd aan het totale elektriciteitsgebruik van de warmteoptie. Bij warmtepompen die (gedeeltelijk) gebaseerd zijn op de buitentemperatuur (luchtwarmtpompen en aquathermie) wordt dit extra versterkt doordat in de winter, wanneer de warmtevraag het hoogst is, de efficiëntie van deze technieken lager is dan in de zomer. 3.3.3.1 Individuele biomassa Strikt gezien is individuele biomassa een variant van all-electric omdat er in principe alleen een elektriciteitsnet in de buurt nodig is. Op dit moment wordt er in Nederland in veel woningen al gebruikt gemaakt van biomassa voor verwarmen. In de vorm van houtkachels en open haarden wordt al houtachtige biomassa gebruikt voor verwarmen van gebouwen. De bestaande open haarden zijn vaak niet erg efficiënt en stoten ook veel stoffen uit, zoals fijnstof. Desalniettemin kan individuele biomassa een lokale maatwerkoplossing zijn voor bijvoorbeeld gebouwen in het landelijk gebied die moeilijk op een andere manier te verduurzamen zijn, zeker als de biomassa afkomstig is van eigen erf of bedrijf.

3.3.4 Warmte In de RES Drechtsteden wordt onderscheid gemaakt tussen drie voorkeurscategorieën van warmtebronnen: 1. Eerste voorkeur: direct bruikbare warmte. De eerste voorkeur gaat in onze regio uit naar direct bruikbare warmte. Deze warmte kan direct worden benut. Op deze manier hoeft het niet te worden opgewekt. Zo wordt onder andere onnodige elektrificatie van het energiesysteem voorkomen. Voorbeelden van direct bruikbare warmte zijn restwarmte uit afvalverbranding en diepe geothermie. 2. Tweede voorkeur: op te waarderen warmte. De tweede voorkeur gaat uit naar op te waarderen warmte. Dit is duurzame warmte uit omgevingswarmte, zoals oppervlaktewater en andere vormen van aquathermie, laagtemperatuur (rest)warmtebronnen, ondiepe geothermie en (ventilatie)lucht. Die moet worden opgewaardeerd met een elektrische warmtepomp voordat het gebruikt kan worden voor verwarming van gebouwen. Afhankelijk van de gebruikte omgevingswarmte zijn er grote verschillen in rendement, (ventilatie)lucht heeft een relatief laag rendement. 3. Minste voorkeur: te maken warmte. De minste voorkeur gaat uit naar te maken warmte. Dit is warmte die nog geheel moet worden opgewekt en niet reeds 'aanwezig' is in de omgeving. Onder deze categorie vallen

31

duurzame brandstoffen zoals groene waterstof en groen gas. Deze categorie heeft de minste voorkeur omdat deze hoogwaardig toepasbaar is voor industriële grondstoffen en processen en voor zware mobiliteit. In de rest van dit hoofdstuk zullen de meest voorkomende warmtebronnen stuk voor stuk globaal besproken worden. 3.3.4.1 Restwarmte Het bedrijfsleven kent vele soorten processen waar warmte ontstaat of overblijft waar op dit moment nog geen goede toepassing voor is. Deze ‘overgebleven’ warmte uit productieprocessen wordt restwarmte genoemd. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. Dit kan bijvoorbeeld restwarmte zijn uit aan afvalverbrandingsinstallatie, energiecentrales of de (chemische) industrie. Het voordeel van deze hoge temperatuur restwarmte is dat er geen warmtepomp nodig is om de warmte naar het juiste temperatuurniveau te brengen om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen. Er is ook restwarmte beschikbaar van lagere temperatuur. Denk daarbij bijvoorbeeld aan restwarmte uit datacenters, koel- en vrieshuizen of ijsbanen. Een mogelijk nadeel van restwarmte is de beschikbaarheid. Restwarmte is niet overal in significante hoeveelheden beschikbaar en het is soms onzeker hoe lang de warmte beschikbaar blijft.

Ook dient een restwarmtebron voldoende warmtepotentieel te hebben om een aansluiting op het warmtenet aantrekkelijk te maken. Naast lokale restwarmtebronnen bestaat er soms ook de mogelijkheid om restwarmte te ontvangen van omliggende industriële clusters, bijvoorbeeld uit het havengebied in Rotterdam. Omdat restwarmte een relatief goedkope bron is, is het nuttig om daar waar mogelijk en haalbaar deze bron te benutten voor de ontwikkeling van warmtenetten. Het is dan wel van belang dat er voldoende alternatieve duurzame warmtebronnen op beschikbaar zijn, zodat de leveringszekerheid van warmte kan worden gegarandeerd voor een zeer lange tijd. 3.3.4.2 Energie uit bodem (bodemwarmte) en diepere aardlagen (geothermie) De bodem en diepere aardlagen kunnen als warmtebron dienen. Bodemwarmte is warmte die van de zon komt en de bodem in trekt tot enkele honderden meters. Boor je naar diepere aardlagen, dan spreken we over aardwarmte, ook wel geothermie genoemd. Deze warmte komt uit de hete kern van de aarde. Hoe dieper je boort naar warmte, hoe hoger de temperaturen zijn die je uit de aarde kan onttrekken. Als vuistregel kan aangenomen worden dat ongeveer voor elke kilometer de temperaturen oplopen met circa 30 ⁰C. C. Bron

Diepte

Temperatuur

Bodemlussen of WKO

Tot 250 meter

10 – 15 ⁰C. C

Ondiepe geothermie

250 tot 1.000 meter

20 – 40 ⁰C. C

Middeldiepe geothermie

1 tot 2 kilometer

40 – 70 ⁰C. C

Diepe geothermie

2 tot 4 kilometer

70 – 100 ⁰C. C

Diepe geothermie is in potentie een zeer duurzame bron omdat het gebouwen via een warmtenet direct kan verwarmen zonder de tussenkomst van een warmtepomp. Afhankelijk van de noodzakelijke aanvoertemperatuur is het voor middeldiepe en ondiepe geothermie wel noodzakelijk om nog een warmtepomp te gebruiken om de temperatuur te verhogen. Voor bodemlussen of WKO’s is altijd een warmtepomp noodzakelijk. Of de bodem en aardlagen ook geschikt zijn om warmte uit te winnen hangt sterk af per locatie. Geothermie wordt in het buitenland al heel lang toegepast voor verwarming, zeker in vulkanische gebieden zoals IJsland. In Nederland is het gebruik als warmtebron relatief nieuw, maar toch zijn er al verschillende succesvolle projecten. De meeste projecten leveren warmte aan glas- en tuinbouw, maar er worden bijvoorbeeld ook 470 appartementen in Pijnacker-Noord verwarmd op basis van geothermie. 3.3.4.3 Aquathermie Ook water kan een potentieel zeer grote bron van warmte zijn. Thermische energie uit water, ook wel aquathermie genoemd, kan in theorie een groot deel van de gebouwen van warmte voorzien. Aquathermie kan uit verschillende waterbronnen komen: oppervlaktewarmte (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED). Vooral thermische energie uit oppervlaktewater heeft in de Drechtsteden een in theorie enorm potentieel vanwege de grote waterwegen die door het gebied lopen.

32

Voor warmtenetten waar ook oudere woningen aangesloten moeten worden is het noodzakelijk dat de aanvoertemperatuur wel opgehoogd wordt van tussen de 5 ⁰C. C en 25 ⁰C. C naar maximaal 70 ⁰C. C. Om aquathermie als warmtebron te benutten dient de temperatuur in bijna alle gevallen flink verhoogd te worden door middel van een warmtepomp. Er is bij de inzet van warmtepompen dus ook op termijn voldoende duurzame elektriciteit nodig. Een voordeel van aquathermie is dat het op een kleinere schaal kan worden toegepast dan bij andere potentiële bronnen voor warmtenetten, zoals bij restwarmte en geothermie. Oppervlaktewater is in de zomer veel warmer dan in de zomer. De warmte in het water uit de zomer kan onttrokken worden en tijdelijk opgeslagen in WKO-bronnen. Dit kan lokaal ook voordelen hebben voor waterkwaliteit en hittestress. Vervolgens wordt de warmte op een later moment met warmtepompen opgehoogd voor het warmtenet. Via dezelfde bron kan ook gekoeld worden, maar dit is niet noodzakelijk. Wanneer er zonder WKO-bron warmte uit oppervlaktewater gewonnen wordt, vraagt dit in de winter meer elektriciteit en kan er minder warmte benut worden. 3.3.4.4 Zonthermie Door middel van zonnecollectoren kan zonne-energie ook direct in warmte worden opgezet. Tot nu toe heeft deze bron nauwelijks een rol gehad in de warmtetransitie.

Dit komt voornamelijk doordat de opwek van warmte uit deze bron het laagst is in de periode dat de warmtevraag het hoogst is (in de winter). Voor het succesvol toepassen van zonthermie als warmtebron is het dus in de meeste gevallen noodzakelijk om veel warmte op te kunnen slaan. Dit wordt bijvoorbeeld al gedaan in grote watercontainers die in de grond worden ingegraven in Denenmarken. Voor het verwarmen van zonthermie is relatief veel ruimte nodig voor een groot oppervlak van collectoren (dit kan eventueel ook op daken van gebouwen) en voor de warmteopslag die noodzakelijk is. Het voordeel van zonthermie is dat er zeker in de zomer hoge temperaturen mee opgewekt kunnen worden. Maar het opslaan van deze temperaturen voor periodes van enkele maanden is wel een uitdaging. Er bestaat ook de mogelijkheid om zonthermie te combineren met warmtepompen om de temperaturen op te hogen, maar dit vraagt wel extra elektriciteit. In Denenmarken bestaan er sinds enige jaren warmtenetten die voor een deel op basis van zonthermie draaien. Een voorbeeld is bijvoorbeeld te vinden in de plaats Gram in zuidoost Denenmarken. Hier wordt een oppervlak van 45.000 m2 zonnecollectoren gecombineerd met 120.000 m 3 verwarmd wateropslag. Gecombineerd levert deze centrale aan circa 1.200 aansluitingen warmte. Dat is circa 40 m 2 aan zonnecollectoren en 100 m3 opslag per aansluiting.

Zonthermie dekt hierbij ongeveer 60% van de warmtebehoefte af, de rest wordt geleverd via warmtekrachtkoppelingen en boilers op basis van gas en elektriciteit. 3.3.4.5 Biomassa en groen gas Biomassa is een containerbegrip dat vele potentiële vormen van energie omvat. Onder biomassa vallen bijvoorbeeld hout, mest, rioolslib, zeewier, GFT en algen. Biomassa kan daarnaast is vele soorten energiedragers voorkomen: vaste brandstoffen zoals resthout, vloeibaar zoals in biobrandstoffen of gasvorming zoals bij groen gas. Energie uit biomassa is chemische energie die in de materialen zit, die omgezet kan worden in hoge temperatuur warmte of elektriciteit. Een speciaal soort biomassa energiedrager is groen gas. Dit kan gebruikt worden als alternatief voor aardgas. Sommige vormen van biomassa, zoals houtverbranding, staan de laatste jaren onder discussie. Bij specifieke situaties en toepassingen worden vraagtekens gezet of de biomassa wel als duurzaam gezien kan worden. Er is ook veel politieke discussie over bepaalde vormen van biomassa. Het is belangrijk om altijd te specificeren welke vorm van biomassa bedoeld wordt en waar deze vandaan komt. Ook is het belangrijk om te overwegen of biomassa in een andere toepassing niet meer waarde heeft.

Op dit moment wordt er al een significante hoeveelheid biomassa toegepast in Nederland, voornamelijk uit reststromen die geen duidelijke andere functie hebben. Maar biomassa, zeker uit reststromen, is niet onbeperkt beschikbaar. Daarom moet er zuinig mee omgesprongen worden. Als dezelfde biomassa beter ingezet kan worden als grondstof, kan het misschien beter niet ingezet worden voor verwarming van woningen. De verwachting is dat de komende decennia er meer biomassa beschikbaar komt voor het verduurzamen van alle sectoren. Zo verwacht het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat de komende decennia er veel meer groen gas beschikbaar komt. Maar dit zal waarschijnlijk veel minder zijn dan de huidige aardgasvraag in Nederland. Dat betekent dat groen gas voorlopig schaars is en zuinig ingezet moet worden. Ook andere sectoren zoals industrie,

33

mobiliteit en back-up voor de elektriciteitsvoorziening zullen een beroep doen op een gedeelte van de biomassa en groen gas. Voor de gebouwde omgeving betekent dit dat er waarschijnlijk ook een beperkte hoeveelheid biomassa en groen gas beschikbaar komt, maar dat dit zo zuinig mogelijk ingezet moet worden. De meeste warmtenetten zullen groen gas nodig hebben voor piekvoorzieningen in de winter. En biomassa of groen gas inzet kan interessant zijn voor woningen die echt geen goed alternatief hebben. Maar het devies blijft om waar we biomassa en groen gas inzetten, dit altijd zo efficiënt en effectief mogelijk moet.

3.3.5

Afwegingen bij warmtebronnen

Er zijn vele vormen van warmtebronnen beschikbaar om woningen te verwarmen. Een randvoorwaarde voor het toepassen van een warmtebron is de beschikbaarheid van die bron in een gebied. Maar de wél aanwezige warmtebronnen zijn niet zomaar uitwisselbaar, elke bron heeft eigen karakteristieken. Ze verschillen bijvoorbeeld qua temperatuurniveaus, de prijs van warmte, de volwassenheid van de techniek (marktgereedheid) en het aantal aansluitingen die nodig zijn (schaal). Om een goede keus te kunnen maken tussen de verschillende aanwezige warmtebronnen is het belangrijke om deze aspecten goed mee te wegen. Een aantal mogelijke overwegingen zijn bijvoorbeeld: 

Schaal: het aantal woningen of woningequivalenten (WEQ) dat verwacht wordt aan te sluiten om de bron rendabel te kunnen exploiteren.

Warmtekosten: de variabele kosten van warmte die uit de bron gewonnen kan worden.

Marktgereedheid: de mate waarin er op dit moment al met succes commerciële systemen worden geëxploiteerd.

Tijdlijn voor toepassing: de indicatieve tijdlijn voor de inzet van de warmtebron.

In tabel 12 staan indicatief deze karakteristieken uitgewerkt voor een aantal warmtebronnen die relevant kunnen zijn in de Drechtsteden. Warmtebron Restwarmte HT/MT

Schaal (min. – max. WEQ) 10.000 - 50.000

Diepe geothermie

Warmtekosten

Marktgereedheid

Laag/Midden

Hoog

Tijdlijn voor Drechtsteden Nu al toegepast

7.000 - 11.500

Midden

Hoog

>2020

Middeldiepe geothermie Ondiepe geothermie

4.500 - 7.000

Zeer hoog

Laag

>2030

750 – 5.000

Hoog

Midden

>2030

Aquathermie

200 – 2.000

Hoog

Midden

>2020

WEQ = woningequivalenten. HT = Hoge temperatuur ~90 ⁰C, MT = Midden temperatuur ~70 ⁰CC, MT = Midden temperatuur ~70 ⁰C, MT = Midden temperatuur ~70 ⁰CC Tabel 11: Een selectie van overwegingen bij verschillende warmtebronnen

Specifiek voor de technieken middeldiepe en ondiepe geothermie is marktgereedheid een aandachtspunt. De techniek voor winning van dit type aardwarmte is nog in ontwikkeling en de huidige subsidieregimes zijn (nog) niet ingericht om dit type warmte rendabel te winnen.

3.3.6

Technisch potentieel warmtebronnen

Een randvoorwaarde voor de keuze van een collectieve warmtebron is het beschikbaar potentieel van de warmtebron. Er zijn verschillende vormen van potentiëlen te onderscheiden:

34

Theoretisch potentieel: de theoretische hoeveelheid energie die gewonnen kan worden op basis van het maximale hoeveelheid warmte die aanwezig is.

Technisch potentieel: het deel van het theoretisch potentieel dat rekening houdend met technisch en praktische limitaties gewonnen kan worden, zoals de beschikbare technieken, voldoende vermogen van de warmtebron en afstand tot gebouwen.

Economisch potentieel: het gedeelte van het theoretisch potentieel dat kosten-effectief kan worden gerealiseerd.

Het theoretisch potentieel wordt vaak geschat op basis van potentiekaarten. Dit zijn kaarten die aangeven welke orde van grootte aan warmte zich bevinden in de ondergrond, aanwezig is als restwarmte en zich bevindt in bijvoorbeeld oppervlaktewater. Voor de warmtebronnen restwarmte en geothermie is een vertaalslag gemaakt van theoretisch en technisch potentieel. Dit is met de volgende methode gedaan: 

Restwarmte: Restwarmte indicaties van Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NP RES) zijn gecorrigeerd voor een inschatting voor het technisch potentieel. Voor hoge temperatuur en midden temperatuur restwarmte is dit gedaan door alleen warmtebronnen die meer vermogen leveren dan 1 MWth leveren mee te nemen en 80% van het potentieel van die bronnen te nemen. Voor lage temperatuur restwarmte is dit gedaan door 10% van het theoretische aanbod te nemen. Dit percentage corrigeert voor het feit dat de meeste lage temperatuur warmtebronnen zullen zijn die in praktijk niet of lastig aan te sluiten zijn op een warmtenet vanwege beperkte vermogens, lange termijn potentieel of praktische haalbaarheid.

Geothermie: geologen van warmtebedrijf HVC hebben een lokale analyse gedaan aan de hand van publiek beschikbare data van de potentie in verschillende aardlagen. Dit is aangevuld met verdiepend geologisch onderzoek. Aan de hand van de theoretische potentie is een inschatting gemaakt van het aantal mogelijke boringen en de warmtevermogens die hierbij gehaald zouden kunnen worden.

Aquathermie: Op basis van de zeer ruime beschikbaarheid van oppervlaktewater in de regio is er een keuze gemaakt om geen kwantitatieve vertaling te maken van het theoretisch potentieel van aquathermie. Voor vrijwel alle gemeentes kan aquathermie technisch gezien een voldoende potentieel vormen als alternatieve warmtebron voor een significant deel van de woningen. Waarschijnlijk is de potentie van de bron niet limiterend. Daarom is gekozen deze bron als positief aan te duiden voor alle gemeentes (als ‘+’).

Regionale restwarmte: In de Drechtsteden is er technisch gezien voldoende perspectief op lokale, duurzame warmtebronnen. Restwarmte uit het Rotterdamse havengebied (Rotterdam-Zuid) of uit Moerdijk kan op termijn een wenselijke, maar niet noodzakelijke, aanvulling zijn op de warmtebronnen. Onder de volgende voorwaarden kan dit een interessante optie zijn: o

Er is vanuit het Rotterdamse havengebied of Moerdijk voldoende warmte beschikbaar om naast andere stedelijke gebieden ook de Drechtsteden van restwarmte te voorzien.

o

De warmte kan op een kosteneffectieve manier naar de Drechtsteden getransporteerd worden.

o

Bovenregionale restwarmte heeft voldoende lange termijn leveringsperspectief.

Op dit moment wordt voor verschillende stedelijke gebieden in Zuid-Holland verkend of restwarmte uit het Rotterdamse havengebied een interessante optie zou kunnen zijn. Zowel richting het noorden als het oosten zijn er aanzienlijke afzetgebieden mogelijk met o.a. Den Haag, Rotterdam en Delft. Na Rotterdam is een logische vervolgstap om bijvoorbeeld Barendrecht of Ridderkerk aan te sluiten op restwarmte. Het aansluiten van gebieden gelegen tussen de warmtebron en de Drechtsteden in maakt eventueel transport van warmte naar de Drechtsteden aantrekkelijker. Transport van warmte vanuit Rotterdam-Zuid naar de westelijke gemeenten in de Drechtsteden (Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht) kan worden onderzocht als er meer zekerheid is over de omgeving Barendrecht en Ridderkerk. Pas als er in deze gebieden meer duidelijkheid bestaat qua volumes en tijdlijn, wordt het logisch om ook verder na te denken over een eventuele verbinding richting de Drechtsteden. Er wordt geen grote kans gemist door op dit moment deze mogelijkheid niet verder uit te werken. 

Overige warmtebronnen: de potentie voor de overige warmtebronnen zijn niet gekwantificeerd. Bodemwarmte en zonthermie hebben technisch gezien een grote potentie, maar het zal lokaal afhankelijk zijn of deze bronnen geëxploiteerd kunnen worden. Het aanbod van biomassa en biogas uit de Drechtsteden zelf is beperkt en de inzet van biogas is ook noodzakelijk als piekvoorziening voor de andere warmtenetten.

Tabel 12: Het technisch potentieel van warmtebronnen per gemeente

35

Technisch potentieel* (TJ)

Restwarmte (MT/HT)**

Alblasserdam

40

-

-

40

-

+

1.190

-

800

60

-

+

HardinxveldGiessendam Hendrik-IdoAmbacht Papendrecht

-

-

-

40

-

+

-

-

400

10

250

+

-

300

-

-

-

+

Sliedrecht

-

300

-

-

-

+

Zwijndrecht

100

-

400

40

250

+

1.330

600

1.600

190

500

Ruim aanbod

Dordrecht

Totaal

Diepe geothermie

Middeldiepe geothermie

Restwarmt e (LT)**

Ondiepe geothermi e

Aquathermie** *

* Potentieel is inclusief huidige warmtebronnen voor warmtenetten ** MT/HT-bronnen > 1 MWth, 80% van theoretisch potentieel. Alle LT-bronnen, 10% potentieel van theoretisch potentieel. *** Aquathermie vraagt veel elektriciteit voor het opwaarderen van warmte (in mindere mate geldt dit ook voor LT restwarmte en ondiepe geothermie). Ter vergelijking: indien 35% van de woningen in de Drechtsteden op een warmtenet aangesloten zou worden, zou dit een warmtevraag van de orde 2.500 tot 3.000 TJ betekenen. Gezien het technisch potentieel in bovenstaande tabel, leidt dit tot de conclusie dat er technisch gezien ruim voldoende warmte in de Drechtsteden beschikbaar is.

3.3.7

Warmteopslag

Warmteopslag wordt meestal geassocieerd met warmte- koudeopslag in de bodem (WKO-bronnen). Echter worden er in WKO-bronnen, op circa 50-250 meter diepte, temperaturen van maar 10-25ºC opgeslagen. Er is dus aanvullend een warmtepomp nodig om gebouwen en woningen met deze brontemperatuur te kunnen verwarmen. Warmteopslag, waarmee direct kan worden verwarmd met temperaturen tussen de 40ºC en 90ºC, wordt echter nog weinig toegepast. De verwachting is dat dit zal sterk gaan veranderen, omdat de capaciteit van het elektriciteitsnet in de Drechtsteden beperkt is. De vraag naar warmte voor het verwarmen van gebouwen en woningen is zeer seizoensgebonden. De vraag naar warmtapwater is het gehele jaar vrij stabiel en heeft pieken in ochtend- en avonduren. Ruimteverwarming heeft echter een enorme dip in de zomer en een zeer hoge piekvraag op koude dagen. Daarom moet bij de keuze van de warmteoptie rekening gehouden worden met de impact op het elektriciteitsnet. Bij collectieve warmteoplossingen is de impact op het elektriciteitsnet veel lager dan bij individuele all-electric oplossingen (zie elektriciteit). Warmteopslag maakt het mogelijk om het benodigde piekvermogen van een warmteopwekker, zoals een warmtepomp, verder te verkleinen. Ook kan er meer warmte uit dezelfde warmtebron worden benut.

Een traditionele gasketel is een goedkope technologie waarbij het gebruikelijk is om het benodigde ketelvermogen te dimensioneren op de piekwarmtevraag voor ruimteverwarming en/of warm tapwater. Het huidige gasnet heeft hiervoor voldoende capaciteit. Het huidige elektriciteitsnet heeft echter deze capaciteit bij lange na niet. In het geval van de overstap van een gasketel naar warmtepompen moet de capaciteit van het huidige net dus verhoogd worden. Als dit voorkomen of beperkt kan worden, bespaart dat veel geld voor de maatschappij. Ook is de investering in een warmtepomp relatief hoog, dus hoe kleiner de warmtepomp, hoe beter de businesscase. Daarnaast werkt een warmtepomp het meest optimaal wanneer deze continu kan draaien en is de technologie minder geschikt om in een korte tijdspanne een grote hoeveelheid water te verwarmen. Daarom worden warmtepompen die nu al toegepast worden in woningen gecombineerd met een boilervat van circa 150 liter om warm tapwater voor één dag op te slaan. Door een warmtepomp te combineren met warmteopslag voor niet alleen warm tapwater maar ook ruimteverwarming kan de warmtepomp (nog) kleiner uitgevoerd worden, kan deze meer draaiuren maken en hoeft het elektriciteitsnet dus minder verzwaard te worden.

36

Een ander belangrijk aspect, dat meegenomen moet worden, is dat ook aan de bronzijde veel gaat veranderen. Nu is elektriciteit altijd beschikbaar, omdat kolen- en gascentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst is het aanbod van zonne-energie en windenergie veel minder constant en ook deels seizoen afhankelijk. Het vierde voordeel dat een warmtepomp in combinatie met warmteopslag biedt, is de mogelijkheid voor vraagsturing. Wanneer de elektriciteitsprijs laag is of er overschotten zijn van (zelf) opgewekte hernieuwbare elektriciteit kan de warmteopslag gevuld worden voor gebruik op een later moment. Op momenten dat er een piek is in de elektriciteitsvraag wordt (ook) warmte vanuit de warmteopslag geleverd. Opslag is dus noodzakelijk om de elektriciteit, die een warmtepomp gebruikt, CO2 neutraal op te kunnen wekken. De ontwikkelingen op het gebied van warmteopslag staan niet stil. Om warmteopslag in woningen in combinatie met warmtepompen toe te kunnen passen moet echter nog wel een grote sprong gemaakt worden. Voor een waterbuffer is er simpelweg geen ruimte en compacte technieken, die breed toepasbaar zijn in woningen, zijn nog niet marktrijp. Bij een collectieve oplossing voor een gebouw of bij een warmtenet kan met de huidige stand van de techniek wel al warmte opgeslagen worden.

Grote buffervaten boven of ondergronds gevuld met warm water kunnen als warmtebatterij dienen. Bij warmtenetten wordt deze techniek al toegepast, zo ook bij de Diemer Centrale. Er worden ook nieuwe compactere warmtedragers dan water uitgetest en ontwikkeld, zoals phase change materials (PCM’s) en thermochemische warmtebatterijen.

3.4 Duurzaamheid van de warmteopties Het onderzoeksbeeld heeft de aardgasvrije warmteopties per buurt bepaald op basis van laagste maatschappelijke kosten. Vervolgens is het belangrijk om te toetsen of deze warmteopties ook daadwerkelijk leiden tot een CO 2neutrale eindsituatie. Bij de keuze voor een warmteoptie is het van belang dat deze op korte termijn CO 2 bespaart en dat deze op lange termijn de hoogste kans geeft op een CO2-neutrale energievoorziening. Bij de keuze voor een warmteoptie spelen daarom twee aspecten een belangrijke rol: de efficiëntie van de warmteoptie en de mogelijkheid om de energiebron te verduurzamen. Op basis van inzicht in deze twee aspecten kunnen we toetsen of het onderzoeksbeeld daadwerkelijk leidt tot een CO2-neutrale warmtevoorziening.

3.4.1

De efficiëntie van de warmteoptie

Hernieuwbare energie is schaars, daarom is het belangrijk deze zo efficiënt mogelijk in te zetten. Hoe efficiënter de warmteoptie is, hoe minder energie er nodig is en dus hoe minder duurzame bronnen er nodig zijn. De efficiëntie van een warmteoptie heeft zowel invloed op de CO2-uitstoot op de korte termijn als op de langere termijn. De volgende onderdelen uit de warmteketen hebben invloed op de efficiëntie van de oplossing: 

De energievraag van de gebouwen. Hoe lager de vraag, hoe efficiënter de oplossing. Er is echter een verschil tussen het energetische optimum (hoeveel van de energievraag kan maximaal bespaard worden) en het economische optimum (bij welke mate van energiebesparing wegen de kosten die de gebouweigenaar maakt, op tegen de opbrengsten voor de eigenaar of huurder). Het optimum verschilt per bouwjaar, woningtype en het moment waarop het gebouw is of wordt verbeterd 10.

Het temperatuurniveau waarmee het gebouw comfortabel verwarmd kan worden. Hoe lager de temperatuur, hoe efficiënter de oplossing. Ook hier is een verschil tussen het energetische optimum en het economische optimum. Het optimum verschilt ook hier per bouwjaar, woningtype en het moment waarop het gebouw is of wordt verbeterd11.

10

De meeste bestaande woningen, gebouwd voor 1990, hebben een warmtevraag voor ruimteverwarming van circa 95 kWh/ m2. Het economisch optimum ligt voor de meeste van deze woningen ergens tussen de 65-80 kWh/m2. De meeste bestaande woningen, gebouwd na 1990, hebben een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van 45 kWh/m2. Bij zeer goed geïsoleerde nieuwbouwwoningen is een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van 25 kWh/m2 haalbaar. 11

De meeste bestaande woningen en gebouwen, gebouwd voor 1990, hebben op de koudste dagen een temperatuur nodig van 80-90 °C om comfortabel warm te worden. Het economisch optimum ligt voor de meeste van deze woningen op 70°C of lager. De meeste bestaande woningen, gebouwd na 1990, kunnen al verwarmd worden met 70°C of lager. Om met 40°C verwarmd te kunnen worden moeten in de meeste gevallen alle radiatoren vervangen worden. Bij nieuwbouwwoningen is een temperatuur van 40°C de standaard.

37

De verliezen van energie, waaronder de energie die nodig is tijdens transport. Bij transport van warmte, elektriciteit en gas gaat er energie verloren en kan aanvullende energie nodig zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van transportpompen.

De efficiëntie van de opwek van warmte en de hoeveelheid energie in de vorm van gas, elektriciteit of andere energiedragers (afval of biomassa), die daarbij nodig zijn.

In figuur 4 is de CO2-uitstoot van een gasketel vergeleken met de CO2-uitstoot van individuele warmteopties (allelectric) en collectieve oplossingen (middentemperatuur warmtenet), op basis van landelijke kentallen van verschillende warmtebronnen12. De CO2-uitstoot van deze warmteopties is uitgedrukt in de hoeveelheid CO 2 die jaarlijks wordt uitgestoten om een woning te voorzien van ruimteverwarming en warm tapwater. Hierbij zijn een aantal uitgangspunten13 aangenomen voor een gemiddelde rijwoning met basisniveau isolatie. De vergelijking is gemaakt voor 2020 en 2030. Tussen 2020 en 2030 is aangenomen dat de CO2-uitstootfactor van elektriciteit met circa 65% daalt, in lijn met berekeningen van het PBL. De uitstootfactor voor (aard)gas is gelijk gehouden. Uitstoot 2020 (links weergegeven per oplossing) Uitstoot 2030 (rechts weergegeven per oplossing)

12

Om de systeemefficiëntie van de verschillende verwarmingstechnieken met elkaar te kunnen vergelijken zijn deze omgerekend naar de CO2-uitstoot per woning (106 m2 GBO) per jaar voor ruimteverwarming (62 kWh/m2) en warm tapwater (2.350 kWhth). Voor de uitstoot van aardgas is aangenomen 1,89 kg per m3, voor elektriciteit 0,475 kg per kWh (https://www.co2emissiefactoren.nl/). 13

Rendementen: Gasketel 87%, transportverlies warmtenet 20%; SCOP’s: hybride-ventilatie 4, hybride-buitenlucht 3.8, luchtwarmtepomp 2,6, bodemwarmtepomp 3,6, aquathermie 3.2; Aandeel (aard)gas: hybride-ventilatie 62%, hybride-buitenlucht 35%, warmtenet 20% voor piekvoorziening; elektriciteitsgebruik pompenergie warmtenet: 6 kWh per GJ, plus 5% van warmteopwek voor geothermie.

38

Figuur 4: Huidige CO2-uitstoot van verschillende warmteopties voor een gemiddelde rijwoning met een warmtevraag van 62 kWh/m2

Uit de grafiek kan worden afgeleid dat met uitzondering van infraroodpanelen alle aardgasvrije warmteopties met de technieken van vandaag al leiden tot minder CO2-uitstoot ten opzichte van de huidige gasketel. Op basis van het onderzoeksbeeld kunnen we dan concluderen dat alle warmteopties, zowel gasnet hybride, all electric als een middentemperatuur warmtenet al leiden tot CO2-besparing, zelfs met de huidige niet-duurzame elektriciteitsmix. Als we naar 2030 kijken, wanneer CO2-uitstoot van elektriciteit flink zal dalen, zien we dat het gat van alle alternatieve opties nog een stuk groter wordt. In 2030 zullen alternatieven dan tussen de 25% en 75% minder CO 2-uitstoot hebben dan een gasketel. Dit gat zal na 2030 nog groter worden, omdat de CO 2-uitstoot van elektriciteit naar verwachting nog verder zal dalen.

3.4.2

De mogelijkheid om de energiebron te verduurzamen

Een tweede en zeer belangrijk aspect bij de keuze voor een warmteoptie is dat deze op termijn kan worden gevoed met duurzame energiebronnen, waardoor gedurende de warmtetransitie de CO 2-uitstoot verder kan dalen en de afhankelijkheid van fossiele bronstoffen afneemt. Het einddoel is immers niet alleen aardgasvrij, maar ook CO 2neutraal. We maken daarbij onderscheid tussen gas, elektriciteit en warmte. Als voorbeeld: een middentemperatuurwarmtenet met als warmtebron hoogtemperatuur restwarmte stoot op dit moment minder CO2 uit dan een middentemperatuur warmtenet met als warmtebron aquathermie of datacenterwarmte. Dit komt door het feit dat bij deze laatste bronnen aanvullend warmtepompen nodig zijn om de gewenste temperatuur van 70°C aan het net te kunnen leveren. De warmtepompen gebruiken hiervoor elektriciteit uit het net. De huidige mix van de elektriciteit wordt in Nederland nu nog grotendeels fossiel opgewekt. In de toekomst zal de elektriciteit verder vergroenen en neemt daarmee de CO 2-uitstoot van deze warmtebronnen dus af. Ook voor hoogtemperatuur restwarmte geldt dat de CO 2-uitstoot in de toekomst zal afnemen door nieuwe bronnen als geothermie, de vergroening van de elektriciteitsmix, door efficiëntere installaties en mogelijk het afvangen en opslaan van CO2 bij de afvalenergiecentrale.

Per energiedrager (warmte, elektriciteit en gas) kunnen we nu de volgende conclusies trekken over de duurzaamheid op de lange termijn. 3.4.2.1 Verduurzaming warmte We hebben gezien dat er in de Drechtsteden een breed aanbod is van mogelijke warmtebronnen, die wel per gemeente verschillen. Alle bronnen leiden nu al tot CO2-besparing en er zijn voldoende warmtebronnen om de toekomstige warmtenetten mee te voeden. Aangezien een warmtenet een systeem is waarin de warmte circuleert tussen de warmtebron en de warmteafnemer hebben warmtebronnen per definitie een lokaal karakter. Om de toekomstige warmtebronnen te ontsluiten en om de schaal te maken die nodig is voor de ontwikkeling van de bronnen is het belangrijk dat warmtenetten snel enige omvang bereiken en ook blijven doorgroeien. De koppeling van decentrale netten kan op termijn voordelen opleveren zoals het ontsluiten van nieuwe warmtebronnen en het creëren van schaalvoordelen in piek-, buffering- en back-upvoorzieningen. In een ideale situatie ontsluit een warmtenet zo veel mogelijk duurzame bronnen en kan het op de koudste dagen 70°C leveren met een zo laag mogelijke retourtemperatuur. 3.4.2.2 Verduurzaming elektriciteit Voor het opwekken van warmte met (hybride) warmtepompen in woningen, of om gebouwen en buurten te verwarmen met een warmtenet, zal de vraag naar elektriciteit stijgen.

Om een blijvende afhankelijkheid van fossiele energie te voorkomen is het belangrijk dat deze elektriciteit uiterlijk in 2050 duurzaam opgewekt kan worden. In hoeverre dit mogelijk is hangt af van twee factoren: 

De mogelijkheid om deze elektriciteit duurzaam op te wekken

De impact van de warmteoplossing op het elektriciteitsnet

Voor het opwekken van de hoeveelheid duurzame elektriciteit die nodig is voor de toekomstige warmtevraag in de Drechtsteden is onvoldoende ruimte in een dichtbebouwde regio als de Drechtsteden. De warmtevraag, en dus ook de elektriciteitsvraag voor verwarmen, kenmerkt zich door een grote piek in het zogenaamde ‘stookseizoen’, wanneer mensen hun woning verwarmen. De elektriciteit die wordt opgewekt met zonnepanelen in de regio is in de wintermaanden relatief laag en daarom in mindere mate beschikbaar voor het produceren van warmte in het stookseizoen. Uit de concept RES Drechtsteden14 blijkt dat de potentie voor windenergie, waarmee wel in het 14

39

Zie https://drechtstedenenergie.nl/res/index.html voor de RES Drechtsteden

stookseizoen elektriciteit kan worden geleverd, beperkt is. Van de huidige elektriciteitsvraag van 4,5 PJ kan in de toekomst wellicht 0,66 tot 0,84 PJ worden verduurzaamd binnen de regio. Het merendeel van de duurzame elektriciteit die nodig is voor het duurzaam verwarmen van de Drechtsteden zal dus van buiten de regiogrenzen moeten komen. Het verduurzamen van de elektriciteitsvraag voor een aardgasvrije en duurzame verwarming is daarmee een opgave waar de Drechtsteden zelf in mindere mate invloed op heeft. Voor de transitievisie warmte is daarom aangenomen dat er voldoende elektriciteit buiten de regio duurzaam kan worden opgewekt en aangevoerd. Naast de opwek is het belangrijk om te kijken naar de invloed van verschillende warmteopties op het elektriciteitsnet. Een grotere impact op het elektriciteitsnet creëert meer afhankelijkheid van fossiele energie voor het opvangen van de pieken, aangezien er juist op de piekmomenten relatief weinig aanbod is van zon- en windenergie. Een grotere afhankelijkheid van elektriciteit heeft tevens een nadelig effect op de snelheid waarmee we de transitie kunnen realiseren, omdat de transportcapaciteit van het net op veel plekken niet is afgestemd op een groeiende vraag naar elektriciteit en netverzwaring dus tempobepalend kan zijn.

De impact op het elektriciteitsnet van een warmtenet is aanzienlijk lager dan die van all-electric, omdat je bij een warmtenet niet tot in de haarvaten van het net (extra) hoeft te verzwaren. In de context van duurzaamheid op de lange termijn kan de CO 2-uitstoot bij een warmtenet met een mix van diverse duurzame bronnen daarom sneller dalen dan bij all electric. Bij all-electric is er vanwege de hoge elektriciteitsvraag op piekmomenten immers een grotere kans op een blijvende afhankelijkheid van fossiele bronnen. 3.4.2.3 Verduurzaming gas Uit het onderzoeksbeeld volgt dat er in de gebouwde omgeving ook op de langere termijn vraag zal blijven naar gas voor verwarming. Of de binnensteden, historische linten en kleine kernen binnen de doelstelling van 2050 daadwerkelijk aardgasvrij worden, hangt af van de mate waarin duurzaam gas beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving en van technologische innovaties waardoor andere infrastructuren toch haalbaar en betaalbaar worden in deze delen van de regio. Deze twee ontwikkelingen moeten bij iedere herijking van de transitievisie warmte opnieuw worden beoordeeld om de verduurzamingsstrategie van de binnenstad daarop aan te passen. Eerder bleek dat we nog een gasvraag houden van ca. 13% van het huidige gebruik in de gebouwde omgeving van de Drechtsteden.

Met de kennis van nu over de toekomstige beschikbaarheid van duurzaam gas kunnen we die gasvraag op termijn invullen met groen gas of waterstof.

3.5 Conclusie warmteopties, bronnen en duurzaamheid Ten aanzien van het onderzoeksbeeld kunnen we nu een aantal conclusies trekken: 1. Zoveel mogelijk woningen en gebouwen benutten tussen nu en 2050 natuurlijke momenten om uiteindelijk een basisniveau te bereiken qua isolatie, installatie en ventilatie waarmee een woning of gebouw transitiegereed is voor verschillende warmteopties. 2. Alle warmteopties in het onderzoeksbeeld leveren op korte termijn al CO 2-besparing op, ook met de huidige niet-duurzame elektriciteitsmix. 3. Ten aanzien van all-electric zien we wat betreft efficiëntie een grote variatie in de oplossingen. Voor CO 2besparing op de korte termijn is het belangrijk om de meest efficiënte variant te kiezen, namelijk warmtepompen, en bij voorkeur water/water-warmtepompen. All-electric heeft vanwege de hoge piekbelasting een grotere impact op het elektriciteitsnet en is daarom in de tijd afhankelijk van de uitbreiding van de capaciteit op het elektriciteitsnet en kan zorgen voor de inzet van fossiele energie op momenten dat er te weinig aanbod is van duurzame elektriciteit. 4. Ten aanzien van het gasnet is het de verwachting dat er op lange termijn onvoldoende duurzaam gas beschikbaar is om het hele bestaande gasnet te verduurzamen.

Het is noodzakelijk om in zoveel mogelijk buurten te kiezen voor een gasvrije warmteoptie en het gasgebruik sterk te reduceren in de buurten waar het gasnet wel blijft liggen. Op basis van de huidige inzichten kunnen we de resterende gasvraag in de Drechtsteden vervolgens duurzaam invullen. 5. Warmtenetten hebben op de lange termijn de kleinste kans op een blijvende afhankelijkheid van fossiele energiebronnen door de beperkte afhankelijkheid van elektriciteit en gas en omdat er voldoende perspectief is op lokale, duurzame warmtebronnen in de Drechtsteden. Voor verduurzaming van de piek- en back-

40

upvoorzieningen is er voldoende perspectief op duurzaam gas. Wegens het stedelijke karakter van de Drechtsteden zal het warmtenet een belangrijke rol spelen in de warmtetransitie in deze regio.

41

4 Bijlage D: Onderbouwing transitiepad per buurt Buurt Transitiepad Onderbouwing/ toelichting Crabbehof-Noord, Warmtenet: In deze wijken ligt al deels een warmtenet, waarop Crabbehof-Zuid, besparen, reeds bezit van Trivire reeds is aangesloten. De bebouwing Rembrandtlaan e.o. gestart met een leent zich goed om dit warmtenet verder uit te warmtenet of vanaf breiden, met name naar de corporatiewoningen. In 2021 gefaseerd Rembrandtlaan e.o. zijn ook particuliere woningen starten met een wijkaangesloten op het warmtenet. In Crabbehof is of doelgeroepgerichte gestart met een wijkaanpak Crabbehof aardgasvrij. aanpak Deze heeft geen proeftuinstatus gekregen, maar partijen zijn wel verder gegaan op de ingeslagen weg. Het warmtenet heeft wel wat minder prioriteit gekregen bij gemengd bezit (corporaties en particulier) voor de kortere termijn. Bewoners spelen bij de wijkaanpak Crabbehof een grote rol. Krispijnse Driehoek Warmtenet: Deze wijk is gelabeld als warmtenetwijk, te starten besparen, reeds vanaf 2021, vanwege de aanwezigheid van jongere gestart met een huurwoningen, die in het kader van de SAH-aanvraag warmtenet of vanaf op het warmtenet zullen worden aangesloten. 2021 gefaseerd Daarnaast staan er oudere particuliere woningen die starten met een wijkwellicht later kunnen worden meegenomen.

of doelgeroepgerichte aanpak Anna Warmtenet: In deze wijken ligt al deels een warmtenet, waarop Paulownastraat e.o. besparen, reeds woningcorporatiebezit reeds is aangesloten. gestart met een Corporaties hebben hier ook relatief veel gestapelde warmtenet of vanaf complexen. 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Maria Warmtenet: In deze wijk liggen veel onderwijsinstellingen en het Montessorilaan e.o. besparen, reeds warmtenet ligt dichtbij. Dit biedt kansen om deze gestart met een direct aan te sluiten. warmtenet of vanaf 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Albert Warmtenet: In Albert Schweitzerplaats ligt het ziekenhuis, dat al Schweitzerplaats besparen, reeds is aangesloten op het warmtenet. Rond het gestart met een ziekenhuis zal nieuwbouw plaatsvinden, dat ook warmtenet of vanaf aangesloten zal worden op het warmtenet. 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Sterrenburg 1-Oost, Warmtenet: In deze wijken is het aandeel corporatiewoningen Blaauwweg e.o. besparen, reeds relatief groot. Een groot deel daarvan is al gestart met een aangesloten op het warmtenet. Deze zouden als warmtenet of vanaf springplank kunnen dienen voor aansluiting van 2021 gefaseerd andere gebouwen in de wijk.

starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Geldelozepad e.o., Warmtenet: In deze wijken zijn gebouwen al aangesloten aan het Beverwijcksplein besparen, reeds warmtenet van HVC. Er staan enkele grotere e.o., Burgemeester gestart met een complexen van Trivire die aangesloten zijn. De de Raadtsingel e.o., warmtenet of vanaf bouwjaren van de woningen in deze wijken zijn zeer

42

Buurt Kon. Wilhelminastraat e.o. Lijnbaan, Matena's Pad e.o.

Transitiepad 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Warmtenet: besparen, reeds gestart met een warmtenet of vanaf 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak

Amstelwijck, Locatie Refaja

Warmtenet: besparen, reeds gestart met een warmtenet of vanaf 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak

MerwedepolderWest, MerwedepolderOost

Warmtenet: besparen, reeds gestart met een warmtenet of vanaf 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Warmtenet: besparen, reeds gestart met een warmtenet of vanaf 2021 gefaseerd starten met een wijkof doelgeroepgerichte aanpak Warmtenet: besparen en vanaf 2031 gefaseerd starten met een wijk- of doelgeroepgerichte aanpak

Suze Groeneweg-erf e.o.

Zeehavenlaan e.o., Dorus Rijkersstraat e.o., Admiraalsplein, Van Ewijckstraat e.o., Cornelis Evertsenstraat e.o., Van Kinsbergenstraat e.o. Breitnerstraat e.op., Jacob Marisstraat e.o., Waldeck Pyrmontweg e.o., Pr. Bernhardstraat e.o., Zuidhoven

43

Warmtenet: besparen en vanaf 2031 gefaseerd starten met een wijk- of doelgeroepgerichte aanpak

Onderbouwing/ toelichting divers, de bebouwing is relatief dicht. Het jongere bezit leent zich waarschijnlijk voor aansluiten op het warmtenet. In deze wijken zijn gebouwen al aangesloten aan het warmtenet van HVC. Er staan relatief veel nieuwe, gestapelde corporatiewoningen, waarmee deze wijken zich goed lenen voor de uitbreiding van het warmtenet. Het bezit van Trivire aan de westkant van Lijnbaan is al meegenomen in de SAH aanvraag. In het oostelijk deel van Lijnban gaat nieuwbouw plaatsvinden, waarbij een warmtenet ook een goede optie is. Deze wijk is toch bestempeld als warmtenetwijk vanaf 2021, vanwege het gewicht van het bezit van Trivire. In Amstelwijck en Locatie Refaja gaat nieuwbouw van ca 800 woningen plaatsvinden als onderdeel van de spoorzone-ontwikkeling. Het is al zeker dat deze woningen worden aangesloten op het warmtenet. De kleur moet daarom donkergroen zijn, en niet geel (nieuwbouwwijk). Een klein deel in het noordooste van Amstelwijck wordt niet aangesloten (Smtszigt) ivm te verspreide bebouwing, dit is dus een opt out. Bij het deel in het zuidoosten langs de N3 wordt nu onderzocht of hier een warmtenet mogelijk is. Deze wijken zijn al deels op het warmtenet aangesloten, waarbij het gaat om particuliere flats met VvE's. Ook ligt hier corporatiebezit van Trivire, wat in de toekomst aangesloten zou kunnen worden.

Suze Groeneweg-erf kleurt donkergroen, vanwege de SAH complexen van Trivire. Daarmee is dit de enige buurt van de wijk Stadspolders die donkergroen is. De rest van de wijken in Stadspolders zijn middelgroen, vanwege het feit dat zich hierin geen SAH-complexen bevinden. Wel biedt de bebouwing kansen om op middellange termijn aan te sluiten op het warmtenet. In enkele van deze wijken is het warmtenet al (deels) aanwezig en zijn gebouwen aangesloten. De bebouwing leent zich echter in het algemeen niet direct voor uitbreiden van het warmtenet: relatief veel laagbouw. Op de middellange termijn is een warmtenet wel de beste optie.

Jacob Marisstraat e.o. kleurt middelgroen, ondanks dat hier ook een SAH-complex in ligt van Trivire. De rest van de wijk leent zich qua bebouwing echter minder voor een warmtenet op korte termijn, vandaar dat deze wijk niet donkergroen kleurt. Dit doet niets af aan de urgentie van het SAH-complex

Buurt

Transitiepad

Standhasenstraat e.o., Boeroestraat e.o., VogelpleinAalscholverstraat e.o.

Warmtenet: besparen en vanaf 2031 gefaseerd starten met een wijk- of doelgeroepgerichte aanpak

Palissander e.o., Van Ravesteijn-erf e.o, Van den Broekerf e.o., Pearl Buckerf e.o., Joke Smiterf e.o., Aletta Jacobs-erf e.o., Johanna Naber-erf e.o. Dubbeldam-Noord, Dubbeldam-Zuid

Warmtenet: besparen en vanaf 2031 gefaseerd starten met een wijk- of doelgeroepgerichte aanpak

Sterrenburg 1-West, Waterman e.o., Driehoek, Mildenburg e.o., Wittenstein e.o., Zuilenburg e.o., Vredenburg e.o., Minnaertweg e.o.

Warmtenet: besparen en perspectief voor een warmtenet op de lange termijn, fasering nader bepalen bij herijking Warmtenet: besparen en perspectief voor een warmtenet op de lange termijn, fasering nader bepalen bij herijking

Noorderkwartier, Amerstraat e.o., Plein 1940-1945 e.o., Beekmanstraat e.o.

Warmtenet: besparen en perspectief voor een warmtenet op de lange termijn, fasering nader bepalen bij herijking

Merwestein-Noord, Kasperspad e.o., Indische BuurtNoord, Indische Buurt-Zuid, Transvaalstraat e.o., Heysterbachstraat

Warmtenet: besparen en perspectief voor een warmtenet op de lange termijn, fasering nader bepalen bij herijking

44

Onderbouwing/ toelichting van Trivire. Deze wijken zijn middelgroen, vanwege de aanwezigheid van de relatief grote aanwezigheid van bezit van de woningcorporaties. Deze wijken zijn niet donkergroen, omdat er niet veel grote wooncomplexen staan, een aanzienlijk deel uit grondgebonden woningen bestaat, en het woningbezit relatief oud is. Ook moet het warmtenet onder het spoor door om woningen in Standhasenstraat e.o. aan te kunnen sluiten. Het is eventueel ook mogelijk om deze wijk van de andere kant te benaderen met een warmtenet. Suze Groeneweg-erf kleurt donkergroen, vanwege de SAH complexen van Trivire. Daarmee is dit de enige buurt van de wijk Stadspolders die donkergroen is. De rest van de wijken in Stadspolders zijn middelgroen, vanwege het feit dat zich hierin geen SAH-complexen bevinden. Wel biedt de bebouwing kansen om op middellange termijn aan te sluiten op het warmtenet. Deze wijken zijn lichtgroen, omdat deze relatief ver van het warmtenet af liggen, er relatief weinig corporatiewoningen zijn, en de bebouwing vooral grondgebonden is. Vanwege de leeftijd van de bebouwing is een all electric-oplossing niet logisch. Deze wijken zijn lichtgroen, vanwege het feit dat er relatief weinig corporatiewoningen zijn en de bebouwing vooral grondgebonden is.

In Zuilenburg heeft Trivire wel relatief veel woningen, maar deze zijn veelal gespikkeld (gemengde blokken met huuren koopwoningen). Bijna al het bezit van Trivire in Sterrenburg 1-West en Waterman e.o. is al aangesloten op het warmtenet. Toch worden ook deze wijken als lichtgroen bestempeld, omdat het Trivire-bezit slechts een klein deel van de gebouwde omgeving is. Overige gebouwen zullen niet snel volgen, vanwege de extensieve bebouwing en het feit dat dit particulier eigendom is. Vanwege de leeftijd van de bebouwing is een all electric-oplossing niet logisch. Deze wijken zijn lichtgroen, vanwege smalle straten, oude woningen en dichte grondgebonden bebouwing. De ondergrond is hier uitdagend voor een warmtenet. Het lijkt qua buurt op de 19e eeuwse schil. Het warmtenet zal op langere termijn wellicht vanuit de westkant worden aangelegd. Vanwege de leeftijd van de bebouwing is een all electric-oplossing niet logisch. Deze buurten kleuren lichtgroen, omdat er weinig corporatiewoningen zijn, de bebouwing vooral grondgebonden is en de bouwjaren vooral liggen voor 1950. Vanwege de leeftijd van de bebouwing is een all electric-oplossing niet logisch.

Buurt e.o., Bloemenbuurt, Emmastraat e.o., Weizigtpark, Jacob Catsstraat e.o., Viottakade e.o., Erasmuslaan e.o., Rozenhof e.o., Achterhakkers e.o. Iroko e.o., Amazone e.o., Azobe e.o.

Oudendijk e.o., De Hoven

Merwelanden, Bovenpolder, Zuidpolder, Belthure Park, Bildersteeg e.o., Dordtse Biesbosch Nieuw Haven e.o., Kalkhaven, Boogjes e.o., Groenmarkt e.o., Grote Markt e.o., Wijnstraat e.o., Bleijenhoek, Augustijnenkamp e.o., Centrum, Lombard e.o.

Transitiepad

Onderbouwing/ toelichting

All electric: relatief jonge wijk, besparen en gestaag overstappen naar all electric tussen 2021 en 2040 All electric: relatief jonge wijk, besparen en gestaag overstappen naar all electric tussen 2021 en 2040 All electric: relatief oude wijk, besparen en gestaag overstappen naar all electric tussen 2021 en 2050 Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie, hybride en lokale gasvrije opties tot 70% gas besparen. Op termijn duurzaam gas.

Deze drie wijken bevatten vooral relatief jonge, particuliere eengezinswoningen (1990-2005), die zich het beste lenen voor een all electric oplossing.

Park Merwestein e.o.

Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie, hybride en lokale gasvrije opties tot 70% gas besparen. Op termijn duurzaam gas.

Wieldrecht, Tweede Tol

Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw

45

Deze drie wijken bevatten vooral relatief jonge, particuliere eengezinswoningen (1990-2005), die zich het beste lenen voor een all electric oplossing. Daarnaast liggen deze wijken ver weg van het warmtenet. Dit zijn de verspreide woningen in het buitengebied van Dordrecht. Hier liggen all electric oplossingen het meest voor de hand.

De meeste wijken in de historische binnenstad van Dordrecht zijn een besparingsbuurt met op termijn duurzaam gas. Een warmtenet is niet logisch, vanwege het feit dat er weinig ruimte is in de ondergrond, en graafwerkzaamheden de fundering van de woningen zou aantasten. Isoleren van de woningen voor een all electric oplossing is lastig vanwege de leeftijd van de woningen en de monumentenstatus. Ten slotte is in deze wijken relatief weinig bezit van woningcorporaties aanwezig. Een uizondering hierop zijn de wijken Bleijenhoek en Boogjes, waar relatief veel corporatiebezit staat van relatief jonge leeftijd. Toch is ook hier een warmtenet minder waarschijnlijk, omdat daarvoor de dijk en het water worden overgestoken. Daarnaast is het relatief duur. Deze wijken bevatten relatief weinig woningen, maar wel enkele grote monumentale scholen (Johan de Witt college, De School Mühring), waarvoor zowel een warmtenet als een all electric oplossing minder logisch lijkt. De woningen zijn allemaal relatief oud en staan relatief ver uit elkaar rond het park. Overall is hier net als bij de historische binnenstad daarom gekozen voor een duurzame gas-wijk. In deze wijken staan verspreide woningen van gemeleerde typen en bouwjaren. Daarom worden deze wijken bestempeld als onzeker.

Buurt Dordtse Hout

Wantijpark e.o.

Nieuweweg e.o.

Sportterrein Krommedijk, Zuidendijk, Laan der Verenigde Naties Noord Vissersdijk-Noord, VissersdijkBeneden, Vissersdijk-Oost

Dordtse Kil IV, Smitsweg, Weeskinderendijk en Dokweg, Voltastraat e.o. - De Put, Handelskade en 'sGravendeelsedijk, Stadswerven, Vissersdijk-West Krabbegors, Krabbepolder, Louterbloemen, Wilhelminahaven, Julianahaven, Schotman terrein, Amstelwijck-West, Oostkil, Dordtse Kil I, II en III 1e Merwedehaven

46

Transitiepad beoordelen. Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw beoordelen. Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw beoordelen. Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw beoordelen. Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw beoordelen. Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw beoordelen. Nieuwbouw- of transformatiegebied; all electric of warmtenet, volgt fasering van gebiedsontwikkeling

Onderbouwing/ toelichting In deze wijk is sprake van jonge bebouwing, maar het warmtenet ligt hier ook dichtbij, van alle kanten. Of dit op termijn een all electric buurt of een warmtenetbuurt moet worden, kan nu nog niet gezegd worden. In deze wijk is geen corporatiebezit, en de bebouwing is extensief. In Wantijpark worden verschillende initiatieven ontplooid: de flats aan de Oranjelaan zouden mee kunnen met het warmtenet aan de Lijnbaan. Daarnaast zijn er initiatieven voor aquathermie. De mix aan kansen maakt dat deze wijk onzeker is. In deze wijk is zeer extensieve, gemêleerde bebouwing. Deze mix maakt dat deze wijk onzeker is.

Deze wijken zijn bestempeld als besparingswijken. De bebouwing is extensief en oud, waardoor het onduidelijk is welke warmteoptie hier op termijn de voorkeur zou moeten krijgen.

Deze wijken zijn onzeker. De bebouwing is hier te divers voor een warmtenet qua bouwjaren en typologie om nu op een warmtenet aan te sluiten. Op termijn is een warmtenet een optie, net als andere oplossingen. Bij het noordelijke deel van Visserdijk-Oost wordt momenteel onderzocht of er meegelift kan worden met het aansluiten van de SAH-complexen van Trivire in de wijk Suze Groenewegerf. In deze wijken zal in de toekomst voor een substantieel deel nieuwbouw gaan plaatsvinden, als onderdeel van de spoorzone Dordrecht. Het gaat deels om inbreiding en deels om het bouwen van woningen op (voormalige) bedrijventerreinen.

Bedrijventerrein: besparen en gestaag aardgasvrij tussen 2021 en 2050 met een combinatie van individuele en kleinschalig collectieve opties

Dit zijn de grootschalige bedrijventerreinen in het westelijk havengebied. In Dordtse Kil III is een bedrijventerrein in aanbouw, wellicht biedt dit nog kansen in het optimaliseren van bronnen of infrastructuur.

Bedrijventerrein:

Dit zijn de grootschalige bedrijventerreinen in de

Buurt e.o., 2e Merwedehaven e.o., 3e Merwedehaven, Spaarbekken

Bedrijventerrein Groene Zoom, Egstraat e.o.

Bastion locatie, Locatie Karel Lotsyweg

47

Transitiepad besparen en gestaag aardgasvrij tussen 2021 en 2050 met een combinatie van individuele en kleinschalig collectieve opties Bedrijventerrein: besparen en gestaag aardgasvrij tussen 2021 en 2050 met een combinatie van individuele en kleinschalig collectieve opties Bedrijventerrein: besparen en gestaag aardgasvrij tussen 2021 en 2050 met een combinatie van individuele en kleinschalig collectieve opties

Onderbouwing/ toelichting Merwedehavens.

Dit is het kantorenpark aan de Jan Valsterweg en het bedrijventerrein rond de Egstraat.

Dit is de wijk waarin de schaatsbaan en het zwembad liggen. Hier staan geen woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/294/documents/10590