Toelichting.Pdf.pdf
Tekst van het document
Om de vogels en vleermuizen te laten wennen aan de nieuwe (tijdelijke) verblijfplaatsen is een gewenningsperiode van zes maanden van belang. Een gewenningsperiode is de periode tussen gereed komen van de alternatieve verblijfplaatsen en het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaats.
4.6.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Geluid
4.7.1 Regelgeving en beleid Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder zijn alle wegen gezoneerd, met uitzondering van 30 km/ uur gebieden en woonerven. Industrielawaai De Wet geluidhinder verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De geluidsbelasting ten gevolgen van railverkeer mag niet meer bedragen dan 55dB. In een aantal situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot maximaal 68 dB.
4.7.2 Onderzoek Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai bevindt het plangebied zich binnen het regime van de Mauritsweg en de Mariastraat en van het spoor. Door M-tech Nederland b.v. is een akoestisch onderzoek wegverkeer en spoorweglawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van dat onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage die is opgenomen in bijlage 6. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Mauritsweg ten hoogste 48 dB op de voorgevel van het Blok A bedraagt; de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt gerespecteerd. De geluidbelasting vanwege de Mariaweg voldoet eveneens ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De gecumuleerde geluidbelasting inclusief alle omliggende 30-km wegen exclusief aftrek (art. 110g Wgh) is maximaal 53 dB. Hiermee wordt voldaan aan de minimale eis conform het Bouwbesluit. Uitgaande van een binnenniveau van 33 dB plus een minimale gevelweringeis van uitwendige scheidingsconstructies van 20 dB. De geluidsbelasting vanwege railverkeer op het traject Rotterdam - Nijmegen bedraagt ten hoogste 55 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB gerespecteerd. Aanvullende maatregelen zijn derhalve voor wat betreft weg- en railverkeerslawaai niet noodzakelijk. Een goed woon- en verblijfklimaat kan dan ook gegarandeerd worden.
4.7.3 Conclusie Vanuit een oogpunt van geluid bestaat er geen bezwaar tegen dit bestemmingsplan.
4.8 Groen
4.8.1 Regelgeving en beleid Het Eiland van Dordrecht is aantrekkelijk door haar groene parken, haar buitengebied en haar sterke relatie met het water. Om deze aantrekkelijkheid te waarborgen is behoud en waar mogelijk versterking van de groenblauwe structuur van belang. Stedelijk groen is onder meer van belang voor een gezonde en een klimaatbestendige leefomgeving. De Omgevingsvisie 1.0 noemt enkele aandachtspunten voor stedelijk groen. Zo gaat de bestaande woningbouwopgave mogelijk ten koste van stedelijk groen. Bij dergelijke ontwikkelingen dient daarom aandacht te zijn voor de realisatie van stedelijk groen. Waterlopen, parken, plantsoenen en grasvelden kunnen het aanbod aan stedelijk groen behouden of versterken. Ook maatregelen met betrekking tot het verkeer kunnen een positief effect hebben op stedelijk groen. Zo bieden autoluwe wegen meer ruimte voor groen doordat er minder ruimte nodig is voor bijvoorbeeld parkeerplaatsen. Dat beïnvloedt de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de leefomgeving positief.
4.8.2 Onderzoek Binnen het plangebied zijn geen waardevolle bomen aanwezig die voorkomen op de ‘Bomenlijst 2020’. Met het voorliggende plan wordt stedelijk groen toegevoegd. Het bouwplan bevat veel groen in de openbare ruimte. De planregels zijn ook gericht op de realisatie van stedelijk groen binnen de bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Woongebied’.
4.8.3 Conclusie De oppervlakte onverhard neemt licht toe (vergelijk paragraaf 4.12.2). Daarbij vindt er een forse verschuiving plaats van private tuinen naar kwalitatief openbaar groen. Er is vanuit dit oogpunt geen bezwaar tegen dit bestemmingsplan.
4.9 Luchtkwaliteit
4.9.1 Regelgeving en beleid Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007 is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken en mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de wet zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide en stikstofdioxiden, zwevende deeltjes,
lood, koolmonoxide en benzeen. Van deze grenswaarden mag niet worden afgeweken. Met deze Wet is tevens ingezet op het opstellen van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (afgekort NSL). Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Een belangrijk element in de Wet milieubeheer is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit programma werken het Rijk, de Provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Per 1 augustus 2009 is het NSL officieel in werking getreden. Het doel van het NSL is dat in Nederland vanaf 2011 aan de normen voor PM10 en vanaf 2015 aan de normen voor NO2 voldaan wordt. In het kader van het NSL is een nieuw begrip geïntroduceerd, namelijk het begrip “niet in betekenende mate”.
Op basis van de Wet milieubeheer en het NSL kan gesteld worden dat een project/plan doorgang kan vinden wanneer: <0000> het project of plan “niet in betekenende mate” bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; <0000> er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of een gelijkblijvende concentratie van de betreffende stof; <0000> er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk; <0000> het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
4.9.2 Onderzoek Uit raadpleging van de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (RIVM) blijkt dat de concentraties van de relevante stoffen NO2, PM10 en PM2,5 ver onder de grenswaarden zitten. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaand een overzicht voor het plangebied: Stof Stikstofdioxide (NO2)
Eenheid μg/m³
Jaar 2020
Waarde 19,73
Grenswaarde 40
Fijn stof (PM10)
μg/m³
2020
17,63
40
Fijn stof (PM2,5)
μg/m³
2020
9,62
20/25
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met het Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld voor ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit als gevolg van een toename in het aantal verkeersbewegingen. Met deze rekentool kan worden berekend of een plan (niet) in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Uit deze paragraaf blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling sprake is van een toename van 86 verkeersbewegingen (lichte motorvoertuigen). Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2022 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 86 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 1,0% Maximale bijdrage extra verkeer 3 0,06 NO2 in μg/m PM10 in μg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 7. Resultaat NIBM-tool (NIBM-tool, versie 06-04-2021)
0,01 1,2
Zoals uit de bovenstaande tabel blijkt, is de bijdragen aan NO2 en PM10 ruimschoots minder dan de grenswaarde. De bijdrage van het extra verkeer is daarom als 'niet in betekenende mate' aan te merken. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling.
4.9.3 Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot problemen op het gebied van luchtkwaliteit.
4.10 Stikstof Zie Paragraaf 4.6.
4.11 Verkeer en vervoer
4.11.1 Regelgeving en beleid Mobiliteitsplan Dordrecht Op 6 maart 2018 heeft de gemeenteraad het beleidsvoornemen van de Koersnota Mobiliteit ‘Dordrecht: een stad in beweging’ vastgesteld. Het doel van de koersnota is richting te geven aan een realistisch, vernieuwend en ambitieus verkeer- en vervoerbeleid, welke de ruimtelijke en economische agenda van de stad en de ambitie voor een maritieme topregio ondersteunt. Met de Koersnota wordt een bijdrage geleverd aan enkele (overkoepelende) stedelijke ambities van Dordrecht. Om de stedelijke ambities te kunnen waarmaken en een duurzame groei van de stad te kunnen stimuleren, is bereikbaarheid een belangrijke randvoorwaarde. Mobiliteit is geen doel meer op zichzelf. Dit vraagt een vorm van bereikbaarheid en mobiliteitssysteem die aansluit bij zowel de ruimtelijke economische als de duurzaamheidsagenda van Dordrecht. Ook moet deze ruimte bieden aan en inspelen op maatschappelijke trends en ontwikkelingen. Dit betekent dat er geen plaats is voor grote nieuwe structuren, maar dat het (anders) benutten van de bestaande infrastructuur en voorzieningen centraal komt te staan. De koers focust op het versterken van netwerken, beter verknopen, slimmer organiseren en samen realiseren. De gemeente zet in op het scheiden van de functies 'stromen' en 'verblijven'.
Op stadsniveau is een stelsel van hoofdwegen en secundaire wegen vastgesteld waarbij gemotoriseerd verkeer zo vlot mogelijk naar wegen van een hogere orde worden afgewikkeld. Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingplannen Dordrecht Voor het parkeren geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan ‘partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht’ (vastgesteld op 9 mei 2018). In de planregels wordt verwezen naar de geldende gemeentelijke beleidsregels voor parkeren. Het voorliggende initiatief moet getoetst worden aan de ‘Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht’. Volgens artikel 3 van die beleidsregel wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van de parkeernormen die door de gemeente zijn vastgesteld, gebaseerd op de meest recente landelijke parkeerkencijfers van het CROW. Het college beschouwt de berekende parkeerbehoefte als het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen. Beleidsregels parkeerbeleid Binnen de gemeente is parkeerbeleid in ontwikkeling waarin parkeernormen en eisen gesteld worden aan nieuwbouw. Op dit moment worden bestemmingsplannen getoetst aan de "Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten".
4.11.2 Onderzoek Verkeer Binnen het plangebied worden 84 woningen gesloopt en 114 sociale huurwoningen daarvoor terug geplaatst. Het bouwplan bestaat uit 67 eengezinswoningen en 47 appartementen. Volgens de ‘kencijfers verkeersgeneratie’ van het CROW geldt voor grondgebonden sociale huurwoningen in een sterk stedelijke omgeving gelegen binnen ‘rest bebouwde kom’ een verkeersgeneratie van 4,5 tot 5,3 motorvoertuigbewegingen per woning. Voor appartementen in de sociale huur geldt in een sterk stedelijke omgeving gelegen binnen ‘schil’ een verkeersgeneratie van 3,2 tot 4,0 motorvoertuigbewegingen per woning. Rekening houdend met de gemiddelde verkeersgeneratie op basis van de kencijfers bedraagt de verkeersgeneratie in de huidige situatie 411,6 motorvoertuigenbewegingen (4,9 x 84 = 411,6). De verkeersgeneratie na de planontwikkeling bedraagt 497,5 (4,9 x 67 + 3,6 x 47 = 328,3 + 169,2 = 497,5) bedragen. Als gevolg van het voorliggende plan neemt de verkeersgeneratie met 86 verkeersbewegingen (497,5 – 411,6 = 85,9) toe. Parkeren Op basis van de parkeernormen die genoemd worden in artikel 3, lid 1 en 8 van de ‘Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht’ geldt voor de sociale huurwoningen een parkeerbehoefte van 152,2 parkeerplaatsen. Dit is echter de parkeerbehoefte voor dat reductiefactoren zijn meegerekend.
Gebruiksoppervlakte woning (m²) 89,7 (grondgebonden, type A) 106,8 (grondgebonden type B) 71,4 (appartement) Totaal
Parkeernorm ‘rest bebouwde kom’ 1,3 1,5 1,3
Aantal woningen 47 20 47 114
Parkeerbehoefte 61,1 30 61,1 152,2
Vanwege de ligging van het plangebied in nabijheid van Dordrecht CS (binnen maximale hemelsbrede loopafstand van 500 meter) mag op grond van artikel 3, lid 12 van de beleidsregels een reductie van 20% toegepast worden. Vanwege de ligging in de directe nabijheid van een hoogwaardige fietsvoorziening mag op grond van artikel 3, lid 13 van de beleidsregels nog eens een reductie van 10% toegepast worden. De reductie factoren uit lid 12 en 13 mogen bij elkaar opgeteld worden, wat leidt tot een reductiefactor van 30% (artikel 3 lid 17). De parkeerbehoefte na aftrek van de reductiefactoren bedraagt 107,45 parkeerplaatsen (0,7 x 152,2 = 107,45). De parkeereis bedraagt overeenkomstig artikel 5, lid 1 van de ‘Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht’ 108 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig plan (figuur 5) zijn de volgende parkeervoorzieningen opgenomen: Binnengebied tussen grondgebonden woningen 38 Binnengebied appartementengebouw 30 Langsparkeren Mariannestraat 26 Langsparkeren Anna Paulownastraat 18 Totaal 112 Binnen het plangebied worden 112 parkeerplaatsen gerealiseerd, daarmee voldoet de ontwikkeling voor het aspect parkeren aan de geldende normen. Fietsparkeren De hoogwaardige fietsvoorziening wordt gerealiseerd op de begane grond direct naast de entree. Daarmee wordt het gebruik van fietsen aantrekkelijk.
4.11.3 Conclusie De extra verkeersbewegingen als gevolg van de verdichting kunnen eenvoudig in het omliggende stratenpatroon worden verwerkt. Parkeren wordt grotendeels uit het zicht opgelost. Het parkeerterrein biedt ruimte voor een groot deel van de parkeerbehoefte. Extra aandacht is besteed aan het inpassen van fietsparkeren, waardoor het gebruik van de fiets bevorderd wordt. De verkeersfuncties worden in het bestemmingsplan opgenomen met de bestemming 'Verkeer' en ‘Woongebied’. Door in dit nieuwe bestemmingsplan groen en parkeren op te nemen in de bestemming 'Verkeer' en ‘Woongebied’ ontstaat in de woonstraten meer ruimte om eventueel groen voor parkeerplaatsen in te ruilen of andersom.
4.12 Water
4.12.1 Regelgeving en beleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden.
Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De provincie Zuid Holland heeft een Provinciaal Waterplan opgesteld met het provinciaal beleid ten aanzien van water. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied.
Beleidslijn Grote rivieren Door verschillende instanties (o.a. Rijkswaterstaat, VROM, provincies Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant, VNG, Unie van Waterschappen) is gewerkt aan de opstelling van de Beleidslijn “Grote rivieren”. De Beleidslijn is op 14 juli 2006 in werking getreden. Deze beleidslijn komt in de plaats van “Ruimte voor de Rivier”. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma van waterschap Hollandse Delta bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagd de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering.
Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Stedelijk Waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009-2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan. Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hollandse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: “Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is rekening gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond. Het water draagt bij aan de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied.
De waterstructuur is een aantrekkelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water. Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht.”
4.12.2 Onderzoek Het plangebied is niet gelegen aan een rivier. Evenmin is er sprake van een waterkering. Deze aspecten zijn niet van toepassing De situatie verhard-onverhard voor en na de transformatie is berekend in overleg met het waterschap Hollandse Delta. In bijlage 3 is de berekening opgenomen. Uit de berekening blijkt dat de bebouwde en verharde oppervlakte in de nieuwe situatie met 88 m² afneemt, ten faveure van vooral openbaar groen. Daarmee is geen extra waterberging benodigd. In de nieuwe situatie wordt een voorziening gerealiseerd, waardoor het hemelwater niet meer direct in de riolering terecht komt. Het vuilwater blijft aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioolstelsel.
4.12.3 Conclusie
Conclusie is dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van het Waterschap voor water-kwantiteit en waterkwaliteit.
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.13.1 Regelgeving en beleid De ruimtelijke ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, is een activiteit als bedoeld in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.): D11.2 De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten, die zijn genoemd in bijlage D, maar onder de daar genoemde drempelwaarden blijven, uitvoering worden gegeven aan de artikelen 7.16, 7.17 eerste t/m vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. De initiatiefnemer heeft daartoe een notitie opgesteld op basis van de uitgevoerde onderzoeken, waarvan de resultaten in hoofdstuk 4 van de toelichting zijn opgenomen. Deze notitie is schriftelijk voorgelegd aan het bevoegd gezag en verstrekt in elk geval de informatie als genoemd in artikel 7.16, tweede lid. Daarbij wordt rekening te houden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (lid 3) en bevat de notitie een beschrijving van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.
Het bevoegd gezag neemt op grond van artikel 7.17 lid 1 Wm uiterlijk 6 weken na de datum van ontvangst van de mededeling van de initiatiefnemer een beslissing of bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In de motivering van de beslissing verwijst het bevoegd gezag in elk geval naar: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. indien is beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in 7.16, vierde lid, die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen of mede ten grondslag hebben gelegen en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn. Als er maatregelen en/of kenmerken aan de activiteit zijn verbonden om aanzienlijke milieugevolgen te voorkomen, verbindt het bevoegd gezag voorschriften aan het besluit zodat zeker is dat deze uitgevoerd of toegepast worden.
4.13.2 Onderzoek In het plangebied worden 84 woningen vervangen door 114 woningen door middel van sloop-nieuwbouw, aansluitend op de woningbehoefte. In de notitie is mede op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk geconcludeerd dat er geen passende beoordeling en geen MER behoeft te worden opgesteld.
4.13.3 Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. Wezenlijke cumulatieve effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen zijn niet te verwachten. Er is dan ook geen aanleiding om een formele m.e.r.-procedure te voeren voor deze ontwikkeling. Het college
van burgemeester en wethouders heeft op 22 oktober 2021 besloten dat het niet nodig is een milieueffectrapport te maken.
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving
5.1 Planmethodiek De verschillende bestemmingen zijn met hun bouwgrenzen direct van de verbeelding afleesbaar. Door middel van mogelijkheden van afwijking (ontheffing) is de nodige flexibiliteit opgenomen. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2 Inleidende regels In dit hoofdstuk van de regels is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
5.3 Bestemmingen In iedere bestemming is in de bestemmingsomschrijving aangegeven voor welke doeleinden de aangewezen gronden zijn bestemd. Daarna wordt in algemene zin aandacht besteed aan de bouwregels, de afwijkingen, en eventueel nadere eisen en specifieke gebruiksregels. In het deel van het plangebied ten westen van de Charlotte de Bourbonstraat wordt gewerkt met bouwvlakken waarbinnen de zogenaamde hoofdbebouwing is toegestaan. Uitgangspunt is dat de bouwvlakken zijn gelegd om de hoofdbebouwing. De toegestane hoogtemaat voor de hoofdbebouwing is afgestemd op het stedenbouwkundig plan en is op de verbeelding aangegeven. Buiten het bouwvlak is vaak een (achter)erf gelegen waarop onder bepaalde voorwaarden het oprichten van bebouwing is toegestaan. In het deel van het plangebied ten oosten van de Charlotte de Bourbonstraat wordt gewerkt met een flexibeler bestemming Woongebied. Binnen het woongebied is het maximum aantal te realiseren woningen bepaald en is bepaald dat de voorgevels van de woningen gericht moeten zijn naar de omliggende wegen. Parkeren vindt dan op eigen terrein plaats. Wonen In het deel van het plangebied ten westen van de Charlotte de Bourbonstraat wordt gewerkt met de bestemming "wonen" (W). Binnen deze bestemming zijn verschillende woningtypen aanwezig. De woning (hoofdbebouwing) is opgenomen binnen een bouwvlak.
Van de gronden buiten het bouwvlak mag maximaal 50 % met een maximum van 50 m² worden bebouwd en overdekt. Voor de hoogte en diepte van bijbehorende bouwwerken (o.a. aan/uitbouwen) is als regel aansluiting gezocht bij de criteria voor vergunningvrije bouwwerken in de Wabo: 0.30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning tot een maximum van 4 meter of als de woning lager is tot dat maximum; deze maatvoering is dan beperkt tot de eerste 2.50 meter buiten het bouwvlak aan de achterkant van de woning, alsmede aan de zijkant van de woning. Buiten deze maat van 2.50 meter geldt een maximale hoogte van 3 meter met de mogelijkheid om via ontheffing een kap aan te brengen tot maximaal 3.5 meter. De planregel kent mogelijkheden van afwijking zoals: <0000> een grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken: a. op bouwpercelen met een oppervlakte van maximaal 375 m²: tot maximaal 75 m², echter onder voorwaarde dat het maximum bebouwingspercentage van 50 niet wordt overschreden;
<0000>
b. op bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 375 m²: maximaal 20% van de oppervlakte van dat erf met een maximum van 200 m²; een hogere bouwhoogte direct aan de achter- en zijgevel.
Tuin De voortuinen van de grondgebonden woningen aan de Anna Paulownastraat worden conform de gebruikelijke regeling in Dordrecht (vigerend bestemmingsplan Krispijn) voorzien van de bestemming Tuin. Woongebied In het deel van het plangebied ten oosten van de Charlotte de Bourbonstraat wordt gewerkt met de bestemming 'Woongebied'. Binnen deze bestemming kan het gebied worden ontwikkeld ten behoeve van woningen en bijbehorende voorzieningen, zoals straten, water en groen. De verschillende elementen die bij de ontwikkeling aan de orde komen zijn in de planregels beschreven. Verkeer De bestaande wegen, straten en pleinen zijn bestemd voor 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn ook groenstroken en speelruimten opgenomen. Door dit onderdeel te laten zijn van de bestemming 'Verkeer' is het mogelijk de inrichting van de openbare ruimte aan te passen aan de maatschappelijke opgaven, waaronder parkeren, klimaatadaptatie en groenbeleving. De inhoud van de bestemming is standaard en spreekt voor zich. Waarde - Archeologie 3 Vanwege de eerder in deze toelichting beschreven mogelijke archeologische waarden is een regeling opgenomen waaruit bescherming van de archeologische waarden bij bouwen en bij de uitvoering van werken voortvloeit. Binnen het gehele plangebied bestaat in principe een verplichting tot het doen van archeologisch vooronderzoek en zorg voor archeologische waarden.
Dit betreft zowel bouwen als aanleggen. De verplichting ligt op grond van archeologisch onderzoek echter alleen voor de diepere lagen. In principe mag alleen worden gebouwd als uit onderzoek blijkt dat geen beschermingswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of deze in voldoende mate zijn zeker gesteld. Deze regeling is niet nodig bij gelijke vervanging van bestaande bouwwerken en bij nieuwe bouwwerken: <0000> die kleiner zijn dan 50 m² <0000> waarvan de fundering niet dieper ligt dan 2 meter beneden maaiveld <0000> waarvoor het palenplan onder de maximaal 5% (inclusief grondverdringing) van het te bebouwen oppervlak blijft. Voor het uitvoeren van verschillende grondwerkzaamheden, zoals het leggen van nieuwe kabels en leidingen, vernieuwen van riolen of verlagen van het waterpeil is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden (vroegere aanlegvergunning) nodig. Pas met vergunning kunnen werken worden uitgevoerd.
In afwijking hiervan is zo’n vergunning niet nodig voor onder meer het uitvoeren van: <0000> normale onderhoudswerkzaamheden; <0000> grondwerkzaamheden tot een diepte van 2 meter onder maaiveld; <0000> grondwerkzaamheden tot een oppervlakte van 50 m² ; <0000> archeologisch onderzoek door een gekwalificeerd archeoloog; Overig De bouwregels en mogelijkheden van afwijking (ontheffing) voor de verschillende bestemmingen bevatten elementen die specifiek zijn gericht op het onderhavige gebied en een direct gevolg van het eerdergenoemde uitgangspunten voor dit bestemmingsplan. Naast de hiervoor per bestemming geregelde afwijkingsbepalingen is ook de gebruikelijke algemene afwijkingsbepaling (voor verschuiven verschillende grenzen en plaatsen van uitingen van beeldende kunst) opgenomen.
5.4 Algemene regels
In dit hoofdstuk van de regels worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. <0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000> a
Antidubbeltelregel; Het artikel "Antidubbeltelregel" bevat bepalingen om te voorkomen dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het opnemen van dit artikel is verplicht voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene bouwregels; In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels geregeld die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Algemene gebruiksregels; Deze gebruiksregels geven aan wat in het plan in ieder geval onder verboden gebruik wordt verstaan. Aandacht wordt gevraagd voor de algemene gebruiksregels waarin onder meer een regeling voor de beroepsuitoefening aan huis (inclusief de vrije beroepen) is opgenomen. Doel van deze regeling is de bescherming van de woon- en leefsituatie ter plaatse. Naast een maximum percentage en oppervlakte en het feit dat de beroepsuitoefenaar ter plaatse dient te wonen, is bepaald dat activiteiten, die op voorhand geen overlast voor de woonomgeving veroorzaken, zonder meer zijn toegestaan. Indien de kans op overlast wel aanwezig is, dient een ontheffing te worden aangevraagd, zodat van geval tot geval een afweging kan worden gemaakt.
Binnen deze regeling is ook de vestiging van Bed & Breakfast mogelijk. Algemene afwijkingsregels; In dit artikel is in aanvulling op de mogelijkheden van afwijken uit de bestemmingen nog een aantal algemene mogelijkheden om af te wijken opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Algemene aanduidingsregels In dit artikel wordt de aanduiding ‘veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen’ overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.
5.5 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotbepaling is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro. Een exploitatieplan is niet nodig. De ontwikkeling wordt geheel op risico van de woningcorporatie als initiatiefnemer aangegaan en is daarmee een volledig particulier initiatief. Het plangebied is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Als bij de precieze begrenzing de gevels van woningen in het openbaar gebied blijken te komen staan of als er meer ruimte voor de gevels van de woningen overblijft maken de gemeente en de corporatie afspraken over de kadastrale verankering. Tussen de gemeente Dordrecht en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal is verzekerd. Tevens zijn afdoende afspraken gemaakt over de inrichting van het gebied, zodat geen aanvullende eisen nodig zijn, die in een exploitatieplan moeten worden vastgelegd. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Inspraak De omwonenden van de Charlotte de Bourbonstraat zijn met regelmaat geïnformeerd over de plannen. In februari 2021 en juni 2021 zijn nieuwsbrieven verstuurd, in juli 2021 is een digitale informatieavond geweest. Tijdens deze informatieavond is het plan toegelicht door Trivire, architect en de aannemer en was er gelegenheid tot het stellen van vragen. In navolging van deze informatieavond heeft Trivire in september 2021 persoonlijke gesprekken gevoerd met een aantal betrokken omwonenden. In oktober 2021 volgt een nieuwsbrief met daarin onder andere de Q&A van de informatie avond die in juli gehouden is. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vor zienswijzen van 18 novemner tot en met 30 december 2021. Er is één zienswijze binnengekomen. Deze is beantwoord en heeft niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
7.2 Overleg Het in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overleg wordt gevoerd met: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Provincie Zuid-Holland Waterschap de Hollandse Delta Tennet Omgevingsdienst Haaglanden Stedin Gasunie Veiligheidsregio