CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.Pdf.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 22 februari 2022, gemeente DordrechtBij agendapunt: 21: Vaststellen 8e herziening Krispijn, locatie Charlotte de Bourbonstraat noord - Rode Dorp - Raadsvoorstel14.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting 8e herziening Krispijn, locatie Charlotte de Bourbonstraat noord -Rode Dorp

Gemeente: Dordrecht Fase: vastgesteld Datum: 27 oktober 2021

Inhoudsopgave 1.1 Aanleiding en doel

4

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

4

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

5

1.4 Leeswijzer

6

2.1 Historie

7

2.2 Bestaande ruimtelijke en functionele structuur

8

2.3 Toekomstige situatie

8

2.4 Visie Charlotte de Bourbonstraat

9

2.5 Regeling in het bestemmingsplan

10

3.1 Rijksbeleid

13

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

13

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

13

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland 3.3 Gemeentelijk beleid

14 14 15

3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht

15

3.3.2 Wijkvisie

16

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

18

4.1.1 Regelgeving en beleid

18

4.1.2 Onderzoek

19

4.1.3 Conclusie

20

4.2 Bedrijven en milieuzonering

20

4.2.1 Regelgeving en beleid

20

4.2.2 Onderzoek

20

4.2.3 Conclusie

21

4.3 Bodemkwaliteit

21

4.3.1 Regelgeving en beleid

21

4.3.2 Onderzoek

21

4.3.3 Conclusie

21

4.4 Energie en duurzaamheid

22

4.4.1 Regelgeving en beleid

22

4.4.2 Onderzoek

22

4.4.3 Conclusie

22

4.5 Externe veiligheid

23

4.5.1 Regelgeving en beleid

23

4.5.2 Onderzoek

24

4.5.3 Conclusie

24

4.6 Flora en fauna

24

4.6.1 Regelgeving en beleid

24

4.6.2 Onderzoek

25

4.6.3 Conclusie

27

4.7 Geluid

27

4.7.1 Regelgeving en beleid

27

4.7.2 Onderzoek

27

4.7.3 Conclusie

28

4.8 Groen

28

4.8.1 Regelgeving en beleid

28

4.8.2 Onderzoek

28

4.8.3 Conclusie

28

4.9 Luchtkwaliteit

29

4.9.1 Regelgeving en beleid

29

4.9.2 Onderzoek

29

4.9.3 Conclusie

30

4.10 Stikstof

30

4.11 Verkeer en vervoer

30

4.11.1 Regelgeving en beleid

30

4.11.2 Onderzoek

31

4.11.3 Conclusie

32

4.12 Water

32

4.12.1 Regelgeving en beleid

32

4.12.2 Onderzoek

34

4.12.3 Conclusie

34

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

34

4.13.1 Regelgeving en beleid

34

4.13.2 Onderzoek

35

4.13.3 Conclusie

35

5.1 Planmethodiek

36

5.2 Inleidende regels

36

5.3 Bestemmingen

36

5.4 Algemene regels

38

5.5 Overgangs- en slotregels

38

7.1 Inspraak

40

7.2 Overleg

40

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel In de wijk Krispijn te Dordrecht zijn verschillende woningen van woningcorporatie Trivire gelegen. Aan Charlotte de Bourbonstraat 1 t/m 49 en 2 t/m 44, Mariannestraat 1 t/m 49 en Anna Paulownastraat 17 t/m 39 worden 84 woningen gesloopt en 114 sociale huurwoningen daarvoor terug geplaatst. Het bouwplan bestaat uit 67 eengezinswoningen en 47 appartementen, daarbij worden parkeerplaatsen en fietsenstallingen op eigen terrein gerealiseerd zodat er in de wijk voldoende parkeergelegenheid is. Voor het betreffende initiatief zijn inmiddels al voorbereidingen getroffen, huurders van de woningen zijn verhuisd en de woningen worden tijdelijk bewoond. De betreffende gronden hebben reeds een woonbestemming maar het bouwplan wijkt enigszins af van de huidige stedenbouwkundige structuur. Daarom wordt deze partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in de wijk Krispijn en bestaat uit de percelen kadastraal bekend als N557 en N556 (gedeeltelijk). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 11.683 m². Het plangebied omvat de woningen Charlotte de Bourbonstraat 1 t/m 49 en 2 t/m 44, Mariannestraat 1 t/m 49 en Anna Paulownastraat 17 t/m 39. In het bestemmingsplan wordt ook de aangrenzende openbare ruimte meegenomen. Het plangebied wordt begrensd door de Mariannestraat aan de oostzijde, de Anna Paulownastraat aan de zuidzijde, de achterste perceelsgrenzen van de recent vernieuwde woningen aan de Johan Willem Frisostraat aan de westzijde en de achterste perceelsgrenzen van de woningen aan de Mauritsweg aan de noordzijde. Figuur 1 en 2 tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied.

Figuur 1: ligging plangebied

Figuur 2: Begrenzing bestemmingsplangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Krispijn, vastgesteld op 28 oktober 2014. Het plangebied is in het bestemmingsplan voorzien van de bestemming ‘Wonen’ en van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Figuur 3 toont een uitsnede van de verbeelding bij het bestemmingplan ‘Krispijn’.

F Figuur 3: Vigerend bestemmingsplan met begrenzing Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken die zijn opgenomen op de verbeelding. De verbeelding vermeldt tevens de maximum bouwhoogte van overal 9 meter. De bouwhoogte wordt in de beoogde situatie op een aantal plaatsen overschreden en ook past de beoogde bebouwing niet in de bouwvlakken.

De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ staat het bouwen ten behoeve van de bestemming ‘Wonen’ toe mits wordt voldaan aan de bouwregels van de bestemming ‘Wonen’, de bouwwerken en de funderingen niet dieper liggen dan 1 meter benden het maaiveld en de gezamenlijke oppervlakte van heipalen niet meer dan 5% van het te bebouwen oppervlakte bedraag. Met een vergunning kan worden afgeweken van de bouwregels voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Daarnaast geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 1 worden enkele algemene, in ieder bestemmingsplan voorkomende, onderdelen beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 het nu voorliggende plan beschreven. In hoofdstuk 3 komt het beleid van rijk, provincie en gemeente aan de orde. Bij de beschrijving van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de verantwoording, zoals op de terreinen archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, water en milieu. Per onderdeel worden de regelgeving en het beleid benoemd. Vervolgens wordt het onderzoek beschreven en wordt een conclusie getrokken. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. De hoofdstukken 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Historie Het plangebied maakt deel uit van de wijk Krispijn, gegroeid tussen circa 1900 en 1960 en met een stedenbouwkundige structuur die nog grotendeels intact is en nog op veel plaatsen wordt ondersteund door de oorspronkelijke bebouwing. Van der Pek presenteerde in 1917 de basis voor het stedenbouwkundig plan van Krispijn. Dit vormde ook de basis voor het uitbreidingsplan voor Dordrecht uit 1932 van de architect en directeur Gemeentewerken Chr. van Buuren. De stadsplattegrond zoals wij die nu kennen is op hoofdlijnen door Van Buuren ontworpen.

Figuur 4: Historie van de woningbouwontwikkeling in Krispijn In figuur 4 is de woningbouwontwikkeling in fasen weergegeven. Onderscheiden kunnen worden: <0000> De oudste bebouwing kwam tussen 1900 en 1920 tot stand. Deze bebouwing is gebouwd in de negentiende-eeuwse traditie: in traditionele bouwmaterialen en refererend aan oude bouwstijlen. <0000> Oud-Krispijn is tussen 1920 en 1940 als stadsuitbreiding gemaakt op basis van uitbreidingsplannen uit 1917 van de architect Van der Pek. Van der Pek was geïnspireerd door de tuinstadgedachte. Hierbij wordt getracht een esthetisch aangename, qua leefmilieu gezonde omgeving te scheppen, zonder de techniek voorrang te geven. Uitgangspunt voor zijn ontwerp voor Krispijn vormden de Brouwersdijk en de Zuidendijk. Dit moesten de hoofdverbindingen worden: een aanzienlijke verbreding en een groene aankleding zou parken overbodig maken. Hij koos in zijn wijkplattegrond voor flauw gebogen straten met een wisselende breedte. Bij de huizenbouw speelden zonbestraling, gerieflijkheid, overzichtelijkheid, huiselijkheid, schoonheid en goedkope exploitatie stuk voor stuk een rol. Op de hoeken kwamen winkels. Het gebied bestaat voornamelijk uit omvangrijke sociale woningbouwcomplexen.

De bebouwing van Oud-Krispijn kenmerkt zich door de toepassing van roodbruine baksteen, met decoraties in het metselwerk in de vorm van reliëf en toepassing van anders gekleurde baksteen. De venstervullingen zijn doorgaans van hout. De kappen zijn bedekt met rode pannen. Inmiddels is veel van de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw. Deze is gebouwd in een bouwstijl die is geïnspireerd op de oude bebouwing zowel qua typologie, hoofdvorm als qua materiaal- en kleurgebruik.

<0000>

<0000>

Het park Weizigt is geopend in 1948 en gemaakt ter plaatse van de voormalige buitenplaats Weizigt. De buitenplaats is op deze plaats waarschijnlijk aangelegd in de zeventiende eeuw. Van het landgoed zijn nog een statige villa, een oranjerie met washuis, een koetshuis en een stukje bos over. De aanleg van het park, naar een ontwerp van de Haagse tuinarchitect S.G.A. Doorenbos is landschappelijk met grote vijverpartijen. Nieuw Krispijn is na de Tweede Wereldoorlog bebouwd ter leniging van de naoorlogse woningnood. In het gebied zijn de stedenbouwkundige en sociale opvattingen zoals deze rond de Tweede Wereldoorlog ontstonden herkenbaar. Deze opvattingen waren sterk beïnvloed door de architect Le Corbusier en zijn “La Charte d’Athènes” uit 1941. Hierin stelde hij onder andere dat de stedelijke functies wonen, werken en recreëren autonoom zijn en hij suggereerde hoogbouw als architectonische invulling van de functionele stad. In Nederland werden deze internationale opvattingen vertaald. De toepassing van hoogbouw werd vooral aangeprezen omdat dit grotere afstanden tussen de gebouwen mogelijk maakte, zo ontstonden terreinen voor sport en ontspanning. Doel was dus in eerste instantie niet verdichting, maar meer een andere schikking van functies binnen de beschikbare ruimte. Pas later werd hoogbouw ook gezien als een oplossing om snel te voorzien in het naoorlogse woningtekort.

De Wederopbouwkenmerken hier zijn een redelijk ruime stedenbouwkundige opzet, toepassing van meerlaagse woningbouw, naast rijtjes ééngezinswoningen, scheiding van functies en gebruik van nieuwe bouwmaterialen als korrelbeton.

2.2 Bestaande ruimtelijke en functionele structuur De wijk Krispijn wordt gedragen door drie brede assen: <0000> Erasmuslaan, viottakade, Jan Vethkade (west); <0000> Krispijnseweg (centraal); <0000> Nassauweg (oost). Deze assen zijn alle gericht op het centrale punt in het centrum van de stad, de Grote Kerk. Sommige zijn voorzien van een brede, groene berm, op de westelijke en oostelijk gelegen as zelfs met een langgerekte waterpartij (Nassauweg, Jan Vethkade/Viottakade). Een dergelijke waterpartij ligt overigens ook centraal in de groenvoorzieningen tussen de Hugo de Grootlaan en de Van Baerlestraat. Andere elementen die de hoofdopzet van het gebied bepalen zijn de van west naar oost lopende Frans Lebretlaan-Bosboom Toussaintlaan-Mauritsweg en de gebogen Brouwersdijk-Prinses Julianastraat-Mariastraat. Voorts zijn in het westen nog twee structuurbepalende, infrastructurele elementen van een heel andere orde aanwezig, namelijk de Zuidendijk met een waterkerende functie en de rijksweg A16. De opzet van de wijk bevat veel clusters met veel rechthoekige, gesloten of halfgesloten bouwblokken met daartussen vrij smalle straten met een overwegend verblijfskarakter. Deze opzet is karakteristiek en historisch waardevol. In de oudste plandelen, waar de meeste bouwblokken gesloten zijn, lopen de blokken vaak mee met een bocht en knik in de weg.

Ook is hier en daar sprake van symmetrie, spiegeling van bouwblokken en groenvoorzieningen in de as van de weg. De woningen zijn met de voorzijde duidelijk naar de straat gericht. Vaak zijn de hoeken van bouwblokken afgerond. Er is sprake van gesloten en halfgesloten bouwblokken, dat wil zeggen woongebiedjes door straten omsloten, met woningen welke met achtertuinen aan elkaar grenzen. De woningen vormen de scheiding tussen het openbare (straten, pleinen, groenvoorzieningen) en het privé-domein (de achtertuin). Krispijn is in overwegende mate een woongebied met gestapelde en niet-gestapelde woningen, huur- en koopwoningen. De afgelopen jaren is veel vernieuwd, gerenoveerd en er zijn nog locaties waar reeds is gesloopt en de nieuwbouw de komende jaren zal plaatsvinden. Het plangebied is een voorbeeld van een cluster met uitsluitend woningen die aan de vooravond staan van sloop-nieuwbouw.

2.3 Toekomstige situatie

In 2007 is de ‘Woontypologie Nieuw Krispijn’ vastgesteld. Hierin wordt een mogelijk toekomstbeeld voor Nieuw Krispijn geschetst. Het toekomstig Nieuw Krispijn is een gemengde wijk voor jong en oud, voor bewoners van diverse afkomst en diverse inkomensgroepen. Er kunnen volgens de woontypologie in de toekomst in Nieuw Krispijn grofweg drie woonmilieus worden onderscheiden: 1. Het 'hoogwaardig wonen/wonen op stand' langs de Nassauweg, de Mauritsweg, in de Emmastraat en omgeving, in de Anna Paulownastraat en omgeving en langs de Nieuweweg; 2. De 'gezinsbuurt' tussen de Bernhardstraat en de Waldeck Pyrmontweg; 3. Het 'startersmilieu' in de Bloemenbuurt en het woongebied ten zuiden van de Waldeck Pyrmontweg. De fysieke opgave voor Nieuw Krispijn is in drie hoofdthema's verwoord: 1. Creëren van woonmilieus die aantrekkelijk zijn voor middeninkomens, 2. Buurten met een herkenbaar eigen karakter en gevarieerd woningaanbod behouden en versterken. 3. Investeren in (openbare) ruimte: voor sport, spel en ontmoeting met oog voor flexibiliteit en duurzaamheid. De ruimtelijke structuur van Nieuw Krispijn is in grote lijnen op orde. De groeiende rol van de auto, hogere eisen aan woningen, extra wateroppervlak en meer sociale investeringen in de openbare ruimte, zorgen voor extra ruimteclaims.

De sloop/nieuwbouw opgave ligt in nieuw Krispijn volgens de afspraken in 'Dordt-west op stoom' vooral aan de Nassauweg, in de buurten rond de Charlotte de Bourbonstraat, ten zuiden van de Waldeck Pyrmontweg en aan de oostkant van de Krispijnseweg. Hier liggen kansen voor volgens de Woontypologie aangegeven noodzakelijke aanpassingen in de openbare ruimte. De opgave rond de Charlotte de Bourbonstraat is in dit bestemmingsplan aan de orde.

2.4 Visie Charlotte de Bourbonstraat Het betreffende initiatief is onderdeel van een grotere vernieuwingsopgave in de wijk Krispijn, uitgevoerd door de woningbouwverenigingen Woonbron en Trivire. Het voorliggende plan is opgesteld om de vernieuwingsopgave voor Charlotte de Bourbonstraat 1 t/m 49 en 2 t/m 44, Mariannestraat 1 t/m 49 en Anna Paulownastraat 17 t/m 39 mogelijk te maken, het zogeheten ‘Rode dorp’. De ontwikkeling van het ‘Rode dorp’ wordt uitgevoerd door Trivire. In figuur 5 is het ontwerp van de vernieuwingsopgave van Trivire weergegeven, dat aan de zuidzijde van de Anna Paulownastraat doorloopt in de herontwikkeling door Woonbron, het zogeheten ‘Witte dorp’. De noordelijke ontwikkeling bestaat uit het vernieuwen van de woningen tussen de Charlotte de Bourbonstraat en de Johan Willem Frisostraat, waarbij de achtertuinen van de nieuwe woningen blijven grenzen aan de achtertuinen van de reeds vernieuwde woningen aan de Johan Willem Frisostraat. Het openbaar gebied in het Rode dorp wordt vergroend doordat op het achterterrein tussen de Charlotte de Bourbonstraat en de Mariannestraat parkeerruimte wordt gepositioneerd. De Charlotte de Bourbonstraat wordt op deze wijze autoluw en in het ruime profiel ontstaat ruimte voor spelen en groen.

De appartementen worden geclusterd aan de zijde van de Anna Paulownastraat, tussen de Charlotte de Bourbonstraat en de Mariannestraat. In het stedenbouwkundig plan zijn aan de westzijde van de Charlotte de Bourbonstraat 24 grondgebonden woningen gepositioneerd, verdeeld in twee rijen van 10 en aan de zuidzijde een rij van 4 die vooruitspringt. Om de hoek aan de Anna Paulownastraat staat nog een rij van 10 grondgebonden woningen. Aan de oostzijde van de Charlotte de Bourbonstraat staan 17 grondgebonden woningen met aan de noordzijde een rij van vier woningen die vooruitspringen en dan een rij van 13 woningen. Voor de rij van 13 woningen ontstaat door de verspringing van de twee blokken van 4 woningen een verbrede zeer verkeersluwe openbare ruimte. Het aantal grondgebonden woningen wordt gecompleteerd door een rij van 16 woningen aan de Mariannestraat. De Mariannestraat blijft voorzien van langsparkeerplaatsen aan de zijde van de woningen. Tussen deze rij woningen en de grondgebonden woningen aan de oostzijde van de Charlotte de Bourbonstraat is een achterterrein geprojecteerd met ruimte voor 38 parkeerplaatsen. De inrit tot dit achterterrein ligt aan de Mariannestraat ten zuiden van de rij grondgebonden woningen.

Deze inrit geeft ook toegang tot een tweezijdige parkeerstrook met 30 parkeerplaatsen die in het u-vormige appartementengebouw is geprojecteerd. Van daaruit is rechtstreeks toegang tot de appartementen op de begane grond. De hoofdentree van de appartementen is gesitueerd op de hoek van de Mariannestraat en de Anna Paulownastraat. Nabij de hoofdtoegang is op de begane grond de fietsenberging geplaatst, waardoor het fietsgebruik wordt vergemakkelijkt. Een lift en trap geven toegang tot een tweetal galerijen aan de binnenzijde van de u-vorm, waarmee de tweede en derde bouwlaag van het appartementengebouw bereikt kunnen worden. Op deze bouwlagen zijn elk 17 appartementen te vinden, terwijl de begane grond laag over 13 appartementen beschikt. De drielaagse bouw past qua hoogte goed in de omgeving.

Figuur 5: Stedenbouwkundig plan

2.5 Regeling in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan zijn een viertal enkelbestemmingen opgenomen, te weten ‘Tuin’, ‘Verkeer’, ‘Wonen’ en ‘Woongebied’. De delen van de Charlotte de Bourbonstraat, Mariannestraat en Anna Paulownastraat gelegen binnen het plangebied krijgen de bestemming verkeer. De

gronden in de zone tussen Charlotte de Bourbonstraat en Johan Willem Frisostraat krijgen de bestemming ‘Wonen’, waarbij aan de zijde van de Anna Paulownastraat de bestemming ‘Tuin’ gebruikt wordt voor de voortuinen, congruent aan de planologische situatie in de Johan Willem Frisostraat. De gronden tussen Charlotte de Bourbonstraat en Mariannestraat krijgen de bestemming ‘Woongebied’. Figuur 6 laat de verbeelding zien. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ is naast rijwegen, verblijfsgebieden en parkeerplaatsen ook ruimte voor met de bestemming samenhangende groen- en speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en overige bij de bestemming horende voorzieningen. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn wonen, beroepsuitoefening aan huis en bij de bestemming behorende tuinen, erven en voorzieningen. Het bouwen van hoofdgebouwen is toegestaan binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte is opgenomen op de verbeelding. De planregels bevatten ook een regeling voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bestemming ‘Woongebied’ is tevens gericht op wonen en beroepsuitoefening aan huis maar biedt, in tegenstelling tot de bestemming ‘Wonen’, ruimere mogelijkheden voor bij de bestemming behorende voorzieningen.

Doordat onder meer ook verkeers- en parkeervoorzieningen en groenen speelvoorzieningen binnen de bestemming ‘Woongebied’ zijn toegelaten kunnen de gronden binnen die bestemming ook ingericht worden als openbaar gebied.

Figuur 6: Verbeelding van het bestemmingsplan

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.

Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: <0000> ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; <0000> duurzaam economisch groeipotentieel; <0000> sterke en gezonde steden en regio's; <0000> toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: <0000> combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; <0000> kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; <0000> afwentelen wordt voorkomen. Onderhavig initiatief ziet op de herontwikkeling van 114 woningen binnen het stedelijke gebied en wordt overgelaten aan gemeente en provincie. Onderhavig initiatief kan niet gezien worden als een ontwikkeling waarbij nationale belangen gemoeid zijn. De Nationale Omgevingsvisie heeft dan ook geen invloed op dit plan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het plangebied bevindt zich niet in een gebied dat door het Rijk is aangewezen als van nationaal belang. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt (i.c. de ruimtelijke onderbouwing), bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting (i.c. de ruimtelijke onderbouwing) een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' In dit geval is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat volgens vaste jurisprudentie sprake is van een stedelijke ontwikkeling die 'ladderplichtig' is voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen. In dit geval neemt het aantal woningen op de locatie toe met 30 woningen ten opzichte van de huidige (planologische) situatie (84 woningen worden vervangen door 114 woningen).

In het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd dat gemeenten woningen bouwen die afgestemd zijn op de actuele regionale behoefte. In de regionale woonvisie (2017) is – rekening houdend met rijksbeleid - vastgelegd dat de Drechtsteden een gezamenlijk taakstelling heeft om bijna 10.000 woningen te bouwen tot en met 2030. Op basis van een woningmarktonderzoek (RIGO 2017) heeft zich dit vertaald in een koers voor Dordrecht. Deze koers kenmerkt zich door een vraag in alle segmenten, met een zeer grote nadruk op het duurdere segment maar ook grote behoefte aan betaalbare woningen. De sloop van het verouderde woningaanbod in het plangebied en het realiseren van woningen die wel voldoen aan de huidige eisen levert een bijdrage aan de behoefte aan betaalbare woningen. De conclusie is dat aan de woningen die zijn voorzien in dit plangebied behoefte bestaat. De behoefte wordt opgevangen in het stedelijk gebied, zodat er geen nadere motivering nodig is. Voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Toetsing Onderhavig bestemmingsplan voldoet aan het beleid en de algemene regels van het rijk.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Het nieuwe omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Beide instrumenten zijn inwerking getreden op 1 april 2019 en herzien op 1 augustus 2020. Deze instrumenten vervangen de Verordening Ruimte en de Visie Ruimte. De introductie op het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bevat een beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur met kaartbeelden. Vervolgens wordt de ontwikkelrichting van het

omgevingsbeleid met sturingsprincipes en richtinggevende ambities geschetst. Het centrale doel van de omgevingsvisie is het verbeteren van omgevingskwaliteit in Zuid-Holland, daarbij is er in de omgevingsvisie aandacht voor de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken. Ook wordt de huidige omgevingskwaliteit van de provincie Zuid-Holland uiteengezet. Het provinciaal omgevingsbeleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit zijn twaalf provinciale ‘Opgaven Omgevings-kwaliteit’ benoemd. Vanuit deze opgaven zijn samenhangende beleidskeuzes ontwikkeld die het vervolg van de Omgevingsvisie Zuid-Holland vormen. Voor het voorliggende initiatief zijn bijvoorbeeld de beleidskeuzes ‘energietransitie in de gebouwde omgeving’, ‘stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied’ en ‘verstedelijking en wonen’ van belang. De beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in Omgevingsverordening Zuid-Holland. De sloop en nieuwbouw van sociale huurwoningen binnen het plangebied is niet in strijd met de beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland of de regels uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Dordrecht De Omgevingsvisie 1.0 is door de gemeenteraad van Dordrecht vastgesteld op 28 april 2021 en vervangt de Structuurvisie 2040. Bij de afweging om af te wijken van het geldende bestemmingsplan speelt de omgevingsvisie een rol en moet worden beschouwd of het voorliggende initiatief bijdraagt aan de gestelde doelen. Ontwikkelende partijen geven bij nieuwe ontwikkelingen invulling aan doelen uit de Omgevingsvisie, de gemeente heeft bij ontwikkelingen in woonwijken een passievere rol die is gericht op het toetsen aan de gestelde kaders. De centrale ambitie voor Dordrecht die spreekt uit de Omgevingsvisie 1.0 is de verdere ontwikkeling van de gemeente naar een groene, levendige stad met een veerkrachtige bevolking en een hoger welvaartsniveau, zodat het huidige voorzieningenniveau ook in de toekomst kan worden gewaarborgd. De hoofdopgave die de gemeenteraad van Dordrecht dan ook in de Omgevingsvisie heeft geformuleerd is groei van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen. Binnenstedelijke groei wordt gezien als aanjager voor kwaliteitsverbetering van de stad en het ver- groten van de leefbaarheid. De hoofdopgave moet gerealiseerd worden binnen de zeven doelen die de omgevingsvisie formuleert, waaronder ‘Dordrecht is een aantrekkelijke stad’. De gemeente Dordrecht wil een gevarieerd woningaanbod realiseren.

Variatie in soorten woningen en in kwaliteit is van belang om alle mensen een plek te kunnen geven. Ook variatie in woonmilieus en woningen in buurten zorgt voor een aantrekkelijke gemeente. Voor een gevarieerd woningaanbod en sterkere wijken zijn ook ingrepen in de bestaande voorraad nodig. Een deel van de woningvoorraad voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd en kan sloop tegemoet zien. Dit zijn vooral sociale huurwoningen in het bezit van woningcorporaties. Met name woningcorporaties bouwen de gesloopte aantallen sociale woningen allemaal terug. Op deze manier blijft het aantal sociale huurwoningen op peil. Hiermee kunnen ook inwoners die zijn aangewezen op een sociale huurwoning, een thuis vinden in Dordrecht. Met het voorliggende initiatief worden 84 sociale huurwoningen binnen het plangebied gesloopt en daar 114 sociale huurwoningen voor terug gebouwd. Er is dus sprake van een verdichting met 30 sociale huurwoningen. Uit de Omgevingsvisie 1.0 blijkt dat de groeiopgave moet passen binnen onder meer het doel ‘Dordrecht is een aantrekkelijke stad’. De Omgevingsvisie schrijft dat waar nodig de kwaliteit van de huidige woningvoorraad wordt verbeterd. Een aantrekkelijke stad betekent namelijk aantrekkelijke woningen, zowel bouwkundig, esthetisch als in gebruik en energieverbruik. Die kwaliteitsverbetering ligt aan de basis van de totstandkoming van het voorliggende

planvoornemen. In die zin is de voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied te realiseren binnen de kaders van het ruimtelijk beleid uit de Omgevingsvisie 1.0 van de gemeente Dordrecht.

3.3.2 Wijkvisie De vernieuwing van de woningbouw in het plangebied Charlotte de Bourbonstraat maakt deel uit van een langjarige opgave om de voor- en naoorlogse sociale woningbouw in het stedelijk gebied te vernieuwen en aan te passen aan de eisen van deze tijd. Projectmatig worden steeds bouwblokken vernieuwd. In de omgeving zijn in de eerste decennia van deze eeuw de woningen aan de Johan Willem Frisolaan vernieuwd en zijn aan de Mauritsweg nieuwe woningen gerealiseerd. Gaandeweg is het besef ontstaan dat er meer dan vroeger aandacht nodig is voor een groene omgeving en voor een minder sterke nadruk op het faciliteren van de auto (rijden en parkeren). Om die reden is in dit geval gekozen voor een groen verblijfsgebied in de Charlotte de Bourbonstraat en een verschuiving van de parkeercapaciteit naar het achterterrein. De planvorming vindt plaats in nauwe samenwerking tussen gemeente en corporaties. De aangrenzende vernieuwingsopgave van Woonbron is in hetzelfde planteam opgepakt. In de uitvoering heeft elke corporatie vervolgens zijn eigen rol en verantwoordelijkheid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Regelgeving en beleid Erfgoedwet Op grond van de Erfgoedwet mag de gemeente haar eigen beleidsinhoudelijke en financiële afwegingen op het gebied van archeologie maken. Voorwaarde is dat het selectie- en vrij-stellingsbeleid archeologisch-inhoudelijk is onderbouwd en bestuurlijk is vastgesteld. Daarenboven dient op grond van artikel 3.1.6, lid 5, onder a Bro de ruimtelijke onderbouwing “een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” te bevatten. Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: <0000> de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; <0000> de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie.

Gemeentelijk beleid archeologie Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente. Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen beleid wat betreft archeologie. Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 dienen archeologische waarden wettelijk in de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsprocessen meegewogen te worden. In de praktijk gebeurde dit in Dordrecht al sinds 1995. In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Dordrecht opgesteld. De kaart is een detaillering en uitwerking van de kaarten die op nationale en provinciale schaal beschikbaar zijn. Op het gemeentelijk grondgebied varieert de verwachting van laag tot zeer hoog. In het bij de kaart behorende rapport "‘Stad en Slib: het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht" is de onderbouwing voor de hoogte van de verwachting verwoord. In de Erfgoedverordening Dordrecht (2010) zijn aan de archeologische verwachtingen verschillende voorwaarden en vrijstellingen verbonden. Deze voorwaarden en vrijstellingen worden uiteindelijk in de nieuwe bestemmingsplannen opgenomen.

Archeologisch onderzoek in de gemeente Dordrecht is gericht op kenniswinst wat betreft de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad en het Eiland. Van groot belang hierbij is het ontstaan en de ontwikkeling van de stad, de reconstructie van het (cultuur)landschap van het Eiland van Dordrecht en de relatie tussen stad en platteland vóór de ingrijpende St. Elisabethsvloed van 1421. De provincie Zuid Holland kent een grote waarde toe aan locaties die informatie bevatten over de ontginning van het veenlandschap in de middeleeuwen. Het is deze ontginning van het veen en de daarmee samenhangende structuren zoals kaden, dijken, sluizen en die ook nu nog beeldbepalend zijn voor het Hollands landschap. Het Eiland van Dordrecht speelt in landschap een opvallende rol vanwege het in 1421 verdronken en daarna volledig afgedekte landschap, waaraan de huidige Biesbosch een blijvende herinnering is.

Bij alle ingrepen in de bodem van Dordrecht dient zorg te worden besteed aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige waarden aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens de eisen van de gemeente Dordrecht. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied. Gemeentelijk beleid: Erfgoednota Dordrecht maakt geschiedenis; Erfgoedverordening Dordrecht Streven is om het erfgoedbeleid steeds meer onderdeel te maken van het beleid op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit en inrichting. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet alleen om objecten, maar ook om structuren die iets vertellen of verwijzen naar de historische ontwikkeling van Dordrecht. Hierin past het voornemen om gemeentelijke monumenten aan te wijzen, maar ook om cultuurhistorische beleidskaarten te maken waarop ook te verwachten waarden zijn aangegeven.

Nader onderzoek dient uit te wijzen of deze waarden daadwerkelijk aanwezig zijn, hoe groot deze zijn en hoe deze in kunnen worden gezet voor de gebiedsontwikkeling.

4.1.2 Onderzoek Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van Dordrecht is het plangebied gelegen binnen een zone met een middelmatige archeologische verwachting. In het vigerende bestemmingsplan ‘Krispijn’ is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde –Archeologie –3’ opgenomen. De als zodanig aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden van de gronden. Op basis van deze dubbelbestemming geldt dat bouwen niet is toegestaan indien de bouwwerken en de fundering dieper liggen dan 100 cm beneden het maaiveld en de gezamenlijke oppervlakte van de heipalen (inclusief grondverdringing) meer dan 5% van het te bebouwen oppervlak bedraagt. Van deze bouwregel mag met een omgevingsvergunning worden afgeweken indien uit een archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel niet worden geschaad door de ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling zal de dieptevrijstelling tot 1m onder het maaiveld mogelijk overschrijden. Daarom is in dat kader een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) uitgevoerd door Buro de Brug (6 mei 2021, projectnummer B21-464A). Het volledige archeologisch onderzoek is bijgevoegd in bijlage 1.

Binnen het plangebied zullen de huidige woningen worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. De bodem zal daarmee tot een maximum van 2,00 meter onder maaiveld verstoord worden. Archeologische resten uit de Nieuwe tijd worden op basis van bestudering van historische kaarten en de archeologische gegevens uit de omgeving niet verwacht binnen het plangebied. De archeologische verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen uit de middeleeuwen voor 1421 is hoog, maar heeft veelal betrekking op een zekere diepte, dieper dan de 2,00 meter onder maaiveld. Het plangebied zou mogelijk op de flank van een oude kreekrug kunnen liggen, waardoor er een grotere kans is op het aantreffen van archeologische resten uit de middeleeuwen. In het bureauonderzoek wordt voorgesteld de diepte van de middeleeuwse laag te controleren met behulp van een boorraai van west naar oost in het zuidelijk deel van het plangebied. De gemeente Dordrecht heeft eerder al het plangebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek tot 2,00 meter onder maaiveld. Deze maat is opgenomen in de bestemmingsregeling voor dit gebied. Mochten er tijdens de planuitvoering toch archeologische resten worden waargenomen dan geldt de wettelijke meldingsplicht, conform artikel 5.10 Erfgoedwet. Monumenten Rijksmonumenten In het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten.

Gemeentelijke monumenten In het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke monumenten. Waardevolle objecten periode 1850-1940 Door de provincie Zuid-Holland is in opdracht van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een inventarisatie verricht naar waardevolle objecten, gebouwd tussen 1850 en 1940. In het plangebied bevinden zich geen waardevolle objecten uit deze periode. Waardevolle objecten periode 1940-1965 Het landelijke monumenten inventarisatie project 1850-1940 is vervolgd met een inventarisatie van architectuur en stedenbouw uit de periode 1940-1965, de wederopbouwperiode. Besloten is in Nederland alleen een zogenoemde top 100 te beschermen als rijksmonument. In het plangebied komen geen (potentiële) rijksmonumenten voor.

4.1.3 Conclusie Archeologie Bij ingrepen in de bodem van het plangebied dient zorg te worden besteed aan de potentieel aanwezige archeologische resten. Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar zich archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of door opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens een door de Gemeente Dordrecht op te stellen Programma van Eisen (PvE). Voor zover nu is te voorzien, vinden de grondwerkzaamheden plaats tot 2,00 meter onder maaiveld, waar geen archeologische resten te verwachten zijn. Cultuurhistorische waarden Er zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden in het geding. Vanuit een oogpunt van archeologie en cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen dit bestemmingsplan.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

4.2.1 Regelgeving en beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan met daarin woningen en bedrijfsmatige functies in elkaars nabijheid dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

4.2.2 Onderzoek In het plangebied worden woningen vervangen. De afstand tot omliggende bedrijfsactiviteiten blijft derhalve gelijk. Direct rondom het project zijn ook alleen woningen gelegen.

4.2.3 Conclusie Vanuit een oogpunt van milieuzonering bestaat er geen bezwaar tegen dit bestemmingsplan.

4.3 Bodemkwaliteit

4.3.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Bodemkwaliteitskaart Dordrecht Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten. Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond.

Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid. Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

4.3.2 Onderzoek Er is informatie opgevraagd bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De informatie is bijgevoegd in bijlage 2. Daaruit blijkt dat binnen het plangebied geen bodemverontreinigingen bekend zijn. In 2012 is een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek vormden geen belemmering voor verdere besluitvorming.

4.3.3 Conclusie Vanuit een oogpunt van bodemkwaliteit bestaat er geen bezwaar tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen en bouwmogelijkheden.

4.4 Energie en duurzaamheid

4.4.1 Regelgeving en beleid Een van de beleidsdoelen uit de Omgevingsvisie 1.0 is dat Dordrecht in 2050 energieneutraal is. Dordrecht vormt samen met de andere Drechtstedengemeenten een energieregio in het kader van het Klimaatakkoord. Samen geven zij via de Regionale Energie Strategie (RES) invulling aan de te realiseren landelijke opgave voor 2030. Met als eerste stap om in 2050 energieneutraal te zijn, wat betekent dat duurzaam opgewekte energie gebruikt wordt. Voor nieuwbouw zet Dordrecht in op zeer goed geïsoleerde gebouwen die optimaal profiteren van de zon. Een belangrijk onderdeel van de energietransitie is de warmtetransitie, de verduurzaming van de warmtevraag van wijken, die per definitie een wijkgerichte aanpak vraagt. Dordrecht gaat gefaseerd van het aardgas af. De eerste voorkeur is om gebouwen aan te sluiten op het warmtenet. In gebieden waar dat niet mogelijk is (zoals in ruimer opgezette wijken) wordt de all-electric optie met warmtepompen onderzocht. Voor gebieden waar deze mogelijkheden niet toegepast kunnen worden wordt gezocht naar een volwaardig alternatief, zoals het gebruik van hernieuwbaar gas. De juiste oplossing varieert dus per wijk. Bij elk nieuwbouwproject wordt onderzocht of aansluiting op het warmtenet mogelijk is. De nog benodigde energie die overblijft na besparing en benutten van restwarmte wordt duurzaam opgewekt.

Hierbij wordt ingezet op het maximaal benutten van zonne-energie op daken. De bouw in Nederland is voor de helft verantwoordelijk van het Nederlandse materiaalgebruik. De productie van bouwmaterialen draagt significant bij aan de uitstoot van onder meer CO2. Daarom krijgt circulair bouwen steeds meer de aandacht vanuit de overheid en de bouwsector. Circulair bouwen houdt in dat bij de bouw, sloop en renovatie van gebouwen principes uit de circulaire economie worden gehanteerd. Het Rijk heeft in 2019 het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023 gepresenteerd. Ook de provincie Zuid-Holland ziet kansen in circulair bouwen. De verkenning ‘Zuid-Houtland’ toont aan dat bouwen met hout, afkomstig uit duurzame bosbouw, een bijdrage kan leveren aan de klimaatdoelstellingen. Het onderzoek ‘Dordrecht Circulair’ laat duidelijke kansen voor circulair bouwen in Dordrecht zien. Onder andere door in te zetten op hergebruikt en duurzaam beton.

4.4.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de vernieuwing van sociale woningbouw mogelijk. Verouderde woningen met een slechte energieprestatie worden vervangen door moderne woningen met energieprestatie die voldoet aan de huidige eisen.

4.4.3 Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot problemen op het gebied van duurzaamheid.

4.5 Externe veiligheid

4.5.1 Regelgeving en beleid Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Het besluit verplichtte gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger was dan 10-6. Voor

wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevi werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen In de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen geeft het Rijk hun beleid aan over de afweging tussen veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Bij het opstellen van deze circulaire is zoveel mogelijk aangesloten op de systematiek zoals die is opgenomen in het Bevi. Gemeentelijk beleid: Toetsingskader Externe Veiligheid Conform de vereisten van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen Bevb) en de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen wordt aandacht besteed aan externe veiligheid.

Opgrond van deze besluiten zijn gemeenten verplicht tot het doen van een groepsrisicoverantwoording. De verantwoording van het groepsrisico vindt plaats aan de hand van het gemeentelijk risicobeleid zoals is opgenomen in het Toetsingskader Externe Veiligheid. Hierin wordt aandacht besteed aan het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: 1. Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor individuele burgers. 2. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).

Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weer gegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde.

4.5.2 Onderzoek In figuur 8 is de uitsnede uit de risicokaart opgenomen, waarbij het plangebied met de gele cirkel is aangeduid. Uit de kaart blijkt dat er in de directe omgeving geen inrichtingen met een verhoogd

veiligheidsrisico te vinden zijn. Wel ligt de locatie nabij de spoorlijn en het spooremplacement van Dordrecht waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. In het vigerende bestemmingsplan is de noordoostzijde van het plangebied opgenomen in de veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen. Aan deze zijde (Mariannestraat 1) wordt een bestaande grondgebonden woning vervangen door een nieuwe grondgebonden woning. Per saldo verandert de veiligheidssituatie ter plaatse niet. De aanduiding veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen blijft in dit bestemmingsplan gehandhaafd.

Figuur 8: Uitsnede risicokaart

4.5.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.6 Flora en fauna

4.6.1 Regelgeving en beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuur-bescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wet natuurbescherming-gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Provinciale Ecologische Hoofdstructuur Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen en in de nabijheid van natuurgebieden in de EHS die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor de natuur zijn niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Natuurgebieden en de groene verbindingen (zoals ecologische verbindingszones) daartussen dienen gevrijwaard te worden van bebouwing en andere ingrepen die niet passen binnen de functie van de gebieden. Nieuwe bebouwing en andere ingrepen die niet passen binnen de ontwikkeling van de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur zijn uitgesloten. In natuurontwikkelingsgebieden moeten de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuurwaarden worden veiliggesteld. Onomkeerbare en/of ongewenste ontwikkelingen moeten worden tegengegaan. Indien om zwaarwegende redenen aantasting van natuur- en landschapswaarden onontkoombaar is en alternatieve oplossingen ter plaatse niet voorhanden zijn, dient compensatie plaats te vinden. Compensatie dient plaats te vinden in de gebieden benoemd in de regeling met betrekking tot het provinciaal compensatiebeginsel. De provinciale EHS wordt gevormd door bestaande en geplande natuurgebieden, waardevolle weidevogelgebieden en groene verbindingen. Het onderhavige plangebied maakt geen deel uit van de provinciale EHS.

Wet natuurbescherming-soortenbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde die-rensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffings-plicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (artikel 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

4.6.2 Onderzoek Natuur Netwerk Het dichtstbijzijnde deel van het NatuurNetwerk is Landgoed Dordwijk op ruim 1100 meter. Op een dergelijke afstand kan een sloop-nieuwbouw project van woningen niet tot effecten leiden. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Biesbosch op circa 4 kilometer afstand. De Biesbosch is ontstaan in het begin van de vijftiende eeuw, tijdens de Sint-Elizabethsvloed. Het gebied werd lange tijd gekenmerkt door wilgenvloedbossen, kale zand- en slikplaten, rietgorzen en biezenvelden, maar door de uitvoering van de Deltawerken is dat beeld verminderd. De Biesbosch heeft ook in zijn huidige vorm grote botanische en faunistische kwaliteiten, terwijl het landschap van eilanden en slingerende waterwegen in wezen nog steeds bestaat. Het is een belangrijk broedgebied voor blauwborst en andere moerasvogels en broedvogels van waterrijke gebieden met opgaand bos. Verder een belangrijk rust- en foerageergebied voor vele vogelsoorten. In de Dordtse Biesbosch (het dichtste bij het plangebied) heerst daarnaast voldoende rust voor een belangrijke functie als ruigebied (wintertaling) en als pleisterplaats voor verstoringsgevoelige soorten als lepelaar en nonnetje. Het gebied is stikstofgevoelig. Op een afstand van vier kilometer is de enige mogelijkheid dat een woningbouwproject tot effect op Natura 2000 leidt, gelegen in de stikstofdepositie.

Bij dit project kan stikstof vrijkomen op grond van vier mogelijke bronnen: A. De toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie met gemotoriseerd vervoer in de gebruiksfase; B. De toename van de verwarming en koeling van het gebouw met gas (of olie) in de gebruiksfase; C. Het gebruik van zwaar materieel bij de verbouwing in de realisatiefase. D. Bouwwerkzaamheden, bijvoorbeeld aan- en afvoer van materiaal en werklui in de realisatiefase.

De woningen worden gasloos gebouwd, zodat er geen sprake kan zijn van stikstofdepositie door ruimteverwarming. Het aantal motorvoertuigbewegingen neemt toe met 86 motorvoertuigbewegingen (vergelijk paragraaf 4.11.2). Voor de bouw van woningen worden tijdelijk bouwwerkzaamheden verricht die leiden tot een tijdelijke toename van stikstofuitstoot door vervoer van en naar de bouwlocatie en door het gebruik van materieel op de bouwlocatie. De bouwwerkzaamheden duren zeker minder dan twee jaar, zodat er sprake is van een tijdelijk effect. Op grond van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) mag de stikstofuitstoot in de realisatiefase van het project achterwege gelaten worden. Er is een Aeriusberekening gemaakt uitgaande van alle 498 motorvoertuigbewegingen. Deze bewegingen zijn opgenomen vanuit het plangebied naar de positie, waar het verkeer geacht wordt opgenomen te zijn in het heersende verkeersbeeld. Dat is in dit geval de Laan der Verenigde Naties die als stedelijke verbindingsweg zowel toegang geeft naar de N3 als naar de A16. Uit de Aeriusberekening blijkt dat er zelfs zonder saldering met de bestaande situatie geen sprake is van enig significant negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De berekening is opgenomen in bijlage 4.

Soortenbescherming Door Adviesbureau Mertens b.v. is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van dat onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage die is opgenomen in bijlage 5. Op basis van een inventarisatie is bepaald dat de gewone dwergvleermuis en de huismus verblijfplaatsen hebben in te amoveren opstallen binnen het plangebied. De gewone dwergvleermuis en de huismus zijn diersoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd is via de Wet natuurbescherming. De staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis is gunstig tot licht ongunstig. De staat van instandhouding van huismus is licht ongunstig. Door het treffen van gerichte mitigerende en compenserende maatregelen zal de staat van instandhouding niet verslechteren en het natuurlijk verspreidingsbeeld niet worden beïnvloed. Er is ontheffing aangevraagd van de Wet natuurbescherming. Deze aanvraag is gebaseerd op de volgende maatregelen die inmiddels zijn uitgevoerd: <0000> 21 vleermuiskasten in de omgeving (<200 meter) van het plangebied gedurende de aanlegfase en 21 duurzame inbouwkasten in de nieuwbouw.

<0000> 14 nestkasten geplaatst te worden met minimaal drie nestplaatsen per nestkast voor de huismus in een straal van 200 meter rond de huidige nestplaats gedurende de aanlegfase en 14 duurzame nestkasten geplaatst te worden met minimaal drie nestplaatsen in het plangebied gedurende de gebruiksfase. <0000> 2 huismussentillen in het gemeenteplantsoen in het plangebied gedurende de aanlegfase. Om geen onnodige verstoring te hebben is het noodzakelijk om buiten de kritieke periode van de gewone dwergvleermuis te starten met werken. De kritieke periode is januari tot en met half maart, mei tot en met half oktober en november tot en met december. Voor aanvang dienen de te amoveren woningen ongeschikt gemaakt te worden om doden en verwonden te voorkomen. Mocht de start van de werkzaamheden onverhoopt in het broedseizoen van de huismus (door)lopen, dan is het noodzakelijk dat de huidige nestplaats vooraf aan het broedseizoen wordt gedicht. Dichten dient plaats te vinden door gaas in de dakgoot te maken. Het dichten / verwijderen dient buiten de kritieke periode van de huismus plaats te vinden. Het broedseizoen is de kritieke periode van de huismus en loopt van maart tot en met half augustus. Bij start van de werkzaamheden aan het dak worden de dakpannen voorzichtig gelicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/404/documents/16166