CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting op de Participatieverordening gemeente Dordrecht.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 3 februari 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 18: Vaststellen Participatieverordening gemeente Dordrecht - Raadsvoorstel3.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting op de Participatieverordening gemeente Dordrecht Algemeen In maart 2025 heeft de gemeenteraad die visie en aanpak (burger)participatie vastgesteld, inclusief het bijbehorende afwegingskader (de Dordtse Participatie Praatplaat). Samen met het Beleidskader Participatie, dat in 2022 reeds de spelregels voor participatie onder de Omgevingswet vastlegde, vormen deze beleidsnota’s het kader voor participatie in Dordrecht. Wettelijk kader Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203). Deze wet wijzigt artikel 150 van de Gemeentewet en verplicht gemeenten om inwoners en maatschappelijke partijen niet alleen bij de voorbereiding, maar ook bij de uitvoering en evaluatie van beleid te betrekken. Daarnaast introduceert de wet het uitdaagrecht, waarmee inwoners en maatschappelijke partijen het initiatief kunnen nemen om gemeentelijke taken over te nemen. De wet beoogt het draagvlak voor gemeentelijk beleid te vergroten en de lokale democratie te versterken. Gemeenten staan voor complexe maatschappelijke opgaven zoals klimaat, leefbaarheid & veiligheid en inclusie. Vroegtijdige en betekenisvolle participatie draagt bij betere plannen en besluitvorming, het versterken van gemeenschappen en sociale samenhang en betere relaties en samenwerking.

Van inspraak naar participatie De wet markeert een overgang van een klassieke inspraakverordening naar een bredere participatieverordening. Waar inspraak vooral gericht was op het geven van zienswijzen bij beleidsvoornemens, richt participatie zich op samenwerking in alle fasen van beleid: voorbereiding, uitvoering én evaluatie. De Participatieverordening Dordrecht 2025 sluit aan bij deze ontwikkeling en biedt ruimte voor diverse vormen van participatie, zoals consulteren, adviseren en coproduceren.

Lokale invulling en keuzeruimte De wet laat gemeenten vrij in de wijze waarop zij participatie vormgeven. In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten exact in hun participatieverordening moeten opnemen. Ook zijn gemeenten vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. In Dordrecht wordt samenwerking met en initiatief vanuit de stad gestimuleerd. Er is daarom gekozen om bepalingen op te nemen over inwonersparticipatie (waarbij het initiatief bij de gemeente ligt) en over overheidsparticipatie (waarbij het initiatief komt van inwoners of maatschappelijke organisaties). Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie.

Aansprakelijkheid en aanbesteding Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht,

de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Of het aanbestedingsrecht in de weg staat aan de toepassing van het uitdaagrecht zal per geval beoordeeld moeten worden. Bij deze beoordeling zijn het Inkoopbeleid en de bepalingen over de Europese Drempelwaarden uit paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 van toepassing. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht van toepassing is op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met de inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt.

Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen? Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op van toepassing is. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is in artikel 12 daarom opgenomen dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak.

Participatie op grond de Omgevingswet In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Inleidende bepalingen, kaders en uitgangspunten

Beleid Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.

Inwonersparticipatie In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip inwonersparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels.

Maatschappelijke partijen

Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Ondernemingen die geen winst uitkeren kunnen daar ook onder vallen als zij een lokale binding hebben. Ondernemers in algemene zin niet, er moet sprake zijn van een maatschappelijke component. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven.

Overheidsparticipatie Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonersparticipatie en omvat alle vormen van participatie waarbij inwoners en maatschappelijke partijen het initiatief nemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder overheidsparticipatie valt ook het uitdaagrecht.

Participatie Omdat insteek van de verordening is zowel inwonersparticipatie als overheidsparticipatie te omarmen en te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip voor inwoners- en overheidsparticipatie opgenomen. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke partijen ligt.

Uitdaagrecht Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.

Artikel 2 Reikwijdte Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s, ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is (zie de passage over participatie bij omgevingsvergunningen in het algemeen deel van de toelichting), deze verordening leidend is. Hierin volgt de gemeente Dordrecht de modelverordening van de VNG. Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Hier staat benoemd in welke gevallen de gemeente kan besluiten af te wijken van de verordening. In het vierde lid staat in dat kader benoemd onder welke omstandigheden participatie niet noodzakelijk is. Een deel van deze zes soorten zijn overgenomen uit de Participatie- en Inspraakverordening Dordrecht (2017). Nieuw is de bepaling over besluiten in het kader van de verantwoordelijkheid van de gemeentelijke bestuursorganen voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Als het dan niet mogelijk is om een participatieproces in te richten of de uitkomst af te wachten, dan mag het bestuursorgaan ervan afzien. De tekst is zo gekozen dat het bestuursorgaan kan besluiten om toch een participatieproces in te richten. In zo’n geval geeft het bestuursorgaan aan of en zo ja op welke deelaspecten van het

besluit, bijvoorbeeld randvoorwaarden of het proces, de participatieverordening wel van toepassing wordt geacht. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie.

Vierde lid a. Een lopend uitvoerings- of evaluatietraject traject bevindt zich doorgaans in een gevorderd stadium dat niet goed te combineren is met een (nieuw) participatieproces. De gedachte hierachter is dat er geen tijd, ruimte en financiële middelen zijn om deze plannen of trajecten nog aan te passen. Onder lopende uitvoeringstrajecten vallen ook taken die al zijn aanbesteed of gecontracteerd. De vraag of de wijziging van een plan of uitvoeringstraject van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord en worden bezien in relatie tot het totale plan. Wijzigingen die bijvoorbeeld in bouwtechnisch en/of stedenbouwkundig opzicht zeer beperkt zijn en de uiterlijke verschijningsvorm daardoor nauwelijks wijzigt, zullen al snel van ondergeschikte aard zijn. Uiteindelijk is de waarneembare invloed die de wijziging zal of kan hebben op de omgeving doorslaggevend. Dit is niet enkel een visueel aspect, maar heeft ook betrekking op andere gevolgen voor de omgeving. Bij de beoordeling of een wijziging of herziening ondergeschikt is, heeft het bestuursorgaan beoordelingsruimte. b. Participatie is niet toegestaan als een wet participatie uitsluit. c. Wanneer wettelijke regelgeving aan bestuursorganen voorschrijft op welke wijze taken ingericht en uitgevoerd moeten worden, heeft participatie geen toegevoegde waarde.

Bij participatie is belangrijk dat er ruimte is voor inbreng van inwoners en andere partijen. d. Uit hoofdstuk XV van de gemeentewet volgt de bevoegdheid van de gemeenteraad om een gemeentelijke belastingverordening vast te stellen en welke zaken in de belastingverordening geregeld moeten worden. In deze belastingverordening wordt bijvoorbeeld op detailniveau geregeld of en hoeveel belasting inwoners moeten betalen. Het bepalen van specifieke heffingen en daarbij behorende tarieven vergt een gedetailleerd inzicht in de (interne) gemeentelijke financiën. We kunnen inwoners en andere participatiegerechtigden niet voldoende faciliteren om de specifieke heffingen en tarieven te beoordelen. De algemene gemeentebegroting geven we vrij voor inspraak. Dit moeten we van de wet. Inwoners en andere participatiegerechtigden kunnen op deze wijze hun opvattingen en ideeën met ons delen over de financiële plannen van de gemeente. e. Voor een goed participatietraject is voldoende tijd nodig. Deze tijd is onder meer nodig voor de voorbereiding van het proces, de uitvoering van het gekozen participatieproces en de verwerking van de resultaten van de participatie. Er zijn

gevallen waarbij de spoedeisendheid van beleid niet te verenigen is met een participatieproces. Voorbeelden van spoedeisende gevallen zijn kwesties over veiligheid en openbare orde of locaties voor huisvesting van kwetsbare doelgroepen, bijvoorbeeld na het uitbreken van een oorlog. Het bestuursorgaan heeft beoordelingsvrijheid over de spoedeisendheid van een aangelegenheid. f.

Gemeenten hebben vergaande taken met betrekking tot het sociaal domein. Dit behelst onder andere jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Dit gaat onder meer om de verantwoordelijkheid voor: 1. voorzieningen van maatschappelijke opvang; 2. algemene voorzieningen vanuit de Wmo waarbij de gemeente ondersteunt mensen met een ziekte of beperking en kwetsbare ouderen 3. voorzieningen en regelingen vanuit de jeugdwet, zoals het opstellen van een beleidsplan voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg. Het maken en uitvoeren van zulk beleid is bedoeld om kwetsbare groepen te ondersteunen en beschermen. De bescherming van de belangen van deze kwetsbare groepen is een lastige combinatie met (inwoner)participatie waarin allerlei verschillende belangen aan de orde komen. Bij participatie moet ruimte zijn voor deze verschillende belangen. Om de belangen van een kwetsbare groep te beschermen kan het nodig zijn dat van participatie wordt afgezien. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of bij (de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van) een plan een kwetsbare groep betrokken is. Er is geen eenduidige definitie van (sociaal) kwetsbare groepen mede omdat de omschrijvingen doorgaans te algemeen zijn en de factoren die kwetsbaarheid veroorzaken te divers zijn. Een persoon is kwetsbaar als er een disbalans is tussen de draagkracht en draaglast.

Kwetsbare personen en/of groepen kunnen worden gekenmerkt door bijvoorbeeld één of meer van de volgende problemen of beperkingen: lichamelijke beperkingen, chronische psychische aandoening(en), verstandelijke beperkingen, psychosociale aandoeningen, financiële/materiele problemen, opvoed- en opgroeiproblemen, verslavingsproblematiek en/of betrokkenheid bij geweld in afhankelijkheidssituaties. Algemeen bekende kwetsbare groepen zijn bijvoorbeeld dak- en thuislozen, vluchtelingen en mensen met schuldenproblematiek.

g. Interne en/of organisatorische aangelegenheden van de gemeente vallen buiten de scope van de participatieverordening. h. Het belang van participatie weegt (niet altijd) op tegen het belang van bescherming van de openbare orde en veiligheid. Te denken valt aan situaties waarin: 1. Er sprake is van een acuut veiligheidsbelang (rampen, terrorisme, ordeverstoringen); 2. Openbare-orde maatregelen of noodverordeningen worden voorbereid die snel en besloten genomen moeten worden; 3. Informatiegevoeligheid of operationele risico’s aanwezig zijn waardoor participatie niet verantwoord is.

Artikel 3 Doel van de verordening Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen en bestuursorganen. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt een kader bij het maken van die keuzes. Artikel 4 Uitgangspunten en werkprincipes De gemeente streeft altijd naar betekenisvolle duurzame verbindingen met de gemeenschap. Daarom is er aandacht voor inhoud, proces en relatie. Op bestuursorganen rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de participatie te scheppen. Daarom is in dit artikel verwoord wat de zorgplicht van het bestuursorgaan omhelst. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen worden betrokken als alle opties nog open liggen en dat inzichtelijk is hoe een proces van participatie verloopt. Artikel 5 Plan voor inwonersparticipatie In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de inwonersparticipatie moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie.

Het plan moet in lijn zijn met de Dordtse visie en aanpak (burger) participatie en het bijbehorende afwegingskader (Dordtse Participatie Praatplaat). Conform dit bestaande afwegingskader worden in deze verordening vier niveaus van participatie onderscheiden: informeren, raadplegen, adviseren en coproductie. Deze niveaus geven richting aan de mate waarin inwoners en belanghebbenden kunnen bijdragen aan beleid en besluitvorming. Het niveau ‘meebeslissen’ maakt geen onderdeel uit van dit kader. Daarvoor zijn duidelijke grenzen gesteld door de werking van onze representatieve democratie: de uiteindelijke besluitvorming berust altijd bij de daartoe gekozen bestuursorganen. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke partijen worden opgesteld. De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het plan zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat. Artikel 6 Inspraak In de Awb is een inspraakprocedure opgenomen. Ook dat is een vorm van participatie. Een inspraakprocedure is niet altijd een verplichting.

Er kan ook voor andere vormen van participatie worden gekozen om reacties te peilen eerder in een proces. Inspraak gaat over een concept besluit en vindt dus plaats aan het eind van een participatieproces. Als onvoldoende zicht is op de belangen van betrokkenen, is een inspraakprocedure verplicht. In sommige gevallen schrijft bestaande wetgeving voor dat besluiten moeten worden voorbereid met Afdeling 3.4. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb. Hier is bijvoorbeeld sprake van bij het wijzigen van het Omgevingsplan in de Omgevingswet. In deze gevallen rust al een wettelijke plicht voor terinzagelegging met zienswijzen. Maar ook dan geldt: er kan daarnaast eerder in het traject een andere vorm van participatie toegepast worden. In de participatie- en inspraakverordening uit 2017 heeft de gemeenteraad van Dordrecht een specifieke bepaling opgenomen die regelt dat reactietermijnen worden verlengd in het geval

inspraakmomenten voor meer dan de helft zouden samenvallen met een vakantieperiode. Dit artikel is gehandhaafd. Artikel 7 Participatieverslag Op grond van dit artikel moet het bestuursorgaan, nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden, een eindverslag daarvan opstellen. Dit eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Artikel 8 Toepassen uitdaagrecht De gemeente wil in beginsel uitnodigend zijn naar inwoners en maatschappelijke organisaties. Overheidsparticipatie kan toegepast worden als het bestuursorgaan vindt dat het initiatief bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid en/of anderszins een positieve maatschappelijke bijdrage levert aan de gemeente Dordrecht. Uitdaagrecht is een ‘vergevorderde vorm’ van overheidsparticipatie. Gemeenten kunnen er daarom voor kiezen om geen afzonderlijke regeling te maken voor het formele uitdaagrecht als bedoeld in de Wet versterking participatie op decentraal niveau. In plaats daarvan zou, indien een initiatief daartoe aanleiding geeft, in overleg (gedeeltelijke) overdracht van uitvoeringstaken kunnen plaatsvinden op basis van maatwerkafspraken. Op basis van de uitkomsten van de raadsbrede bijeenkomst over participatie, is ervoor gekozen het uitdaagrecht wel op te nemen in de verordening en artikel 8 lid 2 op te nemen.

Een bestuursorgaan kan bepalen dat het uitdaagrecht (nog) niet van toepassing kan worden verklaard. Dat biedt ruimte om nader te verkennen welke gemeentelijke taken onder het uitdaagrecht kunnen vallen. Of dat bijvoorbeeld samenwerking op basis van maatwerkafspraken meer past bij de manier waarop de gemeente Dordrecht invulling wil geven aan overheidsparticipatie. Een voorstel voor uitdaagrecht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. In artikel 8 staat uitgewerkt welke informatie nodig is om het voorstel te kunnen beoordelen en binnen welke kaders het voorstel wordt beoordeeld. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Artikel 9 Proces uitdaagrecht Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan de indiener van het voorstel. Het gaat om meedenken om het initiatief goed te kunnen uitwerken conform de gestelde voorwaarden. Aanvullend kan de gemeente informele ondersteuning bieden, te denken valt aan verbinden, inspireren, aandacht geven en communiceren. Artikel 10 Toepassen overheidsparticipatie De gemeente zet in op samenwerking met inwoners en maatschappelijke organisaties bij de uitvoering van gemeentelijke taken en beleidsdoelen.

Daarbij wordt ruimte geboden aan initiatieven die bijdragen aan de leefbaarheid, duurzaamheid en verbondenheid in de stad. Het college ondersteunt dergelijke initiatieven waar mogelijk met kennis, netwerk of faciliteiten. Het college neemt alle verzoeken om overheidsparticipatie in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan. Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is

bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en ook openbaar maken. Een overheidsparticipatieverzoek is niet bedoeld voor initiatiefnemers van een plan in de fysieke leefomgeving van gemeente Dordrecht waar een omgevingsvergunning voor nodig is. De participatie vindt plaats op initiatief van de aanvrager van de omgevingsvergunning en moet daarom zelf door de initiatiefnemer worden georganiseerd. Artikel 11 Evaluatie De Participatieverordening en het beleidskader worden iedere vier jaar geëvalueerd. Het verslag van de evaluatie wordt ter informatie aan de gemeenteraad gezonden. Ten behoeve van de evaluatie worden gegevens over de uitvoering van participatie verzameld. Na vier jaar kan de verordening worden herijkt, als evaluatie hiertoe aanleiding geeft. Artikel 12 Nadere regels Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken.

Artikel 13 Intrekking en overgangsrecht Met deze bepaling wordt de bestaande Participatie- en Inspraakverordening gemeente Dordrecht 2017 ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking treedt, de datum inwerkingtreding is geregeld in artikel 14. De Participatie- en inspraakverordening gemeente Dordrecht 2017 blijft van toepassing op de voorbereiding van beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel 14 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. Artikel 15 Citeertitel Bevat de naam waaronder het besluit wordt aangehaald: Participatieverordening gemeente Dordrecht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1066/documents/45862