CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 7 juli 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 10: Vaststellen bestemmingsplan Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk - Raadsvoorstel24.871 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In de presentatie is ook uitleg gegeven over de kansen voor het hier te realiseren zoetwatergetijdemoeras en het proces. Daarna was er de mogelijkheid om vragen te stellen. De reacties hebben ertoe geleid dat huisvesting van de scouting wordt meegenomen in de bouwenvelop. Ook is er extra onderzoek uitgezet naar de stroming in de Vlij voor en na het weghalen van de schotbalken onder de bruggen van de Baden Powelllaan. Het Vogelnest

Bij de tijdelijke inrichting van het braakliggend terrein is er een samenwerking met een actieve groep buurtbewoners van de Vogelbuurt, Het Vogelnest. Tijdens de bewonersavond presenteerde de groep haar plannen voor de tijdelijke inrichting. Hierop werd enthousiast gereageerd. Eind 2019 zal de tijdelijke inrichting van het braakliggend terrein officieel geopend worden. Individuele gesprekken met bewoners Naar aanleiding van de tweede inwonersavond zijn ook individuele gesprekken gevoerd voor nadere uitleg en vragen van belanghebbende in het gebied. Klankbordgroep In het najaar van 2019 zal de tender (aanbesteding) starten. Na een selectie- en gunningsprocedure zal het plan, dat het beste de randvoorwaarden uitwerkt, winnen. Bij deze selectie- en gunningsprocedure wordt een klankbordgroep betrokken. Deze groep krijgt een adviesrol. De samenstelling van de groep wordt op dit moment nader uitgewerkt.

bestemmingsplan Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk

Bijlage 3 verslag inspraak

Toelichting (vastgesteld)

77

Bijlage 3 Verslag inspraak en overleg PM

bestemmingsplan Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk

Bijlage 4 verslag overleginstanties

Toelichting (vastgesteld)

79

Verslag overleginstanties naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan Vlijweide

1. Provincie Zuid Holland: plan is toegezonden op 10 juli 2020, als er sprake is van strijdigheid met een provinciaal belang volgt reactie, geen reactie ontvangen. 2. Nederlandse Gasunie: geen opmerkingen 3. Rijkswaterstaat Zuid-Holland: geen opmerkingen 4. Tennet TSO: geen opmerkingen 5. Waterschap Hollandse Delta: bij het ontwerpen van woningen rekening houden met de stabiliteit van de waterkering 6. Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid:

De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) kan zich vinden in de paragraaf 2.5 Externe veiligheid van het hoofdstuk 2 Omgevingsaspecten van Voorontwerp CHW Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk en Bijlage 5 Quickscan Milieu. De VRZHZ adviseert de woningen en de bijeenkomstgebouwen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Het team Veilig bouwen en gebruiken binnen de VRZHZ wil zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor de woongebouwen en de bijeenkomstgebouwen zodat de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd mee kunnen worden genomen. Reactie: Opmerkingen worden als kennisgeving aangenomen

7. Stedin: geen opmerkingen 8. Dienst Gezondheid en Jeugd: Er is vlakbij een tankstation en dat is geen onderdeel van het ontwerpplan, maar waarschijnlijk is overleg met de Veiligheidsregio hierover belangrijk. Het groene eilandje oogt heel prettig, maar het biedt niet zo heel veel voor de biodiversiteit. In de bomen in het moeilijk nestelen voor vogels, en we hebben wat gaten ontdekt in de oevers wat wijst op de aanwezigheid van ratten. We hebben bij ons bezoek muizen en een rat waargenomen. Denk bij het bouwen ook aan een beplantingsplan specifiek voor dit eilandje, er kunnen bv. wat bomen weg die nu de zon tegenhouden. Een (stads)ecoloog zou hier verder naar moeten kijken.

Is het zo dat 60% van de oevers bebouwd gaat worden met steigers e.d.? Dan kan ongedierte makkelijker bij de bewoning komen. Onbebouwde oevers zou onze voorkeur echt hebben. Dat is ook beter voor het zoetwatergetijdegebied. Indien de balk in het water tussen het haventje en de vlij wordt weggehaald zal er getijdewerking zijn in de Vlij. Hierbij kan vervuiling die opgehoopt is in het bodemslib loskomen. Mogelijk dat hier maatregelen voor genomen moeten worden. Reactie: De oevers worden niet bebouwd met steigers, deze worden niet toegestaan. Het slib in de Vlij wordt uitgebaggerd. 9. Omgevingsdienst Haaglanden: Het stikstofdepositie onderzoek is onvolledig of onduidelijk op de volgende punten: Voor de realisatiefase wordt uitgegaan van in totaal 190 kg NOx voor het slopen van de school en bouwen van 70 woningen. Dit komt naar op 2,7 kg NOx per te realiseren woning, ons inziens is dit aan de lage kant. Er zal een inschatting gegeven moeten worden van het in te zetten materieel voor het slopen van de bestaande opstallen en het bouwen van de nieuwe woningen. De verkeersbewegingen zijn meegenomen tot aan de Oranjelaan. Voor een bestemmingsplanprocedure moet de verkeersaantrekkende werking verder worden meegenomen dan voor projecten. De verkeersaantrekkende werking zal tenminste moeten worden meegenomen tot aan de oprit met de N3.

Figuur 3-3 komt niet overeen met de berekeningen zoals deze zijn bijgevoegd. Daarbij is de aangehouden rijlijn voor het bouwverkeer niet mogelijk, daar de kruising van de N3 met de Groene zoom een ongelijkvloerse kruising betreft zonder op- en afrit. Wij vragen u om het AERIUS-uitvoerbestand (pdf) tevens los aan te leveren. Conclusie Gebaseerd op de aangeleverde rapportage kunnen wij niet bepalen of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Uit de berekening voor de gebruiksfase volgt dat er geen sprake is van een depositie op Natura 2000gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jr. Echter, het aantal verkeersbewegingen dient verder te worden gemodelleerd. Daarnaast is de kans aanwezig dat de realisatiefase leidt tot een toename in stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr, waarvoor een vergunning nodig is. Reactie: Aanvullend rapport is opgestuurd naar de Omgevingsdienst Haaglanden Op 15 oktober 2020 is de AERIUS rekenmethode gewijzigd, het nieuwe rapport is op 26 oktober 2020 toegestuurd naar de Omgevingsdienst Haaglanden.

bestemmingsplan Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk

Bijlage 5 motivering ladder

82

Toelichting (vastgesteld)

Motivering van het woonprogramma /onderbouwing voor de Ladder duurzame verstedelijking Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk

Ministeriële Ladder voor duurzame verstedelijking m.b.t. wonen Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen geldt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor de locatie Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk gaat het om de ontwikkeling van maximaal 70 woningen. Dit betekent dat de behoefte hieraan volgens de Ladder gemotiveerd moet worden. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De locatie kent momenteel een aantal maatschappelijke functies namelijk scholen, een kerk en een waterscouting. De woningbouwontwikkeling is nieuw. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte aan de nieuwe woningen bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. Gezien de grote behoefte aan woningen in Dordrecht (zie volgende alinea) is de uitbreiding van woningbouwlocaties noodzakelijk. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? De Drechtsteden gaan voor een extra groeiopgave op het gebied van wonen, bereikbaarheid en werken. Het woningaanbod is nu te eenzijdig en kenmerkt zich door te veel middelmaat. Om daadwerkelijk te groeien is een schaal- en kwaliteitssprong vereist. Wonen wordt daarbij gezien als hefboom.

Kijkend naar het wonen wordt ingezet op de groei van het aantal woningen: - van 10.000 woningen om in onze eigen woningbehoefte te voorzien, en - van 15.000 woningen om in de groeipotentie te voorzien. In het coalitieakkoord 2018 – 2020 heeft de gemeente Dordrecht haar groeiambitie uitgesproken en ingezet op een snelle en gefocuste groei met 4000 kwalitatief hoogwaardige en duurzame woningen, te beginnen op onder andere Amstelwijck. Het accent bij de nieuwbouw ligt op het hogere segment, terwijl de andere segmenten niet worden vergeten. Met het oog op de grote behoefte aan nieuwe woningen realiseren is daarnaast in het coalitieakkoord vastgelegd dat er een harde planvoorraad van nog eens 6000 woningen op nieuwe locaties opgesteld wordt. Deze woningen worden na 2022 gebouwd. Met de realisatie van maximaal 70 woningen op Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk wordt bijgedragen aan de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor Dordrecht. De locatie leent zich uitstekend voor woningen in het hogere segment. Deze woningen voorzien in een behoefte.

Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Hieraan wordt voldaan. De woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en is gepland binnen bestaand stedelijk gebied.

Rol van de provincie Sommige provincies hebben in de ruimtelijke verordening aanvullende regels voor de Ladder gesteld. Dit is het geval in de Provincie Zuid Holland. Daarom volgt een onderbouwing van de Provinciale Ladder voor duurzame verstedelijking. Provinciale Ladder voor duurzame verstedelijking m.b.t. wonen In de Visie Ruimte en Mobiliteit (2014) zijn 5 hoofddoelen benoemd: 1. 2. 3. 4. 5.

Beter benutten van de schaarse ruimte. Bundeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Versterken agglomeratiekracht. Behoud kwaliteit landelijk gebied. Behouden en verbeteren ruimtelijke kwaliteit

De Ladder draagt bij aan het behalen van deze hoofddoelen. Trede 1: De stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd. Zowel in de Drechtstedelijke groeiagenda als het gemeentelijke coalitieakkoord is de kwalitatieve en kwantitatieve opgave voor de Drechtsteden en Dordrecht vastgesteld. De regionale woningbehoefte, het eenzijdige woningaanbod en de groeiambities liggen hieraan ten grondslag. Het woonbeleid is gericht op het toevoegen van de ontbrekende woonmilieus en woningtypen. De ambitie om duurdere woningen toe te voegen is gebaseerd op het RIGO woningmarktonderzoek, waaruit bleek dat rond dit programma de meeste woningen toegevoegd dienen te worden. Met de realisatie van maximaal 70 woningen op Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk zal worden bijgedragen aan de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor Dordrecht. De locatie leent zich uitstekend voor woningen in het hogere segment. Het is een unieke locatie, nabij de Vlij. Hier zal een bijzonder woonmilieu worden gerealiseerd. De provincie heeft in de verordening Ruimte bepaald dat de regio een woningbouwprogramma opstelt dat door gedeputeerde staten van Zuid-Holland moet worden goedgekeurd. Woningbouwplannen die binnen dit regionale woningbouwprogramma passen, voldoen aan het provinciaal woonbeleid.

Het woningbouwprogramma is als onderdeel van de jaarlijkse rapportage Wonen in de Drechtsteden ter goedkeuring voorgelegd aan de Provincie. Op 17 maart 2020 verleenden gedeputeerde staten hieraan goedkeuring.

Trede 2: In die behoefte wordt binnen het BSD voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins of; De te ontwikkelen locatie bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. In de 3e herziening Structuurvisie Dordrecht 2040 wijzigde de gemeenteraad het leefmilieu van Stedelijk Wonen naar Rustig Groen. Trede 3: Indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen BSD van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, a. gebruik maken van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld; b. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart (artikel 2.2.1. is van toepassing); c. zijn opgenomen in het Programma Ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare. Aangezien de locatie zich binnen bestaand stedelijk gebied bevindt, is deze trede niet van toepassing.

bestemmingsplan Vlijweide Scholenlocatie Noordendijk

Bijlage 6 quickscan milieu

86

Toelichting (vastgesteld)

Memo Quick Scan Milieu Aangepaste versie Aan

Gemeente Dordrecht, t.a.v. de heer E. Hoff

Van

mevrouw M.L. Stokhof-Hassing Zaaknummer

Datum Onderwerp

Z-18-343136

Kenmerk

D-19-1906142

12 juni 2019 Quick scan milieu Noordendijklocatie

Inleiding De gemeente Dordrecht is voornemens de herontwikkeling van het gebied aan de Noordendijk tussen de Oranjelaan en de Baden Powellaan te Dordrecht als een prijsvraag uit te zetten en wil daarbij de relevante milieuaspecten aan de voorkant meegeven. Om deze reden heeft de gemeente aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) opdracht gegeven tot het uitvoeren van een quick scan milieu. Deze quick scan dient in ieder geval de aspecten geluid, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering en flora en fauna te omvatten. Aan de aspecten bodem en milieueffectrapportage wordt op verzoek van de gemeente kort aandacht besteed. Als uitgangspunt is aangereikt een kaart met het studiegebied van de locatie (figuur 1).

Figuur 1 Naar aanleiding van een overleg op 21 maart 2019 en op 9 juni 2019 is de quick scan milieu nog op een aantal punten aangevuld dan wel aangepast. Deze versie van de quick scan vervangt dan ook de eerder toegestuurde versies. Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering heeft betrekking op het ruimtelijk scheiden van milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies zoals woningen. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. De VNG handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 is de meest gebruikte methode bij milieuzoneringen. Er is hier sprake van een rustige woonwijk. In de handreiking worden voor vier verschillende milieuaspecten richtafstanden aanbevolen voor milieubelastende activiteiten (bedrijven) ten opzichte van een rustige woonwijk. De milieubelastende activiteiten zijn gerangschikt op SBI code. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. In tabel 1 zijn de richtafstanden weergegeven. Voor de richtafstand geldt de afstand vanaf de gevel van de woning.

Tabel 1: richtafstanden per Milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering)

Milieucategorie

Rustige woonwijk

1

10 m

2

30 m

3.1

50 m

3.2

100 m

4.1

200 m

4.2

300 m

5.1

500 m

5.2

700 m

5.3

1.000 m

6

1.500 m

Wanneer bij de invulling van het plangebied uitgegaan wordt van kleinere afstanden dan de richtafstanden moet onderbouwd worden: 

waarom er toch sprake kan zijn van een goed woon-en leefklimaat en/of waarom een kleinere afstand kan volstaan;

dat er geen extra belemmeringen optreden voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven.

2

OZHZ heeft op basis van Squit XO een inventarisatie uitgevoerd van bij OZHZ bekende in het gebied aanwezige milieubelastende activiteiten. Deze zijn opgenomen in onderstaande tabel: Locatie

Naam bedrijf

Milieucategorie

Opmerkingen

Oranjelaan 76

De Haan Oliën/Essopomp

2

Geen verkoop van LPG

Noordendijk 264

Regenboog school

2

Noordendijk 262

Kerkgebouw/Het Keerpunt

2

Vijverweg

Raceshop

1

Dr. Zamenhoflaan 31

Scouting Johan en Cornelis

2

Is een woonhuis. Mogelijk alleen postadres.

de Wit Badweg 12

Wantijbad

4.1

Vanwege geluid. Zie ook paragraaf externe veiligheid

Badweg 8

Watersportbedrijf De Graaf

3.1

Badweg 10

Paviljoen de Punt

1

Badweg 20

Café Waterlust

1

Kastanjelaan 5

Watersportvereniging WSV

3.1

87 Badweg 2

Dordtse Roei- en

3.1

zeilvereniging Baden Powellaan 4b

Stadswerken gemeente

Havendiep 26

Watersportvereniging

3.1

Drechtstad/De Kievit en Dordt/Trivium/Lindenhof Dr. Zamenhoflaan 31

Kleuterschool

2

Badweg

Watersportvereniging

3.1

drechtstad Badweg

Watersportvereniging De Staart 2 + De Staart

Baden Powellaan 12

Kinderboerderij

2

Baden Powellaan 8

Werkplaats/garage

2

gemeente

3

In onderstaande afbeelding zijn bovengenoemde bedrijven incl. milieuzone afgebeeld.

Externe veiligheid Als het gaat om externe veiligheid zijn er in het plangebied geen risicobronnen aangetroffen. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied de volgende risicobronnen: 

Vaarweg Beneden-Merwede

Vuurwerkopslag 'Turbo Fashion'

Stichting Wantijbad Dordrecht (openlucht zwembad met chloorbleekloog tank en zwavelzuurtank)

Chemours Netherlands B.V.

Rijksweg N3

Spoorlijn route 35, Kijfhoek – aansluiting Dordrecht-Zuid

Vaarweg Beneden-Merwede De Beneden Merwede is aangewezen als een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Indien het plangebied zich binnen 200 meter van deze vaarroute bevindt dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Geconstateerd kan worden dat het plangebied is gelegen buiten de 200 meter zone, maar wel binnen het invloedsgebied van de vaarweg. Het feit dat het plangebied buiten de 200 meter zone ligt leidt niet tot een verplichting.

4

Echter op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes moet bij een plangebied binnen een invloedsgebied van een weg, spoorweg of binnenwater wel worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp. Dit betekent dat advies moet worden gevraagd aan de Veiligheidsregio over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid. Chemours Netherlands B.V. Het plangebied ligt deels binnen het invloedsgebied van het bedrijf Chemours. Conform paragraaf 5 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen dient dan het groepsrisico te worden berekend en te worden verantwoord. Hierbij dient de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid om advies gevraagd te worden met betrekking tot de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van een ramp of zwaar ongeval bij dit bedrijf, en de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied om zich in veiligheid te brengen indien zich bij dit bedrijf een ramp of zwaar ongeval voordoet. Overige risicobronnen Op circa 230 meter is een vuurwerkopslag gelegen onder de naam 'Turbo Fashion'. Stichting Wantijbad Dordrecht heeft vanwege het bezit van een chloorbleekloogtank een 1% letaliteitsafstand van 90 meter als het gaat om externe veiligheid. Het plangebied ligt echter op circa 440 meter afstand van het Wantijbad.

Op geruime afstand van het plangebied zijn de Rijksweg N3 en de spoorlijn route 35, Kijfhoek – aansluiting Dordrecht-Zuid gelegen, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N3 bevindt zich op circa 940 meter afstand van de locatie en de spoorlijn is op circa 900 meter afstand gelegen. Het invloedsgebied van deze transportroutes reikt niet tot over het plangebied. Conclusie ten aanzien van externe veiligheid Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de herontwikkeling van het gebied. Wel dient in de plannen aandacht besteed te worden aan de vaarweg Beneden-Merwede en Chemours. Verder dient advies aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid te worden gevraagd met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Daarnaast moet ten aanzien van Chemours Netherlands B.V. beargumenteerd worden waarom deze ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van het groepsrisico. Aangezien het plangebied ruimt buiten de PR 10-8 contour ligt kan volstaan worden met een kwalitatieve omschrijving. Luchtkwaliteit Wet en regelgeving De Europese regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is in Nederland geïmplementeerd in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm), ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd.

In de ‘Wet luchtkwaliteit’ is opgenomen dat een besluit inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit, als tenminste aan één van de volgende vier gronden wordt voldaan (artikel 5.16 lid 1): a)

De voorgenomen ontwikkeling inclusief alle bijbehorende maatregelen leidt niet tot overschrijdingen van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

b)

De voorgenomen ontwikkeling leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

c)

De bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtverontreiniging is ‘niet in betekenende mate’ (NIBM).

d)

De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

5

NIBM Op basis van de Wet luchtkwaliteit zijn plannen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, vrijgesteld van toetsing (Wm artikel 5.16, lid 1 sub c). Dit betekent dat in overschrijdingssituaties plannen toch gerealiseerd kunnen worden indien de bijdrage van het plan ‘niet in betekenende mate’ is. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 of PM10. Dit betekent dat voor zowel NO2 als PM10 planbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 μg/m³ in situaties waarin de jaargemiddelde concentraties de grenswaarde overschrijden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is een lijst met categorieën van inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties opgenomen, die als ‘niet in betekenende mate’ projecten worden beschouwd. Als een plan binnen de benoemde projectomvang valt, is het vrijgesteld van toetsing. Er is ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dan geen verdere belemmering voor de realisatie van het project. Uitgangspunten en werkwijze In de bijlage van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is aangegeven dat de invloed van een woonwijk met 1.500 woningen binnen de 3% grens valt en dus voldoet aan het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM).

In het kader van voorliggende ontwikkeling worden nieuwe (duurdere) woningen gerealiseerd. Aangezien er sprake zal zijn van een zeer laag aantal woningen, kan de ontwikkeling op de Noordendijklocatie op voorhand aangemerkt worden als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft in artikel 3.1 voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op de situaties die vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn. De effecten op de luchtkwaliteit dienen in het kader van goede ruimtelijke ordening door bestuurders te worden afgewogen. In het kader van de goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling in beeld gebracht. De luchtkwaliteit ter plaatse is beoordeeld met behulp van de monitoringstool van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. In de monitoringstool (monitoringsronde 2018) zijn de concentraties nabij het plangebied in beeld gebracht. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de concentraties langs de dichtstbijzijnde drukkere weg in de omgeving, namelijk de Oranjelaan en de Noordendijk. Met de NSL-monitoringstool 2017 ontstaat inzicht in de luchtkwaliteit in de nabijheid van de locatie voor verschillende referentiejaren.

Daarbij wordt inzicht gegeven in de totale concentraties van de stoffen NO2, PM10 en PM2.5 . De concentraties uit de NSL-monitoringstool worden voor de jaartallen 2017, 2020 en 2030 gehanteerd. Resultaten In figuur 2 wordt de ligging van het beschouwde rekenpunt (1) in de NSL-monitoringstool weergegeven. Dit is het rekenpunt met de hoogste concentratie in de nabije omgeving van de locatie. Dit is een worst case benadering. Op de locatie van de ontwikkeling worden lagere concentraties verwacht doordat het op grotere afstand van de wegen gelegen is. Rekenpunt 2 geeft de laagste concentratie weer.

6

Figuur 2 NSL-Monitoringstool (beschouwde rekenpunten)

In tabelvorm worden de resultaten uit de Monitoringstool weergegeven. Tevens is een doorkijk gegeven naar de toekomst, door de concentraties in 2020 en 2030 in kaart te brengen. Opgemerkt dient te worden dat er een lichte toename is van PM2,5 in 2020, daarna blijkt er een afname in 2030. De jaargemiddelde concentraties van PM10 en NO2 liggen voor de jaren 2020 en 2030 lager. Geconcludeerd kan worden dat de concentraties voldoen voor de beschouwde zichtjaren aan de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2.5. WHO-normen De WHO adviseert voor de kleinere fijn stof deeltjes (PM2,5 ) een waarde van 10 µg/m3 en voor PM10 een norm van 20 µg/m3. Uit de resultaten komt naar voren dat de WHO-norm voor PM2,5 met een verschil van ca. 2 µg/m3 niet wordt gehaald. In 2030 blijkt er wel een afname te zijn.

Tabel 1 Concentraties Monitoringstool 2018, rekenpunt 1. MT2018 NO2 [µg/m3] PM10 [µg/m3] PM2,5 [µg/m3] 2017 27,6 19,6 11,8 2020 22,3 20,2 12,1 2030 14,5 17,0 9,6 Tabel 2 Concentraties Monitoringstool 2017, rekenpunt 2. MT2018 NO2 [µg/m3] PM10 [µg/m3] PM2,5 [µg/m3] 2017 25,6 19,2 11,7 2020 20,8 19,9 12,0 2030 14,5 17,0 9,6 Conclusie ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit Het effect ten gevolge van het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentratie NO2 en fijn stof. Conform de Regeling NIBM wordt immers voldaan aan het begrip ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) doordat het aantal te bouwen woningen binnen de 1500 woningen valt. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit wordt daarmee beschouwd als ‘niet in betekende mate’ en is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit wettelijk inpasbaar op basis van artikel 5.16 lid 1c van de Wet milieubeheer. Daarnaast blijkt uit de NSL-monitoringstool dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 niet zullen worden overschreden. De ontwikkeling is inpasbaar vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

7

De WHO stelt aanzienlijk strengere grenswaarden voor dan nu in bovengenoemde normen uit de Europese regelgeving zijn vervat. Uit de resultaten blijkt dat de WHO-norm voor PM2,5 met een verschil van ca. 2 µg/m3 niet wordt gehaald. In 2030 blijkt er wel een afname te zijn. Vanuit oogpunt van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen om het plan te realiseren. Stikstofdepositie Mel behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze is als bijlage 5 toegevoegd. Hieronder volgt een toelichting op deze berekening. Figuur 1 Noordendijklocatie

Uitgangspunten en werkwijze Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van het voorgeschreven rekenpakket AERIUS Calculator. Zowel de depositie in de gebruiksfase als in de aanlegfase is berekend. Berekening gebruiksfase De berekeningen van de beoogde situatie zijn uitgevoerd om te kunnen bepalen of voor de ontwikkeling een vergunning in het kader van de wet Natuurbescherming dient te worden aangevraagd. Er is één vlakbron ingevoerd "Wonen en Werken-Woningen", zie figuur 1. Gekozen is voor een oppervlaktebron omdat de emissies plaatsvinden in een gebied met een groot oppervlak en de individuele emissiepunten vergelijkbaar zijn. Emissie woningen De emissies zijn bepaald op basis van de door AERIUS verstrekte emissiewaarden voor nieuwbouw woningen. Voor de berekening is uitgegaan van 100 vrijstaande woningen. In de plantoelichting Scholengebied Noordendijk van het ontwerp Structuurvisie Dordrecht 2014 d.d. 2 oktober 2018 wordt voor het woningbouwprogramma gedacht aan voornamelijk vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen, uitkomend op circa 15 tot 20 woningen per hectare. Dit is als uitgangspunt gebruikt voor de stikstofberekening. Het aantal van ongeveer 100 woningen is gebaseerd op het totale plangebied die een oppervlakte beslaat van circa 4,5 hectare.

Volgens AERIUS Calculator leidt realisatie van een nieuwbouw vrijstaande woning tot een NOx emissie van 3,03 kg/j. Als uitstoothoogte is 10 meter aangehouden er vanuit gaande dat de woningen niet gasvrij zijn. Gekozen is voor een spreiding (bouwhoogte/2) van 5 meter. Dit betreft een worst-case benadering, aangezien een hoger emissiepunt over het algemeen op grotere afstand voor depositie zorgt dan een laag emissiepunt. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de invoergegevens.

8

Tabel 1: kengetal vrijstaande woning Emissiekengetal

Aantal

Emissie

NOx

totaal

(kg/ha/jaar)

(NOx kg/ha/jr)

Vrijstaande

3,03

100

303

woning Verkeersbewegingen De verkeersgegevens zijn bepaald op basis van de CROW richtlijnen, handboek 317 "Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie". Dordrecht behoort tot een sterk stedelijk gebied en de ontwikkeling vindt plaats in de rest bebouwde kom. In de berekening wordt uitgegaan van 8 mvt/etmaal. Het hoogste gemiddelde kerncijfer voor vekeersgeneratie van vrijstaande woningen bedraagt eveneens 8 mvt/weekdagetmaal. Met een verkeersgeneratie van 8 mvt/etmaal is dus worstcase getoetst ten aanzien van het aspect verkeersgeneratie. Uitgaande van een verkeersgeneratie van 8 mvt/etmaal bij 100 woningen betreft dit een totale verkeersgeneratie van 800 mvt/etmaal. In de stikstofberekening is de verkeerstoename van 400 mvt/etmaal berekend over elk van de uitvalswegen vanuit de woonwijk over de Baden-Powelllaan en de Noordendijk. Berekening aanlegfase Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Het uitgangspunt is dat sprake zal zijn van bouwwerkzaamheden waarbij gebruik zal worden gemaakt van werktuigen, vrachtwagens en vervoersbeweging van bouwvakkers. De invoergegevens zijn gebaseerd op een grove schatting die is gedaan op basis van vergelijkbare rapportages.

Voor de emissie van de mobiele werktuigen is uitgegaan van 2 kg/jaar stikstof uitstoot per woning, voor het aan- en afvoeren van materialen is gerekend met 1 vrachtwagen per dag en voor de uitstoot van stikstof door vervoersbewegingen van bouwvakkers is rekening gehouden met twee bewegingen per dag per woning. Voor de emissiebronnen zijn in AERIUS vlakbronnen ingevoerd. Resultaten AERIUS-berekening Er is gerekend voor het jaar 2019. De AERIUS-rapportage over het resultaat van de berekening van de gebruiksfase en de aanlegfase is als bijlage bijgevoegd. Volgens AERIUS Calculator zijn er noch in de gebruiksfase noch in de aanlegfase natuurgebieden met rekenresultaten die hoger zijn dan de drempelwaarde. Conclusie ten aanzien van stikstof De herontwikkeling met nieuwbouwwoningen leidt niet tot een toename aan stikstofdepositie in Natura 2000gebieden boven de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr. Een melding of een vergunning in het kader van het PAS hoeft niet te worden aangevraagd.

9

Geluid Gevraagd is een verkennend akoestisch onderzoek uit te voeren voor de woningbouw op de zogenoemde Reelandlocatie ten noorden van de Noordendijk. De locatie is gelegen binnen de onderzoekzone van de Noordendijk, de route Merwedestraat/Oranjelaan en de Baden Powelllaan (50 km-deel), zodat akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk is. Het verkeer op de (nieuw aan te leggen) wegen in het plan is niet beschouwd omdat nog geen programma en een planinvulling bekend is zodat de verwachte verkeersintensiteit op deze wegen nog niet bekend is. De locatie is gelegen buiten de zone van een spoorlijn en gezoneerde industrieterreinen zodat de geluidaspecten railverkeerslawaai en industrielawaai buiten beschouwing zijn gelaten. Wettelijk kader Voor wegverkeerslawaai is in de Wgh een voorkeursgrenswaarde vastgelegd van 48 dB. Geluidbelastingen tot de voorkeursgrenswaarde zijn zondermeer toegestaan. Voor de beschouwde wegen rond het plan kan op basis van de Wgh een hogere waarde worden vastgesteld van maximaal 63 dB (stedelijk gebied). Daarnaast heeft de gemeente Dordrecht beleid vastgesteld waarin de voorwaarden zijn aangegeven waaronder medewerking kan worden verleend tot vaststelling van een hogere waarde.

Naast de onderzoekvoorwaarden met betrekking tot geluidreducerende maatregelen gelden er voorwaarden ten aanzien van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel/-buitenruimte en ten aanzien van de woningindeling. In het beleid is verder aangegeven dat de buitenruimte van de woning in beginsel aan de geluidluwe zijde van de woning is gelegen. De geluidbelasting op een geluidluwe gevel overschrijdt de voorkeursgrenswaarde(n) uit de Wet geluidhinder niet. Voor wat betreft de indeling van de woningen wordt als voorwaarde gesteld dat tenminste één van de slaapkamers niet aan de hoogst belaste zijde wordt gesitueerd. Bij voorkeur wordt de helft van de geluidgevoelige ruimten of de helft van het oppervlak van alle geluidgevoelige ruimten samen niet aan de hoogst belaste zijde gesitueerd. Bij de indeling van de woningen dient rekening te worden gehouden met deze voorwaarden. Uitgangspunten De verkeersgegevens voor de lokale wegen zijn gebaseerd op de Regionale VerkeersMilieuKaart Drechtsteden. Op basis van dit verkeersmodel is een verkeerskundige analyse uitgevoerd voor de reconstructie van de Merwedestraat en de Oranjelaan. De verkeersgegevens uit dat onderzoek zijn ook gebruikt voor dit verkennende akoestisch onderzoek. In bijlage 1 is een samenvatting van de verkeersgegevens gepresenteerd.

De gevolgde rekenmethode voor het bepalen van de geluidbelasting door wegverkeerslawaai is Standaardrekenmethode 2 conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het door DGMR Raadgevend Ingenieurs B.V. ontwikkelde computerprogramma 'Geomilieu versie 4.3'. Op de afbeelding in bijlage 2 van deze notitie is het rekenmodel voor wegverkeerlawaai gepresenteerd. Berekeningsresultaten In bijlage 3 zijn de resultaten van de lokale wegen gepresenteerd door middel van geluidcontouren. De relevante geluidcontouren zijn in beeld gebracht voor de beoordelingshoogten van 1,5 m tot 16,5 m met een stapgrootte van 3 m (representatief voor woningen tot maximaal zes lagen). De geluidscontouren van 48 dB (voorkeursgrenswaarde) tot en met de 63 dB-contour (maximale hogere waarde) met stappen van 5 dB zijn in beeld gebracht.

10

In tabel 1 is de gemiddelde afstand van de geluidscontouren vanuit het midden van de Noordendijk aangegeven. Tabel 1 : Afstand berekende geluidscontouren uit hart van de Noordendijk. Beoordelingshoogte

Ligging geluidscontour ten opzichte van hart van de Noordendijk

[m]

[m] 48 dB

53 dB

58 dB

63 dB

1,5

80-90

40-45

15-20

5-10

4,5

95-100

45-50

20-25

5-10

7,5

100-105

50-55

20-25

5

10,5

110-115

55-60

15-20

-

13,5

115-120

55-60

15-20

-

16,5

115-120

55-60

15-20

-

Uit deze resultaten kan worden afgeleid dat de 58 en 63 dB-contour tot een beoordelingshoogte van 7,5 m het dichtst bij het hart van de Noordendijk zijn gelegen. Indien de woning op een afstand van groter dan 25 m uit het hart van de Noordendijk worden gebouwd kan de geluidsbelasting worden beperkt tot 58 dB. Indien de woningen in meer dan 3 bouwlagen worden uitgevoerd geldt geen kleinere afstand omdat de 58 dB-contour op deze beoordelingshoogte dichter bij de weg is gelegen. Voor de 53 en 48 dB-contour geldt dat deze juist iets verder van de weg liggen naarmate de beoordelingshoogte (aantal bouwlagen) toeneemt. Op een beoordelingshoogte van 16,5 m liggen de 53 en 48 dB-contour het verst uit het hart van de Noordendijk. Op basis van de ligging van de geluidscontouren kan worden aangenomen dat een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet aan de orde is, omdat de woningen op grotere afstand dan 10 meter uit het hart van de Noordendijk worden gebouwd. Het verkeer op de route Merwedestraat/Oranjelaan leidt op een relatief klein deel van de locatie achter de beide appartementengebouwen langs de Oranjelaan tot een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde op een beoordelingshoogte van 16,5 meter. De geluidsbelasting blijft ter plaatse van de nieuwe woningen op alle beoordelingshoogten beperkt tot 53 dB.

De intensiteit op de Baden Powelllaan is redelijk beperkt. Dit betekent dat langs deze weg een relatief lage geluidbelasting optreedt. In een relatief smalle strook langs deze weg is sprake van een geluidbelasting die hoger is dan voorkeursgrenswaarde op een beoordelingshoogte van 1,5 m. Op hogere beoordelingshoogten zijn steeds lagere geluidsbelasting berekend. Dit betreft met name het 50 km-deel van deze weg dat aansluit op de Noordendijk. De geluidsbelasting blijft ter plaatse van de nieuwe woningen op alle beoordelingshoogten beperkt tot 53 dB. Het grootste deel van het plan ondervindt een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB door het verkeer op de Noordendijk en voor een klein deel door het verkeer op de andere wegen. Dit betekent dat een hogere waarde voor het verkeer op deze weg noodzakelijk is. Op basis van de ligging van de geluidscontouren lijkt een hogere waarde van circa 58 dB toereikend.

11

De uiteindelijk vast te stellen hogere waarde hangt af van de uiteindelijke ligging van de woonbestemming of het bouwvlak binnen de woonbestemming die in de verbeelding van het bestemmingsplan wordt vastgelegd. Ook de, op grond van de regels van het bestemmingsplan, vast te stellen bouwhoogte is van invloed op de benodigde hogere waarde. Het aantal woningen waarvoor een hogere waarden noodzakelijk is, is eveneens afhankelijk van de aantallen woningen die in de regels van het bestemmingsplan worden vastgelegd. Bij de vaststelling van een hogere waarde speelt de cumulatieve geluidsbelasting een rol omtrent de afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om deze reden zijn in bijlage 6 de cumulatieve geluidsbelasting gepresenteerd van alle wegen samen. Ook is op deze resultaten de reductie van 5 dB ex artikel 110g Wgh niet toegepast. Indien maatregelen die de geluidbelasting reduceren tot de voorkeursgrenswaarde niet mogelijk zijn, wordt getoetst aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid (geluidluwe gevel en buitenruimte aan de geluidluwe zijde). Om te kunnen voldoen aan deze voorwaarden kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn dat de tuin van de eerstelijnswoningen langs de Noordendijk aan de achterzijde (noordoostzijde) van de woning worden geprojecteerd.

Bij het ontwerp van de woningen die een geluidbelasting ondervinden hoger dan de voorkeursgrenswaarde moet daarnaast rekening worden gehouden met de woningindeling zoals gesteld in het hogere waarden beleid. Aandachtpunt bij de verdere uitwerking kan ook het verkeer op de (nieuwe) ontsluitingsweg in het plan zijn. Door (de toename van) de verkeersintensiteit op deze weg kan de geluidbelasting op de in de nabijheid van deze weg te bouwen woningen hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarden. Conclusies ten aanzien van het aspect geluid Uit dit eerste verkennende onderzoek kan worden geconcludeerd dat vrijwel alleen het verkeer op de langs het plan gelegen Noordendijk leidt tot een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Uitgaande van de ligging van de eerstelijnsbebouwing worden geluidbelastingen verwacht die door het verkeer op de Noordendijk maximaal circa 58 dB bedragen en als gevolg van het verkeer op de Oranjelaan en de Baden Powelllaan maximaal 53 dB. Een geluidbelasting die hoger is dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB is niet aan de orde. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moet in het kader van het akoestisch onderzoek voor de ruimtelijke procedure, onderzoek worden gedaan naar maatregelen die de geluidbelasting reduceren.

De woningen waarvoor een hogere waarde noodzakelijk is, moeten op grond van het gemeentelijke hogere waarden beleid een geluidluwe gevel en buitenruimte hebben. Om dit te bereiken kunnen aanvullende (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk zijn. Bij het ontwerp van de woningen die een geluidbelasting ondervinden hoger dan de voorkeursgrenswaarden moet daarnaast rekening worden gehouden met de woningindeling zoals gesteld in het hoger waarden beleid. Als laatste moet bij de verdere voorbereiding van het plan ook rekening worden gehouden met het verkeer op de (nieuwe) ontsluitingsweg(en) in het plangebied. Bodem Op de locaties Noordendijk 268 en Noordendijk 264 en omgeving is los van elkaar een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. Tevens is in de Vlij een waterbodemonderzoek uitgevoerd. Bij het waterbodemonderzoek in De Vlij zijn sterke verontreinigingen met zware metalen en PCB aangetroffen.

12

Op de Noordendijk 264 en omgeving zijn 2 spots met verontreinigingen aangetroffen te weten PAK (< 25 M3) en Zink. Indien er nog een deel van het scoutingterrein bij de uit te geven percelen wordt betrokken dient daar nog bodemonderzoek plaats te vinden om enerzijds de zinkverontreiniging af te perken en verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Voor de Noordendijk 268 is een saneringsplan opgesteld. Op beide locaties is ook PFOA aangetroffen variërend tussen de 0,62 en 5,2 ug.kg ds. Indien er gesaneerd gaat worden moet gezocht worden naar een oplossing voor de opslag van de sterk verontreinigde grond die niet toegepast kan worden waarin ook PFOA wordt aangetroffen. Deze mag niet binnen de regio worden hergebruikt. Indien toepasbare grond uitsluitend PFOA bevat mag dit worden hergebruikt conform de herziene handreiking toepassing van PFOA houdend grond Zuid-Holland Zuid d.d. 13 juni 2018. Tijdens het verkennend asbestonderzoek is in het opgeboorde materiaal asbestverdachte materialen aangetroffen. Hiertoe zijn mengmonsters samengesteld en geanalyseerd. Voor asbest geldt een interventie waarde van 10 mg/kg/ d.s. In de onderzochte grondmonsters is analytisch geen asbest aangetroffen. Op basis van deze resultaten is conform NEN 5707 geen nader asbest onderzoek noodzakelijk. De globale bodemopbouw bestaat uit gedeeltelijk klei/zand en volledig zand.

Over de gehele locatie is puinhoudende grond aangetroffen. De puinhoudende grond bestaat uit puin en/of baksteen en/of asfalt en een enkele keer koolas. Bij boring 30 nabij dr. L.L. Zamenhoflaan 5 en 27 is de boring gestaakt op 0,80 m-mv in verband met massieve bodemopbouw. Hierbij wordt opgemerkt dat aan de afzet van puin houdende grond, welke vrijkomt bij de ontwikkeling en om milieuhygiënische- of civieltechnische redenen niet kan worden hergebruikt, extra afvoer en verwerkingskosten zitten. Conclusie ten aanzien van het aspect bodem De verontreinigingen op de Noordendijk 264 e.o. dienen te worden gesaneerd alvorens sprake kan zijn van herontwikkeling van deze locatie. Indien het terrein van de scouting betrokken wordt in de herontwikkeling van het gebied dient hier nog bodemonderzoek plaats te vinden. De afzet van grond verontreinigd met PFOA vraagt speciale aandacht. Natuurwetgeving Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Hierin zijn opgenomen; De Flora en Faunawet (hoofdstuk 3), de Boswet (hoofdstuk 4) en de Natuurbeschermingswet (hoofdstuk 1 en 2). In het kader van deze wet dient bij een ruimtelijke ingreep onderzoek te worden gedaan naar de aanwezige natuurwaarden en dient een beoordeling te worden gemaakt van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden.

Bij nieuwbouw moet bekeken worden of er op het terrein sprake is van mogelijke verstoring van aanwezige soorten. Op verzoek van de OZHZ heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) uit Dordrecht in het plangebied een inventarisatie uitgevoerd naar (mogelijk) aanwezige beschermde soorten op de locatie. Het rapport 'Inventarisatie Noordendijklocatie te Dordrecht' d.d. januari 2019, rapportnummer P18-196/W 1594 is als bijlage 4 bij dit memo gevoegd. Uit hoofdstuk 5 van het rapport blijkt dat er zich een aantal beschermde soorten in het gebied kunnen bevinden. De effecten, verplichtingen en aanbevelingen voor deze soorten zijn in hoofdstuk 6 van dit rapport opgenomen.

13

Voor vleermuizen geldt dat er aanvullend onderzoek aanbevolen wordt. OZHZ wijst u er op dat een dergelijk onderzoek conform het Vleermuizenprotocol dient plaats te vinden en adviseert u dan ook om hier op tijd mee te starten. Milieueffectrapportage In mei 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) en de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wijziging is een gevolg van een herziening van de Europese mer-richtlijn. In onderdeel 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer wordt gesproken over 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het gevolg van de genoemde wijziging is dus dat de mer-regelgeving van toepassing is op dit project. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1.

Een oppervlakte van 100 hectare of meer

2.

Een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of

3.

Een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer

kan niet volstaan worden met een zgn. vormvrije mer-beoordeling. Indien onder de genoemde grenzen wordt gebleven kan wel volstaan worden met een vorm-vrije mer-beoordeling. Dit kan door in de ruimtelijke onderbouwing c.q. toelichting bij het bestemmingsplan een afzonderlijke paragraaf milieu-effectrapportage op te nemen waarin verwezen wordt naar de aan deze onderbouwing/toelichting ten grondslag liggende milieuonderzoeken. De OZHZ adviseert wel om in de collegenota waarmee het ruimtelijk plan wordt aangeboden hierover een apart besluitpunt op te nemen en dit besluit vervolgens te vermelden in de ruimtelijke onderbouwing. Om te komen tot een dergelijk besluit zal de OZHZ een notitie 'Bouwstenen mer-beoordeling' opstellen. Deze wordt separaat aan de gemeente gestuurd. Als uitgangspunt voor de mer-beoordelingsplichtige activiteiten geldt dat een Milieu Effect Rapport (MER) alleen opgesteld hoeft te worden indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Om te komen tot een dergelijk oordeel dient de initiatiefnemer de benodigde informatie aan het bevoegd gezag te leveren. Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie als bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer.

Bij zijn beslissing dient het bevoegd gezag ingevolge artikel 7.17, derde lid, van de Wet milieubeheer rekening te houden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria. De voorgenomen activiteiten moeten worden beoordeeld op de volgende aspecten: a. De kenmerken van de activiteit; b. De plaats van de activiteit; c. De kenmerken van het potentiele effect

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/300/documents/11108