CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting Bestemmingsplan 14e herziening Dubbeldam.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 8 oktober 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen bestemmingsplan 14e herziening Dubbeldam, locatie Noordendijk - De Hoop - Raadsvoorstel16.609 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hieronder wordt verstaan: het ontwerp, construeren, en slopen van een gebouw op zo'n manier dat naast het hoogwaardig inzetten en hergebruiken van materialen en een adaptief en toekomstig ontwerp, ook duurzaamheidsambities op het gebied van energie, groen en water worden meegenomen.

4.4.2 Onderzoek De woningen die middels dit plan worden gebouwd, worden conform de huidige regelgeving niet meer aangesloten op het aardgas. Daarnaast moeten de woningen voldoen aan de BENG-normen, waardoor woningen bijna energieneutraal moeten worden opgeleverd. Bij deze ontwikkeling wordt echter gestreefd om de woningen volledig energieneutraal op te leveren. De woningen worden voorzien van zonnepanelen, zodat de woningen groene energie opwekken en deze schone energie kunnen verbruiken. Zodoende ontstaat er tijdens het gebruik van de woningen geen emissies. Daarnaast worden de woningen voorzien van warmtepompen, zodat warmte wordt gewonnen uit lucht. Deze warmte kan vervolgens gebruikt worden om water te verwarmen voor de vloerverwarming of om mee te douchen. Ten aanzien van de openbare ruimte voorziet het plan in het realiseren van water, groen en houtopstanden. Waterpartijen zorgen voor een verkoelend effect en groen en schaduwvorming van bomen dragen bij aan het tegengaan van hittestress. Daarnaast worden halfverharde parkeerplaatsen aangelegd om de verhardingstoename en daarmee warmtevorming tijdens warme periodes te beperken.

4.4.3 Conclusie Het planvoornemen is in lijn met het gemeentelijk beleid. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Regelgeving en beleid Op basis van diverse wettelijke voorschriften zoals de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen dienen bij het opstellen van dit bestemmingsplan minimaal de normen voor plaatsgebonden risico in acht te worden genomen voor zover het bestemmingsplan kwetsbare of zeer kwetsbare bestemmingen toelaat. Daarnaast gelden aandachtsgebieden waarbinnen een afweging moet worden gemaakt of nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maatschappelijk aanvaardbaar worden geacht. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht geworden. In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Eenzelfde aanpak dient gevolgd te worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door de lucht en door buisleidingen.

Het kader hiervoor wordt gegeven in het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Basisnet. Gemeenten en provincies zijn in dat kader verplicht de normen uit het BEVI na te leven. Dit houdt onder meer in dat er voldoende afstand aangehouden moet worden tussen kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven en transportroutes. Tevens houdt dat in dat rekening moet worden gehouden met het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf of transportroute.

4.5.2 Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan (zie de afbeelding). Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen

Het plangebied is niet gelegen in de directe omgeving van de voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen. Enkel ten westen van het plangebied is een leiding van de Gasunie gelegen (zie afbeelding 2), maar deze ligt op ruim voldoende afstand. Transport gevaarlijke stoffen, Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig.

Locatie (indicatief in het groen) t.o.v. externe veiligheidskaart

4.5.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.6 Flora en fauna 4.6.1 Regelgeving en beleid Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de bestaande natuurwaarden. Deze wet is per 1 januari 2017 in werking getreden en kent naast de algemene zorgplicht regels omtrent

gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. In de gemeentelijke APV is een verbod opgenomen voor de kap van bomen die op de lijst waardevolle bomen zijn aangeduid. Omgevingsvisie In de omgevingsvisie staat het doel dat Dordrecht de biodiversiteit beschermd en bevorderd. De urgentie om ecosystemen te beschermen is groot doordat veel planten en diersoorten met uitsterven zijn bedreigd. Bijzondere flora en fauna en hun leefgebied (habitat) zijn belangrijke indicatoren voor een hoge graad van biodiversiteit. Dordrecht heeft daarom de ambitie om de huidige biodiversiteit te beschermen en te bevorderen. Daarvoor is ook het stoppen van achteruitgang van biodiversiteit nodig. Dit betekent voor ruimtelijke ontwikkelingen dat deze moeten bijdragen aan het behoud van de biodiversiteit en kansen voor het versterken van de groenblauwe structuur aangegrepen moeten worden. Bebouwing kan een bijdrage leveren door natuurinclusief bouwen als uitgangspunt te nemen. Daarnaast is het van belang de biodiversiteit te monitoren om te achterhalen of de doelen worden behaald.

4.6.2 Onderzoek Voor de planlocatie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. De quickscan is een oriënterend onderzoek waarbij een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Het onderzoek bestaat uit een veldonderzoek en raadpleging van externe bronnen. Hierna volgt een samenvatting van de resultaten en conclusies uit de quickscan. Deze zijn ingedeeld naar de categoriëen in de Wet natuurbescherming (soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). 1. Soortenbescherming: Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en gebouwbewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. 2. Gebiedsbescherming: De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een belangrijk weidevogelgebied of de strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS calculator. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. 3. Houtopstanden: Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid: De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus en gebouwbewonende vleermuizen. Tijdens de uitvoering van werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie: De sanering van de bebouwing en het realiseren van nieuwbouwwoningen aan de Provincialeweg 70 is uitvoerbaar. Aanvullend Flora en Fauna onderzoek

Zoals aangegeven in de quickscan is voor de planlocatie een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de huismus en vleermuis in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij dit bestemmingsplan. Hierna volgen de resultaten en conclusies van dit onderzoek, per soort. Huismus: In de periode april 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in de bebouwing. Tijdens het onderzoek zijn geen huismusnesten vastgesteld binnen de bebouwing. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor huismus is niet benodigd voor de beoogde ontwikkeling. Vleermuizen: In de perioden mei - september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing op de planlocatie. Tijdens het onderzoek zijn geen gebouwbewonende vleermuizen vastgesteld binnen de bebouwing. Een ontheffing in het kader van de Wnb is niet benodigd voor de beoogde ontwikkeling. Overige soorten: Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismussen en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er is tijdens het onderzoek een nest van de ekster aangetroffen buiten het plangebied.

De struiken, bomen en bebouwing binnen het plangebied vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Vervolgstap(pen): Voor de uitvoering van de werkzaamheden moet, indien nodig, een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet benodigd.

4.6.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect stikstof wordt verwezen naar paragraaf 4.9 en 4.10 (luchtkwaliteit en stikstof). Voor de uitvoering van de werkzaamheden moet een ontheffing van de Wnb aangevraagd worden.

4.7 Geluid 4.7.1 Regelgeving en beleid Het wettelijk kader wordt omschreven conform de Wet geluidhinder 2007. Op basis van de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting op nieuwe bestemmingen, welke binnen de geluidzone van een weg of spoorweg zijn gelegen, worden bepaald. De berekende geluidbelasting wordt daarbij getoetst aan de geluidnormen uit de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder wordt de geluidsbelasting als daggemiddelde (Lden) weergegeven. Getalsmatig heeft dit tot gevolg dat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai 48 dB is met een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor industrielawaai geldt dat als het plangebied binnen de geluidzone van het lawaaiveroorzakende bedrijf valt er voldaan moet worden aan voorkeursgrenswaarden. Voor spoorweglawaai geldt dat als het plangebied binnen de zone van railverkeer valt de geluidsbelasting niet meer mag bedragen dan 55 dB. Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 zijn door burgemeester en wethouder van Dordrecht de 'Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend. Voor de verlening van hogere waarden dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Omgevingsvisie Dordrecht 1.0 In de omgevingsvisie staat het doel 'Dordrecht is een gezonde stad'.

Dit doel streeft naar een akoestisch aanvaardbare woon-, werk- en leefomgeving. Het is belangrijk bij ruimtelijke projecten

rekening te houden met de geluidssituatie. Uit de impactbeoordeling blijkt dat een toename van verkeersbewegingen zal plaatsvinden door de inzet op groei in woningen en banen in Dordrecht. Door de groei van verkeersbewegingen neemt wegverkeerslawaai toe. Van de andere kant neemt de bouw van nieuwe woningen toe en daarmee het aantal geluidgevoelige objecten in de omgeving. De leefbaarheid als gevolg van geluid staat nu al onder druk en zal door de toename verder onder druk komen te staan, wat leidt tot een afname van de leefbaarheid en een negatief effect op de gezondheid van inwoners. Het is nodig per uitbreidingslocatie te kijken of de toename van geluid acceptabel is en zo niet welke maatregelen ingezet moeten worden om de geluidtoename te beperken. Dit komt ondermeer terecht in het Actieplan Geluid 2018-2023 (vastgesteld in september 2019). Het aspect geluid is gekoppeld aan de beoogde woonmilieus. Deze locatie valt binnen de woonmilieus 'Rustig groen' en 'Suburbaan'. Voor deze woonmilieus gelden ondermeer de volgende voorwaarden omtrent de geluidssituatie: Voorkeursgrenswaarde per bronsoort op de gevel is uitgangspunt. Langs randen van o.a. lokale wegen en spoorwegen is een hogere geluidbelasting op de gevels van eerstelijnsbebouwing toelaatbaar onder voorwaarden (zie daarvoor de omgevingsvisie).

Cumulatie wordt in beeld gebracht en het geheel moet leiden tot een akoestisch aanvaardbare situatie.

4.7.2 Onderzoek Het plangebied is binnenstedelijk gesitueerd en de maximale ontheffingswaarde voor woningen bedraagt derhalve 63 dB, inclusief aftrek art. 110g Wet geluidhinder (Wgh). In de bijlagen 6, 6a en 6b, volgen de rekenresultaten en toelichting op de resultaten. Hieronder volgt de conclusie: De geluidbelasting van de Provincialeweg is ter plaatse van het plangebied niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB inclusief aftrek art. 110g Wgh voor wegverkeer en vormt geen belemmering voor woningbouw in dit plangebied.

4.7.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling die is voorzien in dit bestemmingsplan.

4.8 Groen 4.8.1 Regelgeving en beleid Het Eiland van Dordrecht is aantrekkelijk door haar groene parken, haar buitengebied en haar sterke relatie met het water. Om deze aantrekkelijkheid te waarborgen is behoud en waar mogelijk versterking van de groenblauwe structuur van belang. Stedelijk groen is onder meer van belang voor een gezonde en een klimaatbestendige leefomgeving. De Omgevingsvisie 1.0 noemt enkele aandachtspunten voor stedelijk groen. Zo gaat de bestaande woningbouwopgave mogelijk ten koste van stedelijk groen. Bij dergelijke ontwikkelingen dient daarom aandacht te zijn voor de realisatie van stedelijk groen. Waterlopen, parken, plantsoenen en grasvelden kunnen het aanbod aan stedelijk groen behouden of versterken. Ook maatregelen met betrekking tot het verkeer kunnen een positief effect hebben op stedelijk groen. Zo bieden autoluwe wegen meer ruimte voor groen doordat er minder ruimte nodig is voor bijvoorbeeld parkeerplaatsen. Dat beïnvloedt de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de leefomgeving positief.

4.8.2 Onderzoek Het plan voorziet in het realiseren van een woonwijk ter plaatse van niet-openbaar groen. Het plangebied betreft namelijk een grasveld als onderdeel van instelling De Hoop. Voor de beoogde

ontwikkeling worden de laanvormige bomenstructuren gekapt. Het betreffen geen beschermde bomen, waardoor geen kapvergunning nodig is.

Te kappen bomenstructuren

Bij het planontwerp is aandacht besteed aan de realisatie van groen en water. Immers, het plangebied zal in de toekomst wel openbaar worden gemaakt. Daarnaast wordt met groen en water een gezondere leefomgeving gecreëerd voor de toekomstige bewoners. Het is de ambitie om een groene en klimaatbestendige woonbuurt te realiseren met een hoge woonkwaliteit. De woonbuurt moet een gewilde woon- en leefomgeving worden met ruime, groene profielen. Langs de Noordendijk wordt een groene ruimte gehandhaafd waarin het groene dijkprofiel zichtbaar blijft. Aan de teen van de dijk aan de noordzijde van het plangebied wordt een blauwe buffer gerealiseerd en aan de zuidwestzijde van het plangebied wordt een waterrijke ecologische zone gerealiseerd. Eventueel zou hier een ecologische oever gerealiseerd kunnen worden ter bevordering van de biodiversiteit. Langs de infrastructuur binnen de woonwijk is ruimte gereserveerd voor groenstroken en houtopstanden. In deze groenstroken kunnen hoge bomen worden aangeplant om zo een laanstructuur te creëren en extra groen in het ontwerp te brengen. In totaal zal ruim 20% van het openbaar gebied binnen het plangebied worden ingericht als groen of water. Verder is bij het stedenbouwkundig ontwerp uitgegaan van een ruimkorrelige opzet, waardoor de woningen zijn voorzien van een relatief groot erf.

De toekomstige bewoners worden geïnformeerd over het belang en de nut en noodzaak van groene tuinen. Zodoende worden bewoners gestimuleerd om zo min mogelijk verharding aan te brengen op hun woonperceel.

Stedenbouwkundig ontwerp

4.8.3 Conclusie Het planvoornemen voldoet aan het groenbeleid van de gemeente. Vanuit het aspect groen zijn geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Regelgeving en beleid Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij dit plan de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grens- waarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant.

4.9.2 Onderzoek Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Doordat er sprake is van de bouw van maximaal 113 woningen kan verder onderzoek achterwege blijven.

4.9.3 Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.10 Stikstof

4.10.1 Regelgeving en beleid Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus en bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten op het beschermde natuurgebied. Indien er sprake is van significante effecten is een Wet natuurbeschermingvergunning (Wnb-vergunning) noodzakelijk. PAS In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar

gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van een toename van (meer dan 0,05 mol/ha/jaar) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Wet stikstofreductie en natuurverbetering Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet bepaald dat er een vrijstelling mogelijk is voor een stikstofdepositieonderzoek voor activiteiten van de bouwsector, ook wel activiteiten ten behoeve van de aanlegfase. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Daarvoor blijft een stikstofdepositieonderzoek nodig.

4.10.2 Onderzoek In bijlage 9 is het stikstofdepositieonderzoek voor deze locatie opgenomen. Hierna volgen de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de 'Biesbosch' en ligt op een afstand van circa 1,4 kilometer van het plangebied. Dit is tevens een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats. In totaal zal het plan 730 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal genereren, op basis van het verkeersonderzoek. Met dit aantal is gerekend. De woningen en maatschappelijke functies worden gasloos uitgevoerd en zonder haard of rookgaskanaal. Er zal dus geen stikstofemissie uitgestoten worden als gevolg van stookinstallaties. De stikstofdepositie door de gewenste activiteiten op de Natura 2000-gebieden is berekend met de AERIUS Calculator (2023). Er is een AERIUS projectberekening uitgevoerd met de emissies als gevolg van de beoogde situatie (gebruiksfase) en de referentiesituatie. Hierbij is ook een verschilberekening van de beoogde situatie (gebruiksfase) met de referentiesituatie uitgevoerd. Conclusies: Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling voorziet in een maximale bijdrage van 0,01 mol/ha op het Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. het betreft een emissie die plaatsvindt tijdens 'aanlegfase (fase 2)'. Tijdens de overige fasen vinden er geen emissies plaats op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden.

Omdat het plan voorziet in een tijdelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve gevolgen op Natura 2000 op voorhand niet worden uitgesloten. Hiervoor dient een locatiespecifieke ecologische voortoets uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundig bureau. Dit onderzoek is in oktober 2023 uitgevoerd, de conclusie: Uit de quickscan Wet natuurbescherming en de Ecologische Voortoets blijkt dat er op voorhand geen significante negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. De verhoging in stikstofpositieverhoging leidt zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet tot significante negatieve effecten. Ten aanzien van aanwezige flora en fauna wordt, in het kader van de Algemene zorgplicht, geadviseerd mitigerende maatregelen te treffen. De beoogde ruimtelijk ingreep leidt niet tot aantasting van het Natura 2000-gebied en zijn instandhoudingsdoelen.

4.10.3 Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11 Verkeer en vervoer 4.11.1 Regelgeving en beleid Mobiliteitsplan Dordrecht Op 6 september 2005 heeft de gemeenteraad het beleidsvoornemen van het Mobiliteitsplan Dordrecht vastgesteld. Het Mobiliteitsplan Dordrecht beoogt een antwoord te bieden op de opgaven die vanuit een toenemende (auto)mobiliteit op Dordrecht af komen. Vanuit de vaak tegengestelde belangen van bereikbaarheid en leefbaarheid wordt gestreefd naar gebiedsgericht maatwerk. De hoofddoelstelling van het mobiliteitsplan is het verbeteren van de bereikbaarheid en het handhaven van de leefbaarheid. Op stadsniveau is een stelsel van hoofdwegen en secundaire wegen vastgesteld, waarbij gemotoriseerd verkeer zo vlot mogelijk naar wegen van een hogere orde afgewikkeld dient te worden. In het plan wordt een duidelijke keuze gemaakt voor het versterken en verbeteren van de radialen naar de binnenstad. Beleidsregels parkeerbeleid Binnen de gemeente is parkeerbeleid in ontwikkeling waarin parkeernormen en eisen gesteld worden aan nieuwbouw. Op dit moment worden bestemmingsplannen getoetst aan de "Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten".

4.11.2 Onderzoek Voor het planvoornemen is een quickscan ontsluiting opgesteld in december 2022. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 7. In deze quickscan is de toekomstige (extra) verkeersgeneratie van het planvoornemen inzichtelijk gemaakt. Hierbij is bepaald hoeveel verkeer de ontwikkeling in de toekomstige situatie genereert voor verschillende momenten in de week. Voor de toekomstige ontsluiting zijn vijf varianten opgesteld. Aan de hand van de verkeerskundige beoordeling is een advies opgesteld over de verkeerskundig, meest wenselijke of geschikte ontsluitingsvariant. Verkeersgeneratie Eerst is het aantal verkeersbewegingen per functie-eenheid (woning) bepaald. Op basis daarvan is de verkeersgeneratie berekend. Hiermee is worst-case gerekend; in de huidige situatie genereert de locatie mogelijk ook verkeer en hiermee is niet gesaldeerd. In de tabel hieronder zijn de resultaten van de verkeersgeneratie berekeningen voor de werkdag weergeven. Het blijkt dat de ontwikkeling circa 830 motorvoertuigbewegingen (mvt) per werkdagetmaal genereert. Hierbij is gerekend met robusste aannames (worst case). Vanwege deze robuuste uitgangspunten wordt in de praktijk uiteindelijk een lagere verkeersgeneratie van de ontwikkeling verwacht.

Aanvullend is gekeken naar het planeffect tijdens de maatgevende momenten: de ochtend- en avondspitsperioden. Daarbij is ook onderscheid gemaaakt in aankomende en vertrekkende motorvoertuigbewegingen. De ontwikkeling geeft in de ochtendspits circa 70 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur en in de avondspits circa 75 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur. Verkeerskundig is deze toename beperkt; gemiddeld genereert de ontwikkeling hiermee iets meer dan één voertuigbeweging per minuut in het drukste (spits)uur op een werkdag. Toekomstige ontsluiting

Voor het planvoornemen zijn een vijftal mogelijke ontsluitingsvarianten opgesteld.

5 mogelijke ontsluitingsvarianten

Voor de vijf varianten zijn de effecten op gebied van verkeersveiligheid, doorstroming, langzaam verkeer, ruimtelijke inpassing en kosten in beeld gebracht. Dit geeft de volgende resultaten:    

Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is variant 2 wenselijk mits het langzaam verkeer wordt gefaciliteerd of op een andere manier wordt afgewikkeld. De overige varianten zijn voldoende veilig of veilig te maken; Vanuit het oogpunt van doorstroming zijn de varianten 1 en 3 onwenselijk omdat in deze varianten een nieuwe aansluiting op de omliggende gebiedsontsluitingswegen wordt gerealiseerd; Vanuit langzaam verkeer is variant 2 niet wenselijk zonder aanpassingen. In deze variant kan het langzaam verkeer in de huidige vormgeving niet goed en veilig worden afgewikkeld; Alle varianten zijn ruimtelijk inpasbaar, met benodigde aanpassingen.

Vanuit bereikbaarheid en veiligheid wordt geadviseerd om de ontwikkellocatie een tweezijdige ontsluiting te geven waarbij ontsluitingsvariant 5 wordt gebruikt als primaire ontsluiting en ontsluitingsvariant 2 als secundaire ontsluiting. Ten aanzien van de quickscan van de varianten en de voorkeur voor variant 2 en 5 wordt met betrekking tot calamiteiten en bereikbaarheid aanbevolen te allen tijde een extra ontsluitingsmogelijkheid voor het plangebied te hebben. De meest geschikte bestaande locaties hiervoor zijn het bedrijventerrein en de Oudendijk. Verkeersintensiteit 2 varianten Op basis van door de gemeente beschikbare data is getoetst hoeveel verkeer in de toekomstige situatie in 2030 op het bedrijventerrein (Ploegstraat) rijdt. Hieruit blijkt dat de autonome verkeersintensiteiten 797 mvt/etmaal bedragen. In variant 2 nemen deze intensiteiten toe met afgerond 830 mvt/etmaal. De totale toekomstige verkeersintensiteiten bedragen hiermee 797 + 830 = 1.627 mvt/etmaal. Uit de wegenscan blijkt dat de maximaal wenselijke verkeersintensiteiten op het bedrijventerrein 4.100 mvt/etmaal bedragen. Met het beschikbare profiel is een verkeerskundig goede en veilige verkeerssituatie te creëren waarbij ook het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkelingen van De Hoop kan worden afgewikkeld. De bestaande intensiteiten op de Oudendijk zijn onbekend.

Aan de hand van verkeersgeneratiecijfers is een inschatting gemaakt van de intensiteiten op de Oudendijk. Langs de Oudendijk en de Noordendijk zijn circa 40 vrijstaande woningen gesitueerd. De verkeersgeneratie van deze woningen bedraagt op basis van kencijfers 8,4 x 40 = 336 mvt/etmaal. Hierbij wordt uitgegaan dat alle verkeer van deze woningen volledig gebruik maakt van de Oudendijk; en bijvoorbeeld niet via de Zuidendijk rijdt (worst-case). De verkeersgeneratie van de ontwikkeling bedraagt circa 830 mvt/etmaal. De totale intensiteit tussen de aansluiting naar het plangebied en de Provincialeweg bedraagt hiermee 336 + 830 = circa 1.170 mvt/etmaal.

Advies en conclusie gemeente Vanuit verkeerskundig oogpunt kan worden ingestemd met een ontsluiting op de Oudendijk, met dien verstande dat dit ook een fietsroute is voor scholieren uit de Hoven en recreatief fietsverkeer. Met het ontwerp van de kruising dient daar rekening mee gehouden te worden. De ontsluiting via de Sikkelstraat is een noodontsluiting.

4.11.3 Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.12 Water 4.12.1 Regelgeving en beleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. De ruimtelijke aspecten van de plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. Waterschappen stellen een waterbeheerprogramma op. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap Hollandse Delta heeft in haar waterbeheerprogramma (WBP) de waterdoelen voor de planperiode 2022-2027 vastgelegd op gebied van waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen.

Deze doelen zijn afgeleid van het waterschap haar ambities voor de lange termijn (tot 2050) die vastgelegd gaan worden in de omgevingsvisie Hollandse Delta. Naast de doelen tot 2027 bevat dit waterbeheerprogramma de strategie hoe deze doelen gerealiseerd gaan worden. Het programma richt zich op een toekomstbestendig waterbeheer en daarmee een toekomstbestendig woon-, werk- en leefgebied. Het waterschap zet in op het inperken van de impact op klimaat en milieu, het verbeteren van de klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van het gebied, versterken van de biodiversiteit en anders omgaan met hemelwater. Bij een

klimaatbestendige en waterrobuust inrichting wordt gevolg gegeven aan de doelen vanuit de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie en is de ambitie dat inwoners en bedrijven veilig in het gebied kunnen blijven wonen, ondernemen en recreëren en dat wordt bijgedragen aan het robuust en veerkrachtig maken van de leefomgeving. Er komt meer ruimte voor water; niet alleen letterlijk, maar ook bij de voorbereidingen van plannen voor de ruimtelijke inrichting. Om dit te bereiken heeft het waterschap de volgende acties gesteld in het WBP:  samenwerken met overheidspartners en belanghebbenden;  naar de voorkant van ruimtelijke planprocessen bewegen.

Omgevingsvisie Een doel in de omgevingsvisie is Dordrecht is een aantrekkelijke stad. Belangrijk onderdeel hiervan is het behoud van het groenblauwe karakter, waaronder haar sterke relatie met water. Hiervoor is een groenblauw programma opgesteld waarin ook maatregelen voor water terugkomen. In de omgevingsvisie zijn vier groenblauwe hoofdstructuren aangewezen die versterking nodig hebben. Ook waterveiligheid komt als thema terug in de omgevingsvisie, waarin het vergroten van de veiligheid van het eiland van Dordrecht de centrale ambitie is. Daarnaast is er het doel om in 2035 klimaatbestendig te zijn. Dit houdt in dat Dordrecht waterrobuust moet zijn in 2035. Op bepaalde plekken moet water worden vastgehouden en andere plekken snel afgevoerd kunnen worden om wateroverlast te voorkomen.

4.12.2 Onderzoek In het kader van de watertoets is voor dit plan de benodigde watercompensatie berekend aan de hand van de normen van het waterschap Hollandse Delta. Zie bijlage 8. Totaal wordt er 24.184 m2 verharding toegevoegd. Voor deze toename aan verharding in het gebied moet compensatie plaatsvinden. In het gebied worden gedeelten oppervlaktewater gedempt en gecreëerd. Deze aantallen worden afgetrokken van de compensatie. Dit geeft de volgende uitkomst:

Goed om te weten is dat het zeer reëel is dat binnen afzienbare tijd, het beleid van het waterschap wijzigt. De compensatieplicht gaat dan van 10 naar 14%. Op het moment van aanvraag vergunning kan er dus sprake zijn van nieuw beleid. Mogelijk is er een overgangsregeling, maar dat is nu nog niet duidelijk. Er is een peilbesluit (Peilbesluit Dordrecht Stedelijk (2016) met een peilafwijking (onderbemaling). Zie afbeelding links. In de praktijk is de peilafwijking niet meer functioneel. Dat blijkt ook uit de praktijklaag. Zie afbeelding rechts.

Het projectgebied wordt ontsloten door diverse watergangen, waaronder wegsloten en overige watergangen. Bij de uitwerking van de plannen zal de obstakelvrije keurstrook worden geborgd. Gekozen is om het beheer en onderhoud van de watergangen in particuliere handen te leggen. Dit wordt enerzijds geborgd door de onderhoudsverplichting privaatrechtelijk vast te leggen. De erfgrens van de kavels zal in het hart van de watergang worden gelegd, zodat het onderhoud ook praktisch uitvoerbaar is. Voor bredere watergangen waarbij onderhoud vanaf de keurstrook niet uitvoerbaar is wordt voorzien in benodigde voorzieningen voor varend onderhoud. In het plan zijn geen doodlopende watergangen voorzien. Er worden in het plan voorzieningen (dam en duiker) aangebracht. Deze zullen voldoen aan het beleid van het Waterschap. De conclusie is dat met het toevoegen/creëren van oppervlaktewater wordt voldaan aan de compensatie eisen van het waterschap.

4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er geen belemmering tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Regelgeving en beleid Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten, die zijn genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), maar onder de daar genoemde drempelwaarden blijven, uitvoering worden gegeven aan de artikelen 7.16, 7.17 eerste t/m vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. De op stedelijk niveau veel voorkomende activiteiten zijn de activiteiten, genoemd in bijlage D11.2: stedelijke ontwikkelingsprojecten, waaronder de bouw van 2000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied.

4.13.2 Onderzoek Het plan voorziet in het realiseren van maximaal 72 woningen (58 grondgebonden en 14 appartementen), 36 verpleeghuiseenheden en 5 woonwagenstandplaatsen. Daarmee kan gesteld worden dat het plan is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in activiteit D11.2 genoemd in bijlage bij het Besluit m.e.r. Het plan blijft wel onder de drempelwaarde van 200.000 woningen.

Voor plannen die zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r., maar onder de drempelwaarde blijven, geldt een vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerken De locatie maakt op dit moment onderdeel uit van het terrein van stichting De Hoop, gelegen in de bebouwde kom van Dordrecht. Het plangebied betreft voornamelijk grasland met enkele laanvormige bomenrijen. Ten noordwesten van het plangebied is een verhard parkeerterrein aanwezig. Het zuiden van het terrein bestaat uit bebouwing van stichting De Hoop. Het zijn meerdere vrijstaande complexen met daaromheen wegen, speel- en parkeervoorzieningen Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een nieuwe woonwijk te realiseren, bestaande uit grondgebonden woningen, appartementen, zorgeenheden en enkele woonwagens. Behoudens de toegestane aan-huis-gebonden beroepen aan huis mogen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De werkzaamheden voorzien allereerst in het opruimen van verhardingen, het slopen van enkele gebouwen, het kappen van bomen en grondverzetwerkzaamheden.

Vervolgens zal de infrastructuur worden aangelegd, de openbare ruimte ingericht met groen en water en worden de wooneenheden gerealiseerd. Zodoende wordt een nieuwe woonwijk gecreëerd. 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn Zoals eerder vermeld, maakt de locatie onderdeel uit van het terrein van stichting De Hoop, gelegen binnen de bebouwde kom van Dordrecht. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,4 kilometer tot het Natuurnetwerk Nederland en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Op grotere afstand zijn Strategische Reservering Natuur en het Belangrijk weidevogelgebied gelegen, namelijk op een afstand van respectievelijk circa 5,1 en 9,2 kilometer.

3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben Stikstofdepositie Tijdens de aanlegfase wordt materiaal ingezet en vinden er verkeersbewegingen plaats. Ook tijdens de gebruiksfase voorzien de nieuwe woningen in nieuwe verkeersbewegingen. Hiervoor kan er sprake zijn van stikstofemissies die kunnen neerkomen op beschermde stikstofgevoelige habitats. Om de invloed hiervan in kaart te brengen is een voortoets stikstofdepositie opgesteld. Hieruit blijkt dat het plan ten aanzien van stikstofdepositie niet voorziet in negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Ecologie Tijdens de sloopwerkzaamheden en het kappen van houtopstanden kan sprake zijn van aantasting van beschermde soorten. Voor het plan is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, waaruit bleek dat de potentie voor huismus en vleermuis niet uitgesloten kon worden. Vervolgens is een aanvullend onderzoek naar deze soorten uitgevoerd. Daaruit bleek dat het plangebied niet werd gebruikt door deze soorten. De sloop- en kapwerkzaamheden zullen derhalve beschermde soorten niet bedreigen. Te allen tijden zal rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht. Daarnaast worden de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd.

Indien verlichting noodzakelijk is zal hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast worden. Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april verwijderd of ongeschikt gemaakt. Tevens zullen de werkzaamheden plaatsvinden buiten het vogelbroedseizoen (medio maart tot en met medio juli). Als de werkzaamheden toch in het broedseizoen worden uitgevoerd, zal voor aanvang van de werkzaamheden door een ter zake deskundige gecontroleerd worden of er broedvogels aanwezig zijn. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Bodem Met het plan vindt er bodemverzet plaats, waarbij het uitgangspunt is dat vrijkomende grond wordt verwerkt binnen het plangebied. Daarnaast dient de bodemkwaliteit geschikt te zijn voor het beoogde gebruik. Voor het plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit. Daarbij dient vermeld te worden dat vanwege de asfaltverharding ter plaatse van het parkeerterrein hier geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Bij verwijdering van deze asfaltverharding zal alsnog hier een bodemonderzoek plaatsvinden. Gezien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, waarbij ook boringen zijn genomen in en rondom de parkeerplaats, zal de vondst van een relevante bodemverontreiniging beperkt zijn. Mocht dit onverhoopt toch het geval zijn, dan kan de verontreiniging gesaneerd worden en daarmee de bodemkwaliteit geschikt worden gemaakt voor het beoogde gebruik. Luchtkwaliteit Het plan valt binnen het Besluit niet in betekenende mate. Daarmee wordt gesteld dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van wegen. Door een akoestisch adviseur is de geluidbelasting op het plangebied inzichtelijk gemaakt.

Daaruit blijkt dat ter plaatse van de geprojecteerde woningen een geluidbelasting heerst van niet hoger van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gesteld wordt dat voldaan kan worden aan de normen zoals neergelegd in de Wet geluidhinder. Externe veiligheid Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Ook zijn er in de omgeving geen wegen, spoorwegen en vaarwegen aanwezig waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Wel is in de omgeving een gasleiding van Gasunie aanwezig, maar deze is gelegen op voldoende afstand van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Bedrijven en milieuzonering Het plan voorziet in de toevoeging van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen en of omliggende bedrijven niet worden belemmerd. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van het plangebied is een bedrijventerrein aanwezig waarop bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan.

Omdat de omgeving is te typeren als een ‘gemengd gebied’, geldt voor dergelijke bedrijven een richtafstand van 10 meter. Binnen deze 10 meter-contour zijn geen woningen geprojecteerd. Daarnaast dient ook rekening gehouden te worden met stichting De Hoop. Voor een kliniek geldt een richtafstand van 0 meter. Op nog grotere afstand zijn andere bedrijven aanwezig, zoals glastuinbouwbedrijven. Deze bedrijven zijn op ruim voldoende afstand gelegen. Er is daarmee sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Natuurlijke hulpbronnen De woningen worden (bijna) energieneutraal opgeleverd en zullen zelf – door middel van onder andere zonnepanelen – zelf schone energie opwekken. Door middel van een warmtepomp kan met behulp van lucht warmte gegenereerd worden voor het opwarmen van water. Er wordt geen gebruik gemaakt van bodemenergiesystemen of ondergrondse waterbronnen. Afvalproductie Anders dan regulier huishoudelijk afval, zal het plan niet voorzien in het produceren van afvalstoffen. Het regulier huishoudelijk afval wordt ingezameld en elders verwerkt.

4.13.3 Conclusie Op basis van voorstaande beoordeling wordt geconcludeerd dat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de vorige hoofdstukken zijn de verschillende

milieuaspecten nader onderbouwd. Gesteld wordt dat het plan niet voorziet in belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Planmethodiek De verschillende bestemmingen zijn met hun bouwgrenzen direct van de verbeelding af leesbaar. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

5.2 Inleidende regels In dit hoofdstuk van de regels is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

5.3 Bestemmingen In iedere bestemming is in de bestemmingsomschrijving aangegeven voor welke doeleinden de aangewezen gronden zijn bestemd. Daarna wordt in algemene zin aandacht besteed aan de bouwregels, de afwijkingen en eventueel nadere eisen en specifieke gebruiksregels. Gemengd Binnen 'Gemengd' zijn woningen en zorgwoningen toegestaan. Groen De waardevolle structurele groengebieden in het gebied zijn bestemd als 'Groen'. De inhoud van deze bestemming spreekt voor zich. Maatschappelijk De maatschappelijke voorzieningen in het plangebied zijn bestemd als 'Maatschappelijk'. De bouwvlakken stemmen grotendeels overeen met het moederplan Dubbeldam. Binnen deze bestemming zijn de functies aangeduid. In dit geval als zorginstelling. Tuin De groenstroken rond de percelen van de woningen zijn bestemd als 'Tuin'. Op deze delen van de (woon)percelen mogen geen gebouwen gebouwd worden. Deze bestemming staat beplantingen, verhardingen en water toe. Verkeer De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de gronden van de openbare ruimte. De regels maken het mogelijk deze gronden in te richten met ontsluitingswegen, parkeerplaatsen, verhardingen en groenvoorzieningen. Water Aan het gebied worden naast de bestaande waterwegen nieuwe waterwegen toegevoegd. Deze waardevolle structurele wateren zijn bestemd als 'Water'. De inhoud van de bestemming spreekt voor zich.

Wonen Aan de (te bouwen) woningen in het plangebied wordt de bestemming 'Wonen' gegeven. Binnen deze bestemming zijn verschillende woningtypen toegestaan. Woningen mogen alleen binnen het bouwvlak tot de aangegeven maximale bouwhoogte gebouwd worden. Deze bestemming regelt alleen de hoofdgebouwen. Voor wat betreft overige bebouwing (bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde) is aangesloten bij de landelijke regeling voor vergunningvrije bouwwerken (artikel 2 bijlage II Besluit omgevingsrecht). Woongebied

Deze globale bestemming is gegeven aan een gedeelte binnen het plangebied waar woningbouw plaats gaat vinden. Binnen deze bestemming ligt de exacte invulling voor de woningen, tuinen en openbare ruimte (straten, groen en water) niet vast. Deze flexibele bestemming wordt gegeven aan gebieden waarvoor de exacte invulling nog nader bepaald moet worden. Voor een gedeelte van het plangebied is hier sprake van en wordt de invulling later definitief bepaald. Binnen de bestemmingen zijn ook verschillende functieaanduidingen opgenomen. Algemene regels en slotregel Na de verschillende bestemmingen volgen de algemene regels met aanvullende bouwregels en gebruiksregels die voor alle bestemmingen gelden. In de algemene gebruiksregels wordt ondermeer aandacht besteedt aan de regeling voor de beroepsuitoefening aan huis. Ook bevinden zich hier een antidubbeltelbepaling en algemene afwijkingsregels geldend voor alle bestemming. Het artikel met algemene afwijkingsregels bevat nog een aantal algemene mogelijkheden om af te wijken van de bestemmingen. Tot slot wordt afgesloten met een regeling over het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. In de slotbepaling is de officiële naam van het plan bepaald waaronder dit bestemmingsplan aangehaald kan worden.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro. Een exploitatieplan is niet nodig. In de plaats daarvan is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Tevens zijn afdoende afspraken gemaakt over de inrichting van het gebied, zodat geen aanvullende eisen nodig zijn, die in een exploitatieplan moeten worden vastgelegd. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Participatie en inspraak Door de initiatiefnemer zijn meerdere participatiemomenten voor belanghebbenden georganiseerd. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn in het najaar van 2021 informatieavonden gehouden. Waar mogelijk is met de resultaten van de informatieavonden in het bestemmingsplan rekening gehouden. De reacties tijdens de informatieavonden in het najaar van 2021 hebben tot de volgende wijzigingen geleid: In het kader van het aandachtspunt verkeersveiligheid is onder meer nader verkeerskundig onderzoek uitgevoerd naar de ontsluitingsvarianten en de daaruit naar voren gekomen voorkeursvariant ontsluiting via de Oudendijk. De ontsluiting op de Oudendijk is voor twee nieuw te realiseren woningen komen te vervallen en op een andere wijze (via de woonwijk) opgelost. Tevens zullen aanpassingen worden gedaan aan de kruising Oudendijk-Provincialeweg en het gedeelte Oudendijk tussen aansluiting Provincialeweg en entree van het plangebied. In het kader van potentiële geluidsoverlast wordt op de plangrens met bedrijventerrein Sikkelstraat voorzien in een voorziening die mogelijke geluidsoverlast van het bedrijventerrein in de richting van de nieuw te realiseren woningen beperkt.

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel de ontwikkeling van een woongebied op een voormalig (buitenactiviteiten)terrein van maatschappelijke instelling De Hoop, dat niet meer als zodanig in gebruik is, mogelijk te maken en daarmee bij te dragen aan de taakstelling voor woningbouw binnen de gemeente. Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 14 december 2023 t/m 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Hierop zijn 4 zienswijzen ingediend, behandeld in de Nota beantwoording zienswijze, bijgevoegd als bijlage.

7.2 Overleg Het in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overleg is gevoerd met: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Provincie Zuid-Holland; Omgevingsdienst Haaglanden; Waterschap Hollandse Delta; Tennet; Stedin; Gasunie; Veiligheidsregio.

Er is een reactie binnen gekomen van het Waterschap Hollandse Delta, deze reactie is in de toelichting verwerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/784/documents/35180