CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 2e herziening Stadswerven, locatie 50 kv gebouw.Pdf.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 17 mei 2022, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen bestemmingsplan 2e herziening Stadswerven, locatie 50 kV gebouw - Raadsvoorstel16.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 6: Doorsnede A: 50 kV gebouw in nieuwe situatie met links het Wantij en rechts de Oranjelaan. Bron: RoosRos architecten

Beeldkwaliteit Buiten het kader van dit bestemmingsplan wordt een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de transformatie en uitbreiding van het 50 kV gebouw in het plangebied. In het kader van beeldkwaliteit worden de volgende aspecten in dit bestemmingsplan meegegeven. Het gemeentelijk monument heeft een expressieve architectuur. Het bestaande bouwwerk in het plangebied is voorzien van een herkenbare symmetrie van verschillende bouwdelen met een dakopbouw en schoorstenen, in combinatie met de verschillende materiaaltoepassingen van geel metselwerk, witte accenten en betonnen details in de gevels. De monumentale en karakteristieke waarde dient bij de transformatie en uitbreiding zo veel mogelijk te worden behouden. Dit wordt onder andere behaald door in de architectonisch meest waardevolle gevels minimale ingrepen te doen. Daarnaast wordt de interne hoofdstructuur behouden (o.a. entrees en trappartijen) en blijft de lichtopstand en de torentjes aan de Wantijzijde zichtbaar. Behoud van de oorspronkelijke

symmetrische compositie-opbouw van het 50 kV station is gewenst. Wel mag het geheel een vriendelijker uiterlijk krijgen en het pand weer onderdeel worden van de stad. Om de woonkwaliteit te kunnen realiseren met behoud van de meest waardevolle gevels van het monument, is het noodzakelijk om te voorzien in een daglichtvoorziening in het hart van het gebouw en een grotere ingreep in de gevel aan de Wantij-zijde, welke een minder hoge monumentale waarde kent vanwege zijn geslotenheid. Het plaatsen van balkons aan de noord-, oost- en zuidgevels van het monument is ongewenst. Dit betreffen immers de meest waardevolle gevels. Omringend terrein Eén van de stedenbouwkundige uitgangspunten is het behoud van het groene karakter. Om dit in het plangebied te realiseren zijn inpandige parkeerplaatsen nodig. Toevoeging van verharding voor het parkeren van auto’s zal immers een afname van het bestaande groene karakter tot gevolg hebben. Juist dit groene karakter is van bijzondere waarde voor het grotere gebied en dient behouden te blijven of versterkt te worden. De beperkte uitbreiding van het bouwvlak maakt het mogelijk om een inpandige garage te realiseren onder die uitbreiding. Het groene en open karakter blijft hierdoor zo veel mogelijk behouden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied op de verschillende schaalniveaus een kwalitatieve bijdrage levert aan het stadsbeeld en stedenbouwkundig gezien op een verantwoorde en zorgvuldige wijze wordt ingepast. Buiten het kader van dit bestemmingsplan wordt het ontwerp van de transformatie en uitbreiding van het 50 kV station nader uitgewerkt. In dit kader wordt in een vervolgfase van de planvorming een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. De in deze paragraaf opgenomen uitgangspunten vormen hiervoor het vertrekpunt.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Regelgeving en beleid Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Cultuurhistorisch Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: <0000>

de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; <0000> de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie.

Gemeentelijk beleid archeologie Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente. Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen beleid wat betreft archeologie. Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 dienen archeologische waarden wettelijk in de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsprocessen meegewogen te worden. In de praktijk gebeurde dit in Dordrecht al sinds 1995. In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Dordrecht opgesteld. De kaart is een detaillering en uitwerking van de kaarten die op nationale en provinciale schaal beschikbaar zijn. Op het gemeentelijk grondgebied varieert de verwachting van laag tot zeer hoog. In het bij de kaart behorende rapport "‘Stad en Slib: het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht" is de onderbouwing voor de hoogte van de verwachting verwoord. In de Erfgoedverordening Dordrecht (2010) zijn aan de archeologische verwachtingen verschillende voorwaarden en vrijstellingen verbonden. Deze voorwaarden en vrijstellingen worden uiteindelijk in de nieuwe bestemmingsplannen opgenomen.

Archeologisch onderzoek in de gemeente Dordrecht is gericht op kenniswinst wat betreft de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad en het Eiland. Van groot belang hierbij is het ontstaan en de ontwikkeling van de stad, de reconstructie van het (cultuur)landschap van het Eiland van Dordrecht en de relatie tussen stad en platteland vóór de ingrijpende St. Elisabethsvloed van 1421. Hiermee sluit de gemeente aan op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie, waarin de relatie tussen mens en landschap in West Nederland binnen de middeleeuwse bewoningsgeschiedenis een speerpunt vormt en uitgewerkt moet worden. De provincie Zuid Holland kent een grote waarde toe aan locaties die informatie bevatten over de ontginning van het veenlandschap in de middeleeuwen. Het is deze ontginning van het veen en de daarmee samenhangende structuren zoals kaden, dijken, sluizen en die ook nu nog beeldbepalend zijn voor het Hollands landschap. Het Eiland van Dordrecht speelt in landschap een opvallende rol vanwege het in 1421 verdronken en daarna volledig afgedekte landschap, waaraan de huidige Biesbosch een blijvende herinnering is. Bij alle ingrepen in de bodem van Dordrecht dient zorg te worden besteed aan mogelijk aanwezige archeologische waarden.

Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar zich archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige waarden aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens de eisen van de gemeente Dordrecht. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied.

4.2.2 Onderzoek Archeologie Op basis van het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied geen dubbelbestemming in het kader van archeologie. Het vakteam Erfgoed van de gemeente Dordrecht heeft op 20 januari 2020 een advies uitgebracht in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Uit dit advies volgt dat er op basis van het onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van het vigerende bestemmingsplan (kenmerk: DDT 0407 Stadswerven, 2004) de archeologische verwachtingswaarde van hoog naar laag is bijgesteld en derhalve geen waarde archeologie en/of onderzoekplicht in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen. Dit advies is opgenomen in bijlage 1.

Voor de onderhavige ontwikkeling volgt uit het advies dat eveneens geen onderzoekplicht geldt. De bodemingrepen voor de aanleg van de parkeerkelder worden uitgevoerd binnen de aanwezige kunstmatige ophoging van het terrein. Deze ophoging, door het opspuiten van een metersdik zandpakket, is uitgevoerd tussen 1900 en 1910. Dit gebeurde vanwege de buitendijkse ligging van het gebied en de toen gewenste ontwikkeling en ontsluiting van de Staart. Het huidige, opgehoogde, maaiveld ligt op circa 5 m boven NAP. Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staat. Cultuurhistorie Het te transformeren pand aan de Oranjelaan 1 te Dordrecht is aangewezen als een gemeentelijk monument. In de beschrijving van het gemeentelijk monument is onder andere een waardering opgesteld. De waardering is in onderstaande tabel opgenomen. Figuur 7 (fragment van) kaart Monumenten Dordrecht, rode lijn: projectlocatie. Bron: drechtsteden.maps.arcgis.com.

Figuur 8 Waardering gemeentelijk monument Oranjelaan 1 te Dordrecht

In de Erfgoedverordening stelt het college van Dordrecht bouwhistorisch onderzoek verplicht bij bouwplannen waarbij gemeentelijke of rijksmonumenten worden gewijzigd en bij bouwplannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan en die gelegen zijn in een beschermd stadsgezicht. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning onderdeel bouwen zal derhalve een bouwhistorisch onderzoek

moeten worden bijgevoegd. Dit bouwhistorisch onderzoek dient gebruikt te worden als uitgangspunt en toetsingskader bij de verlening van de omgevingsvergunning en de begeleiding van de bouwactiviteiten.

4.2.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

4.3.1 Regelgeving en beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan met daarin woningen en bedrijven, dan wel die functies in de directe omgeving, dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. In de VNG-handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Figuur 9 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Ook bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt is sprake van een gemengd gebied.

4.3.2 Onderzoek Kwalificatie plangebied Het plangebied heeft in de huidige situatie een bedrijfsbestemming. In de directe omgeving liggen veelal woningen, namelijk aan de andere zijde van de Oranjelaan (ten oosten en zuidoosten van

het plangebied) en ten zuidwesten van het plangebied. Door de ligging aan de Oranjelaan, een intensief gebruikte ontsluitingsroute, kan de locatie worden aangemerkt als een gemengd gebied. Binnen het plangebied In de toekomstige situatie worden binnen het plangebied hoofdzakelijk woningen toegestaan. Daarnaast wordt op de begane grond en in de kelder het bestaande gebruik door een telecomaanbieder voortgezet (SBI-code 2008 61 A). Omdat de functie wonen en het gebruik door een telecomaanbieder op pandniveau worden gemengd, geldt in plaats van het toepassen van richtafstanden de staat van functiemenging (van de VNG). De staat van functiemenging schrijft voor dat bedrijven die vallen onder categorie A van de staat van functiemenging op pandniveau gemengd kunnen worden met gevoelige functies. Een telecomaanbieder valt onder categorie A (SBI-code 2008 61 A). Binnen het plangebied kan de woonfunctie en het gebruik door de telecomaanbieder naast elkaar bestaan zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat in de woningen en/of de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Buiten het plangebied In de omgeving van het plangebied ligt ten noorden het Wantij met het botenhuis van de Reddingsbrigade en daarachter het te ontwikkelen woningbouwgebied ‘Stadswerven’. De ligplaats van het botenhuis is niet als zodanig aangeduid op de plankaart, maar bevind zich op een afstand van ca.

100 meter van het plangebied. De bestaande bedrijfsactiviteiten worden niet belemmerd door de gewenste transformatie, want het plangebied ligt ruim buiten de milieucontour. Aan de overige zijden is openbaar groen en zijn woningen en wegen gesitueerd. De te realiseren woningen in het plangebied liggen niet binnen of nabij de richtafstand van omliggende bedrijven of instellingen.

4.3.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodemkwaliteit

4.4.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging. Er is sprake van bodemoverontreiniging als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Bodemkwaliteitskaart Dordrecht Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht

is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten. Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond. Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid. Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

4.4.2 Onderzoek In het kader van bodemkwaliteit is een verkennend bodemonderzoek incl. PFOA/ verkennend asbest-in-grond--/ puinonderzoek uitgevoerd door BK ingenieurs. De rapportage d.d. 2 juli 2018 is opgenomen in de bijlagen (zie bijlage 2) bij dit bestemmingsplan. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. De bodem bestaat tot een diepte van minimaal 2,0 tot 5,5 m -mv (maximale boordiepte) uit zand. In de bodem zijn in de bovengrond plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen (sporen baksteen). De bovengrond is licht tot sterk verontreinigd met zink en maximaal licht verontreinigd met andere zware metalen, PCB, PAK en minerale olie. De ondergrond is licht tot sterk verontreinigd met zink en maximaal licht verontreinigd met andere zware metalen en PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. In het plangebied (het voorterrein) is een sterke verontreiniging met zink in de laag 0,0-1,0 m -mv vastgesteld. Deze is niet afgeperkt. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er een vermoeden is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink. Ten aanzien van PFOA voldoet de bodemkwaliteit aan kwaliteit van zone 0 voor grond (buiten pluimzone; achtergrondbelasting) of zone 1 voor grondwater (pluimzone).

Verder blijkt uit het onderzoek dat de aanwezige puinlaag (circa 60 m² op noordelijk deel van de locatie) indicatief voldoet aan de kwalificatie van “niet vormgegeven bouwstoffen” en “IBC-bouwstoffen”. Op basis van deze resultaten dient een nader bodemonderzoek naar de zinkverontreiniging in grond te worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden en het beoogde gebruik voor ‘Wonen’ de zinkverontreiniging aan de westzijde van het plangebied worden afgebakend en wordt het risico voor de toekomstige functie bepaald. De eventueel benodigde sanering en het toepassen van vrijkomende grond uit de te realiseren parkeerkelder wordt aan de hand van het nader onderzoek vastgesteld. Aangezien de exacte invulling en werkdiepten van het plan op het moment van opstellen van dit bestemmingsplan niet bekend zijn, wordt aanbevolen het nader bodemonderzoek uit te voeren op het moment dat deze wel bekend zijn.

4.4.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het uitvoeren van het nader bodemonderzoek ter afbakening van de geconstateerde zinkverontreiniging is immers een indieningsvereiste bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Wanneer sanering noodzakelijk blijkt, zal dit conform de daarvoor geldende wetgeving worden uitgevoerd. Er is derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de (financiële) uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Duurzaamheid

4.5.1 Regelgeving en beleid Wet Voortgang Energietransitie In de Wet Voortgang Energietransitie is opgenomen dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Hieraan voorafgaand is de energieagenda gepubliceerd. De energieagenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij en stelt dat het beleid na 2023 moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in 2050 in Nederland. Bijna Energieneutraal Gebouw Een belangrijk wettelijk instrument voor het duurzaam bouwen is het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit is onder meer de energieprestatie in de vorm van BENG eisen (Bijna Energieneutraal Gebouw) opgenomen. Tot 31 december 2020 werd de energiezuinigheid uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficient (EPC), maar de EPC is met ingang van 1 januari 2021 vervangen door de BENG eisen. Opgaveplan Duurzame stad 2019-2022 Het Opgaveplan Duurzame stad 2019-2022 beschrijft de stappen die de gemeente de komende jaren wil zetten naar het uiteindelijke doel: een energieneutraal Dordrecht in 2050. De focus ligt daarbij op 5 prestatielijnen: <0000> <0000> <0000> <0000>

<0000>

Energiebesparing: in 2022 heeft iedere gebouweigenaar een beeld zijn/haar de route naar een aardgasvrij gebouw/woning; Warmte verzekerd: er wordt ingezet op een verdubbeling van het huidige aantal aansluitingen op het Dordtse warmtenet tot een waarde van minimaal 9000 woningequivalenten (WE) in 2022. Zonnige vooruitzichten: in 2022 wordt in Dordrecht circa 0,4 Peta joules (PJ) duurzame elektriciteit opgewekt. Dat is circa 25% van de beoogde 1,7 PJ aan duurzame elektriciteit in 2050. Stad in beweging: samen met partners in de stad worden kansenkaarten opgesteld voor circulaire economie en duurzame mobiliteit en faciliteren vanuit die kansenkaarten minimaal twee projecten die bijdragen aan doelen vanuit de energietransitie, economie & werkgelegenheid, een bereikbare stad en de verbetering van de luchtkwaliteit in Dordrecht. Tevens heeft de gemeentelijke organisatie intern ook aantoonbare vorderingen gemaakt op het terrein van een meer circulaire bedrijfsvoering en duurzame mobiliteit. Eigen huis op orde: De omgevingsvisie van Dordrecht biedt inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden heldere kaders en richting in de stappen op weg naar een energie neutrale stad in 2050. En als organisatie worden er stappen gezet in verduurzaming.

4.5.2 Onderzoek In het plangebied blijft het 50 kV schakelstation behouden en wordt dit uitgebreid en getransformeerd naar woningen. Bij de technische uitwerking van het bouwplan zullen de te treffen maatregelen verder worden uitgewerkt ter voorbereiding op en als onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen.

4.5.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving en beleid Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: <0000>

Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.

<0000>

Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

4.6.2 Onderzoek Ten behoeve van de beoordeling van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande figuur bevat hier een uitsnede van.

Figuur 10: Uitsnede risicokaart, projectlocatie: oranje ster (bron: risicokaart.nl)

Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: <0000> Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting, namelijk Chemours Netherlands B.V. De afstand tot de projectlocatie bedraagt ca. 2.430 meter. Het 10-6 plaatsgebonden risico reikt niet tot aan de projectlocatie. Gezien de huidige persoonsdichtheid in de omgeving neemt het aantal aanwezigen niet significant toe. Hierdoor heeft dit bestemmingsplan geen meetbaar effect op het groepsrisico; <0000> Het projectgebied ligt niet binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; <0000> Het projectgebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of water. Het plangebied ligt nabij de Beneden – Merwede, maar buiten de 300 m-zone vanaf de oever van de vaarweg; <0000> Het projectgebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7 Geluid

4.7.1 Regelgeving en beleid In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: <0000> woningen; <0000> onderwijsgebouwen; <0000> ziekenhuizen; <0000> verpleeghuizen; <0000> verzorgingstehuizen; <0000> psychiatrische inrichtingen; <0000> kinderdagverblijven.

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 zijn door burgemeester en wethouder van Dordrecht de 'Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend. Voor de verlening van hogere waarden dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Hiervoor zijn onder meer de volgende randvoorwaarden gesteld: <0000> <0000> <0000> <0000>

woningen dienen in principe een geluidsluwe zijde te krijgen. Hierbij is een geluidsluwe zijde, een zijde waarvan de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. een buitenruimte bij een woning is in principe niet gelegen aan de hoogste belaste zijde. het geluidsniveau in de buitenruimte van de woningen mag (indien gelegen aan de bronzijde) niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de geluidsbelasting op de als geluidsluw aangemerkte gevel. elke woning bevat in beginsel één slaapkamer die niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde is gesitueerd. Bij voorkeur wordt de helft van de geluidsgevoelige ruimten samen niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde gesitueerd.

4.7.2 Onderzoek In een eerdere fase van onderhavig plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Hierin is beoordeeld of voldaan kan worden aan de vereisten uit de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidsbeleid. Uit dit onderzoek voor een eerdere fase van onderhavig plan, wat niet wezenlijk verschilt van het huidige plan dat middels onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, volgt dat ten gevolge van wegverkeer op de Oranjelaan niet overal wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Tevens volgt uit het onderzoek dat de maximale ontheffingswaarde op geen enkele plaats werd overschreden. Maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de relevante geluidbronnen zouden vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar zijn. Daarom wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen. Na een toets aan het gemeentelijk geluidbeleid bleek dat een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kon worden en dat de hogere waarden derhalve konden worden verleend. Het plan dat onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt verschilt niet wezenlijk van het plan dat als uitgangspunt diende voor het hiervoor aangehaalde akoestisch onderzoek.

Op basis daarvan kan worden gesteld dat ook bij onderhavig plan sprake zal zijn van een akoestisch goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. Niettemin is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat de realisatie van (nieuwe) geluidsgevoelige functies, waaronder zowel bouwen als gebruiken wordt begrepen, alleen mogelijk is indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel dat bij het besluit hogere waarden vastgestelde hogere waarden inclusief de daarbij gestelde voorwaarden / maatregelen voldaan wordt. Voor de realisatie van onderhavig plan dient een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te worden aangevraagd. In dat kader zal ook een geactualiseerd akoestisch onderzoek overlegd moeten worden, waaruit blijkt dat aan de hiervoor genoemde planregel wordt voldaan.

4.7.3 Conclusie Het aspect geluidhinder vormt na het vaststellen van de benodigde hogere waarden en het voldoen aan de daarbij gestelde voorwaarden, geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen.

4.8 Groen

4.8.1 Regelgeving en beleid In de Structuurvisie Groene Ruimte, het Boomstructuurplan, Nota Parken, de Nota Kleurrijk Groen zijn uitgangspunten voor de groenvoorzieningen opgenomen. De bomenstructuur op het Eiland van Dordrecht valt grotendeels samen met de belangrijke structuurelementen, zoals het patroon van dijken, wegen, water en bebouwing. Bomen vullen deze structuurelementen in ruimtelijk, maar ook functioneel opzicht aan.

4.8.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan heeft niet tot gevolg dat de hoeveelheid groen in het plangebied afneemt. In de directe omgeving van het plangebied is bestaand groen aanwezig dat door het gebrek aan onderhoud inmiddels een schrillige hoek vormt. Hier wordt transparantie aangebracht door het bestaande groen opnieuw in te richten. De voorgenomen wijzigingen in het omliggende groen vinden echter plaats buiten het kader en grotendeels ook buiten het plangebied van dit bestemmingsplan.

4.8.3 Conclusie Het aspect groen vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9 Luchtkwaliteit

4.9.1 Regelgeving en beleid In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: <0000> woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; <0000> kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak (bvo) bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 bvo bij twee ontsluitende wegen.

4.9.2 Onderzoek Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende mate uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 38 woningen mogelijk. Voor de volledigheid is de NIBM-tool ingevuld, uitgaande van een worst-case bijdrage van 236 extra verkeersbewegingen (zoals toegelicht in paragraaf 4.12 ‘Verkeer en parkeren’) en een minimaal aandeel vrachtverkeer, aangezien het programma voornamelijk uit woningbouw bestaat.

Figuur 11: NIBM-rekentool.

Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Het gemeentelijk luchtkwaliteitsbeleid, zoals verwoordt in de omgevingsvisie Dordrecht 1.0, streeft er naar om in 2030 te voldoen aan de WHO (World Health Organization) richtwaarden voor fijnstof (PM10 en PM2,5). Om dit doel te bereiken heeft Dordrecht in januari 2020 het Schone Luchtakkoord mede ondertekend. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 15 juni 2021). Tabel 3. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl).

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden van fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied niet worden overschreden. Zelfs wanneer de maximale bijdrage door extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zullen de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden blijven. De prognose voor het jaar 2030 laat zien dat er in 2030 kan worden voldaan aan de WHO richtwaarden voor PM10 en PM2,5.

4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10 Kabels en leidingen

4.10.1 Regelgeving en beleid Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald het bevoegd gezag of dit wenselijk is. Dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone.

4.10.2 Onderzoek In het plangebied is nog een 50 kV verbinding aanwezig. Deze verbinding is in de huidige situatie niet meer in gebruik en zal ook in de toekomstige situatie niet meer in gebruik genomen worden. Het huidige 50 kV schakelstation in het plangebied wordt immers middels onderhavig bestemmingsplan van bestemming gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. De 50 kV verbinding vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Overige planologisch relevante leidingen zijn niet aanwezig in het plangebied. Wel zal bij de uitvoering van het plan (de bouw- en graafwerkzaamheden) rekening gehouden moeten worden met de niet-planologisch relevante kabels en leidingen, zoals de kabels en leidingen van de telecomaanbieder.

4.10.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11 Natuur

4.11.1 Regelgeving en beleid Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden

moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.

Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 In 2008 heeft de gemeenteraad het Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 vastgesteld. De doelstelling van de SES is behoud en ontwikkeling van natuur met een optimale diversiteit waarbij zoveel mogelijk wordt uitgegaan van gebiedseigen soorten en habitats. De Stedelijke Ecologische Structuur is opgehangen aan een aantal thema’s. Eén van de thema’s is “Dordrecht rivierenstad”. Het water en de nabijheid van de Biesbosch drukken hun stempel op de natuur in de stad. De SES is onderdeel van de omgevingsvisie 1.0 Dordrecht.

4.11.2 Onderzoek In het kader van natuurbescherming dient de aan- of afwezigheid van beschermde soorten vastgesteld te worden en de invloed op beschermde natuur bepaald te worden. Hiertoe is voor het plangebied een quickscan flora en fauna en een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Soortenbescherming Uit de quickscan flora en fauna (zie bijlage 4) blijkt dat tijdens de inventarisatie geen beschermde soorten met binding aan het plangebied zijn aangetroffen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Wel ligt het plangebied op enkele meters van een onderdeel van het NNN, namelijk het ‘Waternatuurgebied’. Het NNN ligt wel buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden in het projectgebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Op circa 3,75 km van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (‘Biesbosch’). Uit het onderzoek naar stikstofdepositie (zie bijlage 5) blijkt dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

4.11.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.12 Verkeer en parkeren

4.12.1 Regelgeving en beleid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. Koersnota Mobiliteit Dordrecht In 2018 heeft de gemeenteraad de Koersnota Mobiliteit Dordrecht vastgesteld. Het doel van de koersnota is richting te geven aan een realistisch, vernieuwend en ambitieus verkeer- en vervoerbeleid, welke de ruimtelijke en economische agenda van de stad en de ambitie voor een maritieme topregio ondersteunt. Er is geen plaats voor grote nieuwe structuren en daarom staat het (anders) benutten van de bestaande infrastructuur en voorzieningen centraal. Ook is er veel winst te behalen in het slimmer koppelen van de netwerken en het slimmer organiseren van het gebruik.

4.12.2 Onderzoek Ontsluiting Het plangebied ligt aan de Oranjelaan in het projectgebied Stadswerven van Dordrecht. Ten noordoosten van het plangebied ligt de Prins Hendrikbrug. Via deze brug en de Merwedestraat bereikt men de N3 (randweg) en de A15. Wanneer men het plangebied verlaat in zuidwestelijke richting bereikt men in nog geen 2 kilometer het Centraal Station van Dordrecht. Verder ligt op enkele meters van het plangebied de bushalte ‘Parklaan’. De locatie is hiermee ook goed aangesloten op het openbaar vervoer. Tevens is de bestaande ontsluiting van de locatie goed voor fietsers en wandelaars. Het plangebied is hiermee goed bereikbaar en ontsloten. Voor de ontsluiting kan gebruik gemaakt worden van het bestaande wegennet. Er is geen aanpassing daarvan nodig. Verkeersgeneratie In de toekomstige situatie worden maximaal 38 woningen in het plangebied gerealiseerd. Het plangebied ligt in de schil van het centrum van Dordrecht, een zeer sterk stedelijke gedeelte. De verkeersgeneratie bedraagt derhalve (op basis van CROW publicatie 381) na transformatie maximaal 236,2 verkeersbewegingen. De verkeersgeneratie kan goed worden opgevangen in de bestaande situatie. Parkeren Nieuwbouw moet voldoen aan de parkeernormen van de gemeente Dordrecht. Hiervoor hanteert de gemeente de "Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten".

Aangezien de exacte invulling op het moment van opstellen van dit bestemmingsplan niet bekend is, wordt aanbevolen de toetsing aan de gemeentelijke beleidsregels voor parkeren uit te voeren op het moment dat deze wel bekend zijn.

4.12.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning onderdeel bouwen zal getoetst worden aan de geldende beleidsregels voor parkeren.

4.13 Water

4.13.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het doorlopen van de watertoets van het waterschap verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Stedelijk waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009-2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan. Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hollandse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is rekening gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond.

Het water draagt bij aan de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied. De waterstructuur is een aantrekkelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water. Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht.

4.13.2 Onderzoek Nagenoeg het gehele plangebied is reeds verhard in de vorm van bebouwing en erfverharding. Verder is binnen de begrenzing van het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen binnen (de beschermingszone van) een primaire en/of secundaire waterkering.

4.13.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.14 M.e.r. beoordeling

4.14.1 Regelgeving en beleid

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst deze afweging gemaakt dient te worden. Deze lijst geeft namelijk aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> <0000>

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: <0000> <0000> <0000>

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

Procedure vormvrije m.e.r. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Voor projecten die beneden de drempelwaarden uit de D-lijst vallen, geldt de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals hierboven omschreven dient te worden doorlopen. Door het college van de gemeente Dordrecht dient een afzonderlijk besluit genomen te worden of een vormvrije m.e.r.-beoordeling ook daadwerkelijk volstaat. Dit besluit nemen zij aan de hand van een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

4.14.2 Onderzoek De ontwikkeling omvat de realisatie van maximaal 38 woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, is een aanmeldnotitie opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Uitkomst van de aanmeldnotitie is dat belangrijke nadelige gevolgen in het kader van het Besluit m.e.r. voor het milieu niet te verwachten zijn (zie tevens de in deze toelichting beschreven milieuaspecten).

4.14.3 Conclusie Het aspect m.e.r-beoordeling vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Planmethodiek De bestemmingen zijn van de verbeelding afleesbaar. In de regels is aangegeven onder welke voorwaarden er gebouwd kan worden. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

5.2 Regels Inleidende regels In dit hoofdstuk van de regels is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Bestemmingen In iedere bestemming is in de bestemmingsomschrijving aangegeven voor welke doeleinden de aangewezen gronden zijn bestemd. Daarna wordt in algemene zin aandacht besteed aan de bouwregels, de afwijkingen, en specifieke gebruiksregels. <0000> Tuin De bestemming ‘Tuin’ is opgenomen voor onder andere tuinen en groenvoorzieningen. Ook verblijfsgebieden, parkeerplaatsen en ontsluitingswegen zijn toegestaan. Op of in de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar erfafscheidingen en keerwanden zijn wel toegestaan. <0000> Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen. Tevens zijn nutsvoorzieningen in de kelder en op de begane grond toegestaan. Deze functie is beperkt in de omvang. Middels specifieke gebruiksregels is ook het maximum te realiseren woningen vastgelegd. Het uitoefenen van een beroep aan huis en mogelijk maken van kamerverhuur is opgenomen in een afwijkingsregel. De maximale bouwhoogte is aangegeven op de verbeelding.

Algemene regels In dit hoofdstuk van de regels zijn, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotbepaling is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor de gronden waar een aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het Besluit ruimtelijke ordening staat wat wordt verstaan onder een aangewezen bouwplan. Een exploitatieplan is niet nodig als de kosten van het bestemmingsplan anderszins verzekerd zijn. Dit kan met een overeenkomst of via de gronduitgifte. De betreffende gronden worden ontwikkeld door de ontwikkelaar. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van de ontwikkelaar. Ten behoeve van de ontwikkeling is een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin is overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer. Het opstellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro is om deze reden achterwege gelaten.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inspraak De gemeente Dordrecht en initiatiefnemer hebben gezamenlijk op 3 november 2020 voor omwonenden een digitale informatiebijeenkomst georganiseerd. Naar aanleiding van reacties van een deel van de omwonenden, is er nader contact geweest waaronder correspondentie per mail en brief en een gesprek in mei 2021. Het ontwerp-bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd en gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl zodat eenieder de mogelijkheid heeft een zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad.

7.2 Overleg Het in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overleg is gevoerd met: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Provincie Zuid-Holland; Rijkswaterstaat; Waterschap Hollandse Delta; Tennet TSO; Omgevingsdienst Haaglanden; Veiligheidsregio.

Vanuit het overleg met Rijkswaterstaat is gebleken dat een aanvullend Barro-onderzoek nodig is voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Dit onderzoek is op 31 januari 2022 uitgevoerd. Conclusie is dat het plan voldoet aan de regels zoals vastgelegd in het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening). Zie paragraaf 3.1.2. Het onderzoek is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/502/documents/17166