Toelichting 25e wijziging APV.pdf
Tekst van het document
fToelichting op de Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 25e wijziging Wijzigingsartikel A Met dit wijzigingsartikel wordt een fout hersteld. Op pagina 9 van de Horecanota wordt het volgende vermeld.
We verruimen de mogelijkheden voor aangepaste openingstijden voor de horeca. Een deel van de Dordtse horeca/gasten wil graag ruimere openingstijden. We verruimen daarom het aantal incidentele ‘verlaatjes’ van 5 naar 12 keer per jaar. De regeling geldt in horecaconcentratiegebieden en locaties met een horeca 2-bestemming en geldt niet voor paracommerciële horeca. Bij het feit dat de regeling niet geldt voor paracommerciële horeca wordt de volgende noot vermeld. 'voor paracommerciële horeca gelden wel uitzonderingen' De uitzondering is namelijk dat een rechtspersoon van paracommerciële horeca voor incidentele festiviteiten wel 5 verlaatjes (artikel 2:29, lid 4 onder e APV) kan aanvragen. Dit was juridisch verankerd in artikel 2:292:29, lid 6. Met de 22e wijziging van de APV (waarin de nieuwe verlaatjes zijn verankerd) is deze mogelijkheid abusievelijk verwijderd. Het is echter niet de bedoeling geweest om dit te doen. Deze fout wordt met wijzigingsartikel A dan ook hersteld.
Wijzigingsartikel B Deze wijziging vloeit voort uit de motie 'Vreemd aan de orde van de dag- Minder casino's in Dordrecht. Deze is ingediend door de Dordtse VVD, CU SGP en Denk Dordrecht en is op 23 september 2025 bij bijna volledige instemming in de gemeenteraad aangenomen. Voor de motivering ervan wordt verwezen naar de afhandeling van deze motie in de gemeenteraad van 23 september 2025.
Wijzigingsartikel C Artikel 2:59 Gevaarlijke honden In het oude artikel 2:59 was niet duidelijk opgenomen dat de burgemeester bevoegdheid heeft de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen. Dit bevoegdheidsgebrek is nu hersteld. Verder is het hele oude artikel 2:59 vervangen door de tekst van het artikel van de model-APV. De reden hiervoor is dat het model-artikel een betere redactie kent. Voor de volledigheid is onderstaande toelichting een toelichting op het gehele (geactualiseerde) artikel 2:59. 1
Inhoudelijke toelichting Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat hier een definitie is opgenomen. Overtreding van de gebodsbepaling moet de gemeente vanzelfsprekend strafbaar stellen in artikel 6:1.
Meer informatie over de aanpak van gevaarlijke honden op basis van de huidige wetgeving is te vinden in twee artikelen uit de Gemeentestem: Over honden en brokken: de publiekrechtelijke aanpak van bijtincidenten deel I en II, Gst. 2017/79 en 89. In het eerste deel wordt het standpunt ingenomen dat de lichte bevelsbevoegdheid van de burgemeester van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet de bevoegdheid geeft om de hond te laten inslapen. Ten eerste omdat als een hond in beslag is genomen, deze doorgaans in een opslagplaats buiten de gemeente vertoeft (en zich dus buiten het eigen gemeentelijke domein bevindt). Ten tweede omdat de lichte bevelsbevoegdheid bedoeld is voor lichte gevallen en het laten inslapen van een hond niet als zodanig kan worden bestempeld.
Op 5 februari 2018 heeft de verantwoordelijke minister voor dierenwelzijn, de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over haar beleidsvoornemens met betrekking tot de aanpak van zogenaamde hoog-risicohonden (Kamerstukken II 2017/18, 28 286, nr. 942). De minister wil samen met gemeenten een totaalpakket aan maatregelen opstellen, ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Eerste onderdeel van dat totaalpakket is dat het CCV een barrièremodel en interventiekompas gaat opstellen, instrumenten om de problematiek en het effect van de maatregelen te analyseren. Verder wil de minister de kennis en kunde van de hondenhouder verbeteren; hondenbelangenorganisaties zouden cursussen moeten ontwikkelen. Gemeenten kunnen de hondenhouder dan in voorkomend geval naar zo’n cursus sturen. Dit zal niet zozeer op grond van de APV zijn, maar op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 5:21 en volgende van de Awb (last onder bestuursdwang/dwangsom), of – als ultimum remedium – in acute situaties op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (bevelsbevoegdheid burgemeester bij acute, concrete (dreigende) verstoring openbare orde). Ook wil de minister dat gemeenten en politie kunnen beschikken over betrouwbare data en dat zij daarom data over bijtincidenten bijhouden.
Het gaat hier over een landelijk registratiesysteem en een laagdrempelig meldpunt bij gemeenten, zoals ook opgenomen in de brief van 17 mei 2017 van de staatssecretaris van Economische Zaken (Kamerstukken II 2016/17, 28 286, nr. 909). De minister wil ook een wetenschappelijk onderbouwde lijst van hoog-risicohonden die gemeenten kunnen gebruiken om in combinatie met binnengekomen signalen via het laagdrempelig meldpunt, problematische hond/eigenaar-combinaties eerder op te sporen en gerichte maatregelen te treffen. Bij genoemde brief van 17 mei 2017 was in bijlage 3 al een lijst opgenomen. Die kunnen gemeenten nu al gebruiken in combinatie met binnengekomen signalen. De Tweede Kamer heeft op 6 maart 2018 een motie aangenomen waarin hij de regering verzoekt advies in te winnen van de Raad voor Dierenaangelegenheden over de (juridische) mogelijkheid van een fok- en importverbod als sluitstuk van het beleid ten aanzien van hoog-risicohonden (Kamerstukken II 2017/18, 28 286, nr. 957). 2
Jurisprudentie ARRS 05-02-1991, Gst. 1991, 6932, 13. Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen.
Vz. CBb 24-05-1993, AB 1993, 460. Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de pitbulls op grond van artikel 74 van de GWWD.
Pres. Rb. Zwolle 03-0-1995, JG 95.0307, Gst. 1996, 7028. Een soortgelijke casus. Artikel 74 van de GWWD is een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 van de Gemeentewet.
Vz. ABRvS 22-05-2001, KG 2001, 179. Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
ABRvS 02-07-2014, ECLI:NL:RVS:2014:2380. Het college heeft met het opleggen van een gebod tot kort aanlijnen in combinatie met een muilkorfgebod ter voorkoming van nieuwe bijtincidenten, de grenzen van de hem in dit verband toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Het college heeft in redelijkheid de herdershonden als gevaarlijk kunnen aanmerken en het aanlijn- en muilkorfgebod kunnen opleggen.
ABRvS 02-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3689. Bijtincidenten leiden tot maatschappelijke onrust en verstoring van de openbare orde. Burgemeester mocht hond Diesel in beslag nemen op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Geen vervolgmaatregelen (euthanaseren, tenzij hond overgedragen aan een ander) op grond van dit artikel mogelijk, nu na inbeslagneming onrust en verstoring openbare orde zich niet meer voordoen.
ABRvS 13-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:984. Het college komt beoordelingsvrijheid toe bij het bepalen of een hond gevaarlijk of hinderlijk is en of in verband daarmee een aanlijn- en muilkorfgebod noodzakelijk is. Aanlijn- en muilkorfgebod terecht opgelegd. Geen grond voor preventieve last onder dwangsom, want er bestaat geen grond voor het oordeel van het college dat appellante zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan het voor de hond (een Rottweiler) opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod zal houden.
3
Rb. Zeeland-West-Brabant 30-10-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:6936 en Rb. Zeeland-West-Brabant 2012-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8467. Bijtende hond (Mechelse herder) vormt concreet en actueel gevaar voor de openbare orde. Burgemeester is op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd tot in beslag nemen en testen. Aanlijn- en muilkorfgebod niet toereikend.
ABRvS 04-10-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2689. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of een hond (Bordeaux dog) gevaarlijk of hinderlijk is als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de APV en beleidsruimte bij zijn beslissing om al dan niet een aanlijngebod op te leggen. College mocht afgaan op een naar aanleiding van een bijtincident door een agent, tevens hondengeleider, opgesteld proces-verbaal van bevindingen om de hond als gevaarlijk aan te merken. Aanlijngebod terecht opgelegd.
ABRvS 28-02-2018, ECLI:NL:RVS:2018:644. In het licht van meerdere incidenten is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot inbeslagname op grond van 172, derde lid, van de Gemeentewet. In haar oordeel betrekt de Afdeling dat maatregelen (aanlijn- en muilkorfgebod; voorzieningen treffen op eigen terrein) een nieuw bijtincident niet hebben kunnen voorkomen, de daardoor ontstane onrust in de woonomgeving en dat de burgemeester op grond van het risico-assessment heeft mogen meewegen dat de eigenaresse van de hond in een kinderrijke buurt woont. De annotatoren J.G. Brouwer en A.E. Schilder zijn kritisch over het gebruik van de lichte bevelsbevoegdheid in deze situatie (AB 2019/148). Deze bevoegdheid leent zich volgens hen niet voor inbeslagname van een hond. Zij bepleiten toepassing van de herstelsanctie last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1 van de Awb). Op basis van artikel 5:30, vijfde lid, van de Awb kan de hond in eigendom aan een derde worden overgedragen of worden vernietigd (lees: de hond laten inslapen).
ABRvS 18-07-2018, ECLI:NL:RVS:2018:2448 (Roosendaal). De burgemeester is niet bevoegd om zijn in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid aan te wenden in een situatie waarin de APV voorziet. Als een aanlijn- of muilkorfgebod kan worden opgelegd om een nieuw bijtincident te voorkomen, kan de burgemeester in redelijkheid niet van deze bevelsbevoegdheid gebruikmaken.
ABRvS 19-02-2020, ECLI:NL:RVS:2020:514 (Assen). Het college van B&W had met toepassing van spoedeisende bestuursdwang besloten tot inbeslagname van een rottweiler. Het besluit tot inbeslagname was gebaseerd op een artikel in de APV die vergelijkbaar is met artikel 2:59 van de model APV. Het besluit tot inbeslagname heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stand gehouden. Dit is voor het grootste deel terug te voeren op het feit dat het college de hond eerder als gevaarlijke hond had aangewezen en hiermee ook een aanlijn- en muilkorfgebod had opgelegd. De Afdeling vindt het aannemelijk dat de hond bij latere bijtincidenten niet gemuilkorfd was.
Wijzigingsartikel D In artikel 2:79, lid 2, aanhef wordt een spellingsfout hersteld.
Wijzigingsartikel E 4
Algemeen Met dit wijzigingsartikel worden redactioneel twee gereserveerde artikelen ingevoegd. De reden hiervoor is om in lijn te kunnen blijven met de nummering van de model-APV van de VNG. Artikel 4:5 C wordt ingevoegd om met dit artikel eerder te kunnen optreden met een financiële prikkel bij geluidshinder van dieren. In een aantal woonoverlast casussen over met name blaffende honden is het namelijk wenselijk in een vroeg stadium met een financiële prikkel te kunnen interveniëren bij voorkeur nog voordat überhaupt sprake is van woonoverlast. Om te kunnen handhaven vanwege woonoverlast (art. 2:79 APV) moet sprake zijn van ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden. In de dossieropbouw bij woonoverlast zijn vanwege de gelaagde opbouw meerdere constateringen en stappen noodzakelijk alvorens een overtreder een financiële prikkel ervaart. De politie heeft de wens om bij geluidshinder van dieren in een veel eerder stadium te kunnen beboeten en dit geautomatiseerd af te doen middels een zogenaamde feitcode. Door het opnemen van dit artikel is gebruik van deze feitcode mogelijk en daardoor kan het boeteproces volledig geautomatiseerd worden uitgevoerd. Inhoudelijk Over artikel 4:5 C kan inhoudelijk het volgende worden opgemerkt. In artikel 4:5 C is de zinsnede “buiten een inrichting” (in de zin van de Wet milieubeheer, zie artikel 4:1) opgenomen.
Deze bepaling moet namelijk worden uitgezonderd voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wet milieubeheer (nu: Omgevingswet) ziet. Gebeurt dit niet, dan loopt de bepaling het risico onverbindend verklaard te worden. De bepalingen valt – net als artikel 4:6 – onder voorschriften over overlast in het algemeen. Let wel: door het opnemen van artikel 4:5 C is artikel 4:6 niet overbodig geworden. In aanvulling op bovenstaande wordt hieronder meer duiding gegeven over de reikwijdte van het begrip van ‘buiten een inrichting’. Artikel 4:1 sub b definieert het begrip inrichting als volgt 'inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (…)'. In het bedoelde artikel staat dat het betreft 'elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht'. Bij een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gaat het om een inrichting waar bedrijvigheid wordt ondernomen die bedrijfsmatig is of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. Dat is bij een woning meestal niet het geval. In artikel 4:5 C van de APV gaat het dan ook om gevallen waarin geen sprake is van een inrichting.
De woorden 'buiten een inrichting' geven hier blijk van. Daar vallen woningen en bij woningen behorende erven dus in beginsel onder. Dit is alleen anders als er binnen de woning bedrijfsmatig activiteiten plaatsvinden of in een zodanige omvang dat van bedrijfsmatig sprake is. Bijvoorbeeld als er in de woning een fokker woont die daar thuis bedrijfsmatig zijn activiteiten uitoefent. In dat geval biedt artikel 4:5 C geen ruimte om tegen blaffende honden op het bij de woning behorende erf op te treden, omdat zo'n woning en bijbehorend erf als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer moet worden gezien. De situatie kan in dat geval wellicht worden onderworpen aan een bestemmingsplan toets op basis van de Omgevingswet.
5
Het oude geluidshinder artikel voor dieren (2:59 A) bevatte het bestanddeel aanhoudende, indringende geluidsoverlast. Dit is niet meer opgenomen in het nieuwe artikel 4:5 C. Om hinder daadwerkelijk te onderbouwen zal de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaar of ambtenaar van de politie met redenen van wetenschap omkleed de feiten en omstandigheden in het procesverbaal (PV) moeten vermelden. Dit zijn de bronnen van kennis (zintuigelijke waarnemingen) van de opsporingsambtenaar van wat hij of zij in een PV vastlegt.
Wijzigingsartikel F Met de 22e wijziging was abusievelijk niet het kaartje voor horecaconcentratiegebieden in een bijlage opgenomen. Deze omissie wordt met de voorliggende wijziging hersteld.
6