CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 12e herziening bestemmingsplan Dubbeldam, locatie Oudland.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 28 september 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 12: Raadsinformatiebrief terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan "12e herziening bestemmingsplan Dubbeldam, locatie Oudland" - Raadsinformatiebrief17.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierin wordt aandacht besteed aan het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Voor externe veiligheid (EV) worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor individuele burgers. Het Groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een risicobron overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij deze bron, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour). Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor het plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar.

Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval bij de risicobron waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt, in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, geen harde norm, maar een oriënterende waarde. Ter bepaling van de hoogte van het groepsrisico zijn risicostudies uitgevoerd. De uitkomsten van deze studies zijn beoordeeld aan de hand van het provinciale en gemeentelijke Beleid.

4.5.2 Onderzoek De locatie is gelegen langs de Recklinghausenweg te Dordrecht. Op basis van de externe veiligheid beleidskaart blijkt dat de locatie niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Wel is het invloedsgebied van het bedrijf Chemours over het planvoornemen gelegen. Ook is een klein deel van het planvoornemen (zuid-westhoek) gelegen in het invloedsgebied van de hogedruk aardgas buisleiding en een deel van het plan valt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (Dordrecht – De Staart). Onderstaand worden deze risicobronnen verder behandeld.

Chemours Het invloedsgebied van Chemours is circa 3.175 meter groot. Het plangebied ligt aan de rand van dit invloedsgebied. Door het planvoornemen zal het aantal aanwezige personen binnen het plangebied beperkt wijzigen. Gezien de afstand van het planvoornemen tot Chemours (circa 2.500 meter) en de ligging binnen stedelijk gebied, wordt aangenomen dat dit geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Daarbij geldt dat het invloedsgebied wordt bepaald door de toxische scenario’s. Bij een toxisch scenario, moeten de aanwezigen binnenhuis schuilen en de ventilatie uitschakelen. Juist gezien de afstand van het planvoornemen tot Chemours, en de snelheid waarmee een eventuele gifwolk richting het planvoornemen drijft, is door middel van alarmering en het centraal afschakelen van de ventilatie voldoende tijd voor de aanwezigen om zich in veiligheid te brengen (of te wel de zelfredzaamheid is hoog). Concluderend is te stellen dat de verwachting is, dat er geen sprake is van een wijziging in de hoogte van het groepsrisico. De zelfredzaamheid is door het binnenhuis kunnen schuilen) hoog. Buisleiding De buisleiding heeft een invloedsgebied van 70 meter. Drie woningen binnen het plan zijn gelegen binnen dit invloedsgebied. Gezien de beperkte toename van het aantal personen, en de ligging in stedelijk gebied is geen wijziging te verwachten van het groepsrisico.

Tevens ligt het plan buiten de 100% letaliteitscontour en de house-burning afstand. De house-burning afstand van een buisleiding is de afstand tussen de woningen en de buisleiding die nodig is om de risico's te verkleinen die op kan treden bij brandgevaar. Spoorlijn De spoorlijn Dordrecht – De Staart loopt langs het planvoornemen. Het invloedsgebied ligt over het planvoornemen, echter ligt het planvoornemen buiten de 200 meter contour. Vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes is alleen een groepsrisicoverantwoording noodzakelijk als het plan gelegen is binnen de 200 meter van de spoorlijn. Dit is niet het geval, een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

4.5.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het invloedsgebied van Chemours, de buisleiding en het spoor over het plangebied is gelegen. Bij een nadere analyse van deze gegevens blijkt dat gezien de afstand naar verwachting is dat er geen sprake is van een wijziging in de hoogte van het groepsrisico. Aan de zelfredzaamheidseis van de aanwezigen wordt (door binnenhuis te schuilen) voldaan. Hierover is ook advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.

4.6 Geluid 4.6.1 Regelgeving en beleid Volgens de Wet geluidhinder zijn alle wegen gezoneerd, met uitzondering van 30 km/ uur gebieden en woonerven. Op 1 januari 2007 is er een nieuwe Wet geluidhinder van kracht geworden. Met de nieuwe wet is wordt voortaan de geluidsbelasting als daggemiddelde (Lden) weergegeven. Getalsmatig heeft dit tot gevolg dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wegverkeerslawaai veranderd is in 48 dB. Ook de maximale ontheffingswaarde is daarmee veranderd: van 65 dB(A) is deze veranderd in 63 dB. Voor industrielawaai blijft de ‘oude’ eenheid dB(A) nog van kracht

wegverkeerslawaai

In de Structuurvisie Dordrecht 2040 is Stadspolder, Vissershoek en Oudelandshoek onderdeel van het leefmilieu sub-urbaan. Als vertrekpunt behoort daarbij de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Dit is door de aanwezigheid van geluidsbronnen, als de N3 en stadswegen niet overal haalbaar.

Industrielawaai

De Wet geluidhinder verplicht om industrieterreinen waarop lawaai-veroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaai-makende bedrijven gevestigd mogen zijn. Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Het plangebied valt niet binnen een zone van een industrieterrein.

spoorweglawaai

De geluidsbelasting ten gevolgen van railverkeer mag niet meer bedragen dan 55dB. In een aantal situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot maximaal 68 dB. De spoorlijn Dordrecht Gorinchem ligt aan de zuidzijde van het plangebied.

Beleid hogere waarden Op 11 december 2007 zijn door burgemeester en wethouder van Dordrecht de 'Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld. Daarin is beschreven in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere waarden kunnen worden verleend. Voor de verlening van hogere waarden dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Hiervoor zijn onder meer de volgende randvoorwaarden gesteld: <0000> woningen dienen in principe een geluidsluwe zijde te krijgen. Hierbij is een geluidsluwe zijde, een zijde waarvan de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde; <0000> een buitenruimte bij een woning is in principe niet gelegen aan de hoogste belaste zijde; <0000> het geluidsniveau in de buitenruimte van de woningen mag (indien gelegen aan de bronzijde) niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de geluidsbelasting op de als geluidsluw aangemerkte gevel; <0000> elke woning bevat in beginsel één slaapkamer die niet aan de hoogste geluids- belaste zijde is gesitueerd; bij voorkeur wordt de helft van de geluidsgevoelige ruimten samen niet aan de hoogste geluidsbelaste zijde gesitueerd.

4.6.2 Onderzoek Door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is akoestische onderzoek ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van Oudland verricht (zaaknummer Z-18-330995, Documentnr. D-18-18095160). Binnen de zone langs de route Provincialeweg/Recklinghausenweg, de route Visserstuin/Provincialeweg en de Stadspolderring worden nieuwe woningen gerealiseerd. Dit betekent dat een akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het railverkeer over de Merwede-Lingelijn in dit onderzoek betrokken. De zone van 100 meter langs deze spoorlijn is formeel gezien niet binnen het plangebied gelegen. Uit het onderzoek is gebleken dat alleen het verkeer op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De andere wegen en het spoorverkeer veroorzaken geen geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Deze geluidbronnen veroorzaken daarom geen belemmeringen. De geluidbelasting bedraagt op de eerstelijnsbebouwing langs de route Provincialeweg/Recklinghausenweg maximaal 54 dB. De maximaal mogelijk te verlenen hogere waarde van 63 dB wordt daarom niet overschreden.

In het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd dat voor woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld sprake moet zijn van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Uit de resultaten blijkt dat achter de gesloten bebouwingswand sprake is van zowel een geluidluwe zijde als een geluidluwe buitenruimte. Dit geldt zowel voor de woningen in de wand als voor de woningen die daar achter liggen.

Deze bebouwing is ook de hoek om 'gesloten' uitgevoerd. Dit is vanuit geluid niet strikt noodzakelijk voor zover de wand langs de Provincialeweg/Recklinghausenweg maar niet wordt onderbroken met grotere openingen waarachter direct woningen zijn gelegen. Kleinere openingen, zoals een ontsluitingsweg met voetpaden daarlangs, zijn niet onmogelijk. Als tweede onderzoeksoptie is in het zuidwestelijke deel uitgegaan van een 2 strokenverkaveling met woningen haaks op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg. Deze vanuit akoestisch oogpunt meest ongunstige oriëntatie is niet mogelijk binnen de voorwaarden die in het gemeentelijke geluidbeleid zijn gesteld. Op de verdiepingen van de woningen die het dichtst bij deze route zijn gelegen is geen sprake van een geluidluwe gevel. Ter plaatse van 1 woning is geen sprake van een geluidluwe buitenruimte. In de gesloten variant (U-vormige bebouwing) kan wel worden voldaan aan deze voorwaarden.

4.6.3 Conclusie Alleen het verkeer op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg veroorzaakt een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De andere wegen en het spoorverkeer veroorzaken geen belemmeringen. De geluidbelasting bedraagt maximaal 54 dB en is lager dan de maximale ontheffingswaarde. Omdat een hogere waarde noodzakelijk is moet worden getoetst aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid. Uit deze toetsing blijkt dat met een aanééngesloten wand langs de route Provincialeweg/Recklinghausenweg bij elke woning sprake is van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Een strokenverkaveling in het zuidwestelijke deel van het plan leidt er toe dat niet bij alle woningen kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid.

4.7 Groen 4.7.1 Regelgeving en beleid In de Structuurvisie Groene Ruimte, het Boomstructuurplan, Nota Parken ende Nota Kleurrijk Groen zijn uitgangspunten voor de groenvoorzieningen opgenomen. De bomenstructuur op het Eiland van Dordrecht valt grotendeels samen met de belangrijke structuurelementen, zoals het patroon van dijken, wegen, water en bebouwing. Bomen vullen deze structuurelementen in ruimtelijk, maar ook functioneel opzicht aan. Parken zijn de kern van het openbaar groen en vaak ook het openbaar gebied. De parken hebben een belangrijke recreatieve en ecologische functie. Een goed beheer van de parken is dan ook van groot belang.

4.7.2 Onderzoek Een onderscheid moet gemaakt worden tussen het groen in de woonomgeving, groen langs hoofdontsluitingsroutes en het structurele groen in het plangebied. De belangrijke ontsluitingsroutes van de wijk zijn ontworpen met en voorzien van een duidelijke groenzone. Dit is het geval bij de Recklinghausenweg, de Stadspolderring, de Groene Zoom, de Chico Mendesring en de Hastingsweg. Dit groen blijft gehandhaafd. Centraal door het plangebied is van noordoost naar zuidwest een groenzone voorzien. Er zijn geen bijzonderheden in het beheer van het groen geconstateerd.

4.7.3 Conclusie De structurele groenvoorzieningen worden gehandhaafd en als zodanig bestemd.

4.8 Natuur 4.8.1 Regelgeving en beleid

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie ‘oude’ natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. De Wet natuurbescherming kent 4 beschermingsregimes voor soorten: <0000> art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels; <0000> art 3.5: bescherming van dieren en planten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten' genoemd; <0000> art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlagen A en B van de Wet Natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving; <0000> art 1.11: algemene zorgplicht.

In genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen uit de Wet zijn (iets) anders geformuleerd dan de verbodsbepalingen uit de oude Flora- en faunawet. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten / voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, dus ook voor algemene soorten zoals konijn en egel. De provincies hebben de mogelijkheid om vrijstellingsbesluiten op te stellen. In deze besluiten staat voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet (vergelijkbaar met de vroegere tabel 1 soorten van de Flora- en faunawet). Ten opzichte van de oude wetgeving is de lijst met beschermde soorten gewijzigd. Naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wet. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen.

Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 In 2008 is het Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 vastgesteld. De doelstelling van de SES is behoud en ontwikkeling van natuur met een optimale diversiteit, waarbij zoveel mogelijk wordt uitgegaan van gebiedseigen soorten en habitats. De Stedelijke Ecologische Structuur is opgehangen aan een aantal thema’s. Een van de thema’s is “Dordrecht rivierenstad”. Het water en de nabijheid van de Biesbosch drukken hun stempel op de natuur in de stad.

4.8.2 Onderzoek Op 9 juni 2020 is voor het plangebied een Quickscan gemaakt. Een quickscan flora en fauna is een kort, eerste onderzoek. In deze fase wordt onderzocht of er mogelijk beschermde planten of dieren op het terrein voorkomen en/of dat de nieuwe ontwikkeling effecten heeft voor deze soorten. De inventarisatie heeft op 9 juni 2020 op de locatie plaatsgevonden. Het terrein bestaat in de autonome situatie voor het grootste deel uit kruidenrijk grasland, waarbinnen een duidelijk onderscheid in vegetatie is te zien tussen het deel wat voorheen kunstgras was en het deel wat voorheen reeds natuurlijk begroeid was. De vegetatie bestaat uitsluitend uit algemene gras- en kruidensoorten. Langs de noordoostelijke en zuidoostelijke randen van het terrein bevinden zich bomenrijen. Aan de noordoostelijke kant van het terrein wordt deze bomenrij omgeven door hoge (> 3 meter), opgaande begroeiing. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de inventarisatie weergegeven. Effecten beschermde soorten:

Soortgroep

Geschikt habitat

Aangetroffen

Ontheffing nodig en waarom?

Voorzorgsmaatregelen werkzaamheden

Vaatplanten

Ja

Nee, geen beschermde soorten

Nee

Nee, algemene zorgplicht is van toepassing (Wnb art. 1.11)

Vleermuizen

Ja, foerageergebied / vliegroute

Ja, Gewone dwergvleermuis* , Ruige dwergvleermuis* , Laatvlieger*

Nee, mogelijke functie van plangebied als foerageergebied en/of vliegroute is niet essentieel in de omgeving.

Nee, algemene zorgplicht is van toepassing (Wnb art. 1.11)

Vogels

Ja

-Ja, o.a. huismus, nijlgans, kauw ter plaatse. -Geen nesten aangetroffen. -Opgaande begroeiing geschikt als nestplaats voor algemene broedvogels en als onderdeel van de functionele leefomgeving van de huismus.

Nee, mits bepaalde voorzorgsmaatregele n worden genomen.

-Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen -Algemene zorgplicht is van toepassing (Wnb art. 1.11)

Overige zoogdieren

Ja, algemene soorten

Nee

Nee

Nee, algemene zorgplicht is van toepassing (Wnb art. 1.11)

Amfibieën

Ja, algemene soorten

Nee

Nee

Nee, algemene zorgplicht is van toepassing (Wnb art. 1.11)

*NDFF 2010-2020

4.8.3 Conclusie De conclusie van de quickscan is dat de werkzaamheden doorgang vinden onder voorbehoud van een aantal voorzorgsmaatregelen in het kader van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Uit het onderzoek blijkt dat er geen vervolgstappen (nader onderzoek) nodig zijn. Het nemen van de genoemde voorzorgsmaatregelen is voldoende.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Regelgeving en beleid De Europese regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is in Nederland geïmplementeerd in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm), ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd. In de ‘Wet luchtkwaliteit’ is opgenomen dat een besluit inpasbaar is vanuit het oogpunt van

luchtkwaliteit, als tenminste aan één van de volgende vier gronden wordt voldaan (artikel 5.16 lid 1): <0000> De voorgenomen ontwikkeling inclusief alle bijbehorende maatregelen leidt niet tot overschrijdingen van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. <0000> De bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtverontreiniging is ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). <0000> De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van een besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Wet natuurbescherming beschermt de bestaande natuurwaarden. Een bestemmingsplan mag pas worden vastgesteld worden als uit onderzoek duidelijk wordt dat de Wet natuurbescherming geen belemmering kan opleveren.

4.9.2 Onderzoek Luchtkwaliteit Ter plaatse is op de locatie geen bebouwing aanwezig. In het plangebied worden 75 woningen gerealiseerd in de vorm van grondgebonden eengezinswoningen en/of appartementen. De exacte invulling is nog niet bekend. Bij een sportcomplex vinden vervoersbewegingen plaats. Deze vervoersbewegingen komen te vervallen. De nieuwe invulling van het plan gebied brengt ook vervoersbewegingen met zich mee. Op basis van de Wet luchtkwaliteit zijn plannen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, vrijgesteld van toetsing (Wet milieubeheer, artikel 5.16, lid 1 sub c). Dit betekent dat in overschrijdingssituaties plannen toch gerealiseerd kunnen worden indien de bijdrage van het plan ‘niet in betekenende mate’ is. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 (stikstof dioxide) of PM10 (fijn stof). Dit betekent dat voor zowel NO2 als PM10 planbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 μg/m³ in situaties waarin de jaargemiddelde concentraties de grenswaarde overschrijden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is een lijst met categorieën van inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties opgenomen, die als ‘niet in betekenende mate’ projecten worden beschouwd.

Als een plan binnen de benoemde projectomvang valt, is het vrijgesteld van toetsing. Er is ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dan geen verdere belemmering voor de realisatie van het project. Het woningbouwproject past binnen de Regeling 'NIBM'. Luchtkwaliteit is daarom voor dit project geen belemmering en behoeft niet verder te worden onderzocht. Ook als de bijdrage van de voorgenomen ontwikkelingen In Betekenende Mate (IBM) is, kan het plan alsnog doorgang vinden als de grenswaarden na de planontwikkeling niet worden overschreden. Gezien de lage (achtergrond)concentraties is het niet te verwachten dat de grenswaarden worden overschreden na de planontwikkeling. De woningbouw ter plaatse levert ook vervoersbewegingen op. De geïnventariseerde luchtkwaliteit in 2018 bevat 20-38 µg/m³. De ontwikkeling van deze locatie levert niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Stikstof De Aeriusberekeningen voor de aanleg- en de gebruiksfase van Oudland voor 75 woningen zijn gedaan met kengetallen, die OZHZ heeft afgeleid uit gegevens van woningbouwprojecten die de afgelopen jaren zijn beoordeeld. Het gaat in dit geval om kengetallen op basis van het gebruik van mobiele werktuigen Stage IV. De berekeningen zijn gedaan met kengetallen voor de maximale emissie per woning en kengetallen voor de gemiddelde emissie per woning.

Voor de gebruiksfase is het resultaat geen depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor de aanlegfase is er in alle gevallen een kleine depositie (maximaal 0,04 mol/ha/jaar) op de Biesbosch. Inmiddels is in juni 2021het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in het Staatsblad gepubliceerd. Dit besluit en de al eerder gepubliceerde Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn ingegaan op 1 juli 2021. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie

resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, dus in de aanlegfase. Het Rijk maakt nog afspraken met de bouwsector over de stikstofreductie tijdens de aanlegfase en de bijbehorende maatregelen, gericht op emissiearme werk- en voertuigen. De maatregelen worden onderdeel van de structurele aanpak stikstof. Het kabinet benadrukt dat de (stikstof)effecten van de bouwvrijstelling periodiek worden gemonitord, zodat tijdig kan worden bijgestuurd indien nodig. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd.

Dat betekent bijvoorbeeld dat nog steeds een natuurvergunning nodig kan zijn voor de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door het verkeer op een aan te leggen weg. Uit de bovengenoemde Aeriusberekening van de OZHZ blijkt dat ijn de gebruiksfase er geen depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar zal plaatsvinden. Voor de aanlegfase, waarvoor de bovengenoemde recente wetgeving dus een vrijstelling kent, zal de depotsitie maximaal 0,04 mol/ha/jaar op de Biesbosch bedragen. In het geval van deze kleine deposities is een ecologische toets waarin wordt aangetoond dat er geen sprake is van significante effecten niet langer noodzakelijk. Toch is er in afwachting van de verdere afspraken met de bouwsector voor gekozen deze ecologische voortoets uit te voeren. Deze voortoets is verricht door BK Bouw- en Milieuadvies BV, d.d. 25 juli 2001, projectnummer 202442. Uit deze voortoets kan worden geconcludeerd dat voor de getroffen hexagonen/habitattype/leefgebied significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten aan de hand van criteria 7 genoemd in de handreiking voortoets stikstof. Verder blijkt uit objectieve gegevens het volgende: • De depositie is dermate klein dat deze niet leidt tot een verandering in concurrentieposities tussen planten, en daarmee niet tot een meetbare verslechtering van de habitat/leefgebied.

• De berekende maximale depositie van 0,02 mol/ha/jr valt in het niet bij de natuurlijke fluctuaties die plaats-vinden. • De verwachtte afname van achtergronddepositie is gemiddeld 0,02 kg/ha/jr (tussen 2017 en 2030) wat gelijk staat aan ongeveer 14 mol N/ha/jr waarbij de depositie door het planvoornemen in het niet valt. Op basis van de bovenstaande gegevens kunnen significant negatieve effecten ook worden uitgesloten.

4.9.3 Conclusie Het woningbouwproject past binnen de Regeling 'NIBM'. Luchtkwaliteit is daarom voor dit project geen belemmering en behoeft niet verder te worden onderzocht. ten aanzien van Stikstof luidt de eindconclusie dat aangezien als gevolg van het plan met zekerheid geen significant verslechterende effecten optreden een passende beoordeling niet nodig is.

4.10 Verkeer en vervoer 4.10.1 Regelgeving en beleid Koersnota De Koersnota die in feite een mobiliteitsplan is, is op 12 mei 2020 vastgesteld door het College en de Raad. Op hoofdlijnen wordt in deze koersnota aangegeven welke richting we denken op te

moeten gaan om de stad bereikbaar en berijdbaar te houden. De mobiliteit zal de komende jaren nog steeds groeien. Ingezet gaat worden op een forse groei van de fiets- en openbaar vervoermobiliteit en een stabilisatie of lieftst afname van de automobiliteit. De komende jaren wordt blijvend ingezet op de Merwede-Lingelijn en wordt gestudeerd op de mogelijkheid om R-Net (RandstadRail)-kwaliteit te gaan rijden op de Merwedelingelijn. Dit betekent lichter en sneller materieel.

4.10.2 Onderzoek Auto De hoofdontsluiting voor wijk Visserstuin is gelegen aan de Provinciale weg. Dit is een 50km/uur weg tot aande kruising met het fietspad J.P. Pierapad. De rest van de bestaande straten zijn woonerf. De nieuwe wijk Oudland zal worden aangewezen en ingericht als 30km/uur zone. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein of op de openbare parkeerplaatsen. Het parkeren wordtt berekend conform het staande parkeerbeleid van de gemeente en het CROW ASVV Fiets Fietsverkeer binnen het plangebied kan gebruik maken van de bestaande fietsinfra zoals het J.P. Pierapad, de Noordendijk, De Visserdijk of het fietspad langs de Provinciale weg wat aansluit op de Haaswijkweg. Ook is een nieuwe route door het groen richting Noordendijk denkbaar. Openbaar vervoer Op de Provinciale weg naast de entrée van de wijk Visserstuin is een bushalte gelegen voor de route naar de stad. Aan de overzijde van de Provinciale weg is een halte gelegen naar de wijk Stadspolders en naar het station Stadspolders. In de wijk Stadspolders is een treinstation van de Merwedelingelijn. Hiermee kan men naar Treinstation Dordrecht centraal om de reis te vervolgen via het spoor of in de richting van station Geldermalsen om de reis te vervolgen via het spoor

4.10.3 Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot problemen op het gebied van verkeer en vervoer.

4.11 Water 4.11.1 Regelgeving en beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn, die ervoor moet zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In het verleden zijn vele Europese richtlijnen op het gebied van water verschenen. De Kaderrichtlijn Water, die in 2000 van kracht is geworden, moet meer eenheid brengen. De nieuwe richtlijn betekent een ambitieuze en innovatieve aanpak van waterbeheer. Kernelementen zijn: • de bescherming van alle wateren, meren, kustwateren en grondwateren; • het stellen van ambitieuze doelen om ervoor te zorgen dat alle wateren in het jaar 2015 de “goede toestand” hebben bereikt; • de verplichting tot grensoverschrijdende samenwerking tussen landen en tussen alle betrokken partijen; • ervoor zorgen dat alle belanghebbenden actief deelnemen aan activiteiten op het gebied van

waterbeheer; • de verplichting tot het voeren van een waterprijsbeleid en ervoor zorgen dat de vervuiler betaalt; • het in evenwicht houden van de milieubelangen en de belangen van hen die afhankelijk zijn van het milieu.

Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.

Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De provincie Zuid Holland heeft een Provinciaal Waterplan opgesteld met het provinciaal beleid ten aanzien van water. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied.

Beleid waterschap Hollandse Delta Waterschap Hollandse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat dan om het waterkwantiteits- en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg en de waterzuivering. In het Waterbeheerplan 2016-2021 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater.

Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor hemelwaterlozing een watervergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van berging binnen het peilgebied waarin de toename van

verharding plaatsvindt. Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie vereist dat gemeenten hierin het voortouw nemen. Stedelijk Waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009-2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan. Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hollandse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is rekening gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond. Het water draagt bij aan de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied. De waterstructuur is een aantrekkelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water.

Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht.

4.11.2 Onderzoek In de structuurvisie zet Dordrecht in op de ambitie klimaatneutraal in 2050. Dit is concreet vertaald in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen in Zuid-Holland (2018). In dit convenant zijn procesafsprakengemaakt gericht op het verminderen van de wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Het Convenant is op 4 oktober 2018 van start gegaan. In de eerste fase van dit convenant is toegewerkt naar een minimaal programma van eisen (in concept) voor nieuwbouw in relatie tot: <0000> Hevige neerslag: Hevige neerslag leidt niet tot grote schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in of buiten het plangebied; <0000> Droogte: Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de gebouwde omgeving; <0000> Hitte: Tijdens hitte biedt de bebouwd omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; <0000> Bodemdaling: Bodemdaling in bebouwd gebied blijft beperkt en betaalbaar; <0000> Overstromingen: Bebouwde omgeving is bestand tegen overstromingen; <0000> Biodiversiteit: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving; <0000> Bewegen: De openbare ruimte nodigt uit tot sportief gebruik en langer verblijven/ontmoeten. Een van de doelen is het klimaatbestendig maken van deze nieuwe woonbuurt.

Immers, vanwege het veranderende klimaat worden waterberging en waterveiligheid steeds belangrijker. Het waterbergende vermogen neemt hierdoor toe. Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel verharding er in het plangebied zal komen. Dat hangt af van het plan dat in het kader van de tenderprocedure zal worden geselecteerd. De ontwikkelaar dient te voldoen aan de compensatie-eisen die het Waterschap stelt. Bij een toename van de verharding van meer dan 1500 m2 dient 10% te worden gecompenseerd binnen hetzelfde plangebied. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een minimale diepte van waterpartijen van 2 m -NAP. Het peil binnen het plangebied ligt momenteel op -1,50 m -NAP. In sloten dient minimaal 50 cm water te staan. De mate waarin voldaan wordt aan de overige hierboven genoemde eisen in het kader van klimaatadaptatie kunnen als een positief kwalitatief effect bij de selectie van de uiteindelijke ontwikkelaar worden aangemerkt. De benodigde oppervlakte aan water in het kader van compensatie mag niet worden meegerekend bij de klimaatadaptatiemaatregelen. De ambitie om van deze locatie een klimaatbestendige woonbuurt te maken is vertaald naar inrichtingseisen die gelden bij het bouwen en/of inrichten van het nieuwe woongebied.

Voor bouwof inrichtingsplannen geldt dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een inrichtingstekening wordt ingediend waaruit blijkt hoe aan de inrichtingseisen voor klimaat kan worden voldaan. Dit betekent ook dat bewoners straks een omgevingsvergunning nodig kunnen hebben voor het verharden van gronden die aangewezen zijn of meetellen in het oppervlak groenblauw. De Noordendijk heeft ter hoogte van het plangebied geen enkele waterkerende functie meer en zorgt derhalve niet voor belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.11.3 Conclusie Met de vereiste compensatie-eisen dient bij de ontwikkeling van concrete plannen binnen het plangebied rekening te worden gehouden. Het voldoen aan aanvullende klimaatadaptatiemaatregelen kan een voorkeur opleveren bij de selectie van de uiteindelijke ontwikkelaar.

4.12 M.E.R.-beoordelingsplicht 4.12.1 Regelgeving en beleid Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten, die zijn genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), maar onder de daar genoemde drempelwaarden blijven, uitvoering worden gegeven aan de artikelen 7.16, 7.17 eerste t/m vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. De op stedelijk niveau veel voorkomende activiteiten zijn de activiteiten, genoemd in bijlage D11.2 bij het Besluit Mer: stedelijke ontwikkelingsprojecten, waaronder de bouw van 2000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van bijlage D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van bijlage D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten.

4.12.2 Onderzoek Dit plan kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavig plan betreft het veranderen van een sportveldencomplex in een woongebied met 75 woningen. Het plangebied is ca. 4 ha groot. De omvang van onderhavig plan blijft hiermee ver onder de indicatieve drempelwaarden en er kan daardoor met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben.

Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: - de plaats van het project; - de kenmerken van het project; - de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. In het onderstaande wordt het planvoornemen beschreven aan de hand van bovengenoemde drie criteria.

De plaats van het project

Ligging plangebied

Omgeving met rechts het plangebied

Het plangebied "Oudland" ligt tussen de Noordendijk, de Provincialeweg en de Recklinghausenweg in de gemeente Dordrecht. Het gebied sluit aan bij de bestaande wijk Visserstuin. De locatie is gelegen in de bebouwde kom tussen bestaande woongebieden, langs een hoofdontsluitingsweg en tegenover een bedrijventerrein bestemd voor bedrijven met een lagere milieucategorie. Plangebied "Oudland" is het voormalige sportpark Corridor. De voetbalvelden op het sportpark zijn verplaatst na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over geluidoverlast dat door met name de voetbalvereniging werd veroorzaakt. Het voormalige sportpark is bijna 4 hectare groot. Het gebouw van de voetbalvereniging is gesloopt en de sportvelden zijn ontmanteld. Het nog aanwezige gebouw van de tafeltennisvereniging blijft in ieder geval tot 2030 aanwezig en in gebruik door deze vereniging. Voor deze vereniging komt een eigen parkeervoorziening. Bijzondere gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000 gebied of een gebied dat behoort tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied De Biesbosch ligt op ca. 1.5 km. Dit gebied is ook aangewezen als stiltegebied en is een stikstofgevoelig natuurgebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) ligt op ca. 1 km afstand.

Er is geen sprake van een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Het plangebied is in het bestemmingsplan 'Dubbeldam" (vastgesteld op 16-12-2014) van de gemeente Dordrecht aangewezen als een gebied met 'Waarde – Archeologie- 3'. Deze aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van en de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden.

Ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebied De Biesbosch

De kenmerken van het project Op de planlocatie wordt de bouw van maximaal 75 woningen voorzien. Er wordt een gemengd programma aan woningen gerealiseerd met vrije kavels, rij- en beneden en bovenwoningen en sociale huurwoningen of -appartementen. De gebouwen zijn maximaal 3 bouwlagen hoog. Het exacte aantal en verdeling van de woningen is nog niet bekend. Er zijn geen andere nieuwe functies voorzien dan wonen, met het daarbij horende gebruik voor parkeren, verkeer, openbaar groen en openbare speelruimten. Het gebouw van de tafeltennisvereniging blijft in ieder geval nog tot 2030 aanwezig en in gebruik. Dan loopt het huurcontract af van het gebouw. Verkeersontsluiting en parkeren De ontwikkeling in plangebied "Oudland" wordt ontsloten via de Visserstuin. In westelijke richting sluit de Visserstuin aan op de Provinciale Weg en in oostelijke richting op de Recklinghausenweg (gemeente Dordrecht) . Dit zijn hoofdonsluitingswegen met een maximum toegestane snelheid van 50 km/uur. De parkeerbehoefte wordt binnen het plangebied opgevangen. Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling van het gebied worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen met uitzondering van gas benut. Afvalstoffen zullen ontstaan tijdens de aanleg- en gebruiksfase.

Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Cumulatie met andere projecten Er zijn geen beoogde ontwikkelingen bekend in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.

Kenmerken van de milieueffecten Uit de uitgevoerde onderzoeken die in deze toelichting van het bestemmingsplan zijn opgenomen is voldoende inzicht gekregen in de milieugevolgen van de voorgenomen planontwikkeling "Oudland". Op de aspecten water, externe veiligheid, bodem, geurhinder, verkeer, geluidhinder, luchtkwaliteit en archeologie zijn, met inachtneming van de onderzoeken als beschreven in de betreffende paragrafen op voorhand geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu voorzien.

4.12.3 Conclusie In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het planvoornemen. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de effecten

van het project, wordt geconcludeerd dat de milieueffecten van het project niet van dusdanige omvang zijn dat sprake is van 'belangrijke nadelige milieugevolgen'. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

HOOFDSTUK 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Planmethodiek De verschillende bestemmingen zijn met hun bouwgrenzen direct van de verbeelding af leesbaar. Voor de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

5.2 Inleidende regels In dit hoofdstuk van de regels is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

5.3 Bestemmingen In iedere bestemming is in de bestemmingsomschrijving aangegeven voor welke doeleinden de aangewezen gronden zijn bestemd. Daarna wordt in algemene zin aandacht besteed aan de bouwregels, de afwijkingen en eventueel nadere eisen en specifieke gebruiksregels. Wonen In het gehele plangebied wordt gewerkt met ruime bouwvlakken met de bestemming Wonen, waarbinnen de zogenaamde hoofdbebouwing is toegestaan, maar ook de bijgebouwen, erven en tuinen zijn voorzien. Uitgangspunt is dat wanneer de hoofdbebouwing gerealiseerd is, de lengte, breedte en situering daarvan het bouwvlak vormt. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen kunnen uitsluitend vergunningsvrij op basis van artikel 2 van Bijlage II Bor worden gerealiseerd. Binnen deze bestemming kunnenverschillende woningtypen worden gerealiseerd. In totaal kunnen binnen het plangebied 75 woningen, waarvan 25 in de vorm van sociale woningbouw worden gerealiseerd. Woningen langs de Recklinghausenweg moeten als een aaneengesloten bouwblok worden gerealiseerd, teneinde aan de geluidhindereisen te kunnen voldoen. Tuin Het deel van de uit te geven percelen die voor de voorgevel en liggen en de van bebouwing vrijblijvende delen die tot 1 m achter de voorgevel liggen worden aangemerkt als tuin. Het uitbreiden van woningen door middel van een aanbouw of het plaatsen van bijgebouwen is op deze gronden niet toegestaan.

Wel mogen vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en mag ter plaatse van de oprit worden geparkeerd. Deze gronden dienen vooral een groene uitstraling te krijgen. Groen De bestemming Groen is gegeven aan structurele groenplekken. Ook binnen de woonbestemmingen kan aanvullend, niet structureel groen voorkomen. Binnen de groenbestemming mag ook water worden aangelegd. Daarnaast is een route voor hulpdiensten binnen deze bestemming mogelijk. Sport Deze bestemming is opgenomen voor de tafektennisvereniging, welke verder geen onderdeel uitmaakt van de ontwikkelingen binnen het plangebied. Water De bestemming Water is gegeven aan structurele waterpartijen en sloten. Binnen deze bestemming kan een deel van de route voor hulpdiensten worden gerealiseerd. Waarde - Archeologie 3

Vanwege de eerder in deze toelichting beschreven mogelijke archeologische waarden is een regeling opgenomen waaruit bescherming van de archeologische waarden bij bouwen en bij de uitvoering van werken voortvloeit. Binnen het gehele plangebied bestaat in principe een verplichting tot het doen van archeologisch vooronderzoek en zorg voor archeologische waarden. Dit betreft zowel bouwen als aanleggen. In principe mag alleen worden gebouwd als uit onderzoek blijkt dat geen beschermingswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of deze in voldoende mate zijn zeker gesteld. Deze regeling is niet nodig bij gelijke vervanging van bestaande bouwwerken en bij nieuwe bouwwerken die kleiner zijn dan 50 m², waarvan de fundering niet dieper ligt dan 100 cm beneden maaiveld en/of waarvoor het palenplan onder de maximaal 5% (inclusief grondverdringing) van het te bebouwen oppervlak blijft Voor het uitvoeren van verschillende grondwerkzaamheden, zoals het leggen van nieuwe kabels en leidingen, vernieuwen van riolen of verlagen van het waterpeil is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden nodig. Pas met vergunning kunnen die werken worden uitgevoerd.

In afwijking hiervan is zo’n vergunning niet nodig voor onder meer het uitvoeren van: <0000> normale onderhoudswerkzaamheden; <0000> grondwerkzaamheden tot een diepte van 100 cm bij 'Waarde - Archeologie - 3' (gemeten vanaf het huidige maaiveld); <0000> archeologisch onderzoek door een gekwalificeerd archeoloog. Overig De bouwregels en mogelijkheden van afwijking voor de verschillende bestemmingen bevatten elementen die specifiek zijn gericht op het onderhavige gebied en een direct gevolg van het eerder genoemde uitgangspunten voor dit bestemmingsplan. Naast de hiervoor per bestemming geregelde afwijkingsbepalingen is ook de gebruikelijke algemene afwijkingsbepaling (voor bouwwerken van openbaar nut, verschuiven verschillende grenzen, plaatsen van uitingen van beeldende kunst) opgenomen.

5.4 Algemene regels In dit hoofdstuk van de regels worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Antidubbeltelbepaling; Het artikel "Antidubbeltelbepaling" bevat bepalingen om te voorkomen dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het opnemen van dit artikel is verplicht voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene bouwregels; In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels geregeld die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Algemene gebruiksregels; Deze gebruiksregels geven aan wat in het plan in ieder geval onder verboden gebruik wordt verstaan. Aandacht wordt gevraagd voor de algemene gebruiksregels waarin ondermeer een regeling voor de beroepsuitoefening aan huis (inclusief de vrije beroepen) is opgenomen. Doel van deze regeling is de bescherming van de woon- en leefsituatie ter plaatse. Naast een maximum percentage en oppervlakte en het feit dat de beroepsuitoefenaar ter plaatse dient te wonen, is bepaald dat activiteiten, die op voorhand geen overlast voor de woonomgeving veroorzaken, zonder meer zijn toegestaan.

Indien de kans op overlast wel aanwezig is, dient een ontheffing te worden aangevraagd, zodat van geval tot geval een afweging kan worden gemaakt. Binnen deze regeling is ook de vestiging van Bed & Breakfast tot op zekere hoogte mogelijk. Algemene afwijkingsregels; In dit artikel is in aanvulling op de mogelijkheden van afwijken uit de bestemmingen nog een aantal algemene mogelijkheden om af te wijken opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.

5.5 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotbepaling is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijk ordening (artikel 6.12) staat dat de gemeente verplicht is om een exploitatieplan vast te stellen, voor de gronden waar een aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het Bro is vermeld wat wordt verstaan onder een aangewezen bouwplan. Het gaat daarbij om: de bouw van één of meer woningen, één of meer hoofdgebouwen, uitbreiding van het hoofdgebouw met ten minste 1.000 m², functieverandering naar woningen voor ten minste 10 woningen, of functieverandering naar horeca of kantoor voor ten minste 1.000 m². Het bestemmingsplan voorziet in rechtstreekse bouwmogelijkheden van hiervoor genoemde "aangewezen bouwplannen" op enkele percelen gemeentegrond. Bij de verkoop van deze grond ten behoeve van woningbouw wordt het kostenverhaal in de koopprijs meegenomen. Het opstellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro is om deze redenen niet nodig en achterwege gelaten.

HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Participatie Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel de ontwikkeling van een woongebied op een voormalige sportterrein dat niet meer in gebruik is (behoudens een klein deel door een tafeltennisvereniging) mogelijk te maken en daarmee bij te dragen aan de taakstelling voor woningbouw binnen de gemeente. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn twee informatieavonden gehouden. Waar mogelijk is met de resultaten van die informatieavonden in het bestemmingsplan rekening gehouden.

7.2 Overleg Het in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overleg is gevoerd met: Provincie Zuid-Holland 1. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie/energie 2. Waterschap de Hollandse Delta 3. KPN Telecom Netwerkdiensten 4. TenneT TSO 5. Veiligheidsregio.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/342/documents/12442