CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 12e herziening bestemmingsplan Dubbeldam, locatie Oudland.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 12 oktober 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 24: Raadsinformatiebrief terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan "12e herziening bestemmingsplan Dubbeldam, locatie Oudland" - Raadsinformatiebrief17.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting 12e herziening bestemmingsplan Dubbeldam, locatie Oudland

gemeente: Dordrecht fase: ontwerp bestemmingsplan

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 1 Inleiding 4 1.1 Aanleiding en doel 4 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan 5 1.4 Leeswijzer 5 HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving 6 2.1 Historie 6 2.2 Bestaande ruimtelijke structuur 6 2.3 Bestaande functionele structuur 7 2.4 Uitgangspunten 9 HOOFDSTUK 3 Beleidskader 11 3.1 Rijksbeleid 11 3.1.1 Amvb Ruimte 11 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking 11 3.2 Provinciaal beleid 12 3.2.1 Structuurvisie Ruimte en Mobiliteit 3.2.2 Verordening Ruimte 13 3.3 Gemeentelijk beleid 14 3.3.1 Structuurvisie Dordrecht 2040 14 3.3.2 Wonen 14 3.3.3 Werken en voorzieningen 15 HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 16 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 16 4.1.1 Regelgeving en beleid 16 4.1.2 Onderzoek 17 4.1.3 Conclusie 18 4.2 Bedrijven en milieuzonering 18 4.2.1 Regelgeving en beleid 18 4.2.2 Onderzoek 18 4.2.3 Conclusie 19 4.3 Bodemkwaliteit 20 4.3.1 Regelgeving en beleid 20 4.3.2 Onderzoek 20 4.3.3 Conclusie 20 4.4 Duurzaamheid 21 4.4.1 Regelgeving en beleid 21 4.4.2 Onderzoek 21 4.4.3 Conclusie 21 4.5 Externe veiligheid 22 4.5.1 Regelgeving en beleid 22 4.5.2 Onderzoek 23 4.5.3 Conclusie 26 4.8 Natuur 29 4.8.1 Regelgeving en beleid 29 4.8.2 Onderzoek 29 4.8.3 Conclusie 30 4.6 Geluid 27 4.6.1 Regelgeving en beleid 27 4.6.2 Onderzoek 27 4.6.3 Conclusie 27 4.7 Groen 28 4.7.1 Regelgeving en beleid 28 4.7.2 Onderzoek 28 4.7.3

Conclusie 28 4.9 Luchtkwaliteit 30 4.9.1 Regelgeving en beleid 30 4.9.2 Onderzoek 30 4.9.3 Conclusie 31

11 12

4.10 Verkeer en vervoer 32 4.10.1 Regelgeving en beleid 32 4.10.2 Onderzoek 32 4.10.3 Conclusie 33 4.11 Water 33 4.11.1 Regelgeving en beleid 33 4.11.2 Onderzoek 36 4.11.3 Conclusie 36 HOOFDSTUK 5 Juridische planbeschrijving 37 5.1 Planmethodiek 37 5.2 Inleidende regels 37 5.3 Bestemmingen 37 5.4 Algemene regels 39 5.5 Overgangs- en slotregels 40 HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid 41 HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 42 7.1 Inspraak 42 7.2 Overleg 42

HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Het sportterrein aande Recklinghausenweg was in gebruik bij een voetbalvereniging en een tafeltennisvereniging. Als gevolg van beroep van omwonenden tegen de ligging van een kunstgrasveld op dit terrein waardoor dat zou moeten worden verplaatst, en als gevolg van krimp in de georganiseerde sport is de voetbalvereniging een samenwerking aangegaan met een vereniging op een andere locatie binnen de gemeente en zijn de sportvelden beschikbaar gekomen voor een ander gebruik. De tafeltennisvereniging heeft een huurcontract dat nog enige jaren loopt en het gebruik van het verenigingsgebouw van deze vereniging wordt gedurende de huurtermijn voortgezet. Inmiddels zijn de sportvelden onbruikbaar gemaakt en is het verenigingsgebouw van de voetbalvereniging gesloopt. Door de krimp in de georganiseerde sport en -als gevolg daarvan- de bundeling van sportverenigingen op een beperkter aantal sportterreinen binnen de gemeente is er geen behoefte aan een (her)gebruik als sportterrein voor het onderhavige terrein. Binnen de gemeente is er grote behoefte aan woningen in verschillende prijscategorieën. Er geldt een taakstelling voor de bouw van 4000 woningen binnen de huidige collegeperiode. Een invulling met woningbouw ligt voor dit terrein dan ook voor de hand. Het geldende bestemmingsplan Dubbeldam uit 2014 laat de bouw van woningen niet toe.

Om toch het terrein voor woningbouw te kunnen benutten is de voorliggende herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Ligging plangebied binnen de gemeente Dordrecht

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het oosten van Dordrecht en wordt globaal begrensd door: In het noordoosten: de Noordendijk; In het zuiden en oosten: de Recklinghausenweg; In het noorden en westen: de bebouwing van het woongebied Vissertuin.

Begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Dubbeldam, vastgesteld op 16 december 2014 en in werking getreden op 10 april 2015. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de betemmingen Sport, Groen, Water en Waarde Archeologie-2. Binnen deze bestemmingen is geen woningbouw toegestaan.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 1 worden enkele algemene, in ieder bestemmingsplan voorkomende, onderdelen beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 het nu voorliggende plan beschreven. In hoofdstuk 3 komt het beleid van rijk, provincie en gemeente aan de orde. Bij de beschrijving van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de verantwoording, zoals op de terreinen archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, water en milieu. Per onderdeel worden de regelgeving en het beleid benoemd. Vervolgens wordt het onderzoek beschreven en wordt een conclusie getrokken.

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. De hoofdstukken 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving 2.1 Historie Tussen 1980 en 2000 is in drie delen de wijk Stadspolders gebouwd. Nadat in 1989 Stadspolder zo goed als gereed was volgde Vissershoek, het tweede wijkdeel. In 1994 is gestart met bouwactiviteiten in Oudelandshoek. Het plangebied is in aansluiting op de woningbouw in Stadspolders aangelegd als sportterrein voor een voetbalvereniging en later deels ook verhuurd aan een tafeltennisvereniging. Op het sportterrein werd een kunstgrasveld aangelegd, waartegen omwonenden bezwaar en beroep hebben aangetekend. Het beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gegrond verklaard, waardoor het kunstgrasveld op de betreffende locatie niet langer in gebruik kon blijven. Verplaatsing van het kunstgrasveld zou hoge kosten met zich mee brengen en voor de voetbalvereniging een ongewenst resultaat opleveren. Bovendien diende zich een mogelijkheid aan voor een samenwerking met FC Dordrecht als amateurtak van die vereniging, waardoor een verhuizing naar het sportterrein Krommedijk voor de hand lag. Hierdoor kwam het grootste deel van het plangebied vrij, waardoor een ander gebruik van het plangebied dient te worden overwogen. De tafeltennisvereniging heeft een huurcontract waar de komende jaren rechten aan kunnen worden ontleend en zal het verenigingsgebouw gedurende de contractermijn blijven gebruiken.

Gelet op de taakstelling van de gemeente op het gebied van woningbouw, ligt een woningbouwlocatie hier voor de hand, waarbij het verenigingsgebouw vande tafeltennisvereniging buiten de planontwikkeling wordt gelaten. In deze woningbouwontwikkeling voorziet het voorliggende bestemmingsplan.

2.2 Bestaande ruimtelijke structuur Het plangebied is een circa 3.8 ha groot sportcomplex en bestaat uit inmiddels onbruikbare sportvelden. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied een ruime parkeervoorziening en is het plangebied omzoomd door een groenbestemming met sloten. Het plangebied grenst aan het woongebied Vissertuin, waarin vrijstaande en geschakelde twee-onder-een-kapwoningen uit 2005 zijn gesitueerd.

2.3 Uitgangspunten De ontwikkeling van dit gebied wordt in een zogenaamde tender op de markt gezet, waarbij eisen aan en randvoorwaarden voor de ontwikkeling worden meegegeven. Deze staan in de zogenaamde bouwenvelop. De uiteindelijke invulling van het plan wordt binnen de gegeven eisen en randvoorwaarden door de markt (winnaar van de tender) bepaald. Een aantal specifieke elementen dient bij de ontwikkelingen van het gebied in acht te worden genomen: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

Maximaal 75 woningen in het plangebied, waarvan maximaal 25 in de categorie sociale huur of -koop; De eerstelijns bebouwing langs de Recklinghausenweg moet een geluidswerende wand vormen die het achterliggende gebied geluidsluw maakt; Een openbare groene zone van noordoost naar zuidwest door het plangebied die een zichtlijn biedt op de Noordendijk; De eerstelijns bebouwing moet op voldoende afstand van de Recklinghausenweg liggen om de geluidsbelasting op de gevels van de dichtst bij deze weg gelegen woningen onder de 53dB te krijgen; Er mogen geen achterkanten aan de openbare ruimte grenzen; alle woningen moeten met hun voorkanten op de openbare ruimte worden gericht; Er moet een gemengd woningbouwprogramma worden gerealiseerd met vrije kavels (ca. 25%), rij- en beneden en bovenwoningen (ca. 45%) en sociale huurwoningen (ca. 30%); De bestaande groenzones langs de Noordendijk en de Recklinghausenweg moeten in stand worden gehouden of versterkt;

<0000>

Bestaand en nieuw groen moet worden ontsloten door openbare, recreatieve routes die aansluiten op de omliggende buurten, zodat zowel de nieuw te ontwikkelen woningen als de omgeving kunnen profiteren van het groen (gebruik en beleving) en de Corridor als geheel meer toegankelijk wordt; <0000> Van het plangebied moet 3% worden ingericht als openbare speelruimte (formeel en informeel); <0000> De hoofdontsluiting van het plangebied moet na de bocht in de Visserstuin, gezien vanaf de kruising met de Recklinghausenweg, liggen om voldoende opstelruimte bij de kruising te houden; <0000> De overloopfunctie voor de buurt van het huidige parkeerterrein bij het sportpark dient te worden behouden door voldoende parkeermogelijkheid in de openbare ruimte te realiseren; <0000> Bestaande kabels en leidingen blijven liggen of worden zonodig verlegd en moeten toegankelijk zijn via de openbare ruimte; <0000> Er moet watercompensatie plaatsvinden door het creëren van oppervlaktewater met een oppervlak van 10% van het te verharden oppervlak in het plangebied; <0000> Tafeltennisvereniging Dordrecht (TTVD) heeft een tot augustus 2030 lopend huurcontract met de gemeente en kan gedurende de looptijd van dit huurcontract op de huidige locatie worden gehandhaafd.

De locatie van TTDV wordt om die reden buiten het project gehouden en krijgt in dit bestemingsplan een bestemming Sport, gericht op de tafeltennisvereniging. Om te voorzien in de parkeerbehoefte worden er 18 parkeerplaatsen bij TTVD gerealiseerd wanneer het huidige parkeerterrein niet meer beschikbaar is; <0000> De afstand tussen de achtergevels van de bestaande woningen van Visserstuin 32-36 en nieuw te bouwen woningen moet 30 m bedragen; <0000> Uit een oogpunt van bereikbaarheid bij calamiteiten eist de brandweer dat een tweede ontsluiting dient te worden aangelegd. <0000> Er is binnen de gemeente behoefte aan sociale woningbouw, welke verspreid over het grondgebied van de gemeente gerealiseerd dient te worden. Het plangebied leent zich voor een menging van woningbouwcategorieën en derhalve ook voor een deel sociale woningbouw. Uitgegaan wordt van maximaal 25 sociale huurwoningen binnen het plangebied. Vanwege het feit dat de sociale woningbouw niet door dezelfde ontwikkelaar als de overige woningen zal worden gerealiseerd en er rekening gehouden dient te worden met onderling verschillende bouwstromen, is het noodzakelijk dat dit appartementencomplex aansluit op de ontsluiting aan de zuidzijde van het plangebied. Deze uitgangspunten zijn vertaald op de verbeelding, onder meer door de ligging van de rooilijnen en bouwvlakken, en voor zover mogelijk in de planregels.

Daarnaast spelen deze uitgangspunten een belangrijke rol bij de selectie van de ontwikkelaar van het gebied door middel van de aanbestedingseisen en zullen ze in het kavelpaspoort, dat onderdeel vormt van de grondtransactie, worden vastgelegd.

HOOFDSTUK 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze visie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: <0000> Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; <0000> Duurzaam economisch groeipotentieel; <0000> Sterke en gezonde steden en regio's; <0000> Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.

Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: <0000> Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; <0000> Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; <0000> Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

3.1.2 Amvb Ruimte De nationale ruimtelijke belangen worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro of Amvb Ruimte). Op 30 december 2011 is de Amvb Ruimte in werking getreden. Doel is om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan deze algemene regels. De onderhavige herziening voldoet aan het beleid en de algemene regels van het rijk.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 (gewijzigd per 1 juli 2017) is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze ladder moet voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen worden doorlopen en kent drie treden. Met ingang van 1 juli 2017 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' van de ladder en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door 'behoefte'. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden

beschreven. Op dit punt is het beleid onveranderd. Uitgangspunt van de ladder blijft dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Een motivering hierover is alleen nog maar nodig als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de bouw van 75 woningen Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte In de rapportage Wonen in Drechtsteden 2019 wordt geconstateerd dat de woningmarkt nog steeds aantrekt. Verder wordt geconcludeerd dat het regionale woningbouwprogramma goed is afgestemd op de woningvraag, zowel op de korte termijn als de lange termijn. Daarnaast wordt in deze rapportage bevestigd dat er behoefte is aan meer woningen voor hogere inkomens. Stedelijk gebied De locatie bevindt zich in een bestaande (woon)omgeving en sluit daar op aan. Er is sprake van stedelijk gebied. Conclusie: Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.

3.2.2 Omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: <0000> Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; <0000> De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; <0000> Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet <0000> voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; <0000> De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven is geformuleerd: <0000> Naar een klimaatbestendige delta <0000> Naar een nieuwe economie: the next level <0000> Naar een levendige meerkernige metropool <0000> Energievernieuwing

<0000> <0000>

Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit vier kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Beleidskeuzes De provincie heeft twaalf provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied Deze opgave betreft de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte <0000> Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied Het beter benutten van de bebouwde ruimte en de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren.

<0000> Verstedelijking en wonen De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Er wordt gebouwd naar behoefte. Programma ruimte Het Programma ruimte is onderdeel van het omgevingsbeleid en bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema's Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het programma ruimte.

3.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Dordrecht Op 28 april 2021 is de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 vastgesteld. Deze omgevingsvisie streeft naar integraal omgevingsbeleid en beschrijft de keuzes van de gemeente over hoe zij wil functioneren in het fysieke domein en welke ambities zij daar heeft. De visie heeft een zelfbindend karakter en biedt de basis voor de inzet van andere gemeentelijke instrumenten op grond van de Omgevingswet. Met de omgevingsvisie wil de gemeente de groeiopgaven, zoals vastgesteld in het coalitieakkoord verwezenlijken. De gemeente Dordrecht heeft de ambitie om met 10.000 woningen en 4.000 arbeidsplaatsen te groeien. In het coalitieakkoord zijn zes leidende principes vastgesteld: Dordrecht Groeit, Dordrecht Zorgt, Dordrecht Verdient, Dordrecht Verbindt, Dordrecht Geeft Ruimte en Dordrecht Neemt Verantwoordelijkheid. Dordrecht Groeit is een belangrijk leidend principe. Bij elke keuze wordt de vraag gesteld of dit bijdraagt aan de zes principes. Naast de zes principes vormt samenwerking een belangrijk onderdeel van de sturingsfilosofie van Dordrecht. Om de doelen te behalen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren wordt zoveel mogelijk samengewerkt. Om de groeiopgave te faciliteren is een nieuwe integrale visie nodig. De opgaven zijn groot, maar de fysieke ruimte beperkt.

In de omgevingsvisie staan zeven doelen centraal die gelden als randvoorwaarden en zo bijdragen aan de groeiambitie. Het gaat om de volgende zeven doelen: Dordrecht is: <0000> een aantrekkelijke stad, <0000> een bereikbare stad, <0000> een gezonde stad, <0000> een stad met een uitstekend vestigingsklimaat, <0000> in 2035 klimaatbestendig, <0000> in 2050 energieneutraal, <0000> beschermend en bevorderend voor biodiversiteit. Per gebied zijn het benodigde aantal nieuwe woningen en arbeidsplaatsen bepaald. Bij de nieuwe woningen is het belangrijk een gevarieerd woningaanbod te realiseren zodat er ruimte is voor iedere doelgroep. Het plangebied wordt gekenmerkt als suburbaan woongebied. De wijken die tussen 1960 en 2000 gebouwd zijn en verder van het centrum liggen, hebben een groenere uitstraling. Dit zijn de wijken Staart-Oost, Stadspolders, Dubbeldam, Sterrenburg, Zuidhoven, de Dordtse Hout en de nieuw te ontwikkelen wijk Amstelwijck. De woonintensiteit is hier laag (gemiddelde dichtheid van 20-35 woningen per hectare). Er is weinig functiemenging en de groene uitstraling zien we in een relatief groot aandeel eengezinswoningen met privétuinen. Gestapelde bouw komt voor, maar dan in een parkachtige omgeving. Het verkeer bundelen we op de verkeersaders, zoals A15, A16, N3, Laan der VN, Provincialeweg, Merwedestraat en Mijlweg.

Op de vaak doorsnijdende stadsassen die de verbinding vormen tussen de buitenwijken en het centrum (wijkontsluitingswegen) is de autointensiteit hoog. Hier staat de balans tussen leefbaarheid en toegankelijkheid onder druk. In verblijfsgebieden (woongebieden) moet het verblijven voorop staan: gemotoriseerd verkeer is ondergeschikt, met uitzondering van een aantal straten. Daar waar het kan wordt de snelheid verlaagd naar 30 km/u. Er zijn verkeersaders waar de fiets en/of het openbaar vervoer prioriteit hebben (zoals de Krispijnseweg en Noordendijk). Een goede bereikbaarheid van de woningen aan de rand van de stad, bij voorkeur per openbaar vervoer of de fiets, is een blijvend aandachtspunt. Het aspect geluid is gekoppeld aan het beoogde woonmilieu. Daarbij is een tweedeling gemaakt tussen rustig groen en suburbaan wonen enerzijds en stedelijk wonen anderzijds. Langs randen van rijkswegen, lokale wegen, spoorwegen en industrie- en bedrijventerreinen is een hogere geluidbelasting voor de eerstelijns bebouwing onder voorwaarden toelaatbaar. Naast de voorwaarden op woningniveau moet er aandacht zijn voor geluidluwe en groene plekken in het openbaar gebied, op korte afstand en goed bereikbaar voor omwonenden. Mensen ervaren daarbij minder geluidoverlast. De streefwaarde voor buurtrecreatief gebruik is 10m2 per woning.

Kenmerkend voor het gebied woonwijken is de relatief rustige omgeving, waarin het voor gezinnen goed wonen is en in de omgeving genoeg ruimte is om te spelen. De omgeving kan zowel ruim ingericht zijn met ruime plant- soenen en verzorgd openbaar groen, als ingericht zijn met groengebieden met een

natuurlijke uitstraling. Hier staat het natuurbelang voorop en past men het kwaliteitsniveau hoogwaardig toe. In het traject stresstest en risicodialogen zijn de probleem- gebieden in Dordrecht geïdentificeerd op wateroverlast, hitte en droogte. Bij werkzaamheden kunnen we deze problemen aanpakken. De ruimte is echter beperkt op de meeste van deze plekken en in de wijken in het algemeen. We richten ons daarom op multifunctioneel groenblauw ruimtegebruik. Het groenblauw inrichten van deze wijken verbetert de leefkwaliteit in deze wijken. Dat komt door de verkoelende werking en het positieve effect op wateroverlast, biodiversiteit en gezondheid van de inwoners en de leefomgeving. In de woonwijken moeten we bewoners activeren om hun tuin te vergroenen en schaduwrijke plekken te creëren. We gaan op zoek naar mogelijkheden in het openbare terrein voor extra waterberging en verkoelende maatregelen en we willen een betere doorstroming van oppervlaktewater bevorderen. Dit allemaal om hittestress aan te pakken en de waterkwaliteit te verhogen. Voor waterveiligheid dienen we per woonwijk te kijken wat de opgave is voor evacuatie indien er een risico is op een overstroming. Door kwetsbare groepen, beschikbare droge plekken en de impact van een overstroming in kaart te brengen, beoordelen we welke opgave overblijft voor de crisisbeheersing.

3.3.1 Wonen De gemeente Dordrecht heeft een groeiopgave op het gebied van wonen, bereikbaarheid en werken. Het woningaanbod is nu te eenzijdig en kenmerkt zich door te veel middelmaat. Om daadwerkelijk te groeien is een schaal- en kwaliteitssprong vereist. Wonen wordt daarbij gezien als hefboom. Kijkend naar het wonen wordt ingezet op de groei van het aantal woningen: - een kleine 6.000 woningen om de frictie weg te nemen en in onze eigen woningbehoefte te voorzien; - in totaal een groei van 10.000 tot 14.000 woningen om in de groeiambitie te voorzien (dit is inclusief de hierboven genoemde 6.000 woningen). In de Regionale Woonvisie, waarvan de Dordtse paragraaf in 2019 is vastgesteld, is e.e.a. opgenomen. In het coalitieakkoord 2018 – 2022 heeft de gemeente Dordrecht haar groeiambitie uitgesproken en ingezet op een snelle en gefocuste groei met 4.000 kwalitatief hoogwaardige en duurzame woningen, onder andere op de locatie Oudland. Het accent bij de nieuwbouw ligt op het hogere segment, terwijl de andere segmenten niet worden vergeten. Er is namelijk behoefte in alle segmenten, zowel koop als huur. Met het oog op de grote behoefte aan nieuwe woningen, is daarnaast in het coalitieakkoord vastgelegd dat er een harde planvoorraad van nog eens 6.000 woningen op nieuwe locaties opgesteld wordt, die na 2022 gebouwd kunnen worden.

Met de realisatie van 75 woningen in Oudland wordt bijgedragen aan de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor Dordrecht. De locatie leent zich uitstekend voor grondgebonden woningen in het hogere segment, precies daar waar de tekorten nu het grootst zijn en de meeste behoefte naar is, en sluit wat dat betreft goed aan op de reeds aanwezige woningen in de Visserstuin. Daarnaast is dit één van de locaties waar het mogelijk is om sociale huurwoningen te realiseren. In dit segment ligt er een opgave om het huidige tekort in te lopen. Wat betreft de leefbaarheidsdoelstellingen past dit goed in het streven naar sterke en gedifferentieerde wijken waar de gemeente op inzet: minder sociale huur in wijken met een relatief groot aantal sociale huurwoningen en het toevoegen van sociale huurwoningen in delen van de stad waar nu relatief een laag aantal sociale huurwoningen aanwezig is. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van meergezinswoningen, een type woningen waar in het sociale huurwoningensegment behoefte aan is.

3.3.2 Werken en voorzieningen

Binnen het plangebied zijn geen bedrijven, winkels of dienstverlenende functies voorzien. Detailhandel en dienstverlening is op het nabijgelegen winkelcentrum De Bieshof e.o. geconcentreerd. Wel is het in beperkte mate mogelijk onder voorwaarden een beroepsuitoefening aan huis te verrichten.

HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek uit te (laten) voeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven.

Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden. Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. Onderdelen uit de Provinciale Structuurvisie (2010) zijn hier in opgenomen. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: - de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; - de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. Gemeentelijk beleid archeologie Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente.

Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen beleid wat betreft archeologie. Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 dienen archeologische waarden wettelijk in de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsprocessen meegewogen te worden. In de praktijk gebeurde dit in Dordrecht al sinds 1995. In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Dordrecht opgesteld. De kaart is een detaillering en uitwerking van de kaarten die op nationale en provinciale schaal beschikbaar

zijn. Op het gemeentelijk grondgebied varieert de verwachting van laag tot zeer hoog. In het bij de kaart behorende rapport "‘Stad en Slib: het archeologisch potentieel van het Eiland van Dordrecht in kaart gebracht" is de onderbouwing voor de hoogte van de verwachting verwoord. In de Erfgoedverordening Dordrecht (2010) zijn aan de archeologische verwachtingen verschillende voorwaarden en vrijstellingen verbonden. Deze voorwaarden en vrijstellingen worden uiteindelijk in de nieuwe bestemmingsplannen opgenomen. Archeologisch onderzoek in de gemeente Dordrecht is gericht op kenniswinst wat betreft de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad en het Eiland. Van groot belang hierbij is het ontstaan en de ontwikkeling van de stad, de reconstructie van het (cultuur)landschap van het Eiland van Dordrecht en de relatie tussen stad en platteland vóór de ingrijpende St. Elisabethsvloed van 1421. Hiermee sluit de gemeente aan op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie, waarin de relatie tussen mens en landschap in West Nederland binnen de middeleeuwse bewoningsgeschiedenis een speerpunt vormt en uitgewerkt moet worden. De provincie Zuid Holland kent een grote waarde toe aan locaties die informatie bevatten over de ontginning van het veenlandschap in de middeleeuwen.

Het is deze ontginning van het veen en de daarmee samenhangende structuren zoals kaden, dijken, sluizen en die ook nu nog beeldbepalend zijn voor het Hollands landschap. Het Eiland van Dordrecht speelt in landschap een opvallende rol vanwege het in 1421 verdronken en daarna volledig afgedekte landschap, waaraan de huidige Biesbosch een blijvende herinnering is. Bij alle ingrepen in de bodem van Dordrecht dient zorg te worden besteed aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Voor aanvang van grondwerkzaamheden dient dan ook onderzocht te worden of en waar archeologische sporen in het gebied aanwezig zijn en wat hun kwaliteit en waarde is. Als er archeologische behoudenswaardige waarden aanwezig zijn, dient de initiatiefnemer zorg te dragen voor behoud door planaanpassing of opgraven. Behoud in situ verdient daarbij de voorkeur. Bij vaststellen van archeologische waarden en het omgaan met behoudenswaardige waarden dient gewerkt te worden volgens de eisen van de gemeente Dordrecht. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied.

4.1.2 Onderzoek Cultuurhistorie: ontstaan en ontwikkeling van het plangebied Het plangebied Oudland maakt sinds 1603 deel van de Oud Dubbeldamse polder, in het begin ook de polder van het oude land van Dubbeldam genoemd. Nadat het achterland van de stad Dordrecht in 1421 ten gevolge van de Sint Elisabethsvloed was verdronken en onbewoonbaar en onbruikbaar was geworden, is dat de eerste polder die werd gerealiseerd: de basis voor de vorming van het huidige Eiland van Dordrecht. Direct ten zuiden van het plangebied, tussen de Haaswijkweg Oost (vroeger Reeweg) en de Provincialeweg stond tussen 1603 en circa 1870 een niet bij naam bekende boerderij. Mogelijk was dit een onderhorige boerderij van de oorspronkelijk 17e-eeuwse buitenplaats Haaswijk die circa 500 meter oostelijker aan de Haaswijkweg Oost stond. Sinds 1931 staat op de locatie van de 17-eeuws boerderij een nieuwe boerderij, Haaswijkweg Oost 10.

Plangebied en omgeving in 1611 en 1950

Het plangebied zelf is sinds 1603 in gebruik als weiland en er heeft nooit bebouwing gestaan. Er zijn geen cultuurhistorische waarden of monumenten aanwezig. Archeologie In het plangebied zelf zijn geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. In de wijdere omgeving en binnen dezelfde archeologische waarde zone zijn in 2017 twee boor-onderzoeken uitgevoerd: DDT 1707-Vissersdijk 38 en DDT 1714-Haaswijkweg Oost 69A.

Door deze beide onderzoeken is bekend dat het in 1421 verdronken landschap met behoudenswaardige archeologische waarden in het plangebied verwacht kan worden vanaf een diepte van 1,8 m –mv/2,5 m –NAP.

4.1.3 Conclusie De dubbelbestemming Waarde - Archeologie, conform die bepaling in het bestemmingsplan Dubbeldam 2014 (WR-A-3), wordt in het onderhavige bestemmingsplan overgenomen, maar uit die planregel kan de tekst "en tot een oppervlakte van 50m2" vervallen.

4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.2.1 Regelgeving en beleid In situaties waar sprake is van ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder door omliggende bedrijven. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen of andere gevoelige bestemmingen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuaspecten worden in de VNG-publicatie vertaald in richtafstanden. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De richtafstanden kunnen, met uitzondering van de richtafstand voor gevaar, met één stap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat wanneer er sprake is van een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering)

Milieucategorie

Rustige woonwijk

Gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Van de bovengenoemde richtafstanden mag worden afgeweken; wanneer bij de invulling van een plangebied uitgegaan wordt van kleinere afstanden dan de richtafstanden moet onderbouwd worden: - waarom er toch sprake kan zijn van een goed woon-en leefklimaat en/of waarom een kleinere afstand kan volstaan; - dat er geen extra belemmeringen optreden voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. Nader onderzoek naar de specifieke bedrijfsvoering moet uitwijzen of het aanwezige bedrijf een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in de weg staat of dat de woningen een belemmering gaan vormen voor de bedrijfsvoering van het aanwezige bedrijf.

4.2.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen in een omgeving waar een klein aantal bedrijven aanwezig is. Het plangebied en het tegenoverliggend bedrijventerrein wordt gescheiden door de Recklinghausenweg. Deze drukke weg is de toegangsweg tot de wijk Stadspolders. Door de ligging langs deze weg is er sprake van een gemengd gebied. Op basis van het bovenstaande is het mogelijk om de richtafstanden met één stap te verlagen tot de norm 'gemengd gebied'. Eén van de bedrijven op het tegenover het plangebied gelegen bedrijfsterrein is een bedrijf met milieucategorie 4.1. De richtafstand daarvan reikt tot in het plangebied. Richtafstanden voor het betreffende bedrijf

Aspect

Richtafstand rustige woonwijk

Richtafstand gemengd gebied

Geur

200 meter

100 meter

Stof

50 meter

30 meter

Geluid

100 meter

50 meter

Gevaar

50 meter

50 meter

Omdat alleen voor het aspect geur de richtafstand tot over het plangebied is naar dit aspect nader onderzoek worden gedaan. Onderzocht is welke geurrelevante activiteiten het bedrijf verricht en in hoeverre daarvan geuroverlast te verwachten is. Op basis daarvan is bepaald of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de te ontwikkelen woningen voor het aspect geur. Daarnaast is bepaald of de woningen een belemmering kunnen vormen voor eventuele ontwikkelingen van het bedrijf. Het betreft een kunststofverwerkend bedrijf. Binnen de kunststofverwerking zijn met name de volgende processen geurrelevant: harsverwerking (zoals polyesterhars of epoxyhars), productie van oplosmiddelhoudende producten (zoals lijmen), schuimen van EPS of PUR, verwerking van zacht PVC en kunststofrecycling. Bij dit bedrijf vindt geen van bovengenoemde processen plaats. De kunststofproducten worden gemaakt op basis van polyethyleen door middel van extrusie en spuitgieten. Er vinden bij het bedrijf geen geurrelevante activiteiten vanwege oplosmiddelen plaats of alleen op kleine schaal, zoals het bedrukken van de kunststofproducten met inkt. Ook is er geen sprake van bekende geurklachten vanwege het bedrijf. Het is daarom aannemelijk dat de richtafstand van 100 meter voor gemengd gebied in dit geval niet van toepassing is.

De activiteiten zijn wat betreft geur meer vergelijkbaar met SBI code 222.3 productie van verpakkingsmateriaal waarvoor een richtafstand geldt van 25 meter voor geur. Een verandering of ontwikkeling van het bedrijf waarbij geurrelevante activiteiten wel een belangrijke rol kunnen gaan spelen is niet mogelijk binnen het bestemmingsplan voor het betreffende bedrijventerrein (Dubbeldam). Conform het bestemmingsplan "Dubbeldam" zijn namelijk alleen bedrijven toegestaan tot en met categorie 3. Hiervoor bedraagt de maximale richtafstand 50 meter. De woningen zullen dus met betrekking tot het aspect geur geen extra belemmering vormen voor eventuele ontwikkelingen van het bedrijf. De afstand tussen de perceelgrenzen van het bovenbedoelde bedrijf en het plangebied voldoet aan de richtafstand voor geluid. Ondanks dat voldaan wordt aan de richtafstand is nader onderzocht of geluid een aandachtspunt vorm voor de planontwikkeling. Mede omdat in het verleden sprake is geweest van geluidklachten over het bedrijf. Dit in combinatie met het gegeven dat de nieuwe woningen dichterbij het bedrijf komen te liggen dan de woningen in de bestaande situatie. Het bedrijf kan hierdoor beperkt worden in haar bedrijfsvoering. Het bedrijf valt sinds januari 2013 onder het Activiteitenbesluit als een type B inrichting.

Vanaf die datum zijn dan ook de algemene voorwaarden van Hoofdstuk 2 en specifiek de geluidvoorwaarden van afdeling 2.8 "Geluidhinder" van toepassing.

Dit betekent dat de maximale geluidproductie door het bedrijf bij de bestaande omliggende woningen 50 dB(A) etmaalwaarde aan geluid mag maken. Deze waarde van 50 dB(A) was in 2009 ook vergund bij de woningen aan het Suze Groeneweg-erf en deze waarde was ook vergund aan het bedrijf voordat het onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit ging vallen. Deze geluidruimte was gebaseerd op het door het bedrijf aangeleverde akoestische onderzoek van destijds. In een eerder in 2018 opgesteld geluidadvies voor de ontwikkeling in onderhavig plangebied is berekend dat een geluidbelasting van 50 dB(A) bij de woningen aan het Suze Groeneweg-erf betekent dat de geluidbelasting op de woningen aan de rand van onderhavig plangebied kan toenemen tot ongeveer 55 dB(A) etmaalwaarde. Het is mogelijk dat het bedrijf de, nu als uitgangspunt gehanteerde, geluidruimte niet meer nodig heeft en of gebruikt. Uit bovengenoemd akoestisch onderzoek dat ten tijde van de vergunningaanvraag was uitgevoerd bleek dat het bedrijf vrij veel dominante geluidbronnen op het dak van het bedrijf had staan. Die geluidbronnen waren installaties welke ook tot geluidklachten in de omgeving hebben geleid. Inmiddels zijn die installaties van het dak verwijderd. Er zijn de laatste jaren ook geen geluidklachten meer over het bedrijf bekend. De werkzaamheden van het bedrijf vinden binnen plaats.

Het is om bovenstaande reden waarschijnlijk dat het bedrijf de genoemde geluidruimte niet meer nodig heeft of gebruikt. Mocht blijken dat het bedrijf die geluidruimte wel nodig heeft dan kan aan het bedrijf meer geluidruimte worden toegekend door middel van een maatwerkvoorschrift. Voorwaarde is wel dat moet worden gemotiveerd dat deze extra geluidruimte nodig is en aan BBT voldoet. Tevens is in het Activiteitenbesluit opgenomen dat in de betreffende woningen aan de binnenwaarden moet worden voldaan. Voor nieuwe woningen is dat bij een geluidbelasting van ten hoogste 55 dB(A) altijd zo omdat het bouwbesluit al een minimale geluidwering eist van 20 dB. De eis van 35 dB(A) etmaalwaarde in een verblijfsruimte is daarmee gewaarborgd

4.2.3 Conclusie Van één bedrijf reikt de richtafstand voor geur tot over het plangebied, maar leidt niet tot een slecht woon- en leefklimaat. Voor wat betreft geluid reikt de richtafstand van dit bedrijf niet tot over het plangebied, maar door de nieuwbouw wordt de geluidruimte van dit bedrijf beperkt. Op basis van de activiteiten van het bedrijf en de afstanden tot het plangebied kan worden geconcludeerd dat het bedrijf deze geluidruimte naar verwachting niet nodig heeft. Geconcludeerd kan worden dat zowel voor het geur- als het geluidaspect sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wanneer het bedrijf wel meer geluidruimte nodig blijkt te hebben kan die ruimte, onder voorwaarden gegeven worden door het stellen van een maatwerkvoorschrift.

4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten. Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond.

Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid.

Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

4.3.2 Onderzoek Door Geonius is onderzoek naar de bodemkwaliteit verricht. Uit het rapport van Geonius, d.d. 6 oktober 2020, nr. MA200310.RO1.V3.2 blijkt dat er maximaal licht verhoogde gehalten uit het standaard NEN pakket in de bodem zijn aangetroffen. Er is geen (of maximaal licht verontreinigd) sloot- of dempingsmateriaal aangetroffen ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige sloot. Ten behoeve van toepassingsmogelijkheden van de grond is indicatief getoetst aan het besluit bodemkwaliteit. In tabel 4.1 op pagina 20 van het rapport van Geonius zijn de resultaten weergegeven. Dit is ook vermeld in de alinea 'toepassingsmogelijkheden indien grond buiten de regio wordt afgevoerd'. De grond is ten aanzien van PFAS toepasbaar in zone B op basis van de Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid d.d. 13 juni 2018. De aanwezige asfaltverharding is als 'niet teerhoudend' (geraamd op 170 ton) beoordeeld. Het asfalt komt hiermee in aanmerking voor hergebruik. Er zijn funderingslagen aanwezig bestaande uit repac. Voor de hergebruiksmogelijkheden wordt het puin indicatief geclassificeerd als “N-bouwstof”. Voor de grond is indicatief vastgesteld dat er geen veiligheidsklasse (basishygiëne) van toepassing is. Dit is relevant indien er werkzaamheden in de grond gaan plaatsvinden.

De definitieve bepaling dient door een veiligheidskundige te worden bepaald. De onderzoekslocatie ligt niet in een gebied dat verdacht is voor "niet gesprongen explosieven".

4.3.3 Conclusie Vanuit een oogpunt van bodemkwaliteit bestaat er geen bezwaar tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling. Op basis van de resultaten van het rapport worden ten behoeve van de werkzaamheden voor de herinrichting geen nadere aanbevelingen gedaan.

4.4 Duurzaamheid 4.4.1 Regelgeving en beleid Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: transitie naar duurzame energiehuishouding; transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; transitie naar duurzame landbouw. Het NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen.

Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen

Maatschappelijk Duurzaam Ontwerpen beoogt de kwaliteit van een gebouw met de omgeving te verbeteren wat betreft toegankelijkheid, bruikbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Een goed toegankelijk, veilig, gebruikersvriendelijk en duurzaam gebouw is in ieders belang. De gemeente verwacht van projectontwikkelaars en architecten dat zij zich houden aan het gemeentelijke beleid en nieuwbouwwoningen laten voldoen aan de Gemeentelijke prestatierichtlijn. Utiliteitsbouw moet voldoen aan het Handboek van Toegankelijkheid en de Gemeentelijke prestatierichtlijn. Energie Gedreven door onder andere het Klimaatakkoord van Parijs is het doel om vóór het jaar 2050 energieneutraal te zijn. Deze ontwikkeling leidt tot een CO2 neutrale energievoorziening. Voor de gebouwde omgeving is het doel energieneutraal in 2035. Geld dat nu wordt uitgegeven aan energie, wordt geïnvesteerd in de regio, zodat daarmee de arbeidsmarkt, bereikbaarheid en leefbaarheid wordt versterkt. Om deze doelen te bereiken wordt intensief samengewerkt met vele stakeholders in het kader van de Energiestrategie Drechtsteden en Samenwerkingsagenda Drechtsteden Energieneutraal. Het bovenstaande creëert een nieuw ijkpunt voor investeringen en ontwikkelingen. Het jaar 2050 lijkt ver weg, maar is al aan de orde bij langjarige investeringen, zoals bij nieuwe gebouwen en energie-infrastructuur.

Het streven is er op gericht dat deze investeringen toekomstbestendig zijn. De energievoorziening verandert. Een kwart van de gasnetten is aan het einde van de levensduur, energieneutraal wordt de norm en de energie die nog wordt gebruik zal duurzaam worden opgewekt. Het energiegebruik wordt beperkt en de lokale duurzame bronnen worden optimaal benut. Door het uitfaseren van fossiele brandstoffen, zal de vraag naar duurzaam opgewekte elektriciteit toenemen. In de Drechtsteden is de ruimte voor het opwekken van duurzame elektriciteit schaars. Er is wel een overvloed aan geschikte warmtebronnen, door de nabijheid van industriële restwarmtebronnen van de haven, en geschiktheid van de bodem voor geothermie. Voor een optimale energiemix worden deze lokale warmtebronnen zoveel mogelijk benut voor de verwarming van gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten weinig energie gebruiken. Daarvoor geldt momenteel de wettelijke EPC eis in het Bouwbesluit, die is per 1 januari 2020 vervangen door de BENG-eis (bijna energie neutraal). Gebouwen worden zoveel mogelijk op het zuiden georiënteerd. Afwijken van 20 tot 30 graden van het zuivere zuiden is nog toegestaan. De zuid-oriëntatie maakt benutting van passieve zonnewarmte in het stookseizoen mogelijk. Maar in de zomer is die zuid oriëntatie nog belangrijker om oververhitting te voorkomen.

De zonnebaan heeft hiervoor een interessant ingebouwd regelmechanisme. In het zuiden staat de zon in de winter veel lager aan de hemel dan in de zomer. Daardoor kan de winterzon gemakkelijk binnen komen en kan ongewenste zomerzon gemakkelijk worden buiten gehouden. Gebouwen worden benut voor de opwekking van duurzame elektriciteit. De elektriciteit die daarmee wordt opgewekt, wordt bij voorkeur niet gebruikt voor ruimteverwarming, maar voor hoogwaardige toepassingen zoals apparaten en mobiliteit. Nieuwbouw wordt niet meer aangesloten op aardgas. Gebouwen worden waar mogelijk aangesloten op het Warmtenet Dordrecht. Gezien de ligging van het Warmtenet Dordrecht is echter een aansluiting van de woningen binnen het plangebied op dit moment nog niet mogelijk. Wel zijn er ontwikkelingen in de omgeving waardoor aansluiting op het Warmtenet in de naaste toekomst waarschijnlijk wel mogelijk wordt. Eventueel moeten andere bronnen voor de warmtevoorziening in het plangebied worden benut.

4.4.2 Conclusie Bij nieuwe ontwikkelingen dient in principe te worden voldaan aan het aspect duurzaamheid. Via de toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning zal dit nadere aandacht verkrijgen. Ten aanzien van de ontwikkeling van het plangebied worden de volgende harde eisen gesteld: -

Geen aansluiting op aardgas; Aansluiting op net warmtenet indien mogelijk; Bij woningen met eigen parkeergelegenheid: laadinfrastructuur voor elektrisch rijden.

Daarnaast worden de volgende uitdagingen aan de toekomstige ontwikkelaar(s) voorgelegd:

-

Maximaal zongericht bouwen (voorkomen van oververhitting, benutten van passieve zonnewarmte, natuurlijke lichtinval, maximale opwekking van gebouw-gebonden duurzame energie); Energie neutrale wijk (= som van alle energiegebruik in de gebouwen + personenvervoer); Oplossingen voor energie opslag en/of vraagsturing (op wijk- of kavelniveau).

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Regelgeving en beleid Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het in werking zijn van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogd dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door de aanwezigheid van een buisleiding. Daarnaast beoogd dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Besluit externe veiligheid transportroutes Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen.

Daarnaast beoogd dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevt werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)/ Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Provinciaal beleid: Beleidsplan externe veiligheid (CHAMP) De provincie ambieert een veiliger Zuid-Holland.

Zij wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval

vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Hierover zegt de PSV dat op basis van een verantwoording groepsrisico aannemelijk moet worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde en dat daarbij de CHAMP-methodiek door de provincie als toetsingskader wordt gebruikt. CHAMP is een acroniem voor: Communicatie, Horizon, Anticipatie, Motivatie en Preparatie. Eerder genoemd toetsingskader is een aanvulling op en in sommige gevallen een invulling van CHAMP. De voorgenomen ontwikkeling wordt met behulp van de CHAMP methodiek tegen het licht gehouden. Gemeentelijk beleid: toetsingskader externe veiligheid Conform de vereisten van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) wordt aandacht besteed aan externe veiligheid. Op grond van deze besluiten zijn gemeenten verplicht tot het doen van een groepsrisicoverantwoording. De verantwoording van het groepsrisico vindt plaats aan de hand van het gemeentelijk risicobeleid zoals is opgenomen in het Toetsingskader Externe Veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/347/documents/12803