Toelichting 10012022.pdf
Tekst van het document
TOELICHTING VERORDENING TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DORDRECHT, 19e WIJZIGING
A. Deze wijziging betreft een tekstuele correctie. Abusievelijk is de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' niet als apart lid, maar in die van 'het college' opgenomen. Deze verschrijving is met dit wijzigingsartikel hersteld.
B. Deze wijziging bevat tekstuele aanpassingen. In de Algemene plaatselijke verordening werd in diverse artikelen over de Drank- en horecawet gesproken. Deze laatstgenoemde wet is echter sinds 1 juli 2021 vervangen door de Alcoholwet. De tekst van de APV is daarom op dit punt tekstueel geactualiseerd.
C In het nieuwe tweede lid is een verbod opgenomen om enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. In het nieuwe derde lid is voor de strekking van artikel 2:26 het begrip 'evenement' uit artikel 2:24 uitgebreid met crematies en begrafenissen. Met deze twee wijzigingen wordt verwacht dat succesvoller kan worden opgetreden bij evenementen, waarbij verstoring van de openbare orde een reëel gevaar vormt. Deze twee wijzigingen voor artikel 2:26 zijn opgenomen op advies van een werkgroep van het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (het RIEC) die zich bezighoudt met de aanpak van de Outlaw Motorcycle Gangs.
D. Algemeen Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet ter zake van overtreding van het door de raad bij verordening gestelde voorschrift.
Ultimum remedium Uit de Gemeentewet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor
de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.
Lid 1 Dit lid is geformuleerd als een zorgplicht. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken.
Lid 2 In het tweede lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. Voor alle duidelijkheid: de inhoud van het oude lid 3 is nu onder gebracht in dit lid onder b. In het artikel is niet expliciet bepaald dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen, omdat dit reeds volgt uit de artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Een van de genoemde gevallen is “ernstige vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf”. Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 regelt de facto hetzelfde, ook met het tegengaan van overlast als motief. Dit artikel zal naar verwachting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen. De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft.
Lid 3 Dit lid regelt expliciet de bevoegdheid van de burgemeester dat de last een verbod kan inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf, Artikel 151d Gemeentewet kan zo worden gelezen dat de raad de handhavingsbevoegdheid van de burgemeester kan reguleren en beperken. De APV kan nadere voorwaarden stellen aan de oplegging van zo'n huisverbod, maar desgewenst kan de gemeenteraad er ook voor kiezen niet de bevoegdheid te geven tot opleggen van een huisverbod. Om onduidelijkheid te voorkomen wordt deze bevoegdheid expliciet benoemd.
E. Toelichting Algemeen Met de nieuwe afdeling 1 A van hoofdstuk 5 wil de gemeente het commercieel aanbieden van deelvoertuigen (niet zijnde auto's) in de openbare ruimte van de gemeente reguleren. Het is een fenomeen dat in Nederland een groeiende populariteit geniet. Het betreft fietsen, bromfietsen of andere voertuigen die bedrijfsmatig ter gebruik in de openbare ruimte worden aangeboden tegen betaling of een op geld waardeerbare tegenprestatie. Deelmobiliteit kan een bijdrage leveren aan een leefbare, duurzame en bereikbare stad en is een middel om minder gestalde voertuigen (met name personenauto's) in de openbare ruimte te krijgen. Door voldoende aanbod aan deelmobiliteit (en openbaar vervoer) zijn inwoners minder aangewezen op het gebruik van een privé auto en kunnen zij op termijn zelfs besluiten hun (tweede) auto weg te doen. Het is van belang dat overlast wordt voorkomen en dat de (deel)voertuigen die worden aangeboden daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de leefbaarheid, duurzaamheid en bereikbaarheid van een stad. Daarom bevat artikel 5:12 B een verbod om zonder vergunning deelvoertuigen commercieel aan te bieden. Het verbod geldt niet voor het bedrijf dat – in opdracht van de Provincie Zuid Holland - in Dordrecht openbaar vervoer met bussen aanbiedt.
We willen het beleid deelmobiliteit zo insteken dat aanbieders hun deelvoertuigen daar aanbieden waar ze nodig zijn. Als je zo'n deelvoertuig kunt pakken wanneer en waar je die nodig hebt, zal je eerder geneigd zijn je auto te laten staan of zelfs weg te doen. Auto’s zijn uitgezonderd van dit vergunningstelsel via de begripsomschrijving 'deelvoertuig', omdat het deelautobeleid in Dordrecht al wordt gereguleerd via de Parkeerverordening Dordrecht. De vergunningplicht en Europese Dienstenrichtlijn Het aanbieden van deelvoertuigen is een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Deze richtlijn schrijft voor dat een vergunningstelsel voor een dienst alleen gerechtvaardigd is wanneer aan de volgende eisen voldaan kan worden. 1. Het betreffende vergunningstelstel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverlener; 2. De behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; 3. het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.
Ad. 1 Het vergunningstelsel kent geen discriminerende werking in de zin van de Dienstenrichtlijn: een ieder kan in principe in aanmerking komen voor een dergelijke vergunning. Wel dient elke aanvrager aan een aantal objectieve eisen te voldoen. Ad 2 en 3. Dordrecht is een eiland en heeft mede daarom beperkte ruimte, zeker in de binnenstad. We weten van ervaringen uit het land dat deelvoertuigen overlast kunnen veroorzaken wanneer zij op allerlei plekken onbeheerd worden achtergelaten en op die plek weer opnieuw worden aangeboden. Dit is ongewenst. Met een vergunningplicht en een toets vooraf proberen we deze overlast te voorkomen cq tot een minimum te beperken, dit in het kader van twee dwingende redenen van algemeen belang, namelijk de verkeersveiligheid en het stedelijk milieu.
Toelichting artikelen Artikel 5:12 A Met de omschrijving van het begrip deelvoertuig in artikel 5:12 A lid a wordt voorkomen dat er discussie ontstaat over de vraag of een voertuig wel een deelvoertuig in de zin van deze afdeling is. In artikel 5.12 A lid b is opgenomen wat in deze afdeling met voertuig bedoeld. Voor de duidelijkheid: het is dezelfde begripsomschrijving als die uit afdeling 1 . Steps, Biro’s, Segways vallen ook onder dit begrip.
Artikel 5:12 B Lid 1 Dit lid creëert de vergunningplicht voor het commercieel aanbieden van deelvoertuigen voor gebruik door derden. Door in dit lid een vergunningplicht in te stellen voor het commercieel aanbieden van deelvoertuigen op openbare plaatsen wordt datgene wat niet is vergund/ toegewezen, verboden. Lid 2 De duur van de vergunning is maximaal twee jaar. Er is hiervoor gekozen om beleid op relatief korte termijn steeds te kunnen aanpassen, omdat deze markt nog volop in ontwikkeling is. Lid 3 Het college wijst voertuigcategorieën aan, waarvoor de vergunningplicht geldt. Dit betekent dat als een deelvoertuig niet onder zo'n aangewezen voertuigcategorie valt, een vergunning niet mogelijk is. De gemeente wil volledige zeggenschap houden welke voertuigen in Dordrecht als deelvoertuig mogen worden aangeboden. Deze markt ontwikkelt zich namelijk op dit moment snel. Lid 4 Het college kan per voertuigcategorie een vergunningenplafond en/of een voertuigenplafond vaststellen. De reden voor deze bevoegdheid is de gemeente vooraf zelf de druk op de beperkte ruimte in de stad moet kunnen bepalen ter bescherming van het stedelijk milieu. De raad geeft met dit lid deze bevoegdheid aan het college.
Lid 5 Het verbod als genoemd in lid 2 geldt niet voor de busonderneming die op basis van een concessie van de Provincie Zuid Holland openbaar vervoer met bussen aanbiedt in de zin van de Wet personenververvoer 2000. In dat contract heeft de provincie namelijk een plicht voor de opdrachtnemer opgenomen om voor- en natransport te organiseren.
Op grond van artikel 5:12 C kan het college plekken voor het plaatsen van deelvoertuigstations aanwijzen. Dit om verrommeling van de buitenruimte tegen te gaan. Op grond van artikel 5:12 E kan het college nadere regels vaststellen, bijvoorbeeld eisen ten aanzien de wijze van aanbieden van deelvoertuigen e.d. De bevoegdheid is ruim gesteld om snel in te kunnen spelen op (on)gewenste ontwikkelingen.
F. Artikel 6:2 lid 1 is aangepast door geen politie eenheid meer te vermelden. Dit op advies van de VNG Met deze aanpassing wordt voorkomen dat ambtenaren van de politie van de landelijke eenheid – wanneer zij in deze regio werkzaam zijn – niet bevoegd zijn om als toezichthouder voor de APV op te treden.