Startnotitie Herijking Wmo.pdf
Tekst van het document
Startnotitie Herijking Wmo 2022 1. Aanleiding
Met ingang van 1 januari 2022 is de GRD omgevormd tot de GR Sociaal. De samenwerking tussen de gemeenten en de sociale dienst wordt geïntensiveerd en er komt, door lokale kaderstelling, (meer) ruimte voor maatwerkwensen van gemeenten in beleid. Het volledige beleid is met ingang van 1 januari 2022 ongewijzigd overgegaan. Daarbij is met de gemeenten in de transitie van de GR afgesproken om in 2022 te starten met de invulling van de lokale kaderstelling voor de Wmo. In deze startnotitie worden de mogelijkheden voor het inrichten van het kaderbeleid uitgewerkt. De wetgever heeft gemeenten opgedragen een verordening vast te stellen, waarin gemeentelijke beleidsruimte bestaat op een aantal onderwerpen. Het uitgangspunt bij deze herijking wordt gevormd door de ambities zoals die zijn verwoord in de Regionale visie sociaal domein Drechtsteden Iedereen een zelfstandig en volwaardig bestaan. Daar zijn de onderstaande ambities opgenomen voor de Wmo 2015.
De ambities Kwalitatief, doelmatig en effectief ondersteunen, met keuzevrijheid voor inwoners Mensgericht ondersteunen Innovatie binnen de geboden ondersteuning en samenwerking aanjagen
Wij geloven dat iedereen passend moeten kunnen wonen en meedoen in de samenleving. In de Drechtsteden ondersteunen we inwoners die dit wel willen, maar niet (meer) op eigen kracht kunnen. Dit doen we door een breed aanbod aan ondersteuning te creëren door bijvoorbeeld vrijwilligers, maar ook door het inrichten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Door landelijke en regionale ontwikkelingen is het belangrijk om het huidige (regionale) beleid opnieuw te bekijken, in samenhang met het gemeentelijke beleid voor de Wmo. Daarvoor kijken we in dit eerste hoofdstuk eerst naar de plaats van de Wmo 2015 in het sociaal domein en het zorgdomein. Daarna gaan we in op een aantal belangrijke landelijke ontwikkelingen, aansluitingsvraagstukken en de financiën en aantallen in de Drechtsteden. Ten slotte schetsen we de scope van de herijking. In hoofdstuk 2 volgen de inhoudelijke knoppen waarop in het kaderstellende beleid keuzes mogelijk zijn.
1
1.1 De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is een van de wetten in het sociaal domein, en tegelijk een van de wetten in het landschap van zorg en ondersteuning in Nederland (zie figuur 1). Daarmee vormt de Wmo 2015 een belangrijke schakel tussen deze wettelijke kaders, maar heeft de wet ook vaak te maken met afkaderingsvraagstukken (paragraaf 1.3).
Figuur 1 Bron: SCP
In de Drechtsteden is de uitvoering van de Wmo belegd op verschillende niveaus. Beschermd wonen en Opvang wordt georganiseerd door de Centrumgemeente (waarvoor de Sociale Dienst Drechtsteden de indicatie, inkoop en contractmanagement in opdracht van Centrumgemeente Dordrecht uitvoert). De maatwerkvoorzieningen worden geïndiceerd en ingekocht door de sociale dienst Drechtsteden in mandaat van de zeven Drechtsteden. De organisatie, bekostiging en toegang tot de algemene voorzieningen wordt door de gemeenten zelf geregeld. De achterliggende jaren hebben we gezien dat het belangrijk is om deze verschillende vormen van ondersteuning op elkaar af te stemmen, om de dienstverlening en ondersteuning voor inwoners toegankelijk te houden. Van 1 januari 2007 t/m 31 december 2021 werd het regionale maatwerkbeleid vastgesteld door de Drechtraad. De bevoegdheid voor de vaststelling van al het kaderstellende beleid 1 in het sociaal domein is met ingang van 1 januari 2022 belegd bij de gemeenteraden. Deze besluitvorming maakt het mogelijk om te komen tot een meer integrale besluitvorming op sommige afkaderings-, of beter gezegd aansluitingsvraagstukken.
De Wmo kent een aantal doelen: - bevorderen van zelfredzaamheid en participatie - bevorderen dat mensen zo lang mogelijk in eigen leefomgeving blijven wonen - een samenleving met sterke sociale structuren, waardoor een beroep op door de overheid gefinancierde voorzieningen wordt uitgesteld of voorkomen
1
Beleidsplannen en verordeningen
2
1.2 Landelijke ontwikkelingen
De achterliggende jaren hebben we een landelijk forse groei gezien op het gebruik van huishoudelijke ondersteuning, hulpmiddelen en woningaanpassingen. Dit is het gevolg van de invoering van het abonnementstarief eigen bijdrage in combinatie met de toenemende vergrijzing, ambulantisering 2 en extramuralisering3. De vergrijzing, ambulantisering en extramuralisering (langer zelfstandig thuis) zal de komende jaren verder toenemen en zorgen voor een autonome groei in de vraag naar ondersteuning. Voor het abonnementstarief eigen bijdrage is in het regeerakkoord het voornemen opgenomen om dit te wijzigen naar een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de huishoudelijke ondersteuning. De planning is dat een eventuele wetswijziging pas op 1 januari 2025 zal ingaan. Voor de komende jaren zal de groei daarom, ook op huishoudelijke ondersteuning, naar verwachting verder doorzetten. Een andere ontwikkeling vanuit het Rijk is de onzekerheid over het wetsvoorstel Resultaatgericht indiceren. In de Drechtsteden is het inkoopmodel gebaseerd op een Resultaatgerichte bekostigingssystematiek. Deze systematiek (in andere uitwerkingsvorm dan de Drechtsteden) is door de Centrale Raad van Beroep bestempeld als strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel.
In de Drechtsteden hebben we een model waarin deze rechtszekerheid beter is geborgd, maar formeel is een wetswijziging nodig om het model van resultaatgericht indiceren mogelijk te maken. Voor de zomer moet duidelijkheid komen over het verdere verloop van dit wetsvoorstel en de vraag of dit systeem in de toekomst wettelijk mogelijk zal worden. Indien de Drechtsteden terug moeten naar de oude inkoopsystematiek betekent dit naar verwachting een forse kostenstijging in de Wmo. Door de onzekerheden die deze ontwikkelingen de komende jaren met zich meebrengen, is het goed inrichten van het lokale voorveld een urgent thema. Een derde landelijke ontwikkeling is de krapte op de arbeidsmarkt waardoor zorgaanbieders en leveranciers moeite hebben om aan de toenemende vraag te voldoen. Daardoor zien we wachtlijsten en wachttijden ontstaan voor mensen die ondersteuning nodig hebben. Deze landelijke ontwikkelingen zorgen ervoor dat de betaalbaarheid en continuïteit van de ondersteuning onder druk staat. Om dit toch zo goed als mogelijk te borgen, is een goede aansluiting nodig van het maatschappelijk voorveld, de algemene voorzieningen en de maatwerkvoorzieningen. Daarbij moet het uitgangspunt bij de ondersteuning zijn "Zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig".
We streven naar de normalisering van ondersteuning, voorkomen van instroom in de maatwerkvoorzieningen en afschalen van ondersteuning waar mogelijk. Voor de inwoners die zwaardere ondersteuning nodig hebben, moet deze beschikbaar en toegankelijk zijn in de vorm van maatwerkvoorzieningen.
1.3 Aansluitingsvraagstukken
Naast de landelijke ontwikkelingen heeft de Wmo een plek in zowel het sociaal domein als in het landschap van zorgwetten. Daardoor zijn er aansluitingsvraagstukken aan de zorg- en ondersteuningskant (aansluiting met de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet), maar ook in het sociaal domein (aansluiting met de Participatiewet en de Jeugdwet). Waar we vaak spreken van afbakeningsvraagstukken, zou het beter zijn om te spreken van aansluitingsvraagstukken. Hoe zorgen we voor een sluitend vangnet en voorkomen we dat inwoners tussen de wal en het schip raken? 18-/18+ Een (landelijk) aandachtspunt is de overgang van jongeren van 18- naar 18+. Jongeren krijgen bij de overgang te maken met een ander wettelijk kader. Eén van de oorzaken? We maken onvoldoende onderscheid tussen meerderjarigheid en volwassenheid. Waar een jongere op 18 jaar meerderjarig is 2
"De ambulantisering van de GGZ is het proces van afbouw van intramurale GGZ plaatsen en de opbouw van de ambulante zorg (behandeling, begeleiding en ondersteuning), in het bijzonder voor mensen met ernstiger psychische problemen" – Rapport Ambulantisering van de GGZ. Uitkomsten van monitoronderzoek 2012 – 2019. Trimbos Instituut. 3
Met extramuralisering wordt beoogd dat cliënten met een lichtere zorgvraag die voorheen in een intramurale setting zorg zouden ontvangen, voortaan de zorg in de eigen omgeving krijgen (scheiden wonen en zorg). – Regeerakkoord Bruggen Slaan (2012)
3
geworden volgens de wet, zijn er vaak nog ondersteuningsvragen die passen bij jongeren en niet bij de volwassenondersteuning. Voor jongeren met ondersteuning vanuit de Jeugdwet geldt dat in principe voor elke jongere vanaf 16 jaar een perspectiefplan moet zijn gemaakt. Daarin moet het toekomstperspectief en de ondersteuningsbehoefte worden uitgewerkt. Voor jongeren die later dan op 16-jarige leeftijd instromen is het soms niet mogelijk om tijdig dit perspectiefplan uit te werken. Bovendien is de ondersteuning aan jongeren versnipperd georganiseerd in de regio, de Serviceorganisatie Jeugd, de Jeugd- en wijkteams, de sociale dienst, de centrumgemeente. Deze organisaties leveren allemaal een stukje van de ondersteuning in het leven van de jongere (tegelijk of na elkaar). Daarnaast hebben deze jongeren vaak te maken met multiproblematiek waardoor ook bestaanszekerheid (Participatiewet en woonvraagstukken) en schuldhulpverlening (Wgs) van toepassing kunnen zijn. Een analyse laat zien dat de beperkingen voor maatwerk in de ondersteuningsvraag niet liggen in de wettelijke kaders of in de huidige Verordeningen. Voor de nieuwe Verordening Wmo moet het uitgangspunt zijn dat het geen drempels opwerpt tot het leveren van individueel maatwerk.
We willen pleiten voor een inhoudelijk afwegingskader voor de beoordeling van ondersteuningsvragen rond het 18e levensjaar, waarbij de inhoud van ondersteuningsvraag leidend moet zijn voor de ondersteuning die wordt geleverd. Dat betekent dat soms wordt gekozen voor ondersteuning vanuit de (verlengde) Jeugdwet, en soms voor de 18e verjaardag al gekozen wordt voor ondersteuning vanuit de Wmo. De afgelopen jaren zijn er veel stappen gezet om de aansluiting in de ondersteuning voor jongeren die 18 jaar worden te verbeteren. De verordeningen bieden ruimte om maatwerk te bieden aan jongeren en ondersteuning in te zetten. Toch is er behoefte aan een meer integrale afweging tussen jeugdprofessionals en Wmo-consulenten. Daarvoor kan een integraal afwegingskader (uitvoeringsafspraken) een belangrijk instrument zijn om de ondersteuning aan de jongeren verder op elkaar af te stemmen. Dit betekent dat de jongere wordt ondersteund vanuit het best passende kader. Dit kan eventuele budgettaire gevolgen hebben. Aan de ene kant kan in sommige situaties mogelijk (goedkopere) Wmo-ondersteuning worden ingezet. Maar aan de andere kant kan het in sommige situaties een kostenopdrijvend effect hebben voor de tarieven als de huidige ambulante begeleidingsvormen niet zwaar genoeg zijn of als verlengde jeugdwet de best passende vorm van ondersteuning is.
Aansluiting algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen Zoals gezegd staat de continuïteit van de voorzieningen onder druk door de autonome groei in de vraag en de krapte op de arbeidsmarkt. Om de continuïteit te waarborgen, moet een goede aansluiting tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen worden gemaakt. Daardoor kan lichtere ondersteuning worden geboden waar nodig en de noodzaak voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen worden uitgesteld (Wmo naar de voorkant). Echter, een goede aansluiting zal naar verwachting niet betekenen dat de groei in kosten volledig wordt gedempt. De aansluiting wordt enerzijds weergegeven in het kaderstellend beleid, doordat in de Verordening wordt opgenomen dat algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en ondersteuning vanuit het eigen netwerk (dus lichtere vormen van ondersteuning) voorliggend zijn op de inzet van maatwerkvoorzieningen. Anderzijds is afstemming nodig tussen de medewerkers van de sociale teams en de Wmo-consulenten. Omdat elk sociaal team anders is ingericht en er andere behoeften zijn, worden daarover operationele maatwerkafspraken gemaakt per gemeente over de toegang (zie verder de uitwerking in paragraaf 2.1 Toegang).
In de samenwerking wordt gezocht naar voorkomen van inzet van maatwerkvoorzieningen, door bijvoorbeeld een overleg tussen Wmo-consulent en medewerker sociaal team voordat lichte vormen van begeleiding worden ingezet. Maar vanuit de maatwerkvoorziening wordt ook gezocht naar mogelijkheden tot afschalen en normaliseren van ondersteuning om in het ondersteuningsplan concrete doelen te stellen over de begeleiding van cliënten naar het sociaal team en aandacht te
4
vragen voor woonvaardigheden in de buurt en het bouwen van een informeel netwerk in de omgeving van de cliënt. Participatiewet en Wmo De participatiewet en Wmo maken beide deel uit van de zogenaamde participatieladder, waarop wordt aangegeven hoe inwoners kunnen meedoen naar vermogen. De aansluiting is in de eerste plaats te vinden bij de ontwikkelingsgerichte dagbesteding waarbij doelen kunnen worden gesteld om arbeidsvaardigheden te ontwikkelen. In sommige gevallen is ook een ontwikkeling naar participatieplekken een goede stap. Deze afweging en samenwerking zal per cliënt gezocht worden. In de tweede plaats zijn er Wmo-cliënten die daarnaast ondersteuning nodig in het versterken van hun Bestaanszekerheid. Dit zien we bijvoorbeeld in de eigen bijdrage die cliënten moeten betalen, en waarvoor cliënten met een minimuminkomen bijzondere bijstand kunnen aanvragen. Maar ook cliënten die moeite hebben hun financiën te beheren of (problematische) schulden hebben. Voor deze cliënten moet vanuit zowel Wmo als Participatiewet (en Wet gemeentelijke schuldhulpverlenging) passende ondersteuning worden geboden.
ZVW/Wlz In figuur 1 werd al zichtbaar dat de Wmo zich bevindt in zowel de sociaal domein wetgeving als in de wetgeving van zorg en ondersteuning. Er zijn dus ook raakvlakken met de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. De raakvlakken met de zorgverzekeringswet zien we vooral op het snijvlak van behandeling en begeleiding. De afgelopen 10 jaar is het aantal klinische bedden afgebouwd en is de ambulante behandeling niet in hetzelfde tempo opgebouwd.4 Het gat met het aantal behandelplekken zorgt voor een toename van het aantal indicaties individuele begeleiding, maar ook van beschermd wonen. De samenwerking om dit op te lossen moet een van de aandachtsgebieden zijn in de komende periode, maar de praktijk in de achterliggende jaren blijkt weerbarstig door de verschillende financieringsstromen. Daarnaast zijn er ook raakvlakken tussen de Wmo en de Wlz. Zowel in de laatste levensfase, als mensen in gezondheid verslechteren, als ook op jongere leeftijd bij ernstige psychische klachten komt de Wlz in beeld. Om deze afstemming voor cliënten duidelijker te organiseren wordt geïnvesteerd in vroegtijdige casus-overleggen met het CIZ en zijn afspraken gemaakt over vaste contactpersonen om de aansluiting beter te organiseren.
Op die manier wordt de cliënt niet heen en weer geslingerd tussen indicerende instanties, maar wordt in overleg besloten vanuit welk wettelijk kader de ondersteuning kan worden geleverd. Hiervoor is het niet mogelijk kaderwetgeving op te stellen. Het wettelijk kader van de Wlz is erg strak en biedt weinig mogelijkheden voor individueel maatwerk. De Wmoverordening kan deze ruimte wel bieden om te voorkomen dat inwoners tussen de wal en het schip raken.
1.4 Ontwikkeling van aantallen en financiën
Sinds 2015 heeft het gemeentelijk sociaal domein te maken met een gestage stijging van de uitgaven, dit geldt zowel voor de maatwerkvoorzieningen Wmo als voor de andere onderdelen van het gemeentelijk sociaal domein. De kostenstijging wordt aan de ene kant veroorzaak door de toenemende klantaantallen als gevolg van vergrijzing en extramuralisering (autonome groei). Aan de andere kant heeft het abonnementstarief eigen bijdrage gezorgd voor een aanzuigende werking op het gebruik van Wmomaatwerkvoorzieningen en is de groei sinds 2019 versterkt.
4
Trimbos Instituut – Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ 2020
5
Naast de toenemende klantaantallen zien we ook een verhoging van de kostprijzen. Deze wordt mede veroorzaakt door de AMvB Reële Prijs, waardoor gemeenten verplicht zijn om minimaal de gestelde kostprijselementen op te nemen in hun prijsberekening. Deze kostprijselementen zijn voorgeschreven door het Rijk. Daarnaast zien we op dit moment dat de toenemende energie en brandstofkosten een prijsopdrijvend effect hebben. Dit zullen we in de indexering van het komende jaar waarschijnlijk terugzien in een forse stijging van de kostprijzen. Ten slotte is er nog een onzekerheid in de kostprijsontwikkeling voor Huishoudelijke ondersteuning en Individuele begeleiding. Deze onzekerheid ligt in het eerdergenoemde wetsvoorstel Resultaatgericht indiceren. Als deze wetswijziging uiteindelijk geen doorgang vindt, zal mogelijk een ander inkoopmodel gekozen moeten worden. Dit zal leiden tot een toename in de uitgaven voor deze voorzieningen.
Uitgaven Wmomaatwerkvoorzieningen 5
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
H.I. Ambacht
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
Totaal
2019
€ 3.378.200
€25.483.978
€ 2.844.382
€ 3.878.275
€ 5.451.732
€ 5.106.526
€ 9.255.933
€ 55.399.027
2020
€ 3.524.956
€ 27.076.823
€ 3.177.589
€ 4.400.503
€ 5.936.254
€ 5.713.026
€ 9.622.484
€ 59.451.634
2021
€ 3.726.021
€ 27.599.478
€ 3.411.910
€ 4.762.014
€ 6.512.289
€ 6.011.772
€ 10.363.133
€ 62.386.616
Begroting 2022
€ 4.138.000
€ 30.612.000
€ 3.772.000
€ 5.304.000
€ 7.244.000
€ 6.654.000
€ 11.522.000
€ 69.246.000
Bron: jaarrekeningen en begroting GR-Drechtsteden
Aantal unieke inwoners met een Wmo-indicatie 6
5 6 7
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
H.I. Ambacht
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
Totaal
2019
1310
9782
1160
1570
2090
2215
3397
21094
2020
1362
10190
1190
1654
2301
2346
3562
22051
2021
1387
10310
1215
1759
2422
2473
3747
22793
Voorziening Drechtsteden totaal
2019
2020
2021
20227
20235
Huishoudelijke ondersteuning
7598
7973
8504
9099
9736
Individuele begeleiding
2506
2552
2675
2809
2921
Dagbesteding
1099
989
1075
1097
1118
Rolstoelen
2581
2488
2384
2408
2408
Scootmobielen
2201
2294
2348
2465
2515
Drechthopper
10048
10275
10809
11349
11917
Woonvoorzieningen
328
344
381
400
420
In bijlage 1 zijn deze uitgaven uitgesplitst naar voorziening. In bijlage 2 zijn deze aantallen uitgesplitst naar voorziening. prognose
6
1.5 Scope herijking
De landelijke ontwikkelingen, de kostenontwikkeling in het sociaal domein en de vorming van de GRsociaal zijn aanleiding om het Wmo-beleid te herijken. We kennen in de Wmo een aantal beleidsstukken voor het kaderstellende beleid. In de eerste plaats het Beleidsplan. Er zijn gemeentelijke beleidsplannen en er is een regionaal beleidsplan Wmo. Voor de herijking hebben we deze plannen buiten het proces gehouden. De meeste gemeentelijke beleidsplannen zijn recent opnieuw vastgesteld en we sluiten voor de herijking hiervan aan bij de looptijd van de gemeentelijke beleidsplannen. Op het moment dat de gemeentelijke beleidsplannen aflopen zullen we per gemeente aansluiten om de input vanuit de regionale voorzieningen daarin mee te geven. Daarnaast kennen we in de Drechtsteden een aantal verordeningen, namelijk een Verordening algemene voorzieningen, een (regionale) Verordening maatwerkvoorzieningen en een regionale Verordening Beschermd wonen en Opvang (BW&O). BW&O valt buiten de scope van deze herijking, omdat dit onderdeel van de Wmo door gemeenten is overgedragen aan Centrumgemeente Dordrecht en wordt uitgevoerd voor een gebied groter dan de Drechtsteden.
De Verordening algemene voorzieningen en de Verordening maatwerkvoorzieningen zullen in deze herijking in samenhang worden bezien, en hiervoor zal per gemeente één Verordening worden gemaakt op basis van de bestuurlijke keuzes die gemaakt worden.8 Voor de Wmo was onder de 'oude' samenwerking al maatwerk in de gemeentelijke beleidsstukken mogelijk via de Verordeningen algemene voorzieningen. Deze Verordeningen laten veel overeenkomsten zien. De verwachting is dat de aansluiting in de ondersteuning vooral zal liggen in de verdere afstemming van gemeentelijk en regionaal ondersteuningsaanbod en de samenwerking tussen de regionale en gemeentelijke medewerkers. Het beleidskader moet ondersteunend zijn aan deze afstemming en samenwerking.
Daarnaast is het inhoudelijk belangrijk om zoveel mogelijk een balans te vinden tussen maatwerkinvulling enerzijds, en de uitvoerbaarheid ervan anderzijds. Om dit te bewaken zal indien nodig een uitvoeringstoets gedaan worden tijdens het proces van herijking.
8
In sommige Drechtstedengemeenten wordt een Integrale verordening sociaal domein gemaakt. De verordening van deze herijking zal dan in de integrale verordening worden opgenomen.
7
1.6 Planning
Ambtelijke uitwerking
Vaststelling Ambtelijk opdrachtgevers Begin juni
Vaststelling pfh
27 juni
Vaststelling DB
22 aug
Vaststelling AB Gemeente raden
8 sept
Januari – mei
Sept '22 – mrt '23 Startnotitie Oplegger Concept verordening
8
2. Uitwerking van de concrete knoppen en thema's
De regionale en landelijke ontwikkelingen zijn aanleiding om het beleid voor algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen te herijken. Daarbij is het belangrijk dat de inwoner passende ondersteuning krijgt om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen wonen en mee te doen naar vermogen. Daarvoor geeft het wettelijk kader een aantal knoppen waaraan gedraaid kan worden. Deze knoppen moeten uitgewerkt worden in de Verordening. Voor elk van de knoppen zal hieronder worden uitgewerkt wat het wettelijk kader is, welke eventuele landelijke ontwikkelingen er zijn, wat de klantaantallen per gemeente zijn en welke mogelijkheden er zijn om aan de knoppen te draaien en wat het verwachte effect hiervan is.
2.1 Toegang
De toegang tot maatschappelijke ondersteuning kan op verschillende manieren tot stand komen, afhankelijk van de ondersteuningsvraag en de geboden oplossing. In de toegang kunnen professionals, verwijzers, sociale teams en Wmo-consulenten een rol spelen. Wettelijk kader De wet maakt voor de toegang tot maatschappelijke ondersteuning onderscheid tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is een "aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning" (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Dat betekent dat vooraf geen onderzoek mag worden gedaan en de voorziening dus voor elke inwoner toegankelijk is. Aan de achterkant kan op basis van persoonskenmerken wel differentiatie plaatsvinden naar de bijdrage die de inwoner moet betalen (zie hiervoor paragraaf 2.2 Eigen bijdrage) Gemeenten kunnen algemene voorzieningen gericht op maatschappelijke ondersteuning inrichten. Voor lichte vormen van ondersteuning is dit een instrument om ondersteuning dichtbij de inwoners te realiseren en zoveel mogelijk te normaliseren. Voor onafhankelijke cliëntondersteuning geldt dat gemeenten een wettelijke verplichting hebben om dit te regelen en dat hiervoor geen eigen bijdrage mag worden gevraagd.
Maatwerkvoorzieningen Voor maatwerkvoorzieningen geldt een wettelijk beschreven toegangsproces via Melding, Onderzoek en Aanvraag. Voor de toegang gelden geen specifieke opdrachten aan gemeenten om in de verordening aanvullende bepalingen op te nemen of uit te werken. Een maatwerkvoorziening is een "op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen […] ten behoeve van zelfredzaamheid [en/of] ten behoefte van participatie […]" (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het onderzoek dat gedaan wordt naar de behoefte aan een maatwerkvoorziening is beschreven in Hoofdstuk 2 paragraaf 3 van de Wmo 2015. Artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 beschrijft waar het onderzoek aan moet voldoen. De onderzoeksfase duurt maximaal zes weken. In deze periode onderzoekt de Wmo-consulent de situatie van de cliënt en stelt hij een onderzoeksverslag op. Na de onderzoeksfase kan de cliënt een aanvraag indienen (artikel 2.3.5 Wmo 2015). De beschikking op de aanvraag moet binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag worden afgegeven.
9
Landelijke ontwikkelingen De achterliggende jaren is landelijk veel discussie geweest over de mogelijkheid om de toegang tot maatwerkvoorzieningen te beperken door financiële zelfredzaamheid een plek te geven in de beoordeling van de eigen kracht. Dit is zowel door de hoogste rechter als door de minister verworpen als mogelijke beperking van de toegang door gemeenten. Het is een onderwerp voor het brede gesprek in de onderzoeksfase, maar is geen afwijzingsgrond voor toegang tot maatwerkondersteuning. Cijfers Jaarlijks meldt een groot aantal inwoners van de Drechtsteden zich voor een Wmomaatwerkvoorziening. Enerzijds leidt niet elke melding uiteindelijk tot een aanvraag, anderzijds leiden sommige meldingen ook tot meerdere aanvragen. Het is daarom niet mogelijk een verhouding tussen het aantal aanvragen en het aantal meldingen weer te geven. # meldingen
2019 12.456
2020 11.146
2021 12.170
Prognose 20229 12.000
Knoppen Zoals gezegd is het toegangsproces voor maatwerkvoorzieningen geregeld bij wet. Voor de toegang is een beperkt aantal knoppen mogelijk. Er kunnen wel aanvullende eisen worden gesteld voor de toegang tot maatwerkvoorzieningen. In de toegang ligt de grootste winst voor het bieden van passende (en betaalbare) ondersteuning niet alleen in de toegangscriteria, maar vooral in de samenwerking tussen sociale dienst en het maatschappelijk voorveld. Immers, als een algemene voorziening ook toereikend is voor de hulpvraag die wordt gesteld, hoeft er geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden. Door samenwerking in het voorveld kan de inzet van maatwerk-voorzieningen worden uitgesteld of voorkomen. De achterliggende jaren zijn hier diverse acties op ondernomen, zoals een integrale afweging bij lichte vormen van begeleiding en de inzet van het Odensehuis of inloop-dagbesteding om een indicatie voor dagbesteding uit te stellen of te voorkomen. Het aanbod van algemene voorzieningen en het uitbouwen van deze samenwerking is de belangrijkste schakel in het beheersbaar houden van de toegang tot maatwerkvoorzieningen.
9
Verwijzing naar eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, algemene voorzieningen als voorliggende voorzieningen op de maatwerkondersteuning. Deze passage is in de huidige verordening opgenomen bij de algemene toegangscriteria. Voor de cliënt betekent dit gezocht wordt naar de ondersteuning die "zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig" is. Als de inwoner zelf in de oplossing kan voorzien, of als de oplossing door lichtere vormen van ondersteuning kan worden geboden kan de inwoner geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening Wmo. Aanvullende criteria per voorziening op basis waarvan de noodzaak wordt vastgesteld voor de cliënt of de mantelzorger. Hierin kan voor lichte voorzieningen expliciet worden verwezen naar (algemene) voorzieningen die aanwezig zijn in het maatschappelijk voorveld. Er kan dan een beroep worden gedaan op maatwerkondersteuning als de andere voorzieningen niet toereikend zijn.10 Bijvoorbeeld voor de voorziening Individuele begeleiding expliciet opnemen dat bij een aanvraag voor lichte vormen van begeleiding altijd eerst onderzocht wordt of een algemene voorziening voor begeleiding voldoende compensatie biedt in de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Voor de inwoner betekent dit dat voor lichte vormen van begeleiding altijd eerst contact zal worden gezocht met het sociaal team (Wmo naar de voorkant).
Op basis van januari t/m april
10
Een voorbeeld is de Verordening van de gemeente Amsterdam waarin extra bepalingen per voorziening zijn opgenomen.
10
2.2 Eigen bijdrage
Als een klant gebruik maakt van Wmo-ondersteuning mag de gemeente hiervoor een eigen bijdrage vragen van de klant. Hierbij maakt de wet een onderscheid tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Wettelijk kader Algemene voorzieningen In artikel 2.1.4 Wmo 2015 is beschreven dat de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen moet worden geregeld bij verordening. In de verordening moet de hoogte van de eigen bijdrage beschreven staan. Deze kan variëren per voorziening, en er kan korting worden gegeven aan categorieën cliënten. Zowel de voorzieningen als de categorieën cliënten waarvoor korting geldt, moeten worden uitgewerkt in de verordening. De hoogte van de eigen bijdrage mag de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. De wet noemt een aantal uitzonderingen waarvoor geen eigen bijdrage algemene voorzieningen mag worden opgelegd. In de eerste plaats mag geen eigen bijdrage worden gevraagd voor cliëntondersteuning. Deze moet gratis beschikbaar zijn voor inwoners. In de tweede plaats mag geen extra eigen bijdrage worden gevraagd voor ondersteuning waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie. Dat wil zeggen dat op regelmatige basis ondersteuning wordt geleverd door dezelfde hulpverlener waarbij een hulpverleningsrelatie ontstaat. Dan valt de ondersteuning (indien een eigen bijdrage wordt opgelegd) automatisch onder het zogenaamde abonnementstarief.
De bevoegdheid voor het stellen van regels voor de eigen bijdrage ligt bij de gemeenteraad en kan niet worden gedelegeerd. Maatwerkvoorzieningen In artikel 2.1.4a is beschreven dat een eigen bijdrage kan worden opgelegd voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen Wmo. Deze eigen bijdrage moet ook in de verordening worden geregeld. Het Rijk kan bij Algemene maatregel van Bestuur voorzieningen uitzonderen van de eigen bijdrage. Hier heeft het Rijk gebruik van gemaakt voor het collectief vervoer en het vervoer. De hoogte van de eigen bijdrage is landelijk bepaald op maximaal €19 per maand per huishouden, geldend voor alle type maatwerkvoorzieningen met uitzondering van (collectief) vervoer en ongeacht gebruik. In de verordening kan worden bepaald dat de eigen bijdrage lager wordt vastgesteld dan €19 per maand, of dat deze op nihil wordt gesteld voor cliënten onder een bepaald inkomen. De eigen bijdrage mag de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. In de verordening wordt bepaald op welke manier die kostprijs wordt berekend. De eigen bijdrage wordt geïnd door het CAK. In artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een uiteenlopende aantal gevallen beschreven waarin cliënten geen eigen bijdrage Wmo verschuldigd zijn.
Hier worden bijvoorbeeld rolstoelen vrijgesteld van eigen bijdrage, maar in dit artikel wordt ook de anticumulatie met de eigen bijdrage Wlz geregeld. Als een huishouden Wlz-ondersteuning ontvangt en daarvoor een eigen bijdrage betaalt, komt de eigen bijdrage voor Wmo ondersteuning voor dit huishouden te vervallen. In de wet is ook een aantal voorzieningen uitgezonderd van eigen bijdrage, namelijk rolstoelen Ten slotte zijn twee cliëntcategorieën landelijk (gedeeltelijk) vrijgesteld van eigen bijdrage, namelijk de groep meerpersoonshuishoudens onder AOW-leeftijd en minderjarigen. Meerpersoonshuishoudens <AOW-leeftijd betalen geen bijdrage voor het gebruik van Wmo-ondersteuning. Voor minderjarigen geldt landelijk alleen een eigen bijdrage voor woningaanpassingen. Deze is op dit moment in de Drechtsteden uitgezonderd. Bij Algemene Maatregel van Bestuur zijn voorzieningen voor vervoer zoals collectief vervoer uitgezonderd van het abonnementstarief. De reden hiervoor is dat de kosten eigen bijdrage abonnementstarief relatief hoog zijn in vergelijking met de kosten van vervoer voor inwoners. Als 11
gemeenten voor vervoersvoorzieningen een eigen bijdrage willen opleggen, moet de hoogte in de verordening worden bepaald.
Landelijke ontwikkelingen Sinds 2019 is de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen Wmo niet meer inkomensafhankelijk, maar wordt gerekend met een vast bedrag. Eerst €17,50 per vier weken en sinds 2020 is dit gewijzigd naar €19 per maand. De verlaging van de eigen bijdrage heeft geleid tot een forse aanzuigende werking op de maatwerkvoorzieningen Wmo, met name voor de huishoudelijke ondersteuning. Het Rijk heeft in het nieuwe regeerakkoord opgenomen dat in deze regeerperiode een wetswijziging wordt voorbereid om te komen tot een 'eerlijkere eigen bijdrage'. Dat betekent dat er een vorm van inkomensafhankelijkheid zal worden ingevoerd voor de eigen bijdrage voor huishoudelijke ondersteuning en mogelijk ook voor scootmobielen en woningaanpassingen. Voor deze laatste twee typen voorzieningen is de wijziging van de eigen bijdrage nog onzeker. De ingangsdatum van deze wijziging zal waarschijnlijk pas in 2025 plaatsvinden. Daarom houden we de wijziging verder buiten deze herijking en zullen we te zijner tijd eventuele noodzakelijke beleidswijzigingen opnieuw aan u voorleggen. Cijfers
# cliënten (peildatum februari 2022)
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
Eenpersoonshuishouden <AOW-leeftijd Eenpersoonshuishouden >AOW-leeftijd Meerpersoonshuishouden <AOW-leeftijd Meerpersoonshuishouden >AOW-leeftijd Totaal11
186
1779
327
# cliënten vrijstelling eigen bijdrage Geen vrijstelling Meerpersoonshuishouden <AOW-leeftijd Minderjarig Samenloop Wlz Samenloop BW Opgelegde eigen bijdrage 202012 2021 vergoeding minimaregeling 2021 # unieke cliënten Bijzondere bijstand voor eigen bijdrage Kosten bijzondere bijstand
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
168
HendrikIdoAmbacht 216
329
324
518
2198
257
455
633
466
909
53
473
71
105
111
116
189
134
723
107
179
237
170
338
700
5173
603
955
1310
1076
1954
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
598 53
4427 473
473 71
HendrikIdoAmbacht 781 105
1121 111
885 116
1655 189
13 34
42 218 11
9 50
14 55
12 65 1
12 63
22 87
HendrikIdoAmbacht € 109.250 € 170.411
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
€ 156.085 € 239.590
€ 123.215 € 193.952
€ 235.505 € 365.598
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
€ 87.343 € 131.005
€ 640.452 € 982.433
€ 69.274 € 104.823
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
HendrikIdoAmbacht
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
11
123
3
22
18
20
43
€ 2.223
€ 21.761
€ 551
€ 3.768
€ 3.015
€ 3.565
€ 7.857
11
Het totaal aantal cliënten dat een eigen bijdrage betaalt, is lager dan het unieke aantal Wmo-cliënten per gemeente. Dit verschil wordt grotendeels verklaard door de inwoners die alleen gebruik maken van de Drechthopper en/of een rolstoel. Daarnaast heeft een kleiner aantal inwoners een voorziening die specifiek in de Drechtsteden is uitgezonderd van eigen bijdrage. Deze cliënten betalen geen eigen bijdrage en worden daarom niet aangemeld bij het CAK. 12
In 2020 zijn de geïnde eigen bijdragen lager, omdat in dat jaar landelijke periode 4 en 5 zijn vrijgesteld van eigen bijdrage. Dit is gedaan omdat veel cliënten in deze periode te maken hadden met een onderbreking van de ondersteuning door de coronamaatregelen.
12
Knoppen Er is een beperkt aantal knoppen waaraan gemeenten kunnen draaien voor de invulling van de eigen bijdrage. We splitsen dit uit in algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Algemene voorzieningen De meeste Drechtstedengemeenten hebben op dit moment geen eigen bijdrage opgenomen voor algemene voorzieningen in de verordening. Dat betekent dat geen eigen bijdrage kan worden opgelegd aan de inwoner die gebruik maakt van deze voorziening. Voor de eigen bijdrage zijn de volgende keuzes te maken: - Een eigen bijdrage per algemene voorziening, waarbij de voorziening en de geldende eigen bijdrage wordt benoemd. Daarbij mag de bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening. - In de verordening benoemde cliëntcategorieën kunnen een korting krijgen op de vastgestelde eigen bijdrage. Draaien aan deze knoppen kan leiden tot een toename van eigen bijdrage inkomsten voor de gemeente. Dit kan enerzijds een remmend effect hebben op een eventueel gebruik van de voorzieningen. Anderzijds zal de eigen bijdrage vaak lager zijn dan de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, waardoor de financiële prikkel om gebruik te maken van een algemene voorziening blijft. Als een eigen bijdrage wordt gevraagd voor algemene voorzieningen moet een systeem worden ingericht voor het innen van de eigen bijdrage.
Het inrichten van een inningssysteem voor eigen bijdrage brengt uitvoeringskosten met zich mee. De hoogte van deze kosten is afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in het aantal voorzieningen waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd en het systeem dat gekozen wordt. De inning kan worden belegd bij de gemeente of bij de aanbieder van de voorziening. Maatwerkvoorzieningen In hoofdstuk 5 van de huidige verordening is de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen geregeld. De eigen bijdrage sluit aan bij het landelijk vastgestelde maximum van €19 per maand per huishouden. Een aantal voorzieningen zijn in de Drechtsteden nu uitgezonderd van eigen bijdrage, namelijk de individuele vervoersvoorzieningen, de woningaanpassingen voor minderjarige kinderen, de woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimtes en verhuiskostenvergoeding. De redenen voor vrijlating verschillen per voorziening. - De individuele vervoersvoorzieningen zijn vrijgelaten omdat het maandelijkse bedrag voor vervoer niet altijd de kostprijs van €19 bereikt. De eigen bijdrage mag de kostprijs van de voorziening niet overschrijden. Er moet voor deze voorzieningen dan een arbeidsintensief administratief proces worden ingericht. Dit is belastend voor de cliënt en geeft hoge uitvoeringskosten.
- De woningaanpassingen voor minderjarige kinderen zijn uitgezonderd omdat er een rechtsongelijkheid zou ontstaan tussen éénoudergezinnen en gezinnen met twee ouders. Meerpersoonshuishoudens onder AOW-leeftijd zijn bij wet uitgezonderd van eigen bijdrage. Eenpersoonshuishouden onder AOW-leeftijd betalen wel een eigen bijdrage. Voor kinderen geldt dat alle voorzieningen zijn vrijgesteld behalve de woningaanpassingen. In de Drechtsteden is ervoor gekozen deze voorziening ook uit te zonderen zodat er geen ongelijkheid zou ontstaan ten opzichte van de eenoudergezinnen. - Woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimtes zijn uitgezonderd omdat vaak het hele appartementencomplex gebruik maakt van de voorzieningen, maar deze worden individueel toegekend. Dat betekent dat één bewoner zou moeten betalen voor de voorziening voor het hele wooncomplex. Dit zou onevenredig zijn. - De verhuiskostenvergoeding is uitgezonderd van eigen bijdrage omdat dit juist een tegemoetkoming moet zijn voor mensen die hoge kosten maken. Deze vergoeding belasten zou betekenen dat cliënten alsnog de hele vergoeding zelf betalen. Dit is anders bij bijvoorbeeld een pgb voor voorzieningen, omdat daar de cliënt het middel nog blijft gebruiken. Een verhuizing is een eenmalige beweging. Daarom is gekozen om deze uit te zonderen van eigen bijdrage. 13
Daarnaast is de hoogte voor de eigen bijdrage voor het collectief vervoer apart geregeld. Deze valt niet onder het abonnementstarief eigen bijdrage. Voor de eigen bijdrage zijn de volgende keuzes te maken: - Het is mogelijk om bij verordening de eigen bijdrage vast te stellen op een lager bedrag dan €19 per maand. De eigen bijdrage mag niet worden verhoogd. De inwoner zal dan een vast bedrag betalen dat lager is dan €19 per maand. Op grond van de effecten van het abonnementstarief te achterliggende drie jaar zal dit waarschijnlijk een aanzuigende werking hebben op het gebruik van maatwerkvoorzieningen. - Het is mogelijk om voorzieningen uit te sluiten van eigen bijdrage. Bovengenoemde voorzieningen zijn nu uitgesloten. Gemeenten kunnen kiezen om meer of minder voorzieningen uit te zonderen van eigen bijdrage. - Gemeenten mogen bepaalde inkomensgroepen uitzonderen van eigen bijdrage. Dit doen we in de Drechtsteden op dit moment via de collectieve zorgverzekering voor minima (CZM) 13 en via de bijzondere bijstand. - Gemeenten kunnen categorisch inkomenscategorieën uitzonderen van eigen bijdrage (via het CAK). Het CAK voert deze regeling categorisch uit. Dat betekent dat zij geen toets uitvoeren of een inwoner gebruik kan maken van de vergoeding vanuit de CZM.
Daardoor betalen gemeenten zowel voor het vergoedingenpakket in de CZM (onderdeel van het aanvullende pakket) als voor de kwijtschelding die het CAK verleent aan de inwoner.
2.3 PGB
Als een inwoner een melding Wmo heeft gedaan en er bestaat een recht op een maatwerkvoorziening Wmo, dan kan de cliënt vervolgens een keuze maken in de leveringsvorm van de ondersteuning, namelijk Zorg in Natura (ZiN) of een persoonsgebonden budget (pgb). Wettelijk kader Een pgb is een "bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken" (artikel 1.1.1 Wmo 2015). De keuzevrijheid voor een pgb staat bij de wetgever hoog in het vaandel. In de wet is opgenomen wat gemeenten in hun verordening moeten regelen met betrekking tot het pgb. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke manier de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Als randvoorwaarde is opgenomen dat de hoogte toereikend moet zijn om de ondersteuning in te kopen. In artikel 2.3.6 Wmo 2015 staat een aantal criteria waaronder een pgb kan worden verstrekt, maar ook dat het college een pgb onder omstandigheden kan weigeren. Zo wordt aangegeven dat een cliënt (of zijn vertegenwoordiger) voldoende pgb-vaardig moet zijn, dat een cliënt motiveert waarom hij de ondersteuning via een pgb wil inkopen en dat is gewaarborgd dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht is.
In de verordening kan in de tarifering onderscheid worden gemaakt tussen professionele ondersteuning en ondersteuning vanuit het sociaal netwerk. Het betalingsverkeer van pgb's voor diensten14 is belegd bij de Sociale Verzekeringsbank en is ingericht via het zogenaamde trekkingsrecht. Dat betekent dat de cliënt een Zorgovereenkomst afsluit met de zorgverlener. Deze wordt getoetst door zowel de Wmo-consulent (op inhoud) als door de SVB (op arbeidsrecht). Het totale pgb-bedrag wordt door de sociale dienst overgemaakt naar de SVB. De cliënt factureert de gemaakte kosten periodiek bij de SVB. De SVB controleert de facturen en zorgt voor uitbetaling aan de zorgverlener.
13
In de Drechtsteden maakt binnen de collectiviteit 7% gebruik van de vergoeding eigen bijdrage Wmo. Dit komt neer op ongeveer 700 inwoners. De uitsplitsing per gemeente is uitgevraagd bij VGZ. 14
Huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding en dagbesteding
14
Voor het berekenen van de hoogte van een pgb maken we onderscheid tussen voorzieningen en diensten. Voorzieningen Voor rolstoelen en scootmobielen geldt dat het pgb is opgebouwd uit twee componenten, namelijk de prijs voor de voorziening en de prijs voor het onderhoud. Voor de kosten voor de voorziening sluiten we aan bij de catalogusprijzen die in het landelijk convenant hulpmiddelen worden genoemd. Voor de kosten voor onderhoud en reparatie sluiten we aan bij de onderhoudsbedragen die onze contractpartners rekenen. De prijs voor de voorziening is een eenmalig pgb, de kosten voor onderhoud worden jaarlijks vergoed. Diensten Voor huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding en dagbesteding geldt dat het pgb wordt berekend op basis van een tarief per tijdseenheid (per uur of per dagdeel) en het aantal tijdseenheden dat de ondersteuning wordt geïndiceerd. De tarieven zijn vastgelegd in de verordening. De normtijden voor het aantal uren is geregeld in de beleidsregels en hiervoor wordt aangesloten bij landelijk erkende normsystemen. Het aantal tijdseenheden per week vermenigvuldigd met het tarief en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal weken dat de ondersteuning nodig is, resulteert in de hoogte voor het pgb. Gemeenten moeten voor de normering aansluiten bij geobjectiveerde normtijden. Landelijk worden twee normeringen door gemeenten veel gebruikt.
Dat is de CIZ-normering en de HHM-normering. In het huidige beleid in de Drechtsteden is de urenberekening gebaseerd op de CIZ-normering.
Landelijke ontwikkelingen De landelijke ontwikkelingen op pgb-gebied richten zich op de ontwikkeling van een nieuw systeem voor de uitbetaling van de eigen bijdragen. Het nieuwe systeem moet klantvriendelijker worden, maar het biedt ook gemeenten meer mogelijkheden om zicht te houden op eventuele wisselingen in de pgbbeheerder15 die de cliënt bijstaat. Bovendien geeft het meer inzicht in de besteding (patronen) van het pgb. De uitrol van dit nieuwe systeem zal naar verwachting pas in 2023/2024 landelijk plaatsvinden.
Cijfers Voor de verstrekking van de pgb's hebben we voor een aantal voorzieningen de verhouding tussen pgb en ZiN verstrekking in beeld gebracht. Procentueel is het aantal pgb-verstrekkingen ten opzichte van het totaal aantal verstrekking in de Drechtsteden gering. - Voor huishoudelijke ondersteuning 3,5% - Begeleiding 12,5% - Dagbesteding 3% - Scootmobielen 2% - Rolstoelen 2% Hieronder geven we de verdeling van pgb en ZiN per gemeente weer op peildatum 1 januari 2022. # cliënten pgb en ZiN16
Alblasserdam
Dordrecht
Hendrik-IdoAmbacht Pgb ZiN
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
ZiN
HardinxveldGiessendam Pgb ZiN
Pgb
ZiN17
Pgb
Huishoudelijke ondersteuning Begeleiding Dagbesteding Scootmobielen Rolstoelen
18
490
143
Pgb
ZiN
Pgb
ZiN
Pgb
ZiN
3506
16
391
22
708
24
946
28
723
50
1390
24 2 1 2
124 66 120 173
163 14 18 12
1105 415 1109 970
11 4 7 2
121 89 78 125
20 2 10 1
160 82 163 206
19 2 7 5
229 114 232 251
37 2 10 4
216 109 232 243
60 8 11 10
377 141 369 403
15
Een pgb-beheerder is iemand die namens de cliënt het pgb beheert als de cliënt dit zelf niet kan. De beheerder stelt in naam van de cliënt de zorgovereenkomst op met de aanbieder, controleert de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en regelt de facturatie met de zorgaanbieder en de svb. 16 17
Peildatum 1 januari 2022 Zorg in Natura
15
Hieronder zijn de pgb's voor huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding uitgesplitst naar leeftijd. Gezien de geringe aantallen is dit voor de andere voorzieningen niet verder uitgesplitst. # cliënten pgb per leeftijdscategorie18
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam IB
HendrikIdoAmbacht HO IB
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
HO
HO
IB
HO
HO
IB
HO
IB
HO
IB
IB
18 t/m 24
0
4
0
30
0
5
0
3
0
3
1
4
0
10
25 t/m 34
0
4
1
26
1
2
0
1
0
6
1
15
3
13
35 t/m 44
0
3
9
20
0
2
2
5
0
0
0
2
2
8
45 t/m 54
2
5
11
33
3
1
1
6
3
3
8
7
6
12
55 t/m 64
2
3
19
21
0
1
5
4
6
1
4
5
8
9
65 t/m 74
3
3
37
22
3
0
4
0
7
4
2
2
9
3
74 t/m 85
4
1
39
10
4
0
7
1
6
2
7
1
11
3
85+
7
1
27
1
5
0
3
0
2
0
5
1
11
2
De kosten van het pgb per gemeente zijn afhankelijk van de tarieven maar ook van het aantal geïndiceerde uren of dagdelen ondersteuning per week. Hieronder vindt u een overzicht van de pgbkosten in 2021. Kosten pgb per type ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning Individuele begeleiding en Dagbesteding
Alblasserdam
Dordrecht
HardinxveldGiessendam
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
€ 43.279,84
HendrikIdoAmbacht € 43.373,42
€ 62.207,76
€ 356.256,53
€ 59.899,28
€ 73.108,39
€ 132.369,75
€ 175.888,42
€ 1.797.404,09
€ 95.409,29
€142.523,93
€ 147.570,17
€ 376.619,61
€ 616.860,81
Tarieven per uur Huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning + Individuele begeleiding Individuele begeleiding met opslag Individuele begeleiding IB4
Professionele ondersteuning € 17,21 € 17,21 € 48,32 € 64,13 € 55,29
Sociaal netwerk € 11,96 € 11,96 € 21,6819 € 21,68 € 21,68
Tarieven per week per 1 t/m 2 dagdelen 20 Belevingsgerichte dagbesteding Arbeidsmatige dagbesteding Ontwikkelgerichte dagbesteding Belevingsgericht intensief Arbeidsmatig intensief
Professionele ondersteuning
Sociaal netwerk
€ 82,84 € 84,74 € 93,20 € 115,58 € 122,64
€ 21,68 € 21,68 € 21,68 € 21,68 € 21,68
Knoppen Voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget is er dus een aantal knoppen om aan te draaien. - Tarieven o Differentiatie tarief professionele ondersteuning en sociaal netwerk In de huidige verordening maken we onderscheid in de hoogte van het pgb voor professionele ondersteuning en sociaal netwerk. Het is mogelijk dit onderscheid los te laten, dan zullen de (lagere) tarieven voor ondersteuning vanuit het sociaal netwerk gelijk worden aan de tarieven voor professionele ondersteuning. Aan ondersteuning vanuit het sociaal netwerk worden minder eigen gesteld dan aan professionele ondersteuners (bijvoorbeeld diploma's). Als het tarief wordt gelijkgetrokken zal een afweging moeten gemaakt of de beroepseisen deze gelijkstelling moeten volgen. o Hoogte tarief sociaal netwerk Deze tarieven voor individuele begeleiding en dagbesteding sluiten in de huidige verordening aan bij het tarief sociaal netwerk uit de Regeling langdurige zorg. Voor 18
Peildatum 1 januari 2022 Artikel 5.22 lid 1 Regeling langdurige zorg 20 Bij meer dagdelen loopt het tarief evenredig op, in stappen van 2 dagdelen. 19
16
-
-
huishoudelijke ondersteuning sluit dit aan bij het wettelijk minimumloon dat op 1 januari van dat jaar geldt. Het tarief mag nooit lager zijn dan het wettelijk minimumloon. Een eventueel hoger tarief zal leiden tot een toename van de pgb-uitgaven. o Tarieven professionele ondersteuning Deze tarieven van de diensten zijn in de Drechtsteden gekoppeld aan de inkoop-tarieven. In de verordening moet beschreven zijn waarop het tarief is gebaseerd, met de voorwaarde dat het budget toereikend moet zijn om de ondersteuning in te kopen. In de verordening moet worden beschreven waarop de tarieven gebaseerd zijn. o Tarieven vervoer Voor de huidige tarieven individueel vervoer is geen berekeningssytematiek bekend. Hiervoor moet een nieuwe berekening worden gemaakt, waarbij op basis van jurisprudentie de cliënt minimaal 1500km per jaar moet kunnen reizen met de vervoersvoorziening. De nieuwe tarieven zouden gebaseerd kunnen worden op een reëel kilometertarief vermenigvuldigd met 1500km (of 2000km als dit gelijkgetrokken wordt met het Drechthoppervervoer). Deze nieuwe berekening zal leiden tot een stijging van de vervoersbudgetten voor cliënten. We krijgen signalen dat de huidige budgetten ontoereikend zijn om 1500 à 2000 km per jaar mee te reizen. Deze kilometeraantallen en kilometertarieven moeten bij verordening worden vastgesteld. Bijvoorbeeld taxikostenvergoeding.
In de huidige verordening is hiervoor een maximumbedrag opgenomen van €1312,04 per jaar. Een berekening zou kunnen zijn: maximaal 1500 km per jaar, met een taxitarief van maximaal €2,47 per kilometer. Waarbij de cliënt op periodiek op declaratiebasis de taxiritten kan indienen tot een maximumbedrag. o Berekeningssystematiek van de hulpmiddelen. Deze worden nu berekend op basis van de catalogusprijzen van het landelijk convenant hulpmiddelen. Gemeenten kunnen hier een andere systematiek kiezen, mits de bedragen toereikend zijn om de voorziening aan te schaffen. o Vrij besteedbaar bedrag In artikel 4.3 van de verordening is opgenomen dat het pgb volledig moet worden besteed aan de ondersteuning en doel waarvoor het pgb is verstrekt. Daarnaast is opgenomen dat de klant jaarlijks recht heeft op een verantwoordingsvrij bedrag, als het pgb is verstrekt voor dienstverlenende ondersteuning. Dit bedrag is 5% van het pgb per jaar, met een minimum van € 20,- per jaar en een maximum van € 250,- per jaar. Dit vrij besteedbare bedrag is geen wettelijke verplichting. Een vrij besteedbaar bedrag biedt de klant een mogelijkheid een deel van het geld te besteden aan andere zaken dan ondersteuning. Dit kan ook worden gebruikt om eens een extra attentie te kopen voor de zorgverlener, maar kan ook als extra voor de cliënt worden gebruikt.
Het opnemen van het vrij besteedbare bedrag betekent wel dat de cliënt uiteindelijk minder geld van zijn budget overhoudt om aan de ondersteuning te besteden. Kwaliteitscriteria waar een pgb-aanbieder aan moet voldoen De kwaliteitscriteria staan uitgewerkt in artikel 4.1 Verordening maatwerkvoorzieningen. Hier maken we een onderscheid in professionele ondersteuners en ondersteuners vanuit het sociale netwerk. Deze criteria dienen onder andere om kwetsbare cliënten te beschermen en om het kwaliteits-, doelmatigheid- en rechtmatigheidstoezicht handen en voeten te kunnen geven. Een verdere aanscherping kan zijn dat cliënten die zelf begeleiding ontvangen geen begeleiding kunnen bieden. Op dit moment is deze constructie niet expliciet uitgezonderd. Urenberekening (geregeld in beleidsregels) De huidige urenberekening is gebaseerd op de CIZ-systematiek voor huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding. Deze is opgenomen in de beleidsregels. Bij de herziening van de beleidsregels zal een verkenning worden gedaan op een mogelijke alternatieve geobjectiveerde urensystematiek.
17
2.4 Collectief vervoer
Een specifieke voorziening die we in deze herijking eruit willen lichten is het collectief vervoer. De achterliggende jaren laten een voortdurende groei zien op het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer (Drechthopper en Wijkhopper). De laatste twee jaar was het aantal vervoersbewegingen tijdelijk minder als gevolg van de coronamaatregelen. Echter, we zien toch dat de continuïteit van het collectief vervoer onder druk staat. Dit heeft een aantal oorzaken. In de eerste plaats de toegenomen vraag in relatie tot de krapte op de arbeidsmarkt voor chauffeurs en planners. Stroomlijn is als ontwikkelbedrijf nauw betrokken bij het opleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, maar ook met deze werknemers blijft de krapte bestaan. In de tweede plaats zijn voor langere ritten de files een groot probleem. De files zijn sinds begin van dit jaar weer enorm toegenomen, waardoor klanten soms lang moeten wachten. Door de toenemende vraag in combinatie met de krapte op de arbeidsmarkt en de fileproblematiek staat de continuïteit van het collectief vervoer voor de toekomst onder druk. Daarnaast is nog een tweetal ontwikkelingen belangrijk in het licht van het collectief vervoer. De eerste ontwikkeling is de stijging van de brandstofprijzen. Dit zal vanaf 2023 (na indexering) een kostenverhogend effect hebben voor het collectief vervoer.
Daarnaast is de landelijke ontwikkeling van het openbaar vervoer dat de wijkbewegingen steeds meer zullen verdwijnen. Inwoners moeten dan langer reizen om bij een OV-halte te komen. Stroomlijn zoekt hier met de Wijkhopper de aansluiting, waardoor mensen met Wijkhopper ook regulier de aansluiting op het OV kunnen maken. Wettelijk kader In de wet wordt niet gesproken over collectieve voorzieningen. Het wettelijk kader verplicht gemeenten voldoende compenserende voorzieningen in te richten gericht op participatie en zelfredzaamheid. Gemeenten hebben de mogelijkheid dit via collectieve voorzieningen te regelen. Een veel voorkomende collectieve voorziening is het collectief (vraagafhankelijk) vervoer.
Landelijke ontwikkelingen Een aantal landelijke ontwikkelingen zijn van invloed op het vervoer. In de eerste plaats de beweging naar duurzaamheid en zero emissie. Dit heeft geen invloed op het aanbod van de voorziening, maar vraagt wel van de aanbieders dat zij hieraan voldoen. Door de landelijke subsidies voor duurzaamheid is de verwachting dat dit geen invloed zal hebben op de uitgaven voor het collectief vervoer. Door de beweging 'langer zelfstandig thuis' en de vergrijzing zien we een toenemende vraag naar vervoersvoorzieningen. Deze toenemende vraag heeft invloed op de kosten en drukt op de continuïteit van de voorziening.
Cijfers Gebruik per gemeente (aantal indicaties en kosten) # cliënten21
Alblasserdam
Dordrecht
638 45 1
4166 209 15
1
9
Collectief vervoer Vervoer DB Individuele taxikosten Rolstoeltaxi
HardinxveldGiessendam
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
649 64 2
HendrikIdoAmbacht 801 58 3
1217 75 2
1381 66 10
1176 93 6
0
0
0
1
0
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
1 17 25 32
3 21 67 98
5 11 36 39
De demografische gegevens voor het Drechthoppergebruik zijn als volgt: # cliënten22
Alblasserdam
Dordrecht
<18 jaar 18 t/m 24 jaar 25 t/m 34 jaar 35 t/m 44
1 5 17 25
7 20 105 135
21 22
HardinxveldGiessendam 0 4 7 11
HendrikIdoAmbacht 0 4 17 25
Peildatum 1-1-2022 Peildatum 1-1-2022
18
45 t/m 54 55 t/m 64 65 t/m 74 74 t/m 85 85+
39 46 77 242 181
296 511 717 1178 1175
15 28 29 92 59
45 92 112 250 253
47 111 193 400 389
127 206 222 320 314
80 170 264 609 645
19
Kosten voor het collectief vervoer per gemeente zijn als volgt: Drechthopper
Alblasserdam
Dordrecht
HG dam
H.I. Ambacht
Papendrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
Totaal
2019
€
286.881
€2.474.802
€ 224.597
€ 418.343
€ 573.966
€ 539.934
€1.044.203
€ 5.562.726
2020
€
316.536
€2.568.416
€ 234.178
€ 482.641
€ 687.811
€ 555.672
€1.080.703
€ 5.925.957
2021
€
301.961
€2.351.093
€ 231.668
€ 450.708
€ 604.038
€ 547.852
€1.023.311
€ 5.510.632
Begroting 2022
€
316.000
€2.462.000
€ 243.000
€ 472.000
€ 632.000
€ 574.000
€1.071.000
€ 5.770.000
Knoppen Ook in het collectief is een aantal knoppen opgenomen in het kaderstellende beleid. Deze kunnen een effect hebben op het gebruik van het collectief vervoer, maar ook worden gebruikt om te sturen op het gebruik van het vervoer in de daluren. Deze worden hieronder uitgewerkt.
Eigen bijdrage verhogen De eigen bijdrage voor het collectief vervoer in de Drechtsteden is lager dan het OV-tarief en gemiddeld ten opzichte van andere gemeenten (sommige lager, sommige hoger). Door deze maatregel wordt de eigen bijdrage voor alle gebruikers van de Drechthopper verhoogd (eventueel in combinatie met korting in de daluren). Het tarief verhogen kan een dempend effect hebben op het gebruik van het collectief vervoer. Een remmend effect op de vraag zorgt voor een positief gevolg voor de continuïteit van het vervoer. Naast een remmend effect op het gebruik zal een verhoging van de eigen bijdrage ook een financieel effect hebben. Een verhoging van de huidige tarieven met 10% realiseert financieel effect van €45000. Het opstaptarief wordt dan €0,66 en het kilometertarief €0,14. Als de bedragen gelijk worden gesteld met het OV-tarief van €1,- opstaptarief en €0,18 per kilometer leidt dit tot een financieel effect van €65000. Een mogelijk negatief effect kan optreden voor inwoners met een lager inkomen. Er kan een financiële drempel ontstaan om gebruik te maken van het collectief vervoer, waardoor eenzaamheid en verminderde participatie kan optreden bij deze inwoners.
Korting eigen bijdrage daluren Door onder andere de files is de druk op het collectief vervoer in de piekuren hoog en moeten cliënten soms lang op de bus wachten. De piekuren vallen deels samen met de spits en met de reismomenten van de dagbesteding. Om een prikkel in te bouwen om buiten deze uren te reizen zou een korting op de eigen bijdrage kunnen worden geregeld. Dit kan door het verlagen van het opstaptarief, het kilometertarief, of beiden. Dit kan een prikkel zijn voor inwoners om in de daluren te reizen. Vanwege de inzet op spreiding van de vervoersvragen kunnen de vervoerspieken verminderd worden. De bussen die nu op rustige momenten stilstaan kunnen efficiënter worden ingezet. Een negatief effect van deze korting is de daling van de eigen bijdrage inkomsten.
75+ pas invoeren Deze maatregel is in een brief van 11 januari voorgesteld door de Regionale Adviesraad Wmo Drechtsteden. Vanaf 2021 hebben 75+ inwoners niet meer automatisch recht op vervoer met de Drechthopper. Van het totale aantal pashouders waren er 12% actieve reizigers. Met het afschaffen van de 75+pas voor het gebruik van de Drechthopper was een kostenbesparing voorzien van ongeveer € 300.000. Het blijkt echter dat deze besparing grotendeels teniet wordt gedaan doordat ruim 80% van de actieve 75+reizigersv inmiddels een Wmo-indicatie heeft gekregen. Uit bovenstaande cijfers blijkt een substantieel deel van de huidige reizigers met een Wmo-pas ouder dan 75 jaar. De Wmo-adviesraad heeft aangegeven dat er vooral in de wintermaanden een vervoersbehoefte is bij een groep reizigers zonder Drechthopper-pas. Een deel van deze groep durft in deze maanden 's avonds niet te reizen met het OV. Dit leidt tot afnemende participatie. Er zijn ook andere algemene voorzieningen mogelijk om het vervoersprobleem van de oudere inwoners op te 20
lossen, zoals het ANWB-automaatje dat in sommige gemeenten al actief is. Deze voorziening is geschikt om de incidentele vervoersvragen voor deze doelgroep op te lossen. Als gekozen wordt voor de herinvoering van de 75+pas voor het collectief vervoer moet dit worden geregeld in de Verordening als algemene voorziening, omdat er geen indicatiestelling aan de voorkant aan ten grondslag ligt. Er zijn dan verschillende mogelijkheden om deze voorziening in te richten. Binnen de algemene voorziening voor collectief vervoer kan worden gedifferentieerd in bijvoorbeeld gebruiksuren of tarieven. Het gevolg van de herinvoering van deze voorziening zal leiden tot een toename van het aantal reizigers waardoor de druk op de collectieve voorziening verder wordt vergroot. Bovendien zijn er financiële consequenties als deze algemene voorziening zal worden ingericht. Bij een toename van ongeveer 2% actieve reizigers ten opzichte van de huidige aantallen en het nu geldende Wmo opstaptarief van 60 cent zou dit neerkomen op een kostenverhoging van ongeveer €50.000.