Samenwerking en innovatie in Dordrecht - Voorstel voor een Ondernemersfonds.pdf
Tekst van het document
Samenwerking en innovatie in Dordrecht Voorstel voor een Ondernemersfonds
Initiatiefgroep Ondernemersfonds Jaap Huisman Bert Braanker Johan Weeber Joep van Eijk Jan-Willem Lemkes Koen Hoogendoorn Martijn Onnink Mariska Wagner Rob Heijkoop en Henk Wiekart
POBD POBD VVE 3311 BIZ Dordtse Kil 1 & 2 / DOV Winkelcentrum Sterrenburg Vastgoedondernemer op De Staart BIZ Louterbloemen Stichting MBO Dordrecht VvE Dordtse Kil III
Rob Manders Gijsbert van der Klis
Adviseur/penvoerder, Blaauwberg Ambtelijke ondersteuner
10 mei 2023
Voorwoord Het politiek akkoord 2022-2026 dat de nieuwe coalitie van VVD, ChristenUnie / SGP, Groen Links en CDA in Dordrecht hebben afgesloten, bevat een voor ondernemend Dordrecht interessante aankondiging:
“We ondersteunen ondernemers bij het oprichten van een ondernemersfonds. Een fonds van, voor en door ondernemers die onder andere de huidige aflopende bedrijfsinvesteringszones kan opvolgen en kansen biedt om ook een bredere inzet op maatschappelijke thema’s die raakvlak hebben met de bedrijven te ondersteunen”.
De samenwerking tussen Dordtse bedrijven heeft in de afgelopen jaren al een kleine vlucht genomen. Op verschillende plekken in de stad zijn collectieven van ondernemers in positie met een eigen investeringsbudget (via BIZ, Reclamebelasting, VvE). De gemeente ziet en waardeert het resultaat van samenwerking op de bedrijventerreinen en in de binnenstad en stimuleert samenwerking op terreinen waar nog geen samenwerking is. De laatste jaren is hierbij een behoefte ontstaan aan continuïteit van collectieve financiering voor bestaande samenwerkingen en aan ruimte om op meer vlakken samen te werken dan ‘schoon, heel en veilig’. De huidige coalitie heeft deze ondernemersbehoefte erkend en heeft belang bij een stabiele en brede maatschappelijke samenwerking. Daarom heeft ze het stadsbreed ondernemersfonds op OZB-basis voorgesteld als middel om hier invulling aan te geven. In het land zijn goede ervaringen opgedaan met gemeentebrede fondsen. Leiden was in 2005 de eerste stad met een fonds. Inmiddels zijn er circa veertig fondsen naar ‘Leids model’ actief, waaronder in enkele grote en middelgrote steden: Utrecht, Groningen, Leeuwarden, Delft, Helmond en Heerlen.
En in de Drechtsteden regio is in korte tijd een bijna dekkend netwerk aan ondernemersfondsen ontstaan.1 Op al die plekken zorgt het fonds voor een stabiele stroom aan collectieve investeringen, is de organisatiegraad van ondernemers verhoogd en vindt meer samenwerking plaats tussen ondernemers en non-profit organisaties. Initiatiefgroep ondernemers Er heeft zich een initiatiefgroep gevormd van ondernemers die de planvorming ter hand heeft genomen. Binnen de groep zijn de contouren vastgelegd van de ‘Dordtse invulling’ van het beproefde Leidse model. In de groep zijn de diverse gebieden/collectieven van ondernemend Dordrecht vertegenwoordigd: •
de centrumondernemers via de POBD en de vastgoedpartijen via de VvE 3311
1 Zwijndrecht (sinds 2016), Alblasserdam (2016), Hardinxveld-Giessendam (2022), Sliedrecht (2023) en Hendrik-Ido-
Ambacht (2022)
2
•
• •
• •
de collectieven op de Westelijke Dordtse Oever via bestuursleden van BIZ Dordtse Kil I en II/ Amstelwijck-West, BIZ Louterbloemen en de VvE Dordtse Kil III. De besturen van BIZ Krabbepolder en BIZ Handelskade worden via hen ook actief geïnformeerd de wijkwinkelcentra, via een bestuurslid van de koepelvereniging van zes centra (Sterrenburg, Wielwijk, Crabbehof, Dubbeldam, Bieshof en Pearl Buck erf) bedrijventerrein De Staart via vastgoedondernemer, parallel aan het onderzoek is een werkorganisatie opgericht met ondernemers die aan de slag gaan met terreinopgaven maatschappelijk vastgoed via actieve sociale ondernemer met groot (sociaal maatschappelijk) netwerk in de stad de overige Dordtse ondernemers via een bestuurslid van de Dordtse Ondernemersvereniging (DOV).
De initiatiefgroep laat zich bijstaan door de adviseurs van Blaauwberg, de penvoerders van deze notitie. De inhoud van de notitie is zorgvuldig afgestemd en wordt gedragen door de voltallige groep. De leden van de initiatiefgroep zijn zorgvuldig geselecteerd om een redelijk representatieve weergave te krijgen van de ambities en ideeën van het Dordtse ondernemerschap. Er zijn diverse aanvullende gesprekken gevoerd met achterbannen en de niet-georganiseerde gebieden/sectoren nodig zijn om het beeld verder te completeren. Doel en opbouw notitie
Het doel van deze notitie is tweeledig: •
het goed uitschrijven van het initiatief om politieke besluitvorming mogelijk te maken (hoe, wat en waarom)
•
het vastleggen van uitgangspunten en werkafspraken voor het Dordtse fonds. Het is daarmee ook het werkplan van het nieuwe fonds waarin de afspraken staan die de ondernemers onderling hebben gemaakt. Dit document geldt daarmee ook als brondocument waar bij de uitvoering meermaals op zal worden teruggegrepen.
We starten deze notitie met een korte introductie van het ondernemersfonds. We vervolgen met een overzicht aan ambities en opgaven in de verschillende werkgebieden. En tot slot schetsen we de contouren van het te vormen fonds.
3
Inhoud Voorwoord .............................................................................................................................................. 2
1.
2.
3.
Introductie Ondernemersfonds ...................................................................................................... 5 1.1
Waarom een Ondernemersfonds in Dordrecht? .................................................................... 5
1.2
Wat gebeurt er binnen een Ondernemersfonds?................................................................... 7
1.3
Hoe werkt het Ondernemersfonds? ....................................................................................... 8
Ambities en opgaven in Dordrecht ............................................................................................... 10 2.1
Westelijke Dordtse Oever ..................................................................................................... 10
2.2
Binnenstad ............................................................................................................................ 12
2.3
De Staart ............................................................................................................................... 14
2.4
Wijkeconomie ....................................................................................................................... 16
2.5
Non-profit ............................................................................................................................. 17
2.6
Positie van de gemeente ...................................................................................................... 19
Contour van het fonds .................................................................................................................. 22 3.1
Omvang en tarief .................................................................................................................. 22
3.2
Verhouding gebruikers en eigenaren ................................................................................... 23
3.3
Trekkingsrechten .................................................................................................................. 24
3.4
Stadsbreed ............................................................................................................................ 26
3.5
Governance van het fonds .................................................................................................... 28
3.6
BTW positie ........................................................................................................................... 30
3.7
Evaluatie ................................................................................................................................ 32
4
1.
Introductie Ondernemersfonds
We gaan in dit eerste hoofdstuk in op de hoofdlijnen van een Ondernemersfonds. We starten met een introductie van de Dordtse context. Wat is de aanleiding om over een fonds te praten in Dordrecht? Vervolgens bespreken we wat een ondernemersfonds precies inhoudt, hoe het werkt, wat de ervaringen zijn in het land, en wat ondernemers ermee kunnen.
1.1
Waarom een Ondernemersfonds in Dordrecht?
Het wordt voor de ontwikkeling van de lokale economie steeds belangrijker dat ondernemers goed georganiseerd zijn. Bedrijven staan in toenemende mate voor de opgave om een gezamenlijke verantwoordelijkheid te dragen voor een veilige, schone en goed onderhouden omgeving, voor mobiliteit en bereikbaarheid, voor goede promotie, voor een goed acquisitieklimaat, goede relaties met het onderwijs en voor talloze andere zaken. Samenwerking tussen ondernemers is cruciaal voor de concurrentie- en conjunctuurbestendigheid van het ondernemersklimaat. In Dordrecht wordt in een aantal werkgebieden al goed samengewerkt. In de binnenstad investeren de winkeliers gezamenlijk in promotie, aankleding, onderzoek en kennisontwikkeling. En op de grote industrieterreinen aan de Westelijke Dordtse Oever worden goede resultaten geboekt op het gebied van veiligheid, beheer en uitstraling. Zowel in de binnenstad als op de terreinen kunnen de ondernemers rekenen op een eigen financiële positie. In de binnenstad via een reclamebelasting. Op de terreinen met een BIZ of een Vereniging van Eigenaren. En een aantal wijkwinkelcentra hebben een vast promotiebudget waar via de huur aan wordt meebetaald. Er zijn echter een aantal signalen dat Dordrecht toe is aan een volgende stap. •
Versterking van organisatiegraad in andere gebieden. In de andere Dordtse gebieden wordt met belangstelling gekeken naar de ontwikkelingen op de terreinen en in de binnenstad. Zo is op het terrein De Staart veel werk te verrichten op het gebied van veiligheid, beheer, uitstraling en bereikbaarheid. Het heeft al die jaren aan een collectief ontbroken om die handschoen op te pakken. De komst van een fonds zou een doorbraak betekenen. De eerste signalen daarvan zijn nu al zichtbaar. In het spoor van dit onderzoek wordt een werkstichting opgericht door ondernemers gevestigd op het terrein. En er zijn meer gebieden die nu nog ondergeorganiseerd zijn: Businesspark Amstelwijck, een groot deel van de wijkeconomie, de binnenstedelijke terreinen (Groene Zoom, Vissersdijk, Eg- en Ploegstraat). En ook nog delen van de binnenstad (buiten het kernwinkelgebied) en de Westelijke Dordtse Oever (Mijlweg, Tweede Tol/Oostkil, De Put/Weeskinderendijk).
•
Volgende generatie van bestedingen, meer samenhang en Dordrecht-brede inzet. Nu een groot deel van de stad de basis heeft georganiseerd (schoon, heel, veilig en promotie) komen we in Dordrecht toe aan een aantal gelaagde opgaven: de energietransitie, de circulaire economie, digitalisering, mobiliteit, het tekort aan personeel, aantrekken van jong talent, professionele citymarketing, visie van ondernemers op de verstedelijking, onderzoek en monitoring, eigen visie op ruimtelijke ontwikkelingen. De gebiedsinzet is gebaat bij een 5
goede paraplu van activiteiten die goed zijn voor het gehele eiland van Dordrecht. De hiervoor genoemde opgaven kunnen per gebied worden opgepakt maar vragen tegelijkertijd ook om een goede stadsbrede coördinatie. •
Impuls voor de binnenstad. De ondernemers hebben in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in kwaliteit en beleving van de binnenstad. Het zijn echter vooral de ondernemers in het kernwinkelgebied die gezamenlijk investeren. De wens is om meer partijen die belang hebben bij een vitale binnenstad te betrekken: vastgoed, cultuur / non-profit en ondernemers in de andere delen van de binnenstad (Voorstraat Noord, stationsomgeving, havengebied, aanloopstraten). De komst van het Binnenstad Bedrijf Dordrecht moet hierin veel gaan betekenen. Hierin gaan ondernemers, vastgoed en gemeente structureel samenwerken aan werk- en leefklimaat in de binnenstad. Om die samenwerking goed van de grond te krijgen is een stabiele financiële onderlegger nodig waar alle partijen in worden betrokken. Want er is genoeg werk voorhanden dat vraagt om een bredere inzet van alle partijen.
In de visie ‘Slijpen aan een diamant’ komen verschillende opgaven naar voren zoals het uitlokken van meer bezoekmotieven (winkelen, cultuur, horeca), bestrijding van leegstand, goede branchering en diversiteit in winkelaanbod, dynamisch evenementenbeleid, betere verbinding met de warenmarkt, betere bereikbaarheid voor alle vervoersmodaliteiten, oriëntatie op duurzame stadsdistributie, meer samenhang tussen stationsgebied en binnenstad, inzet van slimme monitoring om beter zicht te krijgen op effectiviteit van de gezamenlijke inzet, hogere koopkrachtbinding van stads- en regiobewoners.
•
Meer stabiliteit, flexibiliteit en participanten voor de BIZ-terreinen. De BIZ heeft een impuls gegeven aan de veiligheid en uitstraling van vier grote terreinen aan de Westelijke Dordtse Oever.2 De BIZ-regeling kent tegelijkertijd een aantal beperkingen in de vormvrijheid. Formeel is de BIZ een bestemmingsheffing en dat betekent minder vrijheid in de bestedingen (bv. geen belangenbehartiging) en meer toezicht van de gemeente (goedkeuren begroting) dan gangbaar is in gemeentebrede fondsen of fondsen op basis van een reclamebelasting. Bovendien zijn de inningskosten relatief hoog, de BIZ heeft een eigen verordening, belastingbestand en aanslagbiljet. In de praktijk is daar nog wel mee te werken. Lastiger is de periodiek verplichte peiling waar het bestaansrecht van de BIZ telkens weer ter discussie staat. Alle ondernemers moeten zich om de vijf jaar uitspreken over de BIZ. Het uitschrijven van de stemprocedure kost veel tijd, energie en geld. Bovendien is er geen garantie op succes, hoe betekenisvol de resultaten ook zijn. Elders in het land zijn goed functionerende BIZ’zen gesneuveld in de stemprocedure. Een veilige en schone omgeving werd er als te vanzelfsprekend beschouwd. Terwijl daar collectieve investeringen achter schuil gaan en vaak veel vrijwillige inzet van bestuurders. Een bijkomend punt is dat de eigenaren niet meedoen in de BIZ’zen.
En ook eigenaren hebben baat bij een goed georganiseerde en veilige omgeving.
•
Meer interactie met non-profit. De non-profitorganisaties zijn zich steeds meer als onderneming gaan gedragen. Ook zij hebben baat bij een aantrekkelijke, schone en veilige
2 Louterbloemen/Duivelseiland, Krabbepolder, Dordtse Kil I, II en Amstelwijck-west, Handelskade
6
omgeving. En ze zijn gebaat bij goede contacten met ondernemers voor stagebeleid, voor personeelsvraagstukken, voor sponsoring, voor meer bezoekers, voor goede stadspromotie, voor preventiebeleid en tal van andere zaken. En andersom biedt meer samenwerking ook kansen voor de ondernemers, om talent te werven, om aan de slag te gaan met gezonde werkplekken, om aansprekende events te organiseren. De bedrijven en non-profit instellingen zoeken elkaar hier en daar al op maar dan vooral op tijdelijke projecten. Het ontbreekt aan een structureel kader om meer verbindingen te leggen en cross-overs mogelijk te maken.
1.2
Wat gebeurt er binnen een Ondernemersfonds?
Met het fonds kunnen tal van activiteiten die het vestigingsklimaat ten goede komen worden bekostigd. Hieronder een selectie van bestedingen en thema’s die in fondsen aan de orde komen. •
De beveiliging van bedrijventerreinen door middel van surveillance, snelle alarmopvolging bij onraad, camerabewaking en signaleren van gevaarlijke situaties (open ramen/deuren, inbraakgevoelige situaties, brandgevaarlijke situaties);
•
De promotie van binnensteden en winkelgebieden, met goed op elkaar afgestemde evenementen voor bewoners en bezoekers, sfeervolle aankleding van de openbare ruimte, de organisatie van culturele en sportieve events, het inrichten van sfeergebieden voor spreiding van het winkelpubliek en multifunctioneel gebruik van de centra, regionale/landelijke citymarketing;
•
Programma’s ter stimulering van de lokale arbeidsmarkt en uitwisseling met het onderwijs via open bedrijvenroutes, stagemarkten, leerwerktrajecten met het onderwijs, gezamenlijke personeelswerving, ‘fieldlabs’ in technische sector (zeer praktijkgerichte leeromgeving met real life vraagstellingen uit bedrijfsleven);
•
Het stimuleren van de wijkeconomie door wijkwinkelcentra samen te laten optrekken met non-profitorganisaties uit de wijken, organisatie van braderieën, seizoensmarkten met lokaal geproduceerde producten, culturele manifestaties, boodschappenservices voor zorgcentra, kleinschalig taxivervoer voor ouderen en mensen met een mobiliteitsbeperking;
•
De verduurzaming/vergroening van gebouwen en bedrijfsprocessen: energiescans voor bedrijven en werkterreinen, oriëntatie op collectief duurzaam opwekken energie (+ distributie), grondstoffenbank voor hergebruik reststromen, vergroening openbare ruimte, aanvullende maatregelen ter beperking van wateroverlast en hittestress;
•
Actief parkmanagement op bedrijventerreinen, knelpunten inventariseren via schouwrondes, bedrijven aanspreken op veiligheidsaspecten en uitstraling, keurmerk veilig ondernemen (KVO), bewegwijzering en strooibeleid in winter, actieve communicatie over wegafsluitingen en relevante lokale ontwikkelingen (bv. vestiging asielzoekerscentrum) en andere aanvullingen bovenop reguliere gemeentelijke voorzieningen.
7
1.3
Hoe werkt het Ondernemersfonds?
Een Ondernemersfonds is een onafhankelijke investeringspositie voor en door het lokale bedrijfsleven. Het ondernemersfonds is een bewezen instrument om de organisatiegraad te vergroten, om meer private investeringen los te krijgen en om ondernemers zelf regie te laten nemen. En ieder bedrijf betaalt naar rato mee via een bijdrage op de ozb niet-woningen. In de kern is een Ondernemersfonds het gevolg van een afspraak tussen ondernemers en lokale politiek. De gemeenteraad verhoogt de ozb voor niet-woningen met een van tevoren afgesproken bedrag en stelt tegelijkertijd een subsidie in ter waarde van de ozb-verhoging voor een op te richten stichting Ondernemersfonds. Leiden was in 2005 de eerste stad met een dergelijk fonds. In het land zijn circa veertig gemeentebrede fondsen naar ‘Leids model’ actief, van groot (Utrecht) tot klein (Schiermonnikoog). Gemeentebrede fondsen in Nederland Leiden (2005) Utrecht (2012) Groningen (2011) Leeuwarden (2009) Delft (2011) Gouda (2009) Vlaardingen (2014) Hilversum (2015) Helmond (2013) Heerlen (2019)
Enkhuizen (2018) Wijk bij Duurstede (2015) Montfoort (2016) Houten (2023) Súdwest-Fryslân (2016) Heerenveen (2015) Westerveld (Dr.) (2017) Meppel (2011) Assen (2014) Bodegraven-Reeuwijk (2014)
Zwijndrecht (2016) Alblasserdam (2016) Hardinxveld-Giessendam (2022) Sliedrecht (2023) Hendrik-Ido-Ambacht (2022) Terschelling (2017) Schiermonnikoog (2012) Schagen (2014) Pijnacker-Nootdorp (2012)
Lisse (2008) Katwijk (2011) Den Helder (2012) Uithoorn (2013) Laren (2015) Alkmaar (2022) Laarbeek (2017) Culemborg (2013)
Het gemeentebrede Ondernemersfonds is een regelvrije structuur die zich goed laat aanpassen aan lokale omstandigheden. De bestaande fondsen laten een grote variëteit zien in hun bestedingspatroon en wijze van organisatie. Toch is er een aantal grote lijnen te zien in de praktijk van de ondernemersfondsen: •
Het fonds wordt gevoed via een opslag op de ozb voor niet-woningen. In de praktijk meestal een bedrag tussen de € 60 en € 80 per € 100.000 woz-waarde. De meeropbrengst van deze verhoging wordt één-op-één overgedragen – via een subsidie – aan een op te richten Stichting Ondernemersfonds.
•
Alle gebruikers en eigenaren van een niet-woning betalen mee, wat betekent dat niet alleen de winkels, kantoren en bedrijfspanden maar ook onderwijsgebouwen, praktijkruimtes, ziekenhuizen, agrarische panden, sportkantines, musea en cultuurpodia bijdragen. De participatie van non-profit partijen wordt in de bestaande fondsen als een verworvenheid 8
ervaren. Het leidt tot meer onderlinge samenwerking, succesvolle gezamenlijke projecten, betere netwerkvorming en meer kennisuitwisseling. •
De bestedingen vanuit het fonds zijn geheel vrij, alles wat ondernemers aanmerken als hun gezamenlijk belang komt voor financiering in aanmerking. Van sfeerverlichting en promotie in de winkelgebieden, en beveiliging op de bedrijventerreinen tot aan ledenwervingsmarkten’ voor de sport en stagebeleid voor het onderwijs. Enige voorwaarde is dat er collectief over wordt besloten, vaak via het bekende verenigingsverband. Er kan bovendien gespaard worden binnen het fonds, er geldt geen bestedingsdwang.
•
De ondernemers gaan zelf over de gewenste aansturing van het budget. In de meeste fondsen wordt er gekozen om via een trekkingsrechtensystematiek het geld weer beschikbaar te stellen aan de gebieden en sectoren waar het wordt opgebracht. Ieder winkelcentrum en bedrijventerrein beschikt daarmee over een budget dat nagenoeg gelijk staat aan de eigen inleg. Op steeds meer plekken worden ook gemeentebrede ‘potten’ belegd voor gebiedsoverstijgende activiteiten.
•
Met de gemeente worden afspraken gemaakt over non-interventie; geen gemeentelijke beïnvloeding op bestedingen. En non-substitutie; geen afwenteling van overheidstaken op het fonds. Aan het einde van het jaar wordt keurig rekening en verantwoording afgelegd over de wijze van besteding. Het blijft immers publiek geld.
•
Per ministeriële regeling zijn alle Ondernemersfondsen btw-plichtig verklaard. De opbrengst betreft dus een netto te besteden bedrag. Enkel over het aandeel van de non-profit (normaal ook niet btw gerechtigd) is een aanvullende uitspraak van de fiscus nodig. In de voorbereiding trekt Dordrecht met de andere fondsgemeenten in de Drechtsteden op om die btw status te verkrijgen.
•
Het bestuur van het fonds houdt overzicht over alle middelen in het fonds. Met de in het fonds actieve partijen worden afspraken gemaakt over de wijze waarop het trekkingsrecht kan worden uitgeoefend. Grotere verenigingen werken vaak met een jaarbegroting en verantwoording aan het einde van het jaar. Andere – vaak kleinere - trekkingsgerechtigde kiezen ervoor om zich door het fonds te laten ontzorgen. De inhoudelijke besluitvorming doen ze zelf maar het fonds verzorgt de gehele financiële afwikkeling inclusief btw verrekening.
Een vaste set aan succesvoorwaarden bij de start zijn lastiger om te identificeren. Een kleine serie aan fondsen zijn ontstaan om een doorbraak te forceren in de organisatiegraad. Het gebrek aan activiteit en samenwerking was er de directe reden om tot een fonds te komen. En de lokale politiek bleek ontvankelijk voor het signaal dat er ‘iets moest gebeuren’. Uit die noodzaak zijn enkele van de meest succesvolle fondsen geboren (Leiden, Utrecht, Heerlen). Andere fondsen zijn eerder het resultaat van het doorlopend verder bouwen aan het organiserend vermogen. Zo was in Helmond de organisatiegraad al vrij behoorlijk. De ondernemers ter plekke zagen het fonds als weer een stap voorwaarts. Een kans om de kwaliteit van de bedrijfsomgeving op een nog hoger plan te tillen, om meer cross-overs uit te lokken, de samenwerking met non-profit te versterken en om meer lange termijn plannen te kunnen maken. Zo bezien lijkt Dordrecht meer in dat laatste rijtje te passen. Het fonds is een volgende stap in het bouwen aan een robuust ondernemerslandschap dat veel dynamiek en activiteit oproept. 9
2. Ambities en opgaven in Dordrecht We hebben al een serie van motieven voorbij zien komen die pleiten voor de komst van een gemeentebreed fonds. In dit hoofdstuk zoomen we iets verder in. We reflecteren op de ambities en opgaven per werkgebied, en analyseren telkens wat dat betekent voor de invulling van het fonds.
2.1
Westelijke Dordtse Oever
Alle terreinen bijeen genomen is de Westelijke Dordtse Oever één van de grootste werkgebieden van de Randstad. In totaal zijn er op duizend hectare 1.095 bedrijven gevestigd die samen goed zijn voor 16.830 banen.3 De bedrijvigheid neemt ieder jaar weer een beetje toe met de uitbreiding van het Distripark. Die economische activiteit vertaalt zich ook in een behoorlijke vastgoedwaarde. Gezamenlijk zijn de WDO-terreinen goed voor ruim 35% van de zakelijke vastgoedwaarde van Dordrecht. Achter die totale bedragen gaat een wereld van diversiteit schuil. De zeehavens op Krabbepolder en Louterbloemen hebben een heel ander profiel dan het modern opgezette Dordtse Kil III. Zoals het jaren ’70 terrein ‘Dordtse Kil I, II en Amstelwijck-West’ weer een heel andere opgave kent dan het nieuwe Distripark. We komen tot zeven onderscheidende gebieden met elk eigen ambities en wijze van organisatie. Op het kaartbeeld rechts nummeren we de gebieden, in de tabel terug te vinden met wijze van organisatie en de omvang van de huidige begroting van het collectief. Terrein
Organisatie
Actuele begroting
1. Handelskade 2. Louterbloemen / Duivelseiland 3. Krabbepolder 4. Dordtse Kil I, II en Amstelwijck-west 5. Dordtse Kil III 6. Distripark
BIZ – gebruikers BIZ – gebruikers
~ € 20.000 ~ € 50.000
BIZ – gebruikers BIZ – gebruikers
~ € 95.000 ~ € 206.000
VvE – eigenaren Vve in oprichting eigenaren
~ € 245.000 -
Het grootste deel van de WDO is op enige wijze georganiseerd. Uitzonderingen zijn de omgeving Mijlweg en de Put/Weeskinderendijk. In het kielzog van het traject ondernemersfonds wordt een VvE opgericht op het Distripark. Ieder collectief heeft haar eigen aanpak en prioriteiten passend bij de uitdagingen op het terrein. In al die verschillende aanpakken zitten wel een aantal terugkerende
3 Cijfers Onderzoekscentrum Drechtsteden, 2021
10
elementen. Het gaat om beveiliging, beheer/parkmanagement, digiborden/bewegwijzering en communicatie. We beschrijven in de boxtekst de situatie op Louterbloemen. Het terrein biedt een aardige weergave van hoe de samenwerking tussen ondernemers in Dordrecht op een steeds hoger niveau wordt getild. Louterbloemen: van vereniging, naar BIZ, naar ondernemersfonds Sinds 20 jaar is er een gebiedsvereniging actief van ondernemers. Bij de introductie van de BIZ – destijds nog een experimentwet – was Louterbloemen één van de vier Dordtse terreinen die opteerde voor deze regeling (start 2012). De BIZ heeft de ondernemers in staat gesteld om een stabiele werkstructuur te verschaffen. Het terrein kent een grote diversiteit aan bedrijven, van eenmanszaken tot multinationals, maar de partijen weten elkaar te vinden in het collectieve voordeel van professioneel beveiliging en parkmanagement. Het gaat om aanvullende werkzaamheden boven op de reguliere inzet van toezicht en omgevingsinvesteringen. De BIZ heeft een stabiel bestuur en een jaarlijkse begroting van circa € 50.000,-. De BIZ staat in direct contact met het Havenbedrijf Rotterdam (verantwoordelijk voor regulier beheer terrein), de gemeente, politie en brandweer.
Louterbloemen beschikt over een Keurmerk Veilig Ondernemen wat betekent dat voornoemde partners periodiek met elkaar overleggen en schouwrondes lopen over het terrein ter controle van veiligheid en beheer. Verbeteracties worden in goed overleg met elkaar doorgevoerd. De kern van de activiteiten van de BIZ bestaat uit drie onderdelen: •
aansturen van de parkmanager, het aanspreekpunt voor ondernemers voor vragen/meldingen over de openbare ruimte en veiligheid op het terrein, en de spil in het netwerk met beheerder (Havenbedrijf Rotterdam), gemeente, politie en brandweer.
•
investeringen in veiligheidsniveau terrein; alarmopvolging en surveillance door beveiligingsbedrijf, camerabewaking (investeringen en onderhoud), slagbomen, doorgeven ‘verdachte situaties’ aan betrokken partners (HBR, politie, gemeente)
•
betrekken ondernemers bij belangrijkste ontwikkelingen op terrein (bereikbaarheid, werkzaamheden, vestiging asielzoekerscentrum, etc.) en informeren over stadsbrede ontwikkelingen en events (corona crisis- en herstelfonds, mkb dag, etc.)
De ervaringen met de BIZ zijn goed. Er is goed toezicht op het terrein, een modern camerasysteem en toegangscontrole d.m.v. slagbomen. Het KVO-B certificaat wordt periodiek verlengd en de relatie met de uitvoeringspartners is prima. En de activiteiten met de parkmanager zorgen voor direct contact met alle ondernemers. Het gemeentebrede fonds biedt Louterbloemen weer bijkomende voordelen. De belangrijkste die het BIZ-bestuur zelf benoemt is de stabiliteit van het instrument. Met een trekkingsrecht binnen het stadsbrede fonds beschikt Louterbloemen over langjarige financiering zonder de verplichte BIZdraagvlakmeting. Die meting kost zowel de BIZ als gemeente veel capaciteit en energie, en gaat gepaard met een onzeker perspectief. Als de BIZ onverhoopt wordt weggestemd is er geen dekking voor het hele pakket aan veiligheids- en beheersdiensten. Een langjarig perspectief biedt de BIZ ook meer mogelijkheden om lange termijn investeringen te doen. Daar komt bij dat de BIZ kan rekenen op een beter georganiseerde omgeving buiten het terrein. Meer partners die met hen kunnen optrekken op dossiers waar dat nodig is, bijvoorbeeld op gebied van bereikbaarheid en mobiliteit. Het gemeentebrede fonds kent overigens ook geen bijkomende inningskosten, zoals dat bij de BIZ (en ook Reclamebelasting) wel het geval is (want een aparte aanslag).
De huidige WDO-verenigingen zien kansen in de komst van een ondernemersfonds. Er worden wel een aantal voorwaarden gesteld. We sommen hieronder een aantal punten op die aan de orde zijn geweest. 11
•
Het principe ‘voor en door’ ondernemers moet goed in de afspraken met de gemeente worden verankerd. Het geld moet door de ondernemerscollectieven naar eigen inzicht kunnen worden aangewend.
•
Een goede inbedding van de huidige gebiedsposities in het fonds is belangrijk, de terreinen moeten de beschikking kunnen krijgen over een eigen trekkingsrecht. De vereniging ter plekke is bevoegd om te besluiten welke bestedingen er plaats vinden.
•
De (financiële) administratie moet soepel verlopen. De verenigingen krijgen het gehele trekkingsrecht aan het begin van het jaar overgemaakt op basis van een jaarbegroting. Aan het einde van het jaar volgt een verantwoording van de bestedingen. Deze werkwijze wordt veel toegepast in bestaande fondsen, onder andere dichtbij in Zwijndrecht.
•
De tarifering van het fonds moet enigszins aansluiten bij het gewenste financieringsniveau. Daarbij mag over het algemeen een ruimere marge worden genomen dan de huidige begroting. De kosten van leveranciers zijn flink aan het stijgen en bovendien is enige financiële ruimte prettig om actief te worden op belangrijke thema’s als de arbeidsmarkt, mobiliteit, vergroening en de energietransitie.
Over dat laatste punt nog het volgende. Op terreinen waar de basis aan schoon, heel en veilig voorzieningen eenmaal is geregeld komen vaak een nieuwe generatie bestedingen op gang. Zo is er steeds meer aandacht voor de kwaliteit en uitstraling van de werkterreinen. De openbare ruimte is er allang niet meer alleen om van a naar b te gaan, of om naar te kijken vanuit het bedrijfspand. Hij wordt actief gebruikt door de vele mensen die er werken. Overal zie je groepjes mensen hun lunchrondje lopen over het terrein. Dat moet niet alleen veilig kunnen, het is ook wel zo prettig als de omgeving een beetje aangenaam is. Er moet iets te zien zijn: groen/bomen, bloemen, een uitzicht, misschien zelfs een kleine dierenweide. En liefst is er ook nog iets te kopen voor de mensen die geen boterhamtrommel mee hebben. Het klinkt als een detail, maar de mensen zijn het echte kapitaal van een bedrijf. De krapte op de arbeidsmarkt houdt gezien de rappe vergrijzing van ons land nog wel even aan. Voor bedrijven is het des te meer zaak om het de eigen mensen goed naar de zin te maken. Een prettige werkomgeving ook buiten de bedrijfspoort helpt daar wel bij. Een ander punt in diezelfde lijn is de multimodale bereikbaarheid van terreinen. De terreinen zijn gebouwd op de auto maar het ov en de (elektrische) fiets worden steeds belangrijker.
Zeker bij de jonge, hoogopgeleide generatie is een auto met rijbewijs geen garantie meer. En mbo-stagiaires zijn vaak ook aangewezen op andere vervoerswijzen. Het fiets- en wandelvriendelijk maken van de terreinen zou een flinke opgave zijn. En waar de publieke ovdienst ontoereikend is kan worden nagedacht over eigen busvervoer. Er zijn meerdere terreinen waar op basis van goed mobiliteitsonderzoek is besloten om zelf met busjes te gaan rijden. Bijkomend voordeel van die inzet op ov en fiets is dat de filedruk verminderd.
2.2
Binnenstad
Dordrecht beschikt over een prachtige historische binnenstad waar volop wordt gewerkt, gerecreëerd en gewoond. De binnenstad is niet alleen een belangrijk uithangbord voor de hele stad, 12
het is ook een belangrijk werkgebied. In de wijk binnenstad werken ruim 11.840 personen, meer dan het totale aantal bewoners in datzelfde gebied (9.170).4 De binnenstad moet het hebben van zijn multifunctionalteit en de hoge dichtheid. Heel zichtbaar zijn de winkels, de horeca en de culturele instellingen. En achter de vele voordeuren gaat nog veel onzichtbare bedrijvigheid schuil: zzp’ers, start-ups, communicatiebureaus, zakelijk dienstverleners. Het is een behoorlijke uitdaging om in zo’n gelaagd en multifunctioneel gebied te komen tot goede samenwerking. En toch zijn de ondernemers erin geslaagd een behoorlijke mate van organisatie te bereiken. Belangrijkste gezicht daarvan is de POBD, een actieve vereniging met bijna 400 ondernemers. De POBD heeft de afgelopen jaren stevig geïnvesteerd in activiteiten, uitstraling, communicatie en de kennispositie van ondernemers. Voor gemeente, vastgoed en andere partijen die investeren in de binnenstad is de POBD een belangrijke en betrouwbare partner. De komst van de reclamebelasting is daarin doorslaggevend geweest. Via die heffing betalen alle bedrijven die reclame voeren in het kernwinkelgebied mee aan de collectieve inspanningen. In de praktijk zijn dat de gebruikers van de panden: winkels, horeca en dienstverleners met een eigen pand. En recent hebben vastgoedeigenaren zich georganiseerd in eigen collectief, de VVE 3311.
Het gaat om een groeiende groep aan betrokken vastgoedpartijen die de noodzaak zien om gezamenlijk te investeren in de binnenstad. De VVE werkt nu nog op basis van een vrijwillig lidmaatschap. Er wordt belangstellend uitgekeken naar de komst van een fonds zodat alle eigenaren gaan meedoen. Een blik op de zaken die door de POBD worden opgepakt laat zien dat er al veel gebeurt in de binnenstad: • • • • • •
Sfeer en kwaliteit van de openbare ruimte: sfeerverlichting, bloembakken, verfraaiingen, afspraken over parkeren en verkeersstromen, vestigingsbeleid. Evenementen met stadsbrede uitstraling: Dordt Pakt Uit, Dordt in de Mode, Big Rivers, Dordt in Stoom. Straatinitiatieven: kleinschalige events, signaleren en oplossen knelpunten. Digitalisering en communicatie: online communicatie met alle leden en partners via Chainels, monitoren passantenstromen (avg-proof). Kennis en innovatie: ontwikkelen nieuwe evenementen, creëren lerende netwerken, aangaan nieuwe samenwerking, monitoren effect eigen activiteiten. Marketing en promotie, in nauwe samenwerking met Dordrecht Marketing.
Het werk is echter niet klaar. In de binnenstadsvisie ‘Slijpen aan een diamant’ worden verschillende uitdagingen genoemd. Het gaat om een brede agenda met een gedeelde publiek-private verantwoordelijkheid. •
•
Toewerken naar een compacter, aaneengesloten en gevarieerd kernwinkelgebied. Een prettige afwisseling tussen ‘home grown retail’, authentieke winkels en bekende ketens. Bestrijding van de leegstand door acquisitie van nieuwe ondernemers, stimulering van verkleuring in aanloopstraten. Inrichten van sfeergebieden met herkenbare branchering voor verschillende doelgroepen. Gebruik maken van de multifunctionaliteit van de binnenstad, bezoekmotieven toevoegen en de interactie tussen winkels, horeca, cultuur en andere branches verhogen, meer hotels
4 Cijfers Onderzoekscentrum Drechtsteden, 2021. Dat is nog exclusief de Noordflank (Merwesteijn, Wantij, Voorstraat
Noord)
13
•
•
•
•
•
om verblijf van bezoekers te verlengen, ruimte voor maatschappelijke functies (zorg, onderwijs, kinderopvang). Meer ruimte voor hoogstedelijk straatleven: ruime terrassen, ruimere openingstijden voor winkels en horeca, voorrang voor wandel- en fietsverkeer, meer cultuur op straat, ruimte voor bewonersinitiatieven, zichtbaarheid van de nieuwe economie (startups, flexplekken, ateliers). Versterken van de eenheid en samenhang: wandelpromenade van station naar historische binnenstad, meer uitwisseling tussen warenmarkt en rest van binnenstad, herkenbare openingstijden, aansprekende evenementen en goed gecoördineerde marketing. Mobiliteit en bereikbaarheid: meer ruimte voor langzaam verkeer, fietscorridors naar omliggende wijken, autoluwe binnenstad, hubs voor autoverkeer aan de randen, meer en beter vindbare fietsparkeerplekken, komst lightrail Dordrecht-Rotterdam Vergroening, verduurzaming, innovatie: ruimte voor geveltuintjes en verticaal groen, beleefbaar maken van het water, oriëntatie op duurzame stadsdistributie, stimuleren deelconcepten in vervoer (fiets, auto), ruimte voor speelplekken, inzet van slimme ict-en datatechnieken (Smart City). Gastvrijheid: verwelkoming door Dordtse gastheren en -vrouwen, goede informatievoorziening, meertaligheid, kennis en kunde programma voor ondernemers.
Om verder te bouwen aan de kwaliteit van de binnenstad hebben POBD, VVE331 en de gemeente de handen ineen geslagen. De drie partijen gaan samenwerking in het nieuwe Binnenstad Bedrijf Dordrecht (BBD). De inschatting is dat het BBD gaat werken met een begroting van ruim € 600.000 per jaar. Het is de bedoeling dat 2/3 van dat bedrag vanuit private kant komt (gebruikers en eigenaren). In die begroting zal rekening worden gehouden met de financiële positie van de POBD. Zij moeten kunnen blijven beschikken over een budget dat minimaal gelijk staat aan de huidige middelen. Op dit moment wordt € 125.000 opgebracht via de Reclamebelasting. De private middelen worden aangevuld met een vaste gemeentelijke subsidie van € 60.000. Op projectniveau zijn er aanvullende publieke investeringen. We zullen in hoofdstuk 3 zien dat binnen het fonds tot een passende tariefstelling voor de binnenstad kan worden gekomen met waarborg van de financiële positie van de POBD.
2.3
De Staart
Aan de noordkant van Dordrecht vinden we het langgerekte bedrijventerrein De Staart. Het is een omvangrijk gebied met een mix van industrie, logistiek, lokaal mkb, nonprofit en grootindustrie. Het terrein is strategisch gelegen aan de Beneden-Merwede en de N3 loopt er dwars doorheen. Anders dan aan de Westelijke Dordtse Oever is de organisatiegraad er laag. Het uitgestrekte karakter van het terrein maakt dat goede samenwerking niet automatisch op gang komt. Gevoelsmatig zijn er grote verschillen tussen west (veel mkb) en oost (grootindustrie), en ook tussen zuid (zichtlocaties, groothandel/dienstverlening) en noord (maritiem, industrie). En tegelijkertijd staan de bedrijven op De Staart voor gedeelde belangen.
14
•
De veiligheid van het terrein staat onder druk, zeker aan de oostkant van de N3. Meerdere bedrijven hebben te maken gehad met diefstal (koper!), overlast van hangjongeren en verdachte/gevaarlijke situaties. De bedrijven treffen nu ieder individueel maatregelen. Maar collectief zijn er belangrijke resultaten te boeken met surveillance, schouwrondes en camerabewaking. Technisch zijn de terreinen goed te beveiligen aangezien alle ontsluitingswegen uitkomen op de Baanhoekweg/Merwedestraat.
•
Er is sprake van achterstallig onderhoud, zowel in de openbare ruimte als achter de bedrijfspoorten. Regelmatig wordt er zwerfafval in het gebied gedumpt. En het ontbreekt aan een centraal aanspreekpunt om iets te doen aan de verrommeling van het terrein. De Staart is gebaat bij goed parkmanagement zoals dat actief is op de WDO-terreinen: schouwrondes, signaleren van ongewenste situaties, aanpak van fout- en langparkeerders, ondernemers aanspreken op onveilige/brandgevaarlijke situaties (opgestapelde palets langs de panden), extra laten vegen, strooien in de winter.
•
De druk op de openbare ruimte is groot. Er wordt veel af- en aangereden naar de verschillende bedrijven met grote vrachtwagens. En de kleine groenstroken langs de wegen staan – noodgedwongen – vol met geparkeerde auto’s. Die druk lijkt alleen maar toe te nemen. Zo gaat de komst van Dolderman tot nog meer vrachtwagen- en autoverkeer leiden op de nu al permanent overbelaste Grevelingenweg. Het leidt niet alleen tot veel vertraging. Er ontstaan ook gevaarlijke situaties door, zeker aangezien een deel van het personeel met de fiets of het ov komt (en wandelt vanaf de Baanhoekweg).
•
De suggestie is gedaan om serieus te kijken naar een tweede noordelijke ontsluiting van het terrein. De tijdelijke pontonbrug over de Beneden Merwede functioneerde prima bij de afsluiting van de N3. Kan hier een structureel vervolg aan worden gegeven?
•
De bedrijven hebben behoefte aan goede scholingstrajecten en contacten met het onderwijs. Er vindt veel lager- en middelbaar geschoold werk plaats op het terrein. En verschillende bedrijven bieden plek aan kwetsbare groepen jongeren. Bijvoorbeeld via het programma re-START. Veel jongeren gebruiken het werk op De Staart als opstapje, laten zich scholen en stromen op andere plekken in het bedrijfsleven weer uit. Dat zorgt voor een hoge wisseling in het personeelsbestand en het betekent dat er constant behoefte is aan nieuw talent.
•
Er is behoefte aan structureel contact met gemeente, infrabeheerders, provincie en andere verantwoordelijke instanties bij werkzaamheden in de openbare ruimte. Het meermaals openbreken van de straat zorgt voor veel vertraging en frustratie. Met centrale coördinatie en goede afstemming met ondernemers is veel winst te behalen.
In het traject ondernemersfonds is bijzondere aandacht besteed aan de organisatie van De Staart. Er zijn verschillende gesprekken gevoerd met ondernemers gevestigd op het terrein (gebruikers en vastgoed). De komst van een fonds kan op veel enthousiasme en belangstelling rekenen. Er is een werkstichting in oprichting met participatie van verschillende typen bedrijven (industrie, maritiem, groothandel, nonprofit). Een voorzichtige inventarisatie leert dat een basisinvestering in schoon, heel en veilig leidt tot een minimum begroting van circa € 15
150.000. Dat is nog niet gerekend met de vele andere opgaven die er liggen: arbeidsmarkt, scholing, bereikbaarheid.
2.4
Wijkeconomie
We hebben tot nog toe gekeken naar gebieden met een grote clustering van bedrijven. Een niet onbelangrijk deel van de Dordtse economie treffen we in de woonwijken aan. Het gaat dan om de winkeliers in de wijkwinkelcentra, de non-profit instellingen verspreid over de wijk en de ‘overige bedrijvigheid’ (kantoren, loodsen, garages, kleine bedrijfsverzamelgebouwen). Ook in deze gebieden zijn voordelen te halen door collectief op te trekken. Voor de winkelcentra ligt dat voor de hand. Het loont om te investeren in promotie, sfeer en events. De echte innovatie ontstaat juist door ook de rest van de wijk erbij te betrekken. Het is soms iets meer zoeken naar het gedeelde belang dan op terreinen of in binnensteden. Maar de ervaring in andere fondsen is zeer positief. Het bijeen brengen van veel ongelijksoortige bedrijven en organisaties roept veel dynamiek en creativiteit op. We maken een onderscheid naar acht wijken, zie kaart en tabel. Per wijk geven we aan of er een collectief van ondernemers is. Wijk
Ondernemers collectief
1.
Sterrenburg
2.
Dubbeldam
3.
Stadspolders
4.
Wielwijk
5.
Crabbehof
6.
Krispijn
Vereniging winkelcentrum Sterrenburg Vereniging winkeliers Damplein Vereniging winkelcentrum Bieshof Vereniging winkeliers Pearl Buck Erf Vereniging winkeliers Admiraalsplein Vereniging winkelcentrum Crabbehof -
7.
Het Reeland
8.
De Staart (wijk)
Winkeliersvereniging Reeweg Oost -
Vanuit de eerste vijf wijken is belangstelling geuit naar het mixen van de gehele wijkeconomie in één trekkingsrecht. De centra zoeken vaak al naar goede contacten met non-profitinstellingen en de rest van de wijk. Zij hebben baat bij een goede vertakking van centra-activiteiten naar de rest van de wijk. Een veilige en sfeervolle wijk waar het prettig wonen is, met veel leven op straat, en aansprekende activiteiten is ook in het voordeel van het centrum. Zelfs als die activiteiten niet altijd op het eigen plein plaatsvinden. En andersom werkt dat ook zo voor de non-profit en overige wijkeconomie. Zo zijn er verspreid over de wijken veel zorg- en welzijnlocaties te vinden: verpleeghuizen, dagbesteding, buurtcentra. Zij zijn er vaak op uit om hun eigen cliënten zoveel mogelijk te betrekken in de maatschappij, het liefst dichtbij huis. Een klein lunchconcert, een korte wandeling met vrijwilligers, een bezoekje aan het lokale winkelcentrum. En ook in het onderwijs is steeds meer aandacht voor leersituaties dichtbij, in de eigen woonomgeving. Via het fonds worden 16
deze partijen bij elkaar gebracht en ontstaan ideeën om het woon- en werkklimaat in de wijk samen te versterken. De keuze is om de ‘lead’ voor de planvorming bij de winkelcentra te leggen. Daar komt een belangrijk deel van de inleg vandaan, en is men gewend om gezamenlijk plannen te maken. In de plannen gaat het winkelcentrum de in de wijk actieve non-profit en overige wijkeconomie zoveel mogelijk betrekken. Eventueel kunnen zij ook uitgenodigd worden lid te worden van de vereniging. Het fondsbestuur ziet erop toe dat in de uitoefening van het trekkingsrecht er een balans is tussen de verschillende wijkbelangen.
2.5
Non-profit
Met ‘non-profit’ bedoelen we dat deel van de categorie niet-woningen dat niet als oogmerk heeft om winst te maken: onderwijs, zorg, cultuur, sport. Het gaat doorgaans om bedrijvigheid die inkomsten krijgt uit publieke middelen (subsidies, verzekeringsgeld, overheidsfinanciering). Alleen het woordgebruik ‘non-profit’ maakt duidelijk dat het onderscheid met ‘gewone’ commerciële middelen niet keihard is: ook ‘non-profit’ kan winst maken. En onder de noemer ‘sport’ vallen bijvoorbeeld ook de vele commerciële fitnesscentra en sportgebouwen met marktconforme exploitatie. Zoals ook kinderopvang, verschillende scholen en zorgpraktijkhouders weliswaar worden aangemerkt als non-profit, maar in de praktijk ergens tussen markt en overheidstoezicht in zitten.De omvang van de ‘non-profit’ loopt per stad uiteen: van minder 10% in gemeenten zonder centrumvoorzieningen tot meer dan 30% in gemeenten met een universiteit, hogeschool, ziekenhuis en musea. In Dordrecht gaat het om circa 15% van het fonds, de presentie zit op het Gezondheidspark, het Leerpark, bij De Hoop en deels in de binnenstad en wijkeconomie. Twee observaties over de link tussen non-profit en het ondernemersfonds: •
Het ondernemersfonds is een instrument om het hele vestigingsklimaat of ecosysteem te versterken, niet alleen dat van commerciële ondernemingen. De ‘not for profit’ is een lokaal volkomen geïntegreerde partij die ook baat heeft bij samenwerking, innovatie en een goed ondernemingsklimaat
•
Het onderscheid tussen commercieel en niet-commercieel is enigszins achterhaald. Beide typen ondernemingen delen veel belangen en raakvlakken. Een ondernemersfonds is een goed platform om die raakvlakken te onderzoeken. Talloze ‘not for profit’ partijen zijn al op zoek naar samenwerking: zorginstellingen vanwege personeelsvoorziening, preventieve gezondheidszorg, gezonde wijken; scholen vanwege stages, bedrijfsoriëntaties, veiligheid; sport vanwege sponsoring, evenementenbeleid. Zo heeft de Dordtse Ondernemersvereniging diverse maatschapplijke instellingen als lid: Dordrechts Museum, Schouwburg Kunstmin, het Albert Schweitzer Ziekenhuis, Profundum (zorg), ROC Da Vinci en corporatie Trivire.
17
De ‘not for profit’ participeert bestuurlijk in alle fondsen en voelt zich daar ook op z’n plaats. In sommige gevallen wordt ‘not for profit’ zelfs het vlaggenschip van een fonds, zoals in Leeuwarden gebeurde met de status van culturele hoofdstad van Europa in 2018. Het gaat vaak om heel zichtbare activiteiten, zoals: •
het Helmondse ORO, een intramurale instelling voor verstandelijk beperkte mensen, organiseert samen met lokale wijkwinkeliers een jaarlijkse kerstmarkt voor de eigen cliënten, met leerlingen van het stedelijke mbo als gastheer
•
in Utrecht worden diverse muziekfestivals e.a. culturele optredens met lokale (amateur)gezelschappen en/of studenten, georganiseerd in samenspraak met horeca en omliggende bedrijven, ook (gratis) klassieke concerten voor cliënten van zorginstellingen vinden er plaats
•
in onder meer Lisse worden sportevenementen voor basisschoolleerlingen georganiseerd, in samenwerking met lokale sportclubs
•
in Leiden investeren onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven in Technolab, een programma waarbij kinderen op jonge leeftijd al worden geënthousiasmeerd voor techniek en bètavakken (natuurkunde, scheikunde)
•
in heel veel fondsen worden stagemarkten, open bedrijvendagen en techniekroutes gefinancierd vanuit het fonds om de wisselwerking tussen het onderwijs en het beroepenveld groter te maken.
Meer abstract, maar minstens zo belangrijk, is het investeren in organiserend vermogen: •
sportverenigingen in Pijnacker-Nootdorp hebben zich na (en door) de komst van een fonds georganiseerd in een collectieve Sportraad; de Sportraad organiseert collectieve zaken (zoals sportdagen, of gezamenlijke energie-inkoop) en is actieve gesprekspartner van de gemeente o.a. bij het opstellen van de lokale sportnota;
•
in Assen hebben zorginstellingen (van ziekenhuis tot tandartspraktijk) zich georganiseerd in Zorgstad Assen, de branche organiseert symposia om lokale netwerkvorming te versterken, heeft het zorgaanbod digitaal ontsloten en faciliteert patiëntenvoorlichting.
De signalen uit Dordrecht zijn dat de non-profit het beste tot zijn recht komt door samen met ondernemers op te trekken in de gebieden. Zo zijn de grote culturele instellingen in de binnenstad gebaat bij goede afstemming met de ondernemers over stadsmarketing, evenementplanning, bezoekers-pakketten, looproutes en uitstraling van het gebied. En in de wijken zoeken profit en non-profit elkaar al vaak op. Zoals in het project E-wheels, een vorm van wijkvervoer voor bewoners met mobiliteitsbeperkingen waar de wijkwinkelcentra van harte in participeren. En ook de sportraad heeft zich expliciet uitgesproken voor meedoen in de wijken in plaats van een eigen ‘trekkingsrecht’. De besturen van de grote instellingen op het Gezondheidspark en het Leerpark worden actief geïnformeerd over de komst van het fonds. Bij het ontbreken van een vast collectief ter plekke zal bij de opzet van het fonds extra aandacht worden besteed aan deze gebieden. 18
2.6
Positie van de gemeente
Zoals tot nu toe beschreven is het fonds vooral een instrument in handen van ondernemers. De beginselen van ‘non-interventie’ (de gemeente bemoeit zich niet met de bestedingen uit het fonds) en ‘non-substitutie’ (de gemeente probeert niet om te bezuinigen door eigen activiteiten naar het fonds te schuiven) worden immers in een convenant vastgelegd. Maar voor een gemeente is de financiële positie en de controle over die financiële positie niet het belangrijkste. Zelfs een goed gevuld fonds is op de begroting van de gemeente niet veel meer dan een detail. Met een greep uit het fonds zou de gemeente zich nauwelijks extra slagkracht geven. Het publieke belang van een fonds is veel meer het ontstaan van een stabiele wederpartij. De ervaring in gemeenten waar al langer een fonds bestaat, is dat tot in de verste uithoeken een vorm van ondernemersorganisatie tot stand komt. De gemeente treft overal gesprekspartners aan met lokale kennis en met eigen investeringsmogelijkheden. De komst van een fonds betekent ook een flinke verzakelijking van de verhoudingen. Voor ondernemers die zelf geen greep hebben op hun bedrijfsomgeving, is het een gemakkelijke weg om te klagen over de gemeenschappelijke ‘vijand’, de gemeente. Dat verandert wanneer de ondernemers zelf een platform krijgen en investeringen kunnen doen.
In deze zin verbetert de sfeer sterk: er zijn altijd verschillen van inzicht, maar die worden met een fonds bij de hand veel meer vanuit een gelijkwaardige positie besproken. Doorslaggevend daarbij is dat het fonds er volgend jaar ook nog is, en het jaar daarna en het jaar... Het ondernemersgeluid is niet meer afhankelijk van vrijwillige inzet alleen. Er kunnen plannen voor de langere termijn gemaakt worden. Zo bezien is een ondernemersfonds en de versterking van de organisatiegraad een nieuw soort ‘civil society’, of een vorm van participatiedemocratie. Een bijkomend belang van de gemeente bij een ondernemersfonds is overigens het gevecht tegen de ondermijning, in dit geval het gebruik van bedrijfspanden voor illegale activiteiten. Het bestrijden van ondermijning is een publieke taak, maar het kan niet zonder een vorm van ‘boots on the ground’: toezicht op en bekendheid met het terrein. Dat kunnen wijkagenten en boa’s nooit alleen af. Een door ondernemers zelf gefinancierd en georganiseerd gebiedsmanagement is een steeds onmisbaarder wordend hulpmiddel. En voor de goede orde: ondermijning raakt niet alleen de overheid, maar ook de bona fide ondernemers – de overgrote meerderheid. De relatie tussen de gemeente en een ondernemersfonds wordt in de regel in een convenant vastgelegd. Er is een sterke voorkeur voor om dat convenant licht en regelarm te houden.
Hoe meer de verantwoordelijkheid bij de ondernemers ligt, hoe groter de prikkel om goed werk af te leveren. En het is niet nodig om een noodrem af te spreken voor de eventualiteit van fraude of malversaties. Het fonds is juridisch een gesubsidieerde stichting. De gemeente heeft wettelijk al de bevoegdheid om te allen tijde in te grijpen bij dergelijke eventualiteiten. In de praktijk van bestaande fondsen is het nog nooit nodig geweest, maar de mogelijkheid is er altijd. 19
Een afzonderlijke overweging is of de gemeente zelf ook mee gaat doen aan het fonds. Deze vraag lijkt principieel van karakter, maar heeft toch een hoog technisch en praktisch gehalte. We leggen eerst de principediscussie uit. De gemeente heeft twee gedaanten. De gemeente is ten eerste een publiekrechtelijke partij, een overheid, die belasting heft en handelt in het algemeen belang. Maar de gemeente is ook een privaatrechtelijke partij, een bedrijf, dat personeel zoekt, een veilige en prettige bedrijfsomgeving nastreeft en belasting betaalt. Dus ook ozb betaalt over het eigen vastgoed. Dat is natuurlijk vestzak-broekzak. Tot nu, tenminste. De gemeente zou eenzijdig kunnen besluiten om de ozb over het eigen vastgoed af te trekken van het subsidiebedrag voor het ondernemersfonds Dordrecht. De gemeente zou dan als enige ‘freerider’ in Dordrecht overblijven. Nu gaat het bij gemeentelijk vastgoed niet alleen om het raadhuis en kantoren. De gemeente heeft ook verspreid bezit, zoals gemeentewerven, milieustations en accommodaties voor sport en welzijn. En de gemeente is verantwoordelijk voor de huisvestingskosten van basisen voortgezet onderwijs. Tot slot is de gemeente vaak tijdelijk eigenaar van vastgoed in ontwikkelgebieden. Om hoeveel het in Dordrecht gaat, is niet duidelijk, maar landelijk varieert het gemeentelijk aandeel in de totale woz- waarde van 3 tot 8%.
Vóór het gewoon meedoen van de gemeente pleiten twee omstandigheden: •
•
De gemeente heeft ook als privaatrechtelijke partij gewoon belang bij een goed verzorgde omgeving en bij gezamenlijke acties, zoals veiligheid, leegstandsbestrijding en campagnes voor (o.a. technisch) personeel. Als de gemeente niet zou meedoen, zouden er daadwerkelijk ’freeriding’ situaties ontstaan: gemeentelijk vastgoed dat profiteert van voorzieningen waarze niet aan meebetaalt. Er zijn gemeenten die niet meedoen waar dit euvel ook erkend wordt. De manager of bedrijfsleider van het gemeentelijk vastgoed participeert dan in een ondernemersvereniging en maakt vrijwillig een flink contributiebedrag over. Dat werkt, maar het is wel houtje-touwtje, terwijl je met het fonds streeft naar eenvoud en gelijkheid Meedoen heeft een symbolische waarde: de gemeente spreekt vertrouwen uit in het initiatief en geeft een voorbeeld aan andere grotere vastgoedpartijen.
Tegen het gewoon meedoen pleit een heel ander argument: •
Het fonds is ‘voor en door ondernemers’. De gemeente kan als Dordts ondernemer meepraten over de bestedingen, maar de verleiding is heel groot dat de gemeente ook als publiekrechtelijke partij gaat meepraten. Als de gemeenteraad een werkplan van het fonds wil bespreken en daar iets van wil vinden, kun je dat niet goed tegenhouden.
In de recent gestarte fondsen kiezen de meeste gemeenten voor wel meedoen. Met name vanuit het symbolische aspect: een onderstreping van het solidariteitsprincipe. Uiteindelijk 20
zitten gemeente en ondernemers in dezelfde boot. De voorkeur van de initiatiefgroep is dat de gemeente meedoet onder de voorwaarde dat het non-interventiebeginsel wordt gerespecteerd. Een praktische oplossing zou zijn om de gebruikers van de panden (bv. scholen, sportorganisaties, welzijnsinstelling) inhoudelijk mee te laten praten binnen de trekkingsgebieden. Dat bevordert ook de dynamiek binnen het fonds en leidt tot meer en betere plannen.
21
3.
Contour van het fonds
3.1
Omvang en tarief
Bij de komst van een ondernemersfonds wordt in feite een dubbelafspraak gesloten tussen ondernemers (verenigd in de initiatiefgroep) en de gemeenteraad. De raad verhoogt de ozb voor het zakelijk vastgoed (de categorie ‘niet-woningen’) met een door de ondernemers gemotiveerd bedrag. Dit onder de conditie dat er een subsidie komt voor de op te richten Stichting Ondernemersfonds Dordrecht ter waarde van de ozb-meeropbrengst. De ozb voor niet-woningen voldoet aan het criterium van evenredigheid: de belastingdruk is gerelateerd aan de waarde van het bedrijfspand. In beginsel dragen de sterkere schouders de zwaardere lasten. Binnen de ozb is geen tariefdifferentiatie per gebied mogelijk. Er kan slechts onderscheid worden gemaakt tussen eigenaar en gebruiker (zie volgende paragraaf). Dat betekent dat er één tarief komt voor de hele gemeente. Om welke opslag gaat het? De tarifering treft in de circa veertig bestaande fondsen een balans tussen twee uitgangspunten: •
De opbrengst van de verhoging moet voldoende substantieel zijn om ook echt iets te doen. Echt investeren kan pas met voldoende geld. De beveiligingscamera’s, de feestverlichting, de promotiecampagne, het parkmanagement, de relaties onderwijs-arbeidsmarkt: het zijn kostbare zaken, zeker wanneer de kwaliteit hoog moet zijn. Niet alles kan en niet alles hoeft tegelijkertijd, maar het fonds moet voldoende omvangrijk zijn om ondernemerschap aan te moedigen.
•
De verhoging moet geen onevenredige pijn doen, moet niet meer dan een detail zijn in de kostenstructuur van bedrijven. Want ondernemers zijn gebaat bij samenwerking, maar ook bij het laag houden van de productiekosten.
De meeste startende fondsen komen uit op een bedrag tussen de € 50 en € 80 per 100.000 WOZwaarde. De praktijkervaring is dat in die ‘range’ sprake is van een goede balans tussen bovenste twee punten. In Dordrecht komt er nog een aanvullend uitgangspunt bij. De opbrengst van de verhoging moet een goede vervanger zijn voor de bestaande BIZ’zen op de WDO-terreinen, de promotiebudgetten van de wijkwinkelcentra en reclamebelasting in de binnenstad. De ambitie is dat alle gebieden straks gaan werken binnen de paraplu van het fonds. Liefst zonder aanvullende heffingen of netto lastenverzwaringen voor de huidige deelnemers in die gebieden. Rekening houdende met die drie uitgangspunten komen we op een gepast tarief van € 75 per 100.000 woz-waarde. Dat leidt tot een fonds met een totale omvang van circa 2,3 miljoen euro. Het fonds in Dordrecht wordt daarmee een van de grotere fondsen in het land, vergelijkbaar met de fondsen in Groningen en Leiden. Dat past ook bij de hoge ambities die we in Dordrecht tegenkomen. De bedrijven stellen hoge eisen aan de kwaliteit van de omgeving en het ondernemersklimaat. Bij die eisen hoort een fonds dat slagkracht heeft en waar de gebieden over genoeg investeringsbudget beschikken.
22
De genoemde € 75 per 100.000 woz-waarde wordt uiteindelijk tot uitdrukking gebracht in een aangepast ozb-tarief (de tarieven worden altijd in percentage weergegeven). Na het eerste fondsjaar wordt berekend wat de omvang van het fonds is in verhouding tot de totale ozbopbrengst voor niet-woningen. Het percentage dat uit die rekensom komt is leidend bij het vaststellen van de fondsopbrengst in de toekomst. Op deze wijze is het fonds automatisch geïndexeerd. We kijken in paragraaf 3.3 wat die 75 euro betekent voor de opbrengsten per gebied. Eerst gaan we nog kort in op de verhouding tussen gebruikers en eigenaren in het fonds.