CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Samenwerking en innovatie in Dordrecht - Voorstel voor een Ondernemersfonds.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 14 november 2023, gemeente DordrechtBij agendapunt: 6: Instemmen met de oprichting van Ondernemersfonds Dordrecht - Voor brede samenwerking binnen zowel commercieel als maatschappelijk, profit en non profit ondernemend Dordrecht - Raadsvoorstel12.664 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.2

Verhouding gebruikers en eigenaren

In het fonds participeren zowel gebruikers van zakelijk vastgoed als de eigenaren. De eigenaren zijn dus ook ondernemer. Niet alleen naar de letter: ze worden van harte uitgenodigd om zich als ondernemer te manifesteren, in de activiteiten die vanuit het fonds gefinancierd worden deel te nemen en invloed uit te oefenen op de bestedingen. Een ondernemersfonds draagt bij aan bestrijding van leegstand, aan promotie, veiligheid en andere zaken die bijdragen aan een duurzaam rendement voor eigenaren van vastgoed. In die zin is er ook tussen eigenaren en gebruikers van vastgoed een belangenparallelliteit. In de reguliere ozb-heffing is de verhouding tussen eigenaren en gebruikers 55 om 45%. De eigenaren worden iets zwaarder belast in Dordrecht, zoals in vrijwel alle gemeenten het geval is. Voor de gemeenten zit daar ook een praktische reden achter: bij leegstand vervalt het gebruikersdeel. Een percentueel lager aandeel in de ozb-heffing voor eigenaren zou leiden tot een daling van de ozb-inkomsten van de gemeente. Het voorstel is om in het fonds te werken met de verhouding 60% gebruiker en 40% eigenaar. Daarvoor zijn tenminste twee motieven. 1. In veel gebieden betalen nu alleen of vooral de gebruikers mee aan het collectief. Vanuit de eigenaren komen positieve signalen binnen in de discussie over het fonds.

Er zijn veel betrokken, Dordtse vastgoedondernemers die verantwoordelijkheid voor hun omgeving willen nemen. Ook als dat betekent dat ze flink moeten betalen voor het fonds. En zelfs als dat betekent dat veel gebruikers netto minder kwijt zullen zijn aan het collectief dan nu het geval is. Maar een en ander moet wel in verhouding blijven staan. Een verhouding van 55 eigenaren en 45 gebruikers zou tot een wel heel rigoureuze herverdeling leiden. 2. In veel collectieven die met het fonds gaan werken zijn het de gebruikers die bepalen. De blijvend hogere inleg vanuit de gebruikers rechtvaardigt dat zij overwegend ‘in the lead’ zullen blijven bij het besluiten over de bestedingen. We zeggen ‘overwegend’, want het meebetalen van het vastgoed zorgt er ook voor dat zij een plek aan de tafel moeten kunnen krijgen. De ervaring vanuit andere fondsen is overigens dat dit vanzelf tot stand komt. Gebruikers en eigenaren weten elkaar vaak goed te vinden en delen tal van belangen.

23

3.3

Trekkingsrechten

We komen toe aan een overzicht van de opbrengsten per gebied, de trekkingsrechten. De volgende uitgangspunten zijn aan de orde: a. Er wordt gestreefd naar samenwerking in een logisch samenhangend gebied. Wat logisch samenhangt, wordt door de ondernemers ter plekke zelf gedefinieerd. De werkindeling van het fonds volgt de voorkeuren van de ondernemers. b. Het streven is om de gebieden niet te klein te laten worden, dat zou ten kosten gaan van de slagkracht van het fonds. Dordrecht is een grote stad met relatief veel vastgoedwaarde dus de lijst met gebieden is alsnog vrij lang. Maar vrijwel alle gebieden beschikken over een substantieel budget. c. De besluitvorming over de bestedingen vindt op democratische wijze plaats. Alle ozb-betalers die meebetalen aan het fonds kunnen zich melden bij de vereniging of werkstichting die actief is in hun gebied. De collectieven zorgen voor goede communicatie in hun gebied en transparante besluitvorming. d. Collectieven kunnen op twee manieren aanspraak maken op hun trekkingsrecht: I.

II.

Via een jaarbegroting. Met aan het einde van het jaar een goede verantwoording. Dit voorkomt dat het fonds voor iedere factuur of bon moet worden aangesproken. De huidige BIZ’zen en VVE Kil III opteren voor deze mogelijkheid. Facturen worden doorgestuurd aan het fonds, de betaling en btw-verrekening wordt volledig door het fonds verzorgd.

e. Verenigingen die over ‘gemengde’ gebieden gaan – combinaties van detailhandel, kantoren en industrie of zorg, bijvoorbeeld – houden naar behoren rekening met de pluriformiteit van belangen. Dat geldt zeker voor de ‘wijken’ waar profit en non-profit door elkaar heen lopen. f.

Onenigheid over de besteding moet binnen het kader van het collectief met trekkingsrecht worden opgelost. Splitsingen of boos weglopen worden niet gehonoreerd. Waar aan de orde, zal het bestuur van het fonds zich inspannen om bij verschillen van inzicht tot passende oplossingen te komen. Overigens blijkt uit de ervaring in de langer bestaande fondsen dit soort situaties bijna nooit voor te komen.

g. Dordrecht doet haar voordeel met de praktijkervaring in andere fondsen en reserveert een stadsbreed aandeel in het fonds. Het stadsbrede aandeel moet stevig worden verankerd bij de trekkingsgerechtigden. De suggestie is om een tafel stadsbreed in te richten waar iedere partij met trekkingsrecht een vertegenwoordiger voor kan afvaardigen. h. Een indeling in trekkingsrechten is niet voor eeuwig. De indeling moet de dynamiek van de economie en de behoeftes van de ondernemers volgen. Wijzigingen zijn altijd mogelijk, binnen de beperking van praktische werkbaarheid. i.

Trekkingsrecht kan opgespaard worden. Partijen die uit zijn op een grote investering, hebben daartoe de gelegenheid. Om te voorkomen dat geld wordt ‘opgepot’ wordt afgesproken dat 24

opgebouwde trekkingsrechten drie jaar kunnen worden meegenomen. Als het geld dan niet besteed is én er geen aanwijsbare reservering is gemaakt komt het toe aan het stadsbrede budget. Hieronder de indeling met budgetten per gebied. Trekkingsrecht in het fonds Westelijke Dordtse Oever Dordtse Kil I, II en Amstelwijck-West * Krabbepolder* Dordtse Kil III* Distripark* Louterbloemen-Duivelseiland* Handelskade* Binnenstad* Bedrijventerrein De Staart * Wijkeconomie Sterrenburg* Dubbeldam* Krispijn Stadspolders* Crabbehof* Wielwijk* Het Reeland De Staart (wijk) Overige clusters Gezondheidspark Leerpark Terreinen N3 / Provinciale Weg Businesspark Amstelwijck Buitengebied De Hoop Tweede Tol / Oostkil Stadsbreed Totaal Ondernemersfonds

€ 829.000 € 299.000 € 175.000 € 163.000 € 83.000 € 80.000 € 27.000 € 436.000 € 296.000 € 365.000 € 76.000 € 61.000 € 51.000 € 48.000 € 36.000 € 31.000 € 37.000 € 21.000 € 339.000 € 111.000 € 82.000 € 49.000 € 39.000 € 23.000 € 18.000 € 12.000 € 89.000 € 2.356.000

Nog vier opmerkingen bij dit overzicht. •

De keuze is om te beginnen met een compact stadsbreed budget. Vanuit dit overkoepelende aandeel kunnen stadsbrede belangen worden bekostigd. De partijen met trekkingsrecht besluiten gezamenlijk over de plannen. We gaan er in de volgende paragraaf meer nauwgezet op in. Twee toevoegingen op deze plek: o De ambitie vanuit verschillende gebieden is om in de praktijk meer stadsbreed op te pakken waar dat wenselijk is. De keuze is om dat voorlopig op ‘projectbasis’ te gaan doen, waarbij iedere partij zelf kan kiezen of ze ‘meedoen’. Bij ervaren succes zal opnieuw gekeken worden of het stadsbrede aandeel kan worden verruimd. o

De genoemde 89.000 is ‘projectgeld’, binnen de initiatiefgroep wordt nog gesproken over de noodzakelijke organisatiekosten waaronder professionele capaciteit. In de meeste fondsen is de praktijk om 6% te reserveren voor deze algemene kosten. 25

•

Binnen de opzet zijn er dertien gebieden waar al een collectief in beeld is om het trekkingsrecht uit te oefenen. Dit zijn zes WDO-terreinen, de binnenstad (als geheel), de staart en vijf wijken. Deze gebieden zijn met een ster aangewezen. Er lopen trajecten om nog voor 2024 te komen tot organisatie op de binnenstedelijke terreinen en de nonprofitclusters. Daarmee zou bijna 95% van Dordrecht al bij aanvang van het fonds zijn georganiseerd. Dat belooft een voortvarende start van het fonds. Daar waar nog geen democratisch verband actief is in 2024 zal het fondsbestuur ervoor ijveren om deze van de grond te krijgen, of er wordt gekeken naar de samenvoeging met een ander trekkingsrecht als dat wenselijk is (vanuit beide partijen).

•

In de praktijk zal de planvorming binnen veel trekkingsrechten als volgt lopen: o Op gebiedsniveau wordt een plan geformuleerd: ▪ Of door de vereniging/stichting ter plaatse (bv. bestuur of aparte commissie) ▪ Oftewel door een (groep) ondernemer(s) die het plan doorstuurt aan de vereniging/stichting o De vereniging/stichting besluit of het plan wordt ingediend. Bij akkoord wordt een aanvraag gedaan bij het fondsbestuur. o Het fondsbestuur toetst de aanvraag, vooral procedureel (voldoende budget?, deugdelijke begroting?, democratisch over besloten?). De vereniging/stichting krijgt een terugkoppeling. o Bij akkoord kunnen alle facturen voor uitvoering van het project worden gestuurd naar het fonds. Het fondsbestuur controleert of alle facturen kloppen bij de vereniging (‘vier ogen principe’), betaalt de rekening en verrekent de btw. o De vereniging/stichting krijgt te horen wat het resterende trekkingsrecht is. Zoals al vermeld, collectieven met een professionele financiële administratie (bankrekening, professionele begeleiding, btw-verrekening, etc.) kunnen aanspraak maken op het volledige trekkingsrecht op basis van een begroting vooraf en verantwoording achteraf.

•

3.4

Het nieuwe Binnenstad Bedrijf Dordrecht is de aangewezen partij om het trekkingsrecht voor de binnenstad te beheren. In het BBD komen de bijdragen vanuit gebruikers, eigenaren en gemeente samen. Binnen het BBD stemmen de partijen af hoe de bestaande voorzieningen gecontinueerd en uitgebouwd kunnen worden (agenda en bestedingen vanuit de POBD) en daarnaast kan worden gewerkt aan de bijkomende ambities uit de binnenstadsvisie. Daarnaast kan worden voorzien in compacte budgetten voor afzonderlijke clusters in de binnenstad (non-profit, Maasplaza, e.d.).

Stadsbreed

De meeste startende fondsen reserveren een gedeelte van de opbrengst voor stadsbrede (of gemeentebrede) bestedingen. Er zijn veel belangen die gebiedsgewijs een plek kunnen worden gegeven, maar op een aantal punten is het handiger en effectievere om op een hoger schaalniveau op te trekken. Het is ook een leereffect van de oudere fondsen. Al het geld terugploegen naar de gebieden leidt ertoe dat enkel wordt geredeneerd in gebieds- of sectorbelang. Iedere euro

26

investering moet dan op enige wijze zichtbaar terugkomen naar het gebied. Het grotere, publieke belang voor de gehele gemeenschap en economie kan dan wel eens verloren gaan. In Dordrecht is door meerdere partijen aangegeven dat een stadsbreed trekkingsrecht gewenst is. Het verkrijgen van onderlinge samenhang en meer samenwerking tussen gebieden is daarbij een belangrijk argument. Het zou als volgt georganiseerd kunnen worden. 1. Er komt een commissie ‘stadsbreed’ met vertegenwoordigers van de trekkingsgerechtigden. Dordrecht start met 13 tot 19 collectieven met trekkingsrechten, groot en klein door elkaar. Het is dus handig om te clusteren. Suggestie is om te werken met een aantal personen die de grote clusters vertegenwoordigen: WDO, binnenstad, De Staart, wijkeconomie non-profit hoek en DOV. De huidige initiatiefgroep kan als uitgangspunt worden genomen: in deze groep zit voldoende diversiteit om tot een gebalanceerd programma te komen. Mogelijk nog met enkele aanvullingen vanuit de non-profitsector (onderwijs, zorg of cultuur). De groep kan zich laten bijstaan door een professioneel secretaris/fondsmanager (zie 3.5). 2. Het voorstel wordt voorgelegd aan de adviesraad. Alle trekkingsgerechtigden worden uitgenodigd om een vertegenwoordiger naar de adviesraad te sturen. Aan de hand van het commentaar kunnen de plannen worden bijgesteld.

Het mooiste resultaat is als de plannen zonder echte stemming kunnen worden opgepakt. In de beginperiode is het misschien nog even wennen, en om het vertrouwen te laten groeien kan er een stemprocedure worden afgesproken. De stemverhoudingen kunnen worden gekoppeld aan de inleg van het betreffende gebied in het fonds. Bijvoorbeeld: 4 stemmen trekkingsgebieden met omvang > 200.000, 3 stemmen trekkingebieden met omvang 100.000 tot 200.000, 2 stemmen trekkingsgebieden 50.000 tot 100.000 en 1 stem trekkingsgebieden < 50.000. 3. De commissie stadsbreed neemt de planvorming ter hand. Het fonds zorgt voor de financiële afhandeling. 4. In een volgende bijeenkomst wordt de adviesraad geïnformeerd over de resultaten of de voortgang van het project Er kan naar andere fondsen worden gekeken om inspiratie op te doen. We noemen vanuit de landelijke praktijk een aantal voorbeeldbestedingen.

•

Medefinanciering van grotere projecten en activiteiten die in het belang zijn van heel Dordrecht, denk aan grotere culturele en sportevenementen, ondersteuning open dagen in tekortsectoren zorg en onderwijs, projecten die bijdragen aan de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, open bedrijfsdagen en vrijwilligersmarkten.

•

Professionele belangenbehartiging op thema’s als (stadsbrede) mobiliteit/bereikbaarheid, ruimtelijke ontwikkelingen, duurzaamheid

•

Citymarketing vanuit bedrijvenperspectief In de brede opvatting van de citymarketing gaat het echter om meer dan alleen het verhogen van de toeristische bezoekersaantallen. De meeste professionele marketingsorganisaties leggen zich toe op het aantrekken en binden van vier groepen: de bezoekers, de bewoners, de bedrijven en de kenniswerkers. Te denken

27

valt aan een goede profilering van Dordrecht als ‘werkstad’ richting de eigen bewoners (en de regio) met aandacht voor de innovatieve bedrijven die er gevestigd zijn.

3.5

•

Collectieve investeringscapaciteit voor zaken die gemeentebreed kunnen worden ‘uitgerold’, zoals AED buitenkasten verspreid over de gemeente, collectieve wifi / glasvezel, digitale stagemarkt, aanvullende bewegwijzering, investeringen in bereikbaarheid.

•

Het organiseren van periodieke kennis- en netwerkbijeenkomsten toegankelijk voor alle Dordtse bedrijven en maatschappelijke organisatie. Daarin kunnen een serie aan thema’s worden geadresseerd: van kennisverspreiding over klimaatinvesteringen tot aan lezingen over trends in de lokale- en wijkeconomie.

Governance van het fonds

Het inrichten van de organisatie van een fonds is een lokale zaak waar ondernemers zelf over gaan. Er bestaat niet zoiets als een algemeen toepasbare blauwdruk. Het is altijd zaak goed te kijken naar de lokale situatie en wensen van de gebruikers. Een groot fonds met grote diversiteit in vestigingsmilieus, zoals bijvoorbeeld Utrecht, vergt een heel andere aanpak dan bijvoorbeeld een compacte gemeente met overzichtelijke werkgebieden. De vraag is hoe nu – in het licht van de inhoudelijke ambities – het ‘Dordtse model’ eruit dient te zien? Op basis van de leading practices elders in het land en de wensen in Dordrecht komen we tot het volgende voorstel. Een structuur bestaande uit in ieder geval drie onderdelen: het stichtingsbestuur, een adviesraad en een secretariaatsfunctie.

Stichtingsbestuur Het fonds krijgt de vorm van een stichting met een eigen bestuur. Het wordt een geheel onafhankelijke rechtspersoon, die los staat van de ondernemersverenigingen, van de gemeente of van welke ‘gevestigde’ partij ook maar. De meeste fondsen kiezen voor een onafhankelijk bestuur waar geen bestuursleden van de gebiedscollectieven in plaats nemen. De achtergrond van die gedachte is dat het fonds niet ‘aan politiek’ doet en een zakelijk-neutrale financier is van ondernemersbelangen. Geen van de huidige bestuursleden van de gebiedscollectieven zal zitting nemen in het bestuur. Het is zoeken naar een betrokken, professionele ploeg mensen met hart voor Dordrecht en kennis van de lokale economie. De huidige initiatiefgroep van ondernemers komt met een voorzet voor een eerste bestuur voor het Ondernemersfonds. In latere jaren vult het bestuur zichzelf aan. We hebben het in eerste instantie over een oprichtingsbestuur. De personen in dat bestuur moeten bereid en in staat zijn om te pionieren in een opbouwfase. Het gaat uiteindelijk om een ‘startup’ in samenwerking. Na de pioniersperiode komt het Ondernemersfonds wat meer in een beheersfase, dan zijn er mogelijk weer andere mensen nodig. Aan kandidaten voor het oprichtingsbestuur zal dus in eerste instantie een projectmatige betrokkenheid voor een overzichtelijke periode worden gevraagd. Het zal gaan om mensen die: 28

• • • •

Pleitbezorger van samenwerking tussen ondernemers willen zijn Creativiteit en ondernemerschap meebrengen Het gebied goed kennen en het gesprek met ondernemers kunnen starten Bereid zijn om te werken binnen de methodes, visies en afspraken uit dit rapport.

Er wordt bij de start van een Ondernemersfonds vaak gevraagd naar administratieve of zelfs juridische deskundigheid. Maar dat is niet de eerste behoefte. Het regelkader van een Ondernemersfonds is uiteindelijk vrij simpel en de administratie is nogal ‘basic’. Het gaat vooral om ondernemerschap en gezag. De gedachte gaat uit naar een bestuur van vijf personen. Zij zullen hun werkzaamheden om niet – of hoogstens een vrijwilligersvergoeding - verrichten, zoals de gewoonte is van alle bestuurders van ondernemersverenigingen. Na verloop van de pioniersfase, heeft het bestuur in de kern nog twee taken: •

•

Toezien op de rechtmatigheid van bestedingsvoorstellen (is er genoeg geld en is er op transparante wijze tot de besteding besloten), administratief verwerken, verantwoording afleggen aan de gemeente. Ondersteunen, bemiddelen, informatievoorziening, werken aan resterende ‘witte vlekken’.

Adviesraad In de meeste Ondernemersfondsen functioneert een ‘adviesraad’, waarin de gebruikers van het fonds verzameld zijn. Concreet: vertegenwoordigers van de trekkingsgerechtigden. De adviesraad heeft weinig bevoegdheden. Dat zou meer regels vergen dan past in de cultuur van het fonds. Het uitgangspunt is wel dat het bestuur van het fonds terdege rekening houdt met de gevoelens en de opinies zoals geuit in de adviesraad. Op cruciale punten zoals veranderingen (ook kleinere) in de trekkingsrechtensystematiek zal een negatief sentiment van de adviesraad in de praktijk een dwingend feit zijn. De adviesraad heeft twee echte bevoegdheden, maar die zijn direct belangrijk. 1. Het kan het voltallige bestuur van het fonds ontslaan bij aantoonbaar disfunctioneren. Op deze wijze wordt voorkomen dat het fonds al te veel bij de ondernemers ‘wegloopt’. Er zijn geen praktijkvoorbeelden bekend van actieve toepassing van deze bevoegdheid bij andere fondsen. Onder normale omstandigheden is het in zijn geheel niet nodig, laten we er vanuit gaan dat het in Dordrecht ook niet zo ver zal komen. 2. De adviesraad besluit over de bestedingen vanuit het stadsbrede aandeel (zie 3.4) De adviesraad heeft verder twee aanvullende taken: • •

‘Terugpraten’ tegen het bestuur van het fonds, bespreken van jaarrekening en verslag, hoofdlijnen van beleid. ‘Marktplein’ voor de verenigingen, ‘roadshow’ van goede plannen en bestedingen en wat de verenigingen maar met elkaar willen delen, platform voor inspiratie.

29

Secretariaat De meeste fondsen van enige omvang werken met een professionele ondersteuning. Het fonds is er niet voor zichzelf, maar staat in dienst van de ondernemersverenigingen. Daar hoort een sobere bedrijfsvoering bij. Toch zijn er redenen om geld uit te trekken voor een professioneel beheer: • • •

•

Het gaat om publiek geld, waar verantwoording over moet worden afgelegd. Rekening, verantwoording en accountantsverklaring moeten kloppen. De ervaring is dat een fonds groter dan 200.000 euro niet meer met alleen vrijwilligers te beheren valt. De risico’s worden te groot. Er moet een goed administratief aanbod worden gedaan aan de verenigingen, zeker de kleinere trekkingsgerechtigde moeten worden ‘ontzorgd’ door de beheerslast bij het fonds te leggen. De beheerskosten moeten door de verenigingen ervaren worden als de prijs voor goede dienstverlening. Daar hoort zeker ook de zorg bij dat over alle daarvoor in aanmerking komende uitgaven uit het fonds de btw teruggevorderd wordt. Zeker in de opbouwfase van het fonds is capaciteit nodig om zaken te organiseren en verenigingen te helpen. De daadkracht en slagkracht van het fonds staat of valt vaak bij de mate van professionele ondersteuning.

Er is dus een fondssecretaris of –manager nodig, die de administratie verricht (dan wel een bureau aanstuurt om dat te doen), aanvragen afwikkelt, het bestuur ondersteunt en vraagbaak en ondersteuner is voor de verenigingen. De initiatiefgroep gaat in beraad over de bij Dordt passende vorm van professionele ondersteuning, rekening houdende met de al aanwezige capaciteit in de gebieden (binnenstad, parkmanagement, secretariaten). Waar mogelijk worden combinaties gemaakt om zo efficiënt mogelijk met de middelen om te springen en de overheadkosten te beperken. En tegelijkertijd moet het niet een zaak van ‘penny wise, pound foolish’ worden. Het investeren in professionaliteit betaalt zich in de bestaande fondsen duidelijk uit: meer daadkracht, actievere communicatie, meer ondernemers kunnen betrekken, betere samenwerking met gemeente en andere partijen en ‘proefballonnen’ kunnen uitwerken tot volwaardige businesscases.

3.6

BTW positie

De btw-positie van ondernemersfondsen is voor een belangrijk gedeelte wettelijk vastgelegd. In 2011 heeft de Staatssecretaris van Financiën uitgesproken dat ondernemersfondsen de aan hen in rekening gebrachte btw in aftrek kunnen brengen.5 Zoals ook individuele ondernemersverenigingen dit kunnen doen. De reden voor de goedkeuring is dat de staatssecretaris het onwenselijk vindt als de btw niet verhaalbaar is, terwijl dit wél het geval is als de ondernemer de kosten zelf zou hebben gemaakt. De aan het fonds verleende subsidie is daarmee een netto te besteden bedrag. De regeling is echter niet geheel sluitend en biedt lokale afwegingsruimte. In het Ondernemersfonds participeren naast bedrijven tevens non-profitorganisaties uit de zorg, sport en cultuur (immers ook eigenaren en gebruikers van een niet-woning). Hoewel ze binnen het fonds als ondernemer worden gekwalificeerd is de fiscale positie van deze organisaties voor de btw vaak anders. Voor de uitvoering van hun primaire taken kunnen niet al deze organisaties een beroep doen op btw-aftrek.

5

Besluit Aftrek van omzetbelasting, bevestigd met lichte aanpassing in 2020

30

Je kan drie categorieën onderscheiden: •

de btw-ondernemers, in Dordrecht 4.092 ‘deelnemers’ aan het fonds

•

de van btw vrijgestelde ondernemers, in Dordrecht 610 deelnemers

•

de ‘niet-ondernemers’, in Dordrecht 20 deelnemers

In het land bestaan goede oplossingen om met deze btw-kwestie om te gaan. In veel gevallen wordt berekend hoe groot het aantal partijen is met een andere fiscale positie (de vrijgestelden en nietondernemers) Over dit aandeel van het fonds kan de btw aftrek niet worden verrekend. Recent heeft een lokale belastinginspecteur twijfels geuit bij de toepassing van deze praktijk voor het nieuwe fonds in Hardinxveld-Giessendam. De redenering is dat een fonds slecht btw-plichtig kan worden verklaard indien alle aangesloten partijen kwalificeren als ondernemer. Daarmee verwijzend naar een toegevoegde voetnoot in de wettekst en een recente uitspraak. Dat zou betekenen dat als er minstens één niet-ondernemer deel uitmaakt van het fonds het recht op btw-aftrek in zijn geheel vervalt. Het is niet goed voorstelbaar dat de Staatssecretaris het bedoeld heeft om de btw positie van fondsen ter discussie te stellen. Daar zijn in het geheel geen signalen van bekend. Waarschijnlijker is dat de wetgever heeft beoogd dat het onderscheid tussen wel- en niet-btwplichtigen binnen een samenwerkingsverband (vereniging, fonds) helderder moet zijn. Anticiperend op deze situatie worden in de voorbereiding van het Dordtse fonds de volgende acties ondernomen. 1.

Formele splitsing van ondernemers (btw-gerechtigd en vrijgestelden) en (voor de btw) nietondernemers, waarmee grote delen van het fonds aanspraak kunnen maken op btw-aftrek (Westelijke Dordtse Oever, De Staart, andere bedrijventerreinen en profitdeel van de binnenstad). Deze gebieden verzorgen zelf de btw-aangifte en administratie; 2. Binnen G40 verband trekken de grotere fondsgemeenten samen op om de staatssecretaris te vragen om de btw-uitspraak te verhelderen; 3. Dordrecht voert nauw overleg met Hardinxveld-Giessendam en de andere fondsen over de uitspraak van de lokale fiscus, waar mogelijk worden procedures ingezet om te komen tot een duidelijke uitspraak De bij dit proces betrokken experts schatten in dat er via actie 1 voor Dordrecht een werkbare praktijk uitkomt. Waarbij een groot deel van het fonds de btw ‘gewoon’ zal kunnen aftrekken, en voor de gemengde gebieden met meer non-profit (wijkeconomie, gezondheids- en leerpark) een percentage wordt berekend waarvoor de btw-aftrek geldt, en niet-ondernemers een eigen trekkingsrecht krijgen zonder aanspraak te maken op btw-aftrek. Finale duidelijkheid over de btw positie zal er pas komen na een nieuwe uitspraak van de staatssecretaris of de fiscus (acties 2 en 3). Het kan even duren voordat zo’n uitspraak er komt. De gemeente zou met een garantstelling die periode kunnen overbruggen.

Waarbij de verwachting overigens is dat daar geen gebruik van hoeft te worden gemaakt bij goede uitvoering van actie 1.

31

3.7

Evaluatie

Het voorstel is dat het fonds een experiment is en na vijf jaar geëvalueerd wordt. Hoewel de ervaring elders in het land goed is, is die evaluatie geen formaliteit. De inzet is niet alleen een mogelijke verbetering, maar ook het voortbestaan van het fonds zelf. Het fonds heeft, met andere woorden, vijf jaar om zichzelf te bewijzen. In het met de gemeente te sluiten convenant wordt opgenomen dat het ozb-tarief weer omlaag gaat, mocht na vijf jaar besloten worden tot opheffing van het fonds. Het is aan het bestuur van het fonds om een vorm te kiezen voor de evaluatie. Het moet een evaluatie zijn met voldoende informatie en houvast voor ten minste twee partijen: de adviesraad van het fonds (als vergadering van alle partijen met trekkingsrecht) en de Gemeente Dordrecht. In de praktijk van de langer bestaande fondsen gaat het als volgt: • • •

•

Een extern bureau krijgt opdracht om een onafhankelijke evaluatie te verrichten. In de evaluatie worden de partijen met trekkingsrecht, grote ozb-betalers en de gemeente gehoord. Vragen die aan de orde komen zijn onder meer: de mening van de gebruikers over de werkwijze, klantvriendelijkheid, effectiviteit en voortbestaan van het fonds; de bijdrage van het fonds aan het organiserend vermogen van de ondernemers in Dordrecht en aan de organisatiegraad; de omvang en veelzijdigheid van de uitgaven vanuit het fonds; de governance en transparantie; het innovatieve dan wel consoliderende karakter van de uitgaven; de bijdrage aan de economische stabiliteit en groeikansen van de economie van Dordrecht; de indeling in trekkingsrechten; de tariefstelling. Het bestuur van het fonds verbindt conclusies aan de evaluatie en legt die voor aan de Adviesraad en aan de gemeenteraad.

Het fonds is er niet voor zichzelf en moet geen ‘structuur om de structuur’ worden. Daarom moeten er ook na de eerste evaluatie periodiek nieuwe evaluaties volgen (bv. 5 jaar). Hoewel niet elk jaar het voortbestaan van het fonds weer principieel ter discussie hoeft te staan, zijn periodieke momenten om eens goed te kijken naar structuur, werkwijze en legitimering nodig om de zaak scherp te houden.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/596/documents/27881