RWS-Variantennota planstudie sliedrechtse biesbosch.pdf
Tekst van het document
SO3 Planuitwerking KRW Sliedrechtse Biesbosch Variantennota
Rijkswaterstaat 25 januari 2022
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
SO3 Planuitwerking KRW Sliedrechtse Biesbosch Rijkswaterstaat
Variantennota Definitief 25 januari 2022 121627-PSP2/22-001.067
121627 Timo Worm Herman Mondeel
Emiel Kuppen, Susanne Groot Timo Worm Timo Worm
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
7
1.1
Het project
7
1.2
De variantennota
8
1.3
Leeswijzer
8
2
HET BEOORDELINGSKADER
11
2.1
Inleiding op het beoordelingskader
11
2.2
Het beoordelingskader
11
2.3
Wijze van beoordelen
13
3
DE VARIANTEN
14
3.1
Totstandkoming van de varianten
14
3.2
Beschrijving varianten
14
3.2.1 3.2.2 3.2.3
14 17 21
Variant 1: Dynamiek Variant 2: Integrale Natuurdoelen Variant 3: Verbinden
4
ONDERZOEKSRESULTATEN
26
4.1
Effectiviteit
26
4.1.1 4.1.2 4.1.3
26 28 31
4.2
4.3
4.4
Robuustheid getijdenatuur Kwaliteit van getijdennatuur Vergroting relatieve natuurwaarde
Robuustheid bij klimaatverandering (klimaatbestendigheid)
32
4.2.1 4.2.2
32 33
Gevoeligheid zeespiegelstijging Gevoeligheid rivierafvoer
Bodem en water waterlichaam
34
4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4
34 35 36 36
Waterkwaliteit Kwaliteit waterbodem Morfologie bodem (erosie en sedimentatie) Geohydrologie, invloed op grondwaterstanden
Natuur 4.4.1
37 Gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN)
37
4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5 4.5
4.6
4.7
4.8
4.9
Soortbescherming (inclusief icoonsoorten provincie Zuid- Holland) Houtopstanden (A)biotische condities Potentie verbinding
39 40 40 41
Veiligheid
42
4.5.1 4.5.2
42 42
Hoogwaterveiligheid (Hydraulica) Integrale veiligheid
Woon- en leefmilieu
43
4.6.1 4.6.2
43 43
Geluid Lucht
Ruimtelijke kwaliteit
44
4.7.1
44
Landschap, Cultuurhistorie en Archeologie
Ruimtegebruik
45
4.8.1
45
Raakvlakken met bestaande functies
Sociale aspecten
48
4.9.1
48
Draagvlak omgeving
4.10
Duurzaamheid
49
4.11
Kosten
50
4.12
Raakvlakken
50
5
INTEGRALE EFFECTENVERGELIJKING
52
5.1
Aanpak beoordeling
52
5.2
Ingevuld beoordelingskader voor de varianten
52
5.3
Analyse per bouwsteen
54
5.3.1 5.3.2
54 57
Effectbeoordeling per bouwsteen Samenvatting effecten per bouwsteen
6
VOORKEURSVARIANT
59
6.1
Advies voor de voorkeursvariant
59
6.2
Beoordeling van de voorkeursvariant
64
6.2.1 6.2.2
64 65
Effectiviteit Ingevuld beoordelingskader voor de voorkeursvariant
6.3
Aandachtspunten voorkeursvariant
66
7
REFERENTIES
67
Laatste pagina
67
Bijlage(n) I
Visualisaties bouwstenen
Aantal pagina's 7
1 INLEIDING 1.1
Het project
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De algemene doelstelling van de KRW is om aquatische ecosystemen en terrestrische ecosystemen die afhankelijk zijn van water, te beschermen tegen verdere achteruitgang en om deze ecosystemen in kwaliteit te verbeteren. Het gebied Boven en Beneden Merwede (afbeelding 1.1) is aangewezen als KRW Waterlichaam. Zonder aanvullende maatregelen zal het oppervlaktewaterlichaam Boven en Beneden Merwede de KRW-norm niet zal halen. Het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren heeft als doel om de inrichting van het hoofdwatersysteem te laten voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit verbeterprogramma is verdeeld in drie tranches. Vanuit de tweede tranche is reeds een MIRT2-besluit genomen waarin is vastgesteld dat in het waterlichaam Boven en Beneden Merwede 60,5 hectare getijdennatuur gerealiseerd dient te worden (IenM/BSK-2016/95035). In eerste instantie was beoogd om deze opgave te realiseren in de Noordbovenpolder. Uit de uitgevoerde verkenning (Maatregeldossier Y5007, Antea mei 2019) wordt geconcludeerd dat de realisatie in de Noordbovenpolder niet vanzelfsprekend is. De scope van deze opdracht beperkt zich daarom niet tot de Noordbovenpolder, maar richt zich op een groter gebied van het waterlichaam Boven en Beneden Merwede.
Via een versnelde ‘verkenning’ worden bouwstenen opgesteld, waarmee varianten kunnen worden uitgewerkt. Uiteindelijk kan op basis van die varianten een voorkeursvariant gekozen worden en een MIRT3-besluit genomen worden. Mei 2020 heeft Rijkswaterstaat opdracht gekregen voor de 3e tranche Verbeterprogramma waterkwaliteit Rijkswateren ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water. Deze opdracht behelst planuitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief voor de derde tranche, en moet 21 december 2027 gereed zijn. Gezien de reeds aanwezige kennis en gegevens heeft Rijkswaterstaat verzocht om in een versnelde ‘verkenning’ te komen tot bouwstenen, waarmee varianten kunnen worden uitgewerkt. Het ‘langere’ proces van een verkenning wordt niet gevolgd. Het streven is om in de Boven en Beneden Merwede een gebied van 60,5 hectare liefst aaneengesloten zoetwatergetijdennatuur te ontwikkelen. Locaties met lage bestaande natuurwaarden of locaties waar grote meerwaarde te bereiken is hebben de voorkeur voor ontwikkeling tot getijdennatuur. Hierbij moeten geen bestaande waarden verloren gaan. De doelstelling is om de opgave voor 2027 te realiseren.
7 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Afbeelding 1.1
Waterlichaam Boven en Beneden Merwede (blauwe vlak), met de Sliedrechtse Biesbosch, zone rond Boven Merwede en Afgedamde Maas
1.2
De variantennota
Onze hoofdopdracht is om de werkzaamheden ten behoeve van de planuitwerking inclusief de contractvoorbereiding van de aanleg van het KRW-project Sliedrechtse Biesbosch succesvol uit te voeren. Binnen de opdracht worden vier fase onderscheiden: 1 startdocument; Op basis van de resultaten van de bureaustudies wordt een startdocument opgesteld met bouwstenen; 2 variantennota; Met de bouwstenen uit het startdocument worden in deze fase varianten uitgewerkt. In deze fase worden effectonderzoeken uitgevoerd en vindt een integrale effectanalyse plaats om te komen tot een haalbare voorkeursvariant; 3 notitie voorkeursvariant; De gekozen voorkeursvariant wordt in deze fase nader onderzocht. Dat houdt in dat in deze fase de effectonderzoek in meer kwantitatief worden uitgevoerd. Wederom vindt op basis van de onderzoeksresultaten een integrale effectanalyse plaats om te komen tot een referentieontwerp. Tevens worden eisen worden definitief gemaakt; 4 contractvoorbereiding realisatie; In deze fase wordt het contractstuk, de vraagspecificatie eisen (VSE) opgesteld ten behoeve van de realisatie. De technische uitwerking verloopt interactief met het omgevingsproces. Het omgevingsproces en het opstellen van een systeemeisenspecificatie loopt in alle fasen van deze opdracht door. Voorliggend document is het hoofdproduct voor de tweede fase.
Deze variantennota beschrijft de 4 stappen die genomen zijn om tot een voorkeursvariant te komen. Dit zijn de volgende stappen: 1 wijze waarop de 3 varianten zijn geselecteerd; 2 samenvatten van 1) de uitgevoerde effect- en conditioneringsonderzoeken (op basis van expert judgement, bureaustudies en (risico gestuurd)veldonderzoek, 2) de ontwikkeling van de ontwerpen en raming ervan (TM); 3 het uitvoeren van een variantenafweging; 4 een advies voor een voorkeursvariant. Met andere woorden, dit rapport bevat een samenvatting van alle onderzoeken die tot op heden zijn uitgevoerd en bijdragen aan de keuze om te komen tot de voorkeursvariant. Daarvoor is het stappenplan doorlopen dat is opgenomen in het startdocument en nogmaals is opgenomen op de volgende pagina.
1.3
Leeswijzer
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende onderdelen die in het rapport terugkomen.
8 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Tabel 1.1 Leeswijzer Variantennota Titel
Inhoud
1
Inleiding
algemene beschrijving van het project en de inhoud van dit rapport
2
Beoordelingskader
overzicht van de criteria waarop de varianten beoordeelt worden
3
Varianten
op basis van de bouwstenen uit het startdocument en de input vanuit o.a. ontwerpateliers zijn 3 varianten opgesteld
4
Onderzoeksresultaten
er zijn gedurende de 2de fase van het project verschillende effectenstudies en andere onderzoeken uitgevoerd. Deze worden samengevat en de belangrijkste conclusies zijn opgenomen in dit hoofdstuk
5
Integrale effectvergelijking
beoordeling van de 3 varianten op basis van het beoordelingskader1
6
Advies voorkeursvariant
toelichting welke variant de voorkeur heeft
1
Tijdens de integrale effectanalyse van de drie varianten bleek dat er voor iedere variant bouwstenen zijn waarvan gebleken is dat deze niet haalbaar zijn. Het is daarom niet mogelijk om de voorkeursvariant te kiezen uit één van de opgestelde varianten en deze verder uit te werken. Zodoende is de effectanalyse op bouwsteenniveau toegevoegd en bestaat de voorkeursvariant uit een combinatie van bouwstenen uit de verschillende varianten.
9 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Afbeelding 1.2 Stappenplan van probleemanalyse naar bouwstenen, varianten en voorkeursvariant
10 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
2 HET BEOORDELINGSKADER 2.1
Inleiding op het beoordelingskader
Bij het uitwerken van het beleid tot een integraal ontwerp worden keuzes tussen varianten gemaakt waarbij verschillende belangen worden afgewogen. Om deze afwegingen goed te kunnen maken, is in de Startnotitie een integraal beoordelingskader opgenomen dat in samenspraak met Rijkswaterstaat is opgesteld en ook als zodanig is vastgesteld. Dit beoordelingskader is uitgebreid met een tweetal aspecten binnen het thema Natuur. Bereikbaarheid tijdens de uitvoering, onderdeel van het thema sociale veiligheid is komen te vervallen omdat dit reeds bij integrale veiligheid is opgenomen (en daarmee dubbelingen worden voorkomen). Het beoordelingskader kent een logische structuur in vier kolommen. In de eerste kolom staat het betreffende milieu(thema). De tweede kolom bevat het aspect (binnen het thema) waarop beoordeeld wordt, De derde kolom bevat een nadere beschrijving van de eerder genoemde aspect en de vierde kolom bevat de wijze van beoordeling. In deze fase van het project is de beoordelingswijze voornamelijk kwalitatief. In de volgende projectfase is een meer kwantitatieve beoordeling voorzien.
2.2
Het beoordelingskader
Het volledige beoordelingskader is hieronder opgenomen.
Tabel 2.1 Beoordelingskader voor varianten (Milieu)Thema
Aspecten
Beschrijving
Beoordelingswijze
robuustheid
mate van aaneengesloten natuur
opmeten gerealiseerd
getijdenatuur
(60,5 ha)
oppervlak
Hoofdoelen effectiviteit1
mate waarin de maatregelen kwaliteit van
bijdragen aan habitat voor de
beoordeling n.a.v. potentieel
getijdennatuur
geselecteerde doelsoorten in het
voorkomen gidssoorten
waterlichaam mate waarin op een locatie een verbetering van de natuurwaarde vergroting relatieve natuurwaarde
wordt gerealiseerd ten opzichte van de huidige natuurwaarde (bv van landbouw > natuur of
beoordeling n.a.v. potentieel voorkomen gidssoorten
toevoegen van extra habitatdiversiteit op locaties in
1
Er wordt in elke variant minimaal 60,5 hectare natuur ingericht, de robuustheid en de kwaliteit van deze natuur kunnen verschillen tussen de varianten.
11 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
(Milieu)Thema
Aspecten
Beschrijving
Beoordelingswijze
natuurgebieden met weinig natuurwaarde) nevendoelen / overige aspecten robuustheid bij
gevoeligheid
effect op houdbaarheid van de
klimaatverandering
zeespiegelstijging
maatregel
(klimaatbestendigheid)
gevoeligheid rivierafvoer
bodem en water waterlichaam1
effect op houdbaarheid van de maatregel
expert bepaling expert bepaling
verandering in van de chemische waterkwaliteit
waterkwaliteit voor zowel
expert bepaling
oppervlakte- als grondwater kwaliteit waterbodem morfologie bodem (erosie en sedimentatie) geohydrologie, invloed op grondwaterstanden natuur
verandering in waterbodemkwaliteit mate van erosie en sedimentatie
effect onderzoek expert bepaling
verandering in grondwaterstanden binnen- en
expert bepaling
buitendijks effecten op Natura 2000-
gebiedsbescherming
instandhoudingsdoelstellingen
expert bepaling
en Natuurnetwerk Nederland soortbescherming (inclusief icoonsoorten provincie Zuid- Holland) houtopstanden (a)biotische condities potentie verbinding veiligheid
woon- en leefmilieu
effecten op beschermde soorten en hun leefgebied effecten op meldingsplichtige houtopstanden effecten op de kenmerken en condities van gebieden effecten op de situering van de getijdenatuur t.o.v. varianten
expert bepaling
expert bepaling expert bepaling expert bepaling
hoogwaterveiligheid
mate waarin wordt voldaan aan
berekening waterverdeling,
(Hydraulica)
de veiligheidsdoelstellingen
overige expert bepaling
integrale veiligheid
effecten op integrale veiligheid
expert bepaling
geluid
effecten op geluidsbelasting
expert bepaling
luchtkwaliteit
effecten op luchtkwaliteit
expert bepaling
ruimtelijke kwaliteit
verandering van aanwezige landschap,
landschappelijke en
cultuurhistorie en
cultuurhistorische elementen en
archeologie
archeologische
expert bepaling
(verwachtings)waarden ruimtegebruik2
raakvlakken met huidige functies raakvlakken met bestaande functies
zoals K&L, eigendom of pachters van gronden en waterkeringen met toekomstige
oppervlakte per functie vergelijken
gebruiksfuncties sociale aspecten
draagvlak wordt ingeschat op draagvlak omgeving
basis van o.a. recreatie, zicht, bereikbaarheid en gedwongen
expert bepaling
vertrek 1
Chemische waterkwaliteit is geen verbeterdoel binnen dit project en dit wordt niet meegenomen in het ontwerp. Het wordt wel meegenomen in de beoordeling. Het betreft zowel verandering in oppervlaktewaterkwaliteit als grondwaterkwaliteit. Veranderende grondwaterstromen (kwel) kunnen effect hebben op bestaande natuur.
2
Ruimtegebruik gaat over raakvlakken in de fysieke ruimte zoals waterkeringen en kabels en leidingen. Raakvlakken met bijvoorbeeld andere projecten vallen onder het thema Raakvlakken.
12 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
(Milieu)Thema
Aspecten
duurzaamheid1
benutten van kansen op gebied van duurzaamheid
kosten
Beschrijving
Beoordelingswijze
mate waarin het plan past in ontwikkelingen in het gebied in de tijd binnen de vastgestelde
expert bepaling
duurzaamheidsindicatoren
kosten van aanleg, beheer, onderhoud en sloop (LCC-benadering), gelet op duurzaamheid
mate waarin de kosten passen binnen het budget
vergelijking kostenramingen
en toekomstvastheid. 2
raakvlakken
synergie met andere projecten
2.3
effecten op behalen van doelstellingen van andere
expert bepaling
projecten in omgeving
Wijze van beoordelen
De effecten van de alternatieven zijn beoordeeld aan de hand van de criteria uit het integrale beoordelingskader. De beoordeling op de criteria is gedaan ten opzichte van de huidige situatie. Het oordeel kan variëren van uiterst negatief tot sterk uiterst. Tabel 2.2 toont de vijf beoordelingsklassen die in dit rapport worden gehanteerd. De beoordelingsschaal van de varianten is relatief. Per criterium is in de bijlagen een maatlat ontwikkeld waarmee gespecificeerd wordt wanneer een bepaalde beoordeling toegekend wordt.
Tabel 2.2 Beoordelingsschaal Score
1
Oordeel ten opzichte van de huidige situatie ++
uiterst positief
+
positief
0
neutraal
-
negatief
--
uiterst negatief
De speerpunten voor duurzaamheid waar de beoordeling op plaats zal vinden (de duurzaamheidsindicatoren) zijn nog niet gedefinieerd, dit gebeurt in fase II.
2
Hier worden zowel positieve als negatieve raakvlakken onder verstaan.
13 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
3 DE VARIANTEN 3.1
Totstandkoming van de varianten
De ontwikkeling van hoogwaardige getijdennatuur is geen eenvoudige of eenzijdige opgave. De aanpassingen aan de waterhuishouding en de herstelmaatregelen voor de gewenste natuurontwikkeling hebben namelijk invloed op bestaande kwaliteiten en functies in het gebied en de directe omgeving. Bovendien hebben partijen in de omgeving hun eigen doelen en belangen, die effect ondervinden van de te nemen maatregelen in dit project. Afstemming tussen deze verschillende belangen is cruciaal bij de ontwikkeling van het project KRW Sliedrechtse Biesbosch. Er is daarom gekozen om deze belangen te betrekken in het project en dit te doen door één integraal ontwerpproces te doorlopen. De probleemanalyse, uitgevoerd in de verkenningsfase, vormt de basis voor het ontwerpproces om de juiste inrichtings- en beheermaatregelen te kunnen vaststellen. Zonder goede kennis over het functioneren van het systeem is het immers niet mogelijk om effectieve maatregelen te ontwerpen. Op basis van de probleemanalyse is een groslijst aan potentiële zoekgebieden en mogelijke maatregelen opgesteld. Tijdens de eerste fase van het project zijn er twee ontwerpateliers georganiseerd waarbij samen met verschillende stakeholders een verkenning gedaan is naar de mogelijkheden voor KRW-maatregelen in verschillende varianten.
Daarnaast zijn er ook andere overleggen geweest met de belangrijkste stakeholders zoals de gemeentes en Staatbosbeheer. Al deze input van de stakeholders is meegenomen bij het vaststellen van de drie varianten.
3.2
Beschrijving varianten
Vanuit de verkenning naar mogelijke maatregelen binnen het volledige watersysteem zijn drie, onderscheidende, varianten voor inrichting van minimaal 75 hectare getijdennatuur samengesteld. Voor deze drie varianten zijn effectonderzoeken en conditionerende onderzoeken uitgevoerd. In totaal zijn er binnen de drie varianten ‘Dynamiek’, ‘Integrale natuurdoelen’ en ‘Verbinden’ 12 verschillende bouwstenen. Een overzicht hiervan is opgenomen in de tabellen hieronder. In bijlage I zijn de visualisaties van de bouwstenen opgenomen waarin voor alle gebieden een inrichtingsschets gemaakt is met de benoemde onderdelen.
3.2.1
Variant 1: Dynamiek
In deze variant zetten we in op het inrichten van dynamische getijdegebieden. Dit doen we zoveel mogelijk benedenstrooms, omdat daar de getijdeslag het grootst is. De ingrepen die nodig zijn voor deze variant zijn opgesomd in de onderstaande tabel en weergegeven op de kaart daaronder.
14 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Tabel 3.1 Ingrepen van de bouwstenen van variant 1 Dynamiek Bouwstenen Nummer
Locatie
Maatregel
Ingrepen
1
Noordbovenpolder (40 ha)
-
kreken overstromingsvlaktes
a b c d
zomerkade verwijderen overstromingsvlakte: ophogen maaiveld kreken; afgraven maaiveld uitdiepen watergang westelijk van Otterpolder
2
Hel- en Zuilespolder (44 ha)
-
kreken overstromingsvlaktes
a b c d e f g
uitgraven van kreken uitdiepen watergang westelijk van Otterpolder overstromingsvlakte: afgraven maaiveld behouden oeverwal ontgraven en verleggen zomerkade bos verwijderen (laten verdrinken) aanleg bruggen (bereikbaarheid woonterpen)
3
Kribvakken Beneden Merwede (10 ha)
-
langsdammen
a b c d e f g
aanleg langsdam doorvoer maken in bestaande krib kribben verwijderen graven nevengeul behouden oeverwal (eventueel) verwijderen van aanwezige slib deels verleggen van zomerkade
Afbeelding 3.1 Variant Dynamiek, totaal 100 ha
Noordbovenpolder - Kreken en overstromingsvlakte De Noordbovenpolder is nu agrarisch gebied. Door dit gebied te ontwikkelen kan veel natuuroppervlak worden toegevoegd in een gebied met relatief grote getijdeslag. Hiermee ontstaat er een brede zone grenzend aan Het Wantij waar ruimte voor dynamische ontwikkeling van kreken en overstromingsvlakte. Hier is ruimte voor morfologische processen. Om het getij te versterken wordt de watergang ten westen van de Otterpolder hersteld, hiermee is er een extra verbinding tussen Het Wantij en het Moldiep.
15 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Noordbovenpolder Hel- en Zuilespolder - Kreken, overstromingsvlakte, laagdynamische wateren en moeras Hier is een groot potentieel oppervlak beschikbaar waardoor morfodynamiek met erosie en sedimentatie een kans kan krijgen. Hier kan zowel hoogdynamisch milieu (geulen en kreken met oeverzones) als meer laagdynamisch en geïsoleerde plassen worden ingericht. De nadruk ligt hier op de hoog dynamische potentie. Om de interactie met de Beneden Merwede te versterken, wordt een verbinding gemaakt. De bestaande geul in de oeverzone wordt verder uitgegraven om een doorgaande nevengeul langs de Beneden Merwede te ontwikkelen. Daarnaast wordt om het getij te versterken de watergang ten westen van de Otterpolder hersteld, hiermee is er een extra verbinding tussen Het Wantij en het Moldiep. In de Hel- en Zuilespolder wordt ingezet op gezoneerde recreatie, waarbij recreatiedruk wordt gestuurd en afgewogen tegen de toelaatbare verstoring.
Hel- en Zuilespolder
16 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Kribvakken en oeverzones Beneden Merwede - Langsdammen Deze bouwsteen bestaat uit drie locaties aan de linkeroever van de Beneden Merwede. Deze locaties bieden de kans natuur te ontwikkelen direct aan de rivier. Door aanleg van een langsdam, van liefst minimaal 800 m lang, wordt een scheepvaartluwe stromende nevengeul gecreëerd. In het meest bovenstroomse gebied levert ontwikkeling van de nevengeul en oever een sterkere verbinding van de bestaande natuur (Merwelanden) met de rivier. Bij inrichting van de oever wordt rekening gehouden met bestaande waardevolle strandwallen. Er zijn momenteel geen echte strandjes aanwezig, anders dan in de kribvakken nog verder bovenstrooms. Verder benedenstrooms wordt de nevengeul in de oeverzone ten noorden van de Hel- en Zuilespolder verlengd door een langsdam ten westen van de oeverzone te plaatsen. In het meest benedenstroomse gebied (bij de Baanhoekbrug) wordt met aanleg van een langsdam een nevengeul gecreëerd in een meer verstedelijkte omgeving. Hier is op de oever weinig ruimte voor natuurontwikkeling, maar voor stromingsminnende vis voegt de nevengeul waardevol habitat toe. Hier is ruimte voor een langsdam van voldoende lengte om effectief een luwe geul te creëren. Dit wordt gezien als belangrijke stapsteen in het sterk verstedelijkte gebied.
Kribvakken en oevers Beneden Merwede
3.2.2
Variant 2: Integrale Natuurdoelen
In deze variant zetten we in op het combineren met de Natura 2000-doelen en zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande plannen voor natuurinrichting. Dit speelt voor de Otterpolder, Thomaswaard en het Gors en de Aanwas zetten (ook bekend onder de naam Groesplaat). De Hel- en Zuilespolder is toegevoegd om ook de ontwikkeling van meer dynamiek mogelijk te maken. De ingrepen die nodig zijn voor deze variant zijn opgesomd in de onderstaande tabel en weergegeven op de kaart daaronder.
Tabel 3.2 Ingrepen van de bouwstenen van variant 2 Integrale Natuurdoelen Bouwstenen Nummer
Locatie
Maatregel
Ingrepen
4
Oevers Wantij (4 ha)
-
kreken natuurlijke rivieroevers
a b c
graven nevengeul ontstenen oever aanleggen langsdam
5
Otterpolder (24 ha)
-
a b
-
overstromingsvlakte laagdynamische ondiepe wateren en moerassen vispassage
plaatsen regelwerk gedempt getij geen ingrepen op hogere delen: N2000 afgraven maaiveld (t.b.v. KRW) behouden kade t.b.v. scheiding gebieden
-
overstromingsvlakte krekenstelsels
a b
6
Hel- en Zuilespolder (20 ha)
c d
c d
17 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
uitgraven van kreken uitdiepen watergang westelijk van Otterpolder overstromingsvlakte: afgraven maaiveld verleggen en ontgraven zomerkade
Bouwstenen 7
Thomaswaard (17 ha)
-
overstromingsvlakte laagdynamische ondiepe wateren en moerassen
a b c d
plaatsen regelwerk inlaat afgraven maaiveld behouden glanshaverhooiland behouden kade t.b.v. scheiding gebieden
8
Het Gors en de Aanwas (12 ha)
-
stromende nevengeulen krekenstelsels overstromingsvlakte laagdynamische ondiepe wateren en moerassen
a b c d e
behouden oeverwallen verlengen bestaande kreek graven laagdynamische plas verwijderen duiker aanleg bruggen
Afbeelding 3.2 Variant Integrale natuurdoelen, totaal 77 ha
Oevers Wantij - Kreken en natuurvriendelijke oever Ook Het Wantij is N2000-gebied en het heeft een belangrijke verbindende functie met benedenstroomse rivieren. In het oostelijke deel is het voorstel om achter de verlande oeverwallen kreken open te graven. Zo worden luwe stromende zones gecreëerd. Het westelijke (benedenstroomse) deel is sterk versteend en/of hoger gelegen, en biedt minder ruimte voor geulen of natuurvriendelijke oevers. Hier is op één locatie op de linkeroever potentie voor een kreek, en aan de rechteroever is door het aanleggen van een langsdam en ontstenen potentie voor een lange natuurvriendelijke oever.
Oevers Wantij Oost
18 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Oevers Wantij West Otterpolder - Overstromingsvlakte, laagdynamisch gebied en vispassage Voor inrichting van de Otterpolder wordt uitgegaan van de ideeën van Staatsbosbeheer (beheerder van Otterpolder): inrichting volgens het principe ‘gedempt’ getij, waarbij de polder een deel van het jaar in verbinding staat met de Kikvorschkil/Wantij en deel van het jaar afgesloten is van het getij. In het laagste deel van de polder (ongeveer 1/3 deel) wordt ingezet op de ontwikkeling van KRW natuur (overstromingszone en moeras). De hogere delen worden ingezet op het versterken van de bestaande N2000-doelen. Hierbij blijft het waardevolle cultuurhistorische landschap behouden. Met de aanleg van een vispassage ontstaat een kraamkamer voor (jonge) vis.
Donkerblauw = KRW Lichtblauw = tussenzone KRW en N2000 Groen = N2000 Otterpolder Hel- en Zuilespolder zuidelijk deel – Kreken en overstromingsvlakte In het zuidelijke deel van de polder is potentie voor een dynamisch systeem van kreken met overstromingsvlaktes. Hier wordt ingezet op een hoog dynamisch systeem (geulen en kreken met oeverzones) omdat dit in de Otterpolder en Thomaswaard ontbreekt. Om het getij te versterken wordt de watergang ten westen van de Otterpolder hersteld, hiermee is er een extra verbinding tussen Het Wantij en het Moldiep.
19 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Hel- en Zuilespolder zuidelijk deel Thomaswaard - Overstromingsvlakte en laagdynamisch gebied Voor inrichting van de Thomaswaard wordt aangesloten bij de plannen van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer heeft hiervoor onderzoek uit laten voeren naar de potentie van het gebied voor ontwikkeling van glanshaverhooiland. In de delen waar weinig potentie is voor glanshaverhooiland, wordt ingezet op ontwikkeling van overstromingsvlakte en moeras. In de zuidoostelijke hoek worden laagdynamische plassen ingericht. Op deze manier is 1/3 deel van het gebied beschikbaar voor ontwikkeling van KRW natuur, en het overige 2/3 deel voor N2000.
Thomaswaard Het Gors en de Aanwas - Nevengeul, kreken, overstromingsvlakte, laagdynamisch gebied en geïsoleerde plassen Hier ligt een schetsontwerp voor inrichting van 3,5 hectare getijdennatuur, door het tweezijding aansluiten van de geul, terugleggen van een dijkje en vervangen van een duiker door een brug. Dit ontwerp wordt
20 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
uitgebreid met een aanvullende geul, kreken en een laagdynamische plas. Er is aandacht voor het behoud van waardevolle oeverwallen en zandstranden.
Het Gors en de Aanwas
3.2.3
Variant 3: Verbinden
In deze variant zetten we in op verbinden van natuurgebieden in het hele waterlichaam.
Tabel 3.3 Ingrepen van de bouwstenen van variant 3 Verbinden Bouwstenen Nummer
Locatie
Maatregel
Ingrepen
9
Noordbovenpolder (Wantijzone) (25 ha)
-
a b
overstromingsvlakte krekenstelsels
c d
landinwaarts leggen zomerkade uitdiepen watergang westelijk van Otterpolder overstromingsvlakte: ophogen maaiveld graven kreken
4
Oevers Wantij (4 ha)
-
kreken natuurlijke rivieroevers
a b c
graven nevengeul ontstenen oever aanleggen langsdam
3
Kribvakken Beneden Merwede (10 ha)
-
langsdammen
a b c d e f g
aanleg langsdam doorvoer maken in bestaande krib kribben verwijderen graven nevengeul behouden oeverwal (eventueel) verwijderen van aanwezige slib deels verleggen van zomerkade
10
Kribvakken Boven Merwede (10 ha)
-
langsdammen
a b c d
aanleg langsdam kribben deels verwijderen (doorvoer maken in bestaande krib) behouden oeverwallen (eventueel) verwijderen van aanwezige slib
a b c d
behouden oeverwallen graven kreken behouden Ooibos en wilgrengriend graven meestromende geul
11
21 | 67
Sleeuwijkerwaard (15 ha)
-
krekenstelsels laagdynamische, ondiepe wateren en moerassen
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Bouwstenen 8
Het Gors en de Aanwas (12 ha)
12
Avelingen (4 ha)
-
stromende nevengeulen krekenstelsels overstromingsvlakte laagdynamische ondiepe wateren en moerassen
a b c d e
behouden oeverwallen verlengen bestaande kreek graven laagdynamische plas verwijderen duiker aanleg bruggen
-
vispassage
a b
behouden waardevolle natuur aanleg twee vispassages
Afbeelding 3.3 Variant Verbinden, totaal 83 ha
Noordbovenpolder Wantijzone – kreken en overstromingsvlakte Door terugleggen van de kering ontstaat er aan Het Wantij ruimte voor dynamische ontwikkeling van kreken en overstromingsvlakte, met ruimte voor morfologische processen. Een deel van de gronden in de polder is in bezit van Rijkswaterstaat en kan mogelijk geruild worden voor de strook langs Het Wantij. Om het getij te versterken de watergang ten westen van de Otterpolder hersteld, hiermee is er een extra verbinding tussen Het Wantij en het Moldiep.
Noordbovenpolder Wantijzone
22 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Oevers Wantij - kreken en natuurvriendelijke oevers Ook Het Wantij is N2000-gebied en het heeft een belangrijke verbindende functie met benedenstroomse rivieren. In het oostelijke deel is het voorstel om achter de verlande oeverwallen kreken open te graven. Zo worden luwe stromende zones gecreëerd. Het westelijke (benedenstroomse) deel is sterk versteend en/of hoger gelegen, en biedt minder ruimte voor geulen of natuurvriendelijke oevers. Hier is op één locatie op de linkeroever potentie voor een kreek, en aan de rechteroever is door het aanleggen van een langsdam en ontstenen potentie voor een lange natuurvriendelijke oever.
Oevers Wantij Oost
Oevers Wantij West Kribvakken en oeverzones Beneden Merwede - Langsdammen Deze bouwsteen bestaat uit drie locaties aan de linkeroever van de Beneden Merwede. Deze locaties bieden de kans natuur te ontwikkelen direct aan de rivier. Door aanleg van een langsdam van liefst minimaal 800 meter lang wordt een scheepvaartluwe stromende nevengeul gecreëerd. In het meest bovenstroomse gebied levert ontwikkeling van de nevengeul en oever een sterkere verbinding van de bestaande natuur (Merwelanden) met de rivier. Bij inrichting van de oever wordt rekening gehouden met bestaande waardevolle strandwallen. Er zijn momenteel geen echte strandjes aanwezig, anders dan in de kribvakken nog verder bovenstrooms. Verder benedenstrooms wordt de nevengeul in de oeverzone ten noorden van de Hel- en Zuilespolder verlengd door een langsdam ten westen van de oeverzone te plaatsen. In het meest benedenstroomse gebied (bij de Baanhoekbrug) wordt met aanleg van een langsdam een nevengeul gecreëerd in een meer verstedelijkte omgeving. Hier is op de oever weinig ruimte voor natuurontwikkeling, maar voor stromingsminnende vis voegt de nevengeul waardevol habitat toe. Hier is ruimte voor een langsdam van voldoende lengte om effectief een luwe geul te creëren. Dit wordt gezien als belangrijke stapsteen in het sterk verstedelijkte gebied.
23 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Kribvakken en oevers Beneden Merwede Kribvakken Boven Merwede - Langsdammen Door langsdammen aan te leggen worden scheepvaartluwe stromende nevengeul gecreëerd. Ontwikkeling van de oeverzones versterkt de bestaande natuur in de uiterwaarden. De oeverwallen met zandstrand blijven behouden, waar nodig door de strekdammen deels in takt te laten.
Kribvakken Boven Merwede Sleeuwijkerwaard - Kreken en laagdynamisch gebied Dit is een groot gebied waarvan delen ruimte bieden voor verbetering. Brabants Landschap is hierin geïnteresseerd. Hier zijn een nevengeul en een krekenstelsel voorzien. De bestaande ooibossen, wilgengrienden en oeverwallen met zandstrand blijven behouden blijven. De inrichting biedt kans om relicten van de koude oorlog beleefbaar te maken.
Sleeuwijkerwaard
24 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Het Gors en de Aanwas - Nevengeul, kreken, overstromingsvlakte, laagdynamisch gebied en geïsoleerde plassen Hier ligt een schetsontwerp voor inrichting van 3,5 hectare getijdennatuur, door het tweezijding aansluiten van de geul, terugleggen van een dijkje en vervangen van een duiker door een brug. Dit ontwerp wordt uitgebreid met een aanvullende geul, kreken en een laagdynamische plas. Er is aandacht voor het behoud van waardevolle oeverwallen en zandstranden.
Het Gors en de Aanwas Dordtse Avelingen Dit gebied is waardevolle natuur en zal niet worden aangepast. Het voorstel is twee vispassages aan te leggen om het watersysteem (watergangen en plassen) te verbinden met de Boven Merwede. Met de aanleg van een vispassages ontstaat een grote kraamkamer voor (jonge) vis.
Dordtse Avelingen
25 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
4 ONDERZOEKSRESULTATEN In het beoordelingskader zijn verschillende thema’s opgenomen waarop de varianten, zoals beschreven in voorgaande hoofdstuk, beoordeeld worden. Om deze beoordeling uit te kunnen voeren zijn onderzoeken gedaan. In dit hoofdstuk is per thema een toelichting gegeven van de resultaten van de onderzoeken. Voor alle aspecten die genoemd worden in het beoordelingskader is er per variant een beoordeling gegeven. Voor sommige aspecten is deze beoordeling overgenomen uit het betreffende deelrapport. Voor andere aspecten is er een aanvullende analyse gemaakt om de varianten te kunnen vergelijken. De totale beoordeling van al deze aspecten zijn hieronder toegelicht.
4.1
Effectiviteit
Het eerste thema in het beoordelingskader is ‘Effectiviteit’, waarbij wordt ingegaan op de kwaliteit en de robuustheid van de natuur en de natuurwaarden voor de beoogde natuurdoelen, namelijk de doelsoorten van KRW-type R8 Zoet getijdenwater, het hoofddoel van de te nemen maatregelen. De beoordeling hiervan komt niet terug in het Deelrapport Natuur. Daar ligt de focus op de effecten op beschermde natuur in het kader van de Wet Natuurbescherming. Daarom is hieronder een aanvullende analyse beschreven.
4.1.1
Robuustheid getijdenatuur
Bij robuustheid beschouwen we de volgende parameters: - areaal; - samenhang en verbinding. Areaal Voor natuur geldt dat de biodiversiteit toeneemt met het natuurareaal wat aanwezig is. Een groter areaal bevat meer variatie in ecotopen en is minder gevoelig voor verstoring (bijv. recreatie) waardoor meer soorten er een plek kunnen vinden. Ze kunnen zich er voeden, maar zich ook voortplanten en opgroeien. Het potentiële areaal, dat in deze fase nog wordt beschouwd, betreft de optelling van het areaal van alle deelgebieden binnen een variant. De KRW-maatregelen zijn gericht op kreken en slikken, maar ook schorren met riet, ruigte of ooibossen behoren tot het zoetwatergetijdengebied. Al die ecotopen zijn nodig voor een robuust ecosysteem. Verschillende macrofaunasoorten leven bijvoorbeeld als volwassen insect op land en hebben daar weer vegetatie nodig om te schuilen en te eten, omgevallen wilgen vervullen een belangrijke functie als leefgebied voor waternatuur, et cetera. Voor zoetwatergetijdennatuur, in de breedste zin van het woord, wordt een minimumareaal van 30 hectare genoemd wil 75 % van relevante doelsoorten een plek kunnen vinden (Bal e.a., 2001). Voor wat betreft doelsoorten gaat het dan om zowel aquatische fauna als vogels en zoogdieren zoals de bever.
Wat er specifiek aan aquatische natuur nodig is aan minimumareaal voor een brede groep aan soorten (gidssoorten) is voor zover bekend nergens beschreven, maar ook hier geldt hoe meer hoe beter.
26 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Kader: definitie KRW-areaal zoetwatergetijdengebied Relevant is de vraag welke ecotopen wel en welke niet onder zoetwatergetijdennatuur vallen voor de KRW. In het project is dit afgestemd met Rijkswaterstaat en beschreven in een notitie (De Bijl, 2021). De volgende grenzen zijn gehanteerd: - bovengrens: GHW-lijn in verband met de rol van oeverplanten (biezen); - ondergrens: matig diepe zone (1-3 meter diep bij GLW), tenzij er een zwaarwegende reden vanuit doelsoorten is om lokaal ook de diepe zone (dieper dan 3 meter bij GLW) mee te nemen. Dit laatste is vooralsnog niet het geval. Diepe delen zijn ruim voorhanden in de Merwedes en Het Wantij. Waarbij de focus ligt op de zone tussen middenstand tot meer dan 1 meter onder GLW. Daar zitten de belangrijkste oeverplanten (biezen), is groeipotentie voor waterplanten en zal zich de meeste fauna ophouden. Kreken en slikken of getijdenvlaktes vallen binnen deze zone. Schorren of gorzen (zone boven GHW) niet meer. Deze zones zijn vanuit andere natuurdoelen uiteraard wel van belang (Natura 2000, NNN) en er is ook een duidelijke relatie met het waterleven (zie verder). Daarom kan het gebied ook meegeteld worden als KRW areaal wanneer er een bijdrage is voor maatlatsoorten. Die zone kan dus zeker niet vergeten worden, wat niet betekent dat ze altijd aangelegd moet worden.
Er komt in het projectgebied namelijk al natuur voor waarop aangesloten kan worden. Samenhang en verbinding De varianten onderscheiden zich in de mate van samenhang en verbinding. De grootte en het aantal gebieden verschilt namelijk per variant. We kunnen stellen dat natuur meer baat heeft bij een klein aantal grootschalige maatregelen, dan bij een groot aantal kleinschalige maatregelen. Zeker wanneer de laatsten ook nog ver uit elkaar liggen. Wel speelt mee dat er al natuur in het projectgebied aanwezig is. Er zal samenhang ontstaan tussen de nieuwe natuur en reeds aanwezige natuur. Dat verzacht het effect van versnipperd aangelegde gebieden. Daarbij zou een klein gebied ook dienst kunnen doen als stapsteen in het ecologische netwerk voor waterleven. In een stapsteen kunnen soorten rust en voeding vinden alvorens ze verder trekken naar een volwaardig leefgebied waar ze zich ook kunnen voortplanten. De vraag is in hoeverre stapstenen in het projectgebied noodzakelijk zijn. Zijn stapstenen in Het Wantij nodig omdat soorten anders niet kunnen migreren tussen de Beneden Merwede en de bovenstroomse nieuwe natuur? Hoewel de oevers van Het Wantij en de Merwedes op grote trajecten onnatuurlijk ogen en zeker niet alle soorten er al hun levensstadia kunnen doorlopen, is er toch al snel dekking en voeding te vinden.
Denk aan de structuur en holtes van het vele stortsteen met aangroei van alg, kribben met luwtezones, inhammen met een pluk oevervegetatie, haventjes met slibrijkere bodem en waterplanten, diepe zones, een boomstam, overhangende takken, etc. Onze inschatting is dat de huidige inrichting van Het Wantij of de Merwedes migratie van doelsoorten van type R8 niet belemmert. Er blijkt bijvoorbeeld niet uit monitoring en ander onderzoek dat nieuwe natuur niet bevolkt raakt met soorten. Daarnaast zijn veel doelsoorten relatief mobiel (zie kader). Een groter migratieknelpunt is de aanwezigheid van een dijk, sluis, stuw of gemaal waardoor hele polders niet of slecht bereikbaar zijn en waardoor soorten niet makkelijk tussen de Beneden Merwede en de Sliedrechtse Biesbosch kunnen migreren. Kortom, stapstenen lijken niet direct noodzakelijk, puur bekeken uit oogpunt van migratie (uitwisseling van soorten en DNA). Tegelijk betekent dit niet dat ze geen nut hebben. De monding van Het Wantij en de Beneden Merwede tussen Dordrecht en Papendrecht zijn wel erg stenig en onnatuurlijk en de vele scheepvaart (kruising Merwede-Noord is de drukste van Europa) vormt een bedreiging (denk aan knakaal). Het kan de overlevingskans van dieren dus helpen om hier wat stapstenen te realiseren.
Er zijn ongetwijfeld ook minder mobiele soorten (jonge vis, macrofauna) en landsoorten in de stad (vogels, vleermuizen, zoogdieren) die er wel baat bij hebben en het zal in Het Wantij ook een aantrekkende werking hebben (meer schuilgelegenheid, meer voeding), waardoor meer soorten de afslag nemen richting de Sliedrechtse Biesbosch en de migratie naar nieuwe natuur versterkt wordt. We beoordelen stapstenen dus positief, maar het blijft staan dat een stapsteen een afgeleide is van een groter en robuuster leefgebied wat veruit de voorkeur heeft als KRW-maatregel om aan te leggen.
27 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Kader: migratie van waterleven Over stapstenen voor waterleven en planten is relatief weinig bekend. Gegevens over de tussenliggende afstanden, de minimale grootte en specifieke inrichting zijn summier en slecht onderbouwd met wetenschappelijk onderzoek (zie voor vis bijv. Pauwels e.a., 2002). Men spreekt bij migratie over dispersieafstanden, de afstand waarover een organisme in een bepaalde tijd kan migreren. De soorten van het dynamische getijdenmilieu zijn relatief mobiel (grote dispersieafstand). Vissen, en niet alleen de trekvissen, kunnen dagelijks vele kilometers afleggen. Voor lokaal verblijvende vissen wordt een maximale migratieafstand van 5 km genoemd. Macrofauna en zaden van planten laten zich met de stroom meevoeren en volwassen insecten vliegen vele kilometers ver om daar vervolgens eieren af te zetten. Zelfs schelpdieren verspreiden zich in hun leven over grote afstanden. De Bataafse stroommossel, één van de gidssoorten, lift bijvoorbeeld als parasitaire larf tussen de kieuwen van vissen mee en kan zich nadat ze wat groter gegroeid is kilometers verderop weer loslaten. Tenslotte helpen vogels bij de verspreiding van eieren van een veelheid aan soorten (planten, macrofauna, vis). Beoordeling robuustheid van natuur De varianten zijn nog niet zo gedetailleerd uitgewerkt dat de te realiseren arealen van getijdennatuur (zone GHG tot 3 m onder GLG) bekend zijn.
In potentie is er respectievelijk 100, 77 en 83 hectare mogelijk aan getijdennatuur in de 3 varianten. Er is dus in alle varianten voldoende ruimte om te voldoen aan de projectdoelstelling van 60,5 hectare getijdennatuur Hiermee onderscheiden de varianten zich in deze fase van het project dus niet op het vlak van areaal. Op vlak van samenhang en verbinding zijn wel verschillen te zien. We scoren de varianten met enkele grote, robuuste gebieden hoger dan de varianten met meer kleine gebieden verspreidt over een groter gebied.
Tabel 4.1 Beoordeling robuustheid van natuur Dynamiek
Integrale natuurdoelen
Verbinden
beoordeling
+++
++
+
toelichting
De variant dynamiek is het meest robuust. De bouwstenen zijn het grootste en daarbij robuuster dan de overige varianten.
De variant integrale natuurdoelen heeft een aantal geïsoleerd gebieden. De bouwstenen zijn minder groot dan in de variant dynamiek maar minder verspreid dan in de variant verbinden. Zodoende ligt de score tussen beide in.
De gebieden zijn verspreid over een groot gebied en daarmee beperkt robuust.
4.1.2
Kwaliteit van getijdennatuur
Bij kwaliteit van getijdennatuur beoordelen we mate waarin de maatregelen bijdragen aan habitat voor KRW-type R8. Het projectdoel is dat de KRW-score voor dit waterlichaam erop vooruit gaat. We beschouwen de volgende parameters: - passend bij DNA van de rivier; - score KRW-maatlatten en effectiviteit gidssoorten. DNA van de rivier Bij de effectbeoordeling gaan we uit van het SMART-rivers concept. Systeemvreemde objecten of dimensies zijn volgens dat concept minder robuust. Fysiotopen verlanden bijvoorbeeld sneller of leiden niet tot de gewenste KRW-soorten of gidssoorten passend bij het rivierecosysteem. Dit komt uiteindelijk tot uiting in minder toename van de KRW-maatlatscores voor dit waterlichaam.
28 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Getijslag is cruciaal voor getijdennatuur. Het is een hoogdynamisch ecosysteem waarin erosie en sedimentatie elkaar afwisselen en waar de verschillende fysiotopen (kreken, slikken, schorren) steeds in beweging zijn. Dieren en planten zijn daar goed op aangepast en verdwijnen zelfs als de peil- en stromingsdynamiek afneemt. Stromingsminnende soorten (rheofiel en diadroom) maken dan plaats voor algemene soorten (eurytoop) en plantminnende soorten (limnofiel) en kenmerkende oeverplanten (met name biezen) verdwijnen en maken plaats voor riet. Juist die kenmerkende soorten spelen een belangrijke rol in de KRW-maatlatten. Ze zijn kenmerkend voor het watertype en zijn goede indicatoren voor verstoring. De variant Dynamiek past, niet geheel onverwachts, het beste bij dit concept. Het gaat om grootschalige getijdennatuur aan de westzijde van het studiegebied op de plek met de meeste peildynamiek. De varianten Integrale Natuurdoelen en Verbinden doen, vanuit andere belangen, concessies aan de getijdennatuur. Semi natuurlijk peilbeheer (Otterpolder, Thomaswaard), natte overstromingszones (die onderlopen bij periodiek hoogwater), laagdynamisch moeras en geïsoleerde plassen hebben zeker natuurwaarde, maar passen minder goed bij de dynamische getijdennatuur waar het in dit project om zou moeten gaan. De effectiviteit voor KRW-type R8 is minder groot.
Het laten onderlopen van graslanden en rietzones in het voorjaar in de Otterpolder is bijvoorbeeld erg gunstig als paai en opgroeigebied voor limnofiele soorten (zeelt, vetje, bittervoorn, rietvoorn; doelsoorten voor R8, maar dragen relatief weinig bij aan de scores), maar veel andere vissen (rheofiel, diadroom) en macrofauna die sterker bijdragen aan de maatlatscores hebben er minder baat bij. Na het voorjaar zakt het peil en is het water als leefgebied verdwenen. Biezen, die een belangrijk onderdeel zijn van KRW-maatlat R8, worden er niet mee geholpen. Dat geldt ook voor het aanleggen van de vispassages bij de Avelingen. Poldersloten zijn een heel ander ecosysteem dan getijdenkreken. De Boven Merwede ligt precies op de overgang van zandrivier naar getijdenrivier. Door de Deltawerken is die overgang naar het westen opgeschoven. De getijslag is dermate afgenomen dat de rivierdynamiek inmiddels dominant geworden is ten opzichte van de getijdendynamiek. In de SMART-rivers factsheet van de Merwedes worden als passende maatregelen typen uit beide riviersystemen genoemd met de kanttekening dat het in beide gevallen om minder dynamische varianten gaat (minder stroming en afzetting van zand op de oeverwallen enerzijds en minder getijslag anderzijds). Bij de inrichting van de het Gors en de Aanwas en Sleeuwijkerwaard is dus veel vrijheid om te kiezen voor een type maatregel.
Dit heeft ook natuurwaarde, maar zal strikt bekeken vanuit KRW-type R8 een minder grote bijdrage leveren aan de maatlatscores van de verschillende soortgroepen. Langsdammen of vooroeververdedigingen worden in het SMART-rivers concept aanbevolen op plekken waar teveel dynamiek is en oevers nu versterkt zijn. Langsdammen zijn in de Waal tussen Wamel en Ophemert aangelegd en uitvoerig onderzocht. Ze blijken daar goed te werken. De KRW-natuur heeft er baat bij. Ook voor getijdenwateren zijn de verwachtingen positief, al is nog niet duidelijk hoe zo’n langsdam hier morfologisch functioneert. Mogelijk dat het nog effectiever is voor de KRW-doelsoorten van het zoetwatergetijdenwater om het tussengebied niet meestromend te maken, maar aan bovenstroomse zijde af te sluiten met een drempel. Er ontstaat dan een getijdenkreek parallel aan de rivier (zie bijvoorbeeld de Grote Zaag en Kleine Zaag bij Krimpen ad IJssel). Gedacht vanuit het DNA van de rivier zou dat beter passen, maar onderzoek moet aantonen of dit ook daadwerkelijk zo is en welke soorten daar dan precies van profiteren. Score KRW-maatlat en effectiviteit voor gidssoorten Bovenstaande vertaalt zich naar effecten op de KRW-maatlatscores van watertype R8 en dan met name de biologische maatlatten. De varianten grijpen namelijk in op het realiseren van nieuw leefgebied en vergroten van de kwaliteit van bestaand leefgebied.
Een aantal aspecten die ook van invloed zijn op de waterkwaliteit kunnen door de maatregelen niet of maar beperkt verbeterd worden. Denk aan de getijslag en de waterkwaliteit. Die zijn het gevolg van het waterbeheer bij de Deltawerken en bovenstroomse aanvoer van stoffen. Effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit hebben we daarom niet beoordeeld. Waterkwaliteit is wel een aandachtspunt voor de meer geïsoleerde wateren in de polders en uiterwaarden in variant 2 en 3. Bij lange verblijftijden moet onderzocht worden of de randvoorwaarden geschikt zijn voor het ontstaan van heldere en waterplantenrijke wateren. Het is niet zonder meer gezegd dat dit lukt in plassen die regelmatig inunderen met rivierwater (Van Geest & Buijse, 2012).
29 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
De maatlatscores voor waterflora, macrofauna en vis zijn niet goed kwantitatief te voorspelen, maar naar verwachting scoren alle varianten positief door een toename van zowel de score op abundantie als soortensamenstelling, twee belangrijke parameters in de biologische maatlatten. Areaal en robuustheid van natuur spelen hierin een rol, maar dat is hierboven al beoordeeld. Duidelijk mag zijn dat hoe meer de maatregel past bij het DNA van de rivier hoe beter dat is voor de KRW-score. In het project is ervoor gekozen om rekening te houden met gidssoorten (zie Startdocument, par. 4.2). Uit die paragraaf in het Startdocument is op te maken dat maatregelen die passen bij het DNA van de rivier ook goed zijn voor de gidssoorten. Bij de verdere uitwerking van een voorkeursvariant, zal in meer detail rekening gehouden worden met de gidssoorten, hoewel het niet mogelijk zal zijn om het ontwerp overal en altijd voor alle gidssoorten voor al hun levensstadia geschikt te maken. Daarvoor stellen de verschillende gidssoorten gewoon teveel verschillende eisen aan hun leefgebied. Het is daarom zaak om te zorgen voor ecotoopdiversiteit door het benutten van dynamiek, het realiseren van grotere, aaneengesloten gebieden en het stimuleren van variatie in stroomsnelheid en diepte zodat elke soort genoeg haar eigen plek kan vinden.
Dit kan nog aangevuld worden met heel specifieke habitats zoals dood hout. Op die manier wordt het systeem ook robuuster en raakt het niet direct ongeschikt voor een gidssoort als er ecotopen verdwijnen of veranderen als gevolg van morfologische processen en extreme rivierafvoeren (droge zomers, hoogwater). Beoordeling Alle maatregelen zullen positief bijdragen aan de waterkwaliteit van het zoetwatergetijdengebied (type R8). Variant Dynamiek past het beste bij het DNA van de getijdenrivier en scoort het hoogste. Een onderscheid tussen variant 2 en 3 is lastig. Bij variant 2 worden de meeste maatregelen genomen aan de westzijde van het gebied met de grootste getijslag, maar de in te zetten Otterpolder en Thomaswaard zullen door het semi natuurlijk peilbeheer minder effectief zijn voor KRW-type R8. Beide gebieden krijgen ook geen open verbinding met het omliggende water. De twee polders beslaan wel een flink deel van de 77 hectare die voor deze variant ingericht kan worden. De inrichting van de Hel- en Zuilespolder zuid is wel gunstig. Bij variant 3 ligt een groot deel van de gebieden in de oostelijke helft met minder getijslag en betreft het kleinere, minder robuuste gebieden. De vispassages ontsluiten het gebied Avelingen. Hierboven is uitgelegd dat dit voor de doelsoorten van type R8 minder effectief is.
Gunstig in deze variant is wel dat er stapstenen ontstaan in de Beneden Merwede, daar waar ze het meest effectief zijn. Samengeval, komen we tot een gelijk oordeel van deze twee varianten.
Tabel 4.2 Beoordeling kwaliteit van getijdennatuur Dynamiek
Integrale natuurdoelen
Verbinden
beoordeling
++
+
+
toelichting
Alle maatregelen zullen positief bijdragen aan de waterkwaliteit van het zoetwatergetijdengebied (type R8).
Alle maatregelen zullen positief bijdragen aan de waterkwaliteit van het zoetwatergetijdengebied (type R8).
Alle maatregelen zullen positief bijdragen aan de waterkwaliteit van het zoetwatergetijdengebied (type R8).
Variant Dynamiek past het beste bij het DNA van de getijdenrivier en scoort het hoogste.
Otterpolder en Thomaswaard zijn door het semi natuurlijk peilbeheer minder effectief voor KRWtype R8.
Meer deelgebieden gelegen in het oostelijke deel (met minder getijdeslag) daarmee minder effectief voor KRWtype R8.
De ontwikkeling van de gebieden en de effectiviteit van de maatregelen voor de KRW kan na aanleg gemonitord worden. Daarvoor is het wel nodig om meer monitoringslocaties in het projectgebied te plaatsen. De meetpunten liggen nu net buiten het projectgebied, in de grote rivieren. De punten zijn niet representatief voor het waterlichaam en niet representatief voor getijdennatuur. Er is nog relatief weinig bekend over de hydromorfologische ontwikkeling van getijdengebieden. Het is zeer aan te raden om de maatregelen te modelleren en na aanleg te volgen in de tijd, zowel abiotisch als biotisch.
30 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
4.1.3
Vergroting relatieve natuurwaarde
Bij de effectbeschrijving van dit aspect ligt de focus op de relatieve bijdrage van een maatregel aan waternatuur. Een bestaande kreek vergroten is minder effectief dan een polder omvormen tot getijdennatuur. De kreek heeft namelijk nu al natuurwaarde voor waternatuur. Dit heeft een raakvlak met beschermde natuur, maar dat is verderop als separaat thema behandeld onder het kopje Natuur. De focus ligt in deze paragraaf dus op waternatuur. De natuurwaarde van waternatuur wordt het meest vergroot bij ontpoldering van een groot gebied en het graven van nieuw water (verlengen getijdegeul). Er ontstaat dan nieuw leefgebied in verbinding met het waterlichaam R8. Bij uiterwaarden is er periodiek al contact met rivierwater en ter hoogte van langsdammen ligt al een oever, maar met minder ecologische kwaliteit. Variant dynamiek scoort ook hier het hoogst, variant 2 het laagst. In variant 2 zijn Otterpolder en Thomaswaard minder effectief voor type R8 waardoor de relatieve natuurwaarde van deze variant als geheel lager scoort. De grootste natuurwaarde wordt dan geleverd door de het Gors en de Aanwas en Hel- en Zuilespolder zuid. Bij variant 3 wordt de meeste waarde geleverd door de Noordbovenpolder, Sleeuwijkerwaard en het Gors en de Aanwas wat in areaal significant meer potentie heeft dan variant 2.
Tabel 4.3 Beoordeling Varianten met per maatregel het huidig landgebruik en het ontwerp Variant
Huidig landgebruik
Natura 2000
NNN
Ontwerp
Potentieel areaal (ha)
Noordbovenpolder
oever Wantij, landbouw
oeverzone Wantij
nee
kreken en slikken
35-45
Hel- en Zuilespolder
kreek Merwede, polder met bos, landbouw en slotenstelsel kribvakken, kreek, stortsteenoever
nee
nee
kreken en slikken
40-50
gedeeltelijk
ja
langsdammen, kreek vergroten
4 langsdammen (1.400, 1.000, 700, 1.400 m)
Dynamiek +++
Kribvakken Beneden Merwede
Integrale natuurdoelen + Oevers Wantij
oevers in zetsteen
nee
ja
getijdengeulen of langsdam
?
Otterpolder
polder met grasland en slotenstelsel
ja
ja
gedempt getij
24
Hel- en Zuilespolder (zuidelijke deel)
polder met landbouw en slotenstelsel
nee
nee
kreken en slikken
20-30
Thomaswaard
polder met (natuur)grasland en slotenstelsel
ja
ja
natte overstromingsvlakte, moeras en geïsoleerde plas met halfnatuurlijk peilbeheer
17
het Gors en de Aanwas
uiterwaard met kribvakken, oeverwal, grasland en bos
nee
ja
kreken, slikken en plas
8-11
Noordbovenpolder (Wantijzone)
oever Wantij, landbouw
oeverzone Wantij
nee
kreken en slikken
20-30
Oevers Wantij
oevers in zetsteen
nee
ja
getijdengeulen of langsdam
?
Kribvakken Beneden Merwede
kribvakken, kreek, stortsteenoever
gedeeltelijk
ja
langsdammen, kreek vergroten
4 langsdammen (1.400, 1.000, 700, 1.400 m)
Verbinden ++
31 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Variant
Huidig landgebruik
Natura 2000
NNN
Ontwerp
Kribvakken Boven Merwede Sleeuwijkerwaard
kribvakken
nee
ja
langsdammen
uiterwaard met kribvakken, oeverwal, grasland en bos
nee
ja
kreken, slikken en strangen
het Gors en de Aanwas
uiterwaard met kribvakken, oeverwal, grasland en bos
nee
ja
kreken, slikken en plas
8-11
Dordtse Avelingen
polder met slotenstelsel
nee
ja
ontsluiting poldersloten met vispassages
45 ha polder
4.2
Potentieel areaal (ha) 2 langsdammen (500, 800 m) 15
Robuustheid bij klimaatverandering (klimaatbestendigheid)
In aanvulling op de effectenstudies en onderzoeken die gedaan zijn, wordt er ook een inschatting gemaakt van de klimaatrobuustheid van de verschillende varianten. De Sliedrechtse Biesbosch ligt op een bijzondere plaats met zowel invloed vanuit de zee als de rivieren. Dit zorgt voor unieke omstandigheden, maar dit maakt het gebied ook kwetsbaar voor zeespiegelstijging of toenemende variatie van de rivierafvoer. In het rapport ‘Huidige situatie en autonome ontwikkelingen’ dat onderdeel uitmaakte van het startdocument zijn de te verwachten effecten als gevolg van de klimaatverandering voor zowel de zeespiegel als de rivierafvoer beschreven. Op basis hiervan worden de effecten voor de verschillende varianten vergeleken.
4.2.1
Gevoeligheid zeespiegelstijging
Zoals ook in het startdocument aangegeven is er door Kind onderzoek gedaan naar de belangrijkste effecten van klimaatverandering en zeespiegelstijging voor de morfologie van de Rijn-Maasdelta zijn ingeschat. Deze zijn: - de zeespiegelstijging kan leiden tot een vergroot getijvolume in het getij gedomineerde gebied en kan zorgen voor toename van de bodemdynamiek. De toegenomen variabiliteit in neerslag zal afhankelijk van het gekozen scenario leiden tot een vermindering of versterking van de bodemafname (verdieping)in de Merwedes; - in theorie zal, als belangrijkste effect van de gemiddelde waterstandsstijging, aanzanding optreden als gevolg van afnemende stroomsnelheden. Deze invloed zou zich kunnen uitbreiden naar de bovenrivieren, en zelfs tot in Duitsland. In de praktijk zal door baggerwerk deze aanzanding deels worden verwijderd voor het handhaven van waterdiepte, met name in het overgangsgebied in Lek, Merwedes en Waal waar waterstanden niet alleen door zeespiegel maar ook rivierafvoer worden bepaald.
In de afbeelding is het verwachte getijinvloed bij ‘afsluitbaar open’ met dichte Haringvliet-sluizen (links) en met stormvloedkering(rechts) bij 85 cm zeespiegelstijging (gemiddelde rivierafvoer; uit Maarse, 2011). Naar verwachting heeft een hogere zeewaterstand weinig invloed op de grote lijnen van dit patroon, maar schuiven de grenzen tussen de klassen steeds verder naar rechts met de verschuivende grens van het bovenrivierengebied (Kind, 2019).
32 | 67
Witteveen+Bos | 121627-PSP2/22-001.067 | Definitief
Door de zeespiegelstijging zal de getijdezone landinwaarts verschuiven, wat een positief effect heeft op alle varianten, maar met name voor de variant Verbinden waarin zowel het gebied het Gors en de Aanwas als de Sleeuwijkerwaard zijn opgenomen. Dit gedeelte van de Merwede kent nu slechts een beperkt getij wat nadelig is voor de effectiviteit van de natuur in deze gebieden. Als gevolg van het toenemende getijdevolume is de kans groot dat de bodemdynamiek toeneemt. Dit betekent dat er, afhankelijk van de locatie, meer sedimentatie of aanzanding optreedt. In de praktijk zal een waterdiepte worden gehandhaafd voor de vaargeulen in de rivieren door bijvoorbeeld baggerwerkzaamheden. Voor de gebieden die ingericht worden als getijdenatuur is het niet wenselijk om intensief onderhoud te plegen. Voor de variant Dynamiek is het risico op sedimentatie het kleinste, omdat het gaat om relatief grote gebieden. De veranderingen op het gebied van morfologie treden lokaal op, waarbij een groot gebied meer ruimte bied veranderende omstandigheden. In de variant Verbinden zijn er veel verschillende kleinere gebieden die ontwikkeld worden. Door veranderende erosie en sedimentatie zijn er risico’s dat gebieden significant anders functioneren. In de variant Integrale natuurdoelen zijn de gebieden Otterpolder en Thomaswaard niet direct gekoppeld aan de Merwedes, maar via een inlaatconstructie.
De veranderende bodemdynamiek zal in deze gebieden beperkt zijn. Voor de dynamiek in het gebied is het van belang dat de Maeslandkering open blijft zoals dit nu ook het geval is. Wanneer in de (verre) toekomst gekozen wordt voor het afsluiten van de Maeslandkering zal de getijdewerking in het Merwedegebied verdwijnen. Omdat dit geldt voor alle varianten en hier op dit moment geen sprake van is, is dit niet meegenomen in de beoordeling.