Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Wieldrechtse Zeedijk 2A Dordrecht Behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw en bijbehorende bedrijfswoning ten behoeve van een hoveniersbedrijf
Versie 1.3 d.d. 15-11-2021
1
HOOFDSTUK 1 Inleiding ..................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding en doel ........................................................................................................................................4 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................................................................4 1.3 Vigerend bestemmingsplan..........................................................................................................................5 1.4 Procedure .....................................................................................................................................................5 1.5 Leeswijzer .....................................................................................................................................................5 HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving ......................................................................................................................6 2.1 Bestaande situatie ........................................................................................................................................6 2.2 Toekomstige situatie
....................................................................................................................................6 HOOFDSTUK 3 Beleidskader ...........................................................................................................................6 3.1 Rijksbeleid.....................................................................................................................................................6 3.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................8 3.3 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................................................11 HOOFDSTUK 4 Sectorale aspecten ................................................................................................................12 4.1 Bedrijven- en milieuzonering......................................................................................................................12 4.2 Geluidhinder...............................................................................................................................................12 4.3 Bodem ........................................................................................................................................................14 4.4
Luchtkwaliteit .............................................................................................................................................15 4.5 Externe veiligheid .......................................................................................................................................16 4.6 Milieueffectrapportage (m.e.r.)..................................................................................................................18 4.7 Stikstof........................................................................................................................................................19 4.8 Natuur.........................................................................................................................................................20 4.9 Groen..........................................................................................................................................................21 4.10 Waterhuishouding ....................................................................................................................................22 4.11 Verkeerskundige aspecten .......................................................................................................................24 4.12 Archeologie en cultuurhistorie
.................................................................................................................25 4.13 Duurzaamheid ..........................................................................................................................................27 HOOFDSTUK 5 Juridische planbeschrijving....................................................................................................29 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid.............................................................................................................29 5.2 Economische uitvoerbaarheid....................................................................................................................30
2
Bijlagen 1. Onderzoek bedrijven- en milieuzonering 2. Akoestisch onderzoek industrielawaai 3. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 4. Verkennend bodemonderzoek 4a. Verkennend asbestonderzoek 5. Luchtkwaliteitsonderzoek 6. Notitie M.E.R.-beoordeling 7. Stikstofdepositieonderzoek a. Aanlegfase b. Gebruiksfase 8. Quickscan Wet natuurbescherming 9. Watertoets a. Voorstel waterberging 10. Archeologisch bureauonderzoek 11. Archeologisch booronderzoek 12. Beoordeling archeologie bevoegd gezag
3
HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel De eigenaar van Hoveniersbedrijf Baan Hofman, dat reeds is gevestigd in Dordrecht, is voornemens het perceel aan de Wieldrechtse Zeedijk 2A te Dordrecht in gebruik te nemen als nieuwe bedrijfslocatie. Ten behoeve hiervan wordt het perceel bebouwd met een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning. De gewenste ontwikkeling is niet in overeenstemming met de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan ‘Nieuwe Dordtse Biesbosch’. Het bevoegd gezag (Gemeente Dordrecht) heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling mits deze ruimtelijk goed wordt onderbouwd. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en dat er geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op het ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het landelijk gebied van de gemeente Dordrecht en is gelegen op het perceel achter de woning Wieldrechtse Zeedijk 2, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie en nummer W 200. Het perceel wordt begrensd door: o in het noorden: de Wieldrechtse Zeedijk; o in het oosten: onbebouwde gronden behorende bij het hippisch centrum aan de Oude Veerweg 1A; o in het zuiden: een hippisch centrum aan de Oude Veerweg 1A; o in het westen: een pension-en handelsstal.
Afbeelding 1: Ligging plangebied
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Nieuwe Dordtse Biesbosch’. De gemeenteraad stelde dit plan gewijzigd vast op 23 september 2014. De betreffende locatie heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'Recreatie-1' en de dubbelbestemming ‘Archeologie-2’. Over de gronden ligt een wijzigingsbevoegdheid waarmee het college van burgemeester en wethouders bevoegd is het bestemmingsplan te wijzigen om een bedrijfswoning ten behoeve van een volwaardig recreatief bedrijf te realiseren. In dit geval kan de wijzigingsbevoegdheid overigens niet worden toegepast. 1.4 Procedure Het voorliggende bouwplan voldoet niet aan het bestemmingsplan ‘Nieuwe Dordtse Biesbosch’ omdat het gewenste gebruik niet ten behoeve van de geldende bestemming ‘Recreatie-1’ is. Ook is er strijdigheid met de bouwregels voor wat betreft het bouwen van een bedrijfswoning. Omdat de aanduiding ‘bedrijfswoning’ niet op de plankaart is opgenomen, is een bedrijfswoning in beginsel niet toegestaan. De gewenste ontwikkeling kan alleen worden gemaakt indien planologisch van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Sinds 1 oktober 2010 geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wabo biedt de mogelijkheid in bepaalde gevallen middels een procedure af te wijken van het bestemmingsplan.
Medewerking aan de gewenste ontwikkeling kan worden verleend door op basis van een aanvraag omgevingsvergunning buitenplans af te wijken van de beheersverordening op grond van artikel 2.1 lid 1 sub c juncto artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3˚ Wabo (het zogenaamde Wabo-projectbesluit). Een indieningsvereiste bij deze aanvraag omgevingsvergunning is een ruimtelijke onderbouwing. Voorliggend document is deze onderbouwing. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 1 zijn enkele algemene onderdelen beschreven. In hoofdstuk 2 zijn de bestaande- en de nieuwe situatie van het nu voorliggende plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 komt het beleid van rijk, provincie en gemeente aan de orde. Bij de beschrijving van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan onder meer archeologie, flora en fauna, water en geluid. Per terrein worden de regelgeving en het beleid benoemd. Vervolgens worden de onderzoeken toegelicht en conclusies getrokken. In hoofdstuk 5 wordt achtereenvolgens ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5
HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het perceel Wieldrechtse Zeedijk 2a ligt in het buitengebied van Dordrecht en is momenteel braakliggend. Op het perceel is voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Doordat het gebied om het perceel Zeedijk 1a transformeert naar een groene buffer tussen de Biesbosch en de stedelijke bebouwing van de Randstad is de aanwezige bedrijfsbebouwing minder functioneel. De eigenaar heeft daarom besloten om de bedrijfsbebouwing te slopen en een woning te bouwen. 2.2 Toekomstige situatie Met de voorliggende aanvraag omgevingsvergunning wordt ingezet op het bouwen van een bedrijfsgebouw aan de westzijde van het perceel en een bedrijfswoning met garage aan de oostzijde van het perceel. Bedrijfsgebouw Het bedrijfsgebouw bestaat uit één langwerpig hoofdvolume met daarin een deel bedrijfsloods, kantoor en een ruimte voor opslag. Het totale bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 412 m2 en een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,0 meter en 7,5 meter. Bedrijfswoning en garage De bedrijfswoning heeft een oppervlakte van 166,4 m2,een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 2,5 meter en 7 meter en een inhoud van 790 m3. De garage heeft een oppervlakte van 34 m2, een bouwhoogte van 3 meter en een totale inhoud van 102 m3.
HOOFDSTUK 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.
6
Ten aanzien van de begrenzing van de EHS is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in ruimtelijke plannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. 3.1.2 AMvB Ruimte
De nationale ruimtelijke belangen worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro of Amvb Ruimte). Op 30 december 2011 is de Amvb Ruimte in werking getreden. Doel is om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan deze algemene regels. Onderhavige herziening voldoet aan het beleid en de algemene regels van het rijk. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 3.1.4 Toetsing
Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. In de totstandkoming van deze bepaling is opgenomen dat de ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen, zodat overheden nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen standaard dienen te motiveren. Voorliggend plan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk ten opzichte van de geldende juridisch-planologische situatie binnen het plangebied. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. 3.1.5 Conclusie
Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
7
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie
Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze
8
provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.
3.2.2 Programma Ruimte
Het Programma Ruimte (geconsolideerd, in werking per 1 april 2019) is een uitwerking van de Omgevingsvisie. Het programma beschrijft de operationele doelen en geeft aan welke instrumenten (realisatiemix) worden ingezet om die doelen te bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio's en provincie. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet. De provincie wil de ruimte beter benutten door de Ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen en in te zetten op transformeren, herstructureren en verdichten 3.2.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland
Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. De omgevingsverordening stelt onder meer regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen, bijvoorbeeld ten aanzien van kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, bomen sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen – en landgoedbiotopen. Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van het Rijk van belang.
Hierin zijn regels opgenomen waaraan provinciale verordeningen moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit het Barro, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur. Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hierbij van toepassing. De provincie heeft de Ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze Ladder te benadrukken.
9
De Ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Artikel 2.1.1. van de verordening gaat in op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Zo dient een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, te voldoen aan de volgende eisen: de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden, door herstructurering, transformatie of anderszins, of indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare. 3.2.4 Toetsing
Voorliggende ontwikkeling is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet namelijk in de realisatie van een bedrijfsgebouw met bijbehorende bedrijfswoning (dienstverlening tbv de landbouw). Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking kan dan ook achterwege blijven
10
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Dordrecht 2040
De gemeenteraad stelde op 17 december 2013 de Structuurvisie Dordrecht 2040 vast. Hierin zijn 10 leefmilieus beschreven waarin de beleidskaders worden beschreven waaraan ontwikkeling in de stad worden getoetst. In elk leefmilieu komen één of meerdere functies voor. Het plangebied is gelegen binnen het 'rustig groen' leefmilieu, waarin kleinschalige locaties met een rustig, groen leefmilieu centraal staan. Hier is ruimte voor wonen in een ruime, rustige en groene (of blauwe) omgeving. Beperkt kan hier sprake zijn van functiemenging met extensieve (recreatieve) bedrijvigheid, maar de gebruiksintensiteit en dichtheden in dit milieu zijn laag. Het detailniveau van de Structuurvisie is niet zodanig dat per perceel een visie wordt gegeven, maar gesteld kan worden dat de voorgestelde ontwikkeling de structuur van het gebied niet aantast. De gewenste ontwikkeling binnen het plangebied blijft binnen de gebruiksen bebouwingsgrenzen van zowel het perceel ten westen als op het perceel ten zuiden van het plangebied. 3.3.2 Bestemmingsplan Nieuwe Dordtse Biesbosch
Voor het buitengebied van de gemeente heeft de gemeenteraad op 13 november 2012 het bestemmingsplan Nieuwe Dordtse Biesbosch gewijzigd vastgesteld. Dit plan is voor zover het onderhavige plangebied betreft op 20 maart 2014 in werking getreden. Ten aanzien van twee percelen is door de Afdeling bestuursrechtspraak de verplichting opgelegd om een gewijzigd vaststellingsbesluit te nemen. Dat heeft plaatsgevonden op 23 september 2015, waarna het plan op 20 januari 2016 onherroepelijk is geworden. Het bestemmingsplan gaat in hoofdzaak uit van drie functies voor het buitengebied: agrarische doeleinden, natuur en recreatie. Op de planlocatie geldt de bestemming ‘Recreatie’. In de bestemmingsplanvoorschriften is opgenomen dat er ten behoeve van deze bestemming gebouwen mogen worden gebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van 1.000 m2 met een maximale bouwhoogte van 10 meter. Daarnaast mag er een bedrijfswoning met bijbehorende aan- en bijgebouwen worden gebouwd tot een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 800 m2 op het moment dat de aanduiding ‘bedrijfswoning’ bij het perceel is opgenomen. Dat is in deze casus niet het geval, maar aan de bedrijfswoning zou alsnog medewerking verleend kunnen worden op grond van de op het perceel van toepassing zijnde wijzigingsbevoegdheid onder dezelfde voorwaarden zoals hiervoor genoemd.
Kortom, indien het perceel conform de bestemming bebouwd zou worden, zou dit passen binnen de bestemmingsplanvoorschriften, uiteraard wel met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd dat een ander gebruik geen negatieve gevolgen voor een goede ruimtelijke ordening heeft.
11
HOOFDSTUK 4 Sectorale aspecten 4.1 Bedrijven- en milieuzonering 4.1.1 Regelgeving en beleid
Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? 4.1.2 Onderzoek
Om een antwoord te geven op deze vragen is een onderzoek bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd (bijlage 1) waarin een inventarisatie is gemaakt van de milieubelastende en milieugevoelige functies in de omgeving. 4.1.3 Conclusie
In dit onderzoek zijn de richtafstanden van de milieubelastende functies rondom het plangebied aan Wieldrechtse Zeedijk te Dordrecht onderzocht. Ook zijn de richtafstanden van het beoogde hoveniersbedrijf onderzocht. In het onderzoek is toegelicht dat de te realiseren woning buiten de richtafstanden behorende bij alle milieubelastende functies in de omgeving ligt. Gesteld kan worden dat ten aanzien van milieubelastende functies in de omgeving sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en dat door het plan de belangen van die functies niet worden geschaad. Ook is toegelicht dat het aspect geluid van het hoveniersbedrijf nader moet worden Onderzocht (Daarom is het aspect geluid nader onderzocht, zie het onderzoek industrielawaai paragraaf 4.2). De aspecten geur, stof en gevaar vormen geen belemmering.
4.2 Geluidhinder 4.2.1 Regelgeving en beleid
Volgens de Wet geluidhinder zijn alle wegen gezoneerd, met uitzondering van 30 km/ uur gebieden en woonerven. Op 1 januari 2007 is er een nieuwe Wet geluidhinder van kracht geworden. Met de nieuwe wet is wordt voortaan de geluidsbelasting als daggemiddelde (Lden) weergegeven. Getalsmatig heeft dit tot gevolg dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wegverkeerslawaai veranderd is in 48 dB. Ook de maximale ontheffingswaarde is daarmee veranderd: van 65 dB(A) is deze veranderd in 63 dB. Voor industrielawaai blijft de ‘oude’ eenheid dB(A) nog van kracht.
12
4.2.2 Onderzoek
In het kader hiervan zijn twee akoestisch onderzoeken uitgevoerd: - akoestisch onderzoek industrielawaai (bijlage 2) - akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (bijlage 3). Hierin is het volgende geconcludeerd: akoestisch onderzoek industrielawaai In dit onderzoek zijn de geluidniveaus als gevolg van het gewenste bedrijf aan de ter plaatse van woningen in de omgeving berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle woningen in de omgeving voldaan wordt aan de richt- en grenswaarden in het kader van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder. In het kader van het maximaal geluidniveau wordt de richtwaarde van 65 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering overschreden. Maatregelen worden niet doelmatig/wenselijk geacht, dit wordt in het rapport gemotiveerd in paragraaf 4.3. Er wordt wel voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig omdat de berekende geluidsniveaus komend van de Wieldrechtse Zeedijk, Oude Veerweg, Schenkeldijk Beneden en de Zeedijk onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen.
Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 41 dB aan de voorgevel van de gewenste woning. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 20 dB (standaardeis uit het Bouwbesluit). Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.7.1 en 3.7.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. 4.2.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid geen knelpunten voor de gewenste ontwikkeling. Aanvullende of specifieke voorzieningen in het plan zijn niet noodzakelijk. 13
4.3 Bodem 4.3.1 Regelgeving en beleid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op 'schone' grond te worden gerealiseerd. Op basis van alle bij de gemeente Dordrecht geregistreerde bodemonderzoeken is in 2002 de Bodemkwaliteitskaart Dordrecht opgesteld. Deze is in 2007 geactualiseerd. Op deze kaart staat weergegeven wat de algemene bodemkwaliteit van de grond van een bepaalde zone in Dordrecht is. Hierbij wordt geen rekening gehouden met verontreinigingen veroorzaakt door lokale bronnen zoals bijvoorbeeld tankstations, wasserettes en andere verontreinigende activiteiten. Voor grond waarin bodemverontreinigingen voorkomen gelden beperkingen bij hergebruik en afvoer van grond.
Deze beperkingen verschillen per locatie en worden bepaald aan de hand van de eisen welke gesteld worden in de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit en het Gemeentelijk Grondstromenbeleid. Bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie zal bodemonderzoek moeten uitwijzen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik of dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn. 4.3.2 Onderzoek
Er is een verkennend bodemonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd (bijlage 4). Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoeks-locatie met uitzondering voor asbest. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes of concentraties aangetoond in grond en grondwater. Vanwege het aantreffen van een puinpad, puin op het maaiveld, asbestdaken met afwatering op het terrein en het aantreffen van een asbestnest is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de bevindingen uit dit aanvullend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat het puinpad als niet asbestverdacht beschouwd kan worden. Tevens is er geen verontreiniging met asbest vastgesteld ter plaatse van de druppelzone onder de dakgoot van de schuur in de noordwesthoek van het terrein. De grond op het terrein is (zeer) licht verontreinigd met DDE. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het grondwater ter plaatse is niet verontreinigd met organochloor-bestrijdingsmiddelen. 4.3.3 Conclusie
De onderzoeksresultaten uit het verkennend bodemonderzoek en het aanvullend bodemonderzoek vormen geen belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning. 14
4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Regelgeving en beleid
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 de Wm. De verspreiding van zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood is daarom niet onderzocht. Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden; voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. Op basis van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) kan worden beoordeeld of een project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze projecten hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.
Projecten met een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde worden als NIBM beschouwd. Voor de stoffen NO2 en PM10 is dit het geval bij een toename van maximaal 1,2 µg/m3. Met berekeningen moet worden aangetoond dat deze maximale toename niet wordt bereikt. Daarnaast zijn in de Regeling NIBM projecten (met een maximale omvang) opgenomen die zonder meer als NIBM kunnen worden beschouwd. Projecten die de vastgestelde maximale omvang niet overschrijden dragen per definitie niet in betekenende mate bij. Dit hoeft niet te worden aangetoond met berekeningen en er hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het project valt niet onder de kwantitatieve grenzen van de Regeling NIBM. Daarom moet met berekeningen worden aangetoond dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer. 4.4.2 Onderzoek
Er is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Hiermee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer. 4.4.3 Conclusie
Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden.
15
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Regelgeving en beleid
Toetsingskader Externe Veiligheid Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Conform het in Dordrecht vastgestelde Toetsingskader Externe Veiligheid wordt in deze paragraaf aandacht besteed aan plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Voor dat bij resteffecten conclusies worden getrokken wordt nog ingegaan op de door de provincie voorgeschreven CHAMP-benadering. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Besluit externe veiligheid transportroutes Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen.
Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)/ Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Externe Veiligheidsbeleid spoor, rijksproject Basisnet Het rijksproject Basisnet is erop gericht een knelpuntvrij netwerk voor vervoer van gevaarlijke stoffen tot stand te brengen. Het project bevindt zich in de afrondende fase en zoals nu blijkt, zullen 16
in Dordrecht en Zwijndrecht de externe veiligheidsnormen (met name die van het groepsrisico) nog steeds flink worden overschreden. De veiligheidscontour voor het plaatsgebonden risico wordt als gevolg van dit project gereduceerd tot 30 meter (ipv 80 meter). Ook na 2020 wordt er verdere groei in het vervoer van gevaarlijke stoffen voorzien (met een factor 1,5 tot 2). Om de consequenties van deze groei verder in beeld te brengen is op initiatief van het bedrijfsleven de Taskforce Robuustheid Basisnet opgericht. Deze taskforce heeft twee jaar de tijd, om de consequenties van de groei in kaart te brengen. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de vervoertoename leidt tot verdere toename van de onveiligheid. Eerste verkenningen laten zien dat er technisch nog een aantal maatregelen zijn te treffen die leiden tot risicoreductie. Om het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de bebouwde omgeving te verwijderen en het knelpunt van de externe veiligheid op te lossen zetten de Drechtsteden (Dordrecht en Zwijndrecht) in op aanpassing van de spoorinfrastructuur in de vorm van een tunnelvariant langs de A16. Een dergelijke variant is niet vóór 2030 gerealiseerd, waardoor een oplossing voor het externe veiligheidsprobleem op korte termijn niet te verwachten valt.
In de MIRT-Verkenning Rotterdam-Antwerpen wordt voor de periode na 2020 tot 2040 bekeken of de aanpassing van bestaande of nieuwe infrastructuur noodzakelijk is. Voor beoordeling van de externe veiligheidssituatie hanteert Dordrecht het “toetsingskader externe veiligheid” dat door de gemeenteraad in 2005 is vastgesteld. Naast het plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn ook beheersbaarheidaspecten en zaken op het gebied van zelfredzaamheid van belang. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Het besluit verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10-6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld.
Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Provinciaal beleid: Beleidsplan externe veiligheid (CHAMP) De provincie ambieert een veiliger Zuid-Holland. Zij wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Hierover zegt de PSV dat op basis van een verantwoording groepsrisico aannemelijk moet worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan 17
aan de oriëntatiewaarde en dat daarbij de CHAMP-methodiek door de provincie als toetsingskader wordt gebruikt. CHAMP is een acroniem voor: Communicatie, Horizon, Anticipatie, Motivatie en Preparatie. Eerdergenoemd toetsingskader is een aanvulling op en in sommige gevallen een invulling van CHAMP. De voorgenomen ontwikkeling wordt met behulp van de CHAMP-methodiek tegen het licht gehouden. 4.5.2 Conclusie
In het plangebied en/of de directe omgeving zijn geen wegen, spoorwegen, vaarwegen, industrieterreinen, bevi-bedrijven of buisleidingen aanwezig. Vanuit een oogpunt van externe veiligheid bestaat er geen bezwaar tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming en bouwmogelijkheden. 4.6 Milieueffectrapportage (m.e.r.) 4.6.1 Regelgeving en beleid
Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. 4.6.2 Onderzoek
Er is een M.E.R.-notitie opgesteld (bijlage 6). Het ontwikkelen van een woning en een bedrijf wordt genoemd onderdeel D 11.2 en d 11.3 van de bijlage behorende de bij het Besluit milieueffectrapportage. Sinds de wijziging van het Besluit milieueffectrapportage van 7 juli 2017 maakt het voor de m.e.r.-beoordelingsprocedure niet (meer) uit of de drempelwaarde bij de betreffende categorie wordt overschreden (artikel 2, lid 5, onder b Besluit milieueffectrapportage). Als gevolg van de indicatieve aard van de drempelwaarde dient alsnog een (vormvrije) m.e.r.beoordeling plaats te vinden. Hiertoe dient de aanmeldnotitie, waarmee tevens een verzoek tot het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt gedaan. 4.6.3 Conclusie
Uit de aanmeldnotitie M.E.R. blijkt dat er, gezien de kenmerken en plaats van de beoogde ontwikkeling in relatie met de potentiële effecten daarvan, geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zullen zijn.
18
4.7 Stikstof 4.7.1 Regelgeving en beleid
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.
Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie (2020) van het rekenprogramma AERIUS Calculator uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend 4.7.2 Onderzoek
Er is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd (bijlage 7) voor zowel de aanlegfase (bijlage 7a) als de gebruiksfase (bijlage 7b) voor de beoogde situatie van het hoveniersbedrijf met bedrijfswoning. 4.7.3 Conclusie
In het stikstofdepositieonderzoek is de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. Op basis van de resultaten van het stikstofonderzoek kan worden geconcludeerd dat het beoogde project geen effect heeft (stikstofdepositie < 0,00 mol/ha/jaar) op de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. 19
4.8 Natuur 4.8.1 Regelgeving en beleid
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie ‘oude’ natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. De Wet natuurbescherming kent 4 beschermingsregimes voor soorten: art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels; art 3.5: bescherming van dieren en planten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten' genoemd; art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlagen A en B van de Wet Natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving; art 1.11: algemene zorgplicht. In genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de verbodsbepalingen.
De verbodsbepalingen uit de Wet zijn (iets) anders geformuleerd dan de verbodsbepalingen uit de oude Flora- en faunawet. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten / voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, dus ook voor algemene soorten zoals konijn en egel. De provincies hebben de mogelijkheid om vrijstellingsbesluiten op te stellen. In deze besluiten staat voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet (vergelijkbaar met de vroegere tabel 1 soorten van de Flora- en faunawet). Ten opzichte van de oude wetgeving is de lijst met beschermde soorten gewijzigd. Naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wet. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen.
Provinciale Ecologische Hoofdstructuur Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen en in de nabijheid van natuurgebieden in de EHS die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor de natuur zijn niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Natuurgebieden en de groene verbindingen (zoals ecologische verbindingszones) daartussen dienen gevrijwaard te worden van bebouwing en andere ingrepen die niet passen binnen de functie van de 20
gebieden. Nieuwe bebouwing en andere ingrepen die niet passen binnen de ontwikkeling van de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur zijn uitgesloten. In natuurontwikkelingsgebieden moeten de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuurwaarden worden veiliggesteld. Onomkeerbare en/of ongewenste ontwikkelingen moeten worden tegengegaan. Indien om zwaarwegende redenen aantasting van natuur- en landschapswaarden onontkoombaar is en alternatieve oplossingen ter plaatse niet voorhanden zijn, dient compensatie plaats te vinden. Compensatie dient plaats te vinden in de gebieden benoemd in de regeling met betrekking tot het provinciaal compensatiebeginsel. De provinciale EHS wordt gevormd door bestaande en geplande natuurgebieden, waardevolle weidevogelgebieden en groene verbindingen. Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 In 2008 heeft de gemeenteraad het Beleidsplan Stedelijke Ecologische Structuur 2008-2013 vastgesteld. De doelstelling van de SES is behoud en ontwikkeling van natuur met een optimale diversiteit, waarbij zoveel mogelijk wordt uitgegaan van gebiedseigen soorten en habitats. De Stedelijke Ecologische Structuur is opgehangen aan een aantal thema’s. Een van de thema’s is “Dordrecht rivierenstad”. Het water en de nabijheid van de Biesbosch drukken hun stempel op de natuur in de stad. 4.8.2 Onderzoek
Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (bijlage 8). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient uiteraard wel rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. 4.8.3 Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9 Groen 4.9.1 Regelgeving en beleid
In de Structuurvisie Groene Ruimte, het Boomstructuurplan, Nota Parken, de Nota Kleurrijk Groen zijn uitgangspunten voor de groenvoorzieningen opgenomen. De bomenstructuur op het Eiland van Dordrecht valt grotendeels samen met de belangrijke structuurelementen, zoals het patroon van dijken, wegen, water en bebouwing. Bomen vullen deze structuurelementen in ruimtelijk, maar ook functioneel opzicht aan.
21
4.9.2 Conclusie
Er is sprake van een buitenstedelijk gebied met bomen langs de Wieldrechtse Zeedijk. De uitvoering van het voorgenomen plan brengt in die situatie geen wijziging. Het bouwplan voldoet op het onderdeel Groen aan het beleid van de gemeente. 4.10 Waterhuishouding 4.10.1 Regelgeving en beleid
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De provincie Zuid-Holland heeft een Provinciaal Waterplan opgesteld met het provinciaal beleid ten aanzien van water. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd.
22
De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Sinds 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.
Stedelijk Waterplan Het Waterplan Dordrecht 2009-2015 is een actualisering en uitbreiding van het 1e Waterplan. Lerend van de praktijkervaringen, rekening houdend met de nieuwe beleidskaders en inspelend op de klimaatverandering hebben de waterpartners, de gemeente Dordrecht en waterschap Hollandse Delta, een nieuwe toekomstgerichte waterambitie geformuleerd. Samengevat luidt de lange termijn ambitie (2050) als volgt: Het eiland van Dordrecht heeft een klimaatbestendig, veilig, mooi en gezond watersysteem. Het heeft voldoende veerkracht voor het opvangen van zowel extreme neerslag als langere periodes van hitte en droogte. Bij het op orde brengen van het watersysteem en de waterkeringen is rekening gehouden met de zeespiegelstijging en hogere piek-afvoeren op de rivier. Op het hele eiland is het watersysteem schoon en ecologisch gezond. Het water draagt bij aan de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte in de stad en het landelijk gebied. De waterstructuur is een aantrekkelijke doorgaande route die stad en land met elkaar verbindt en heeft een hoge natuurwaarde. De burgers van Dordrecht leven bewust met het water, maken volop gebruik en genieten van het open water. Water en ruimte, natuur en cultuur versterken elkaar en dragen bij aan de vitaliteit en duurzaamheid van het eiland van Dordrecht. 4.10.2 Onderzoek
Er is een watertoets uitgevoerd (bijlage 9). De gewenste ontwikkeling heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met 1.325 m2. Het bevoegd gezag stelt dat de nieuwbouw op een hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd.
23
Waterschap Hollandse Delta heeft aangegeven dat 10% van de toename in verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Gezien de toename van verhard oppervlak met 1.325 m2, bedraagt de bergingseis 132,5 m3. Het plangebied is omgeven door een sloot die zorgt voor een goede afwatering van het plangebied en de omgeving. Hemelwater dat op de onderzoeklocatie valt infiltreert in de bodem of stroomt via de sloot in zuidwestelijke richting weg. Ten zuiden van het plangebied is deze sloot aangesloten op een watergang van het waterschap (H23307). De eenvoudigste wijze om te voldoen aan de bergingseis is door het verbreden van de sloot die om het plangebied heen ligt. De verbreding moet van dusdanige omvang zijn dat in de sloot 132,5 m3 extra hemelwater geborgen kan worden. De beoogde ontwikkelingen staan verbreding van de sloot niet in de weg. Overleg met Waterschap Met betrekking tot bovenstaande oplossing is overleg gevoerd met het Waterschap Hollandse Delta en is een voorstel ingediend om aan de voorwaarden te voldoen (bijlage 9a). Het Waterschap heeft aangegeven dat de aangedragen oplossing voor het verbreden van de watergang aan de noordzijde van het perceel akkoord is onder de voorwaarden dat hiervoor nog wel een watervergunning zal worden ingediend. Deze zal aangevraagd worden rond hetzelfde moment dat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend.
Schoon inrichten Het vuilwater wordt afgevoerd op een nog te plaatsen septictank. Het schoon hemelwater afkomstig van de daken zal via een hemelwaterafvoerleiding direct op de aangrenzende watergang worden geloosd. Veilig inrichten Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van de waterkering. 4.10.3 Conclusie
Het onderdeel Water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan onder de voorwaarde dat de bestaande watergang op het perceel worden verbreed conform tekening (bijlage 9a). 4.11 Verkeerskundige aspecten 4.11.1 Verkeer
Het perceel is bereikbaar vanaf de Wieldrechtse Zeedijk via de bestaande ontsluiting. Deze hoeft niet te worden aangepast als gevolg van het gewenste gebruik.
24
4.11.2 Parkeren
Op het perceel is voldoende gelegenheid om op eigen terrein te parkeren en te manoeuvreren. Het voorliggende plan heeft geen gevolgen voor het parkeren aan de Wieldrechtse Zeedijk. 4.12 Archeologie en cultuurhistorie 4.12.1 Regelgeving en beleid
Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven.
Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden. Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. Onderdelen uit de Provinciale Structuurvisie (2010) zijn hierin opgenomen. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: - de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; - de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. Gemeentelijk beleid archeologie Al sinds de jaren '60 vindt archeologisch onderzoek plaats in de gemeente. Sinds 1995 is in Dordrecht een gemeentelijk archeoloog actief en sinds 1999 beschikt de gemeente Dordrecht over een opgravingsvergunning voor het eigen grondgebied. De gemeente voert dus sinds 1995 een eigen 25