Reglement van Orde gemeenteraad en commissies Dordrecht (in DROP-formaat).pdf
Tekst van het document
b.
zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.
Artikel 11 (Gemeentewet) Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot lid van de raad hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden van de raad wegens handelen in strijd met artikel 15 van het lidmaatschap van de raad is vervallen verklaard. Artikel 12 (Gemeentewet) 1.
De leden van de raad maken openbaar welke andere functies dan het lidmaatschap van de raad zij vervullen.
2.
Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging van een opgave van de in het eerste lid bedoelde functies op het gemeentehuis.
Artikel 13 (Gemeentewet) 1.
Een lid van de raad is niet tevens: a.
minister;
b.
staatssecretaris;
c.
lid van de Raad van State;
d.
lid van de Algemene Rekenkamer;
e.
Nationale ombudsman;
f.
substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g.
commissaris van de Koning;
h.
gedeputeerde;
i.
secretaris van de provincie;
j.
griffier van de provincie;
k.
burgemeester;
l.
wethouder;
m. lid van de rekenkamer; n.
ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p, eerste lid;
o.
ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een lid van de raad tevens wethouder zijn van de gemeente waar hij lid van de raad is gedurende het tijdvak dat: a.
aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge artikel 42, eerste lid, aftreden, of
b.
aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder o, kan een lid van de raad tevens zijn: a.
ambtenaar van de burgerlijke stand;
b.
vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c.
ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 15 (Gemeentewet) 1.
Een lid van de raad mag niet: a.
als advocaat of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur;
b.
als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur;
c.
als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met de gemeente aangaan van: i. 1e. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d; ii. 2e. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan de gemeente;
d.
rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende: i. 1e. het aannemen van werk ten behoeve van de gemeente; ii. 2e. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente; iii. 3e. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de gemeente; iv. 4e. het verhuren van roerende zaken aan de gemeente; v.
5e. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de gemeente;
vi. 6e. het van de gemeente onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen; vii. 7e. het onderhands huren of pachten van de gemeente.
Bijlage 2 Wetsartikelen benoembaarheidsvereisten wethouders Artikel 36a (Gemeentewet) 1.
Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in artikel 10, met dien verstande dat in artikel 10, tweede lid, onder b, voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop zij tot wethouder worden benoemd.
2.
Bij de benoeming is de beoogde wethouder in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan drie maanden.
3.
De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.
4.
Dezelfde persoon kan niet in meer dan één gemeente wethouder zijn.
Artikel 36b (Gemeentewet) 1.
Een wethouder is niet tevens: a.
minister;
b.
staatssecretaris;
c.
lid van de Raad van State;
d.
lid van de Algemene Rekenkamer;
e.
Nationale ombudsman;
f.
substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g.
commissaris van de Koning;
h.
gedeputeerde;
i.
secretaris van de provincie;
j.
griffier van de provincie;
k.
lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij wethouder is, is gelegen;
l.
lid van de raad van een gemeente;
m. burgemeester; n.
lid van de rekenkamer;
o.
ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p, eerste lid;
p.
ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt;
q.
ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente;
r.
functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een wethouder tevens lid zijn van de raad van de gemeente waar hij wethouder is gedurende het tijdvak dat:
a.
aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge artikel 42, eerste lid, aftreden, of
b.
aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een wethouder tevens zijn: a.
ambtenaar van de burgerlijke stand;
b.
vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c.
ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 41b (Gemeentewet) 1.
Een wethouder vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn wethouderschap.
2.
Een wethouder meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad.
3.
Een wethouder maakt zijn nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis.
4.
Een wethouder die zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
Artikel 41c (Gemeentewet) 1. Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de wethouders.