CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Regeling 4e wijziging.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 22 september 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen van de vierde wijziging van het omgevingsplan - Raadsvoorstel15.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2 alinea's met “monumenten”: 26 43

Om de activiteit garagebedrijf te kunnen uitoefenen zal in dit omgevingsplan een afzonderlijke paragraaf worden opgenomen waarin locaties worden aangewezen waar garagebedrijven wel zijn toegestaan. Deze paragraaf is nog niet in het omgevingsplan opgenomen, dat volgt bij een volgende wijziging van het omgevingsplan. Paragraaf 5.3.2 Gebruiksactiviteit bedrijf - woongebied Artikel 5.16 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit bedrijf - woongebied De locatie ‘bedrijf - woongebied’ wordt toegekend aan percelen waar binnen de woongebieden bedrijfsactiviteiten worden toegestaan. Bepaalde type bedrijven zoals autobedrijven zijn hier expliciet uitgesloten omdat die afbreuk kunnen doen aan het woonkarakter. Concept (van 29-6-2026 15:03) 25 Concept Artikel 5.17 Toegestane gebruiksactiviteiten bedrijf - woongebied Deze bepaling is beleidsneutraal overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan voor deze locatie (het bestemmingsplan Stadswerven). Dat bestemmingsplan sloot via de Staat van Be- drijfsactiviteiten garagebedrijven, bedrijven die opslagboxen aanbieden (opslagbedrijven) of de distributie van goederen, anders dan elektriciteit, gas en water uit.

Artikel 5.18 Omvang en situering gebruiksactiviteit bedrijf - woongebied Als op een perceel de functie bedrijf is toegedeeld kan het – vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties - nodig zijn dit nader te beperken in omvang of bouwlaag. Door een omgevings- norm wordt dat in dit artikel per perceel of gebied bepaald. Afdeling 5.6 Dienstverleningsactiviteiten Paragraaf 5.6.1 Dienstverleningsactiviteiten Artikel 5.19 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit dienstverlening In dit artikel is gedefinieerd welke gebruiksactiviteiten onder het begrip dienstverlening in de meeste brede zin vallen. Omdat niet overal in Dordrecht deze brede toepassing van dienstverlening gewenst is, worden binnen deze afdeling locaties aangewezen waar een nadere inperking van dit brede begrip plaatsvindt. Voor een nadere toelichting op deze methodiek wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.15. Paragraaf 5.6.2 Gebruiksactiviteit dienstverlening - algemeen Artikel 5.20 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit dienstverlening - algemeen De locatie 'dienstverlening' is toegekend aan percelen waar dienstverlening in de meeste brede zin wordt toegelaten. De toevoeging algemeen drukt deze brede toepassing uit. Artikel 5.21 Toegestane gebruiksactiviteiten dienstverlening - algemeen Deze paragraaf laat alle vormen van dienstverlening toe met uitzondering van sekswerk.

Vanwege de ruimtelijke uitstraling van sekswerk op de omgeving wordt deze activiteit niet algemeen toege- staan. In voorkomende gevallen zal hiervoor in het omgevingsplan, bij volgende wijzigingen, een locatie ‘dienstverlening – sekswerk’ worden toegekend. Artikel 5.22 Omvang en situering gebruiksactiviteit dienstverlening - algemeen Bij percelen met de functie dienstleverlening kan het - vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties - nodig zijn de functie te beperken in omvang of bouwlaag. Door een omge- vingsnorm wordt dat in dit artikel per perceel of gebied bepaald. II Voor sectie 5.7.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Paragraaf 5.7.1 Horeca-activiteiten Artikel 5.23 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit horeca In dit artikel is gedefinieerd welke gebruiksactiviteiten onder het begrip horeca in de meeste brede zin vallen. Omdat niet overal in Dordrecht deze brede toepassing van horeca gewenst is, worden binnen deze afdeling locaties aangewezen waar een nadere inperking van dit brede begrip plaats- vindt. Concept (van 29-6-2026 15:03) 26 Concept Voor een nadere toelichting op deze methodiek wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.15.

JJ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Paragraaf 5.7.1 5.7.2 Horeca Gebruiksactiviteit horeca-1 activiteiten Artikel 5.15 5.24 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit horeca -1 Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor de lichte horeca-activiteiten, in de begripsomschrijvingen omschreven als horeca 1. Artikel 5.16 5.25 Toegestane gebruiksactiviteiten horeca -1 De locatieslocatie waar horeca -1 wordt toegestaan is vooralsnog beperkt tot de nieuwe woning- bouwlocatie Bouwhuys. Artikel 5.17 5.26 Omvang en situering gebruiksactiviteit horeca -1 Per locatie is bepaald welke omvang een horeca-1 vestiging mag hebben. Als geen omgevingsnorm is opgenomen voor bouwlaag, is horeca op alle bouwlagen toegestaan. KK Na sectie 5.7 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Afdeling 5.8 Kantooractiviteiten Paragraaf 5.8.1 Kantooractiviteiten Artikel 5.27 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit kantoor In dit artikel is gedefinieerd welke gebruiksactiviteiten onder het begrip kantooractiviteiten in de meeste brede zin vallen. Omdat niet overal in Dordrecht deze brede toepassing van kantoren gewenst is, worden binnen deze afdeling locaties aangewezen waar een nadere inperking van dit brede begrip plaatsvindt. Voor een nadere toelichting op deze methodiek wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.15.

Paragraaf 5.8.2 Gebruiksactiviteit kantoor - algemeen Artikel 5.28 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit kantoor - algemeen De locatie ‘kantoor’ wordt toegekend aan percelen waar kantooractiviteiten zijn toegestaan. Artikel 5.29 Toegestane gebruiksactiviteiten kantoor - algemeen Deze bepaling betreft een beleidsneutrale omzetting van de bestemmingsplanregel uit het bestem- mingsplan dat hiervoor gold voor deze locatie (het bestemmingsplan Stadswerven). De betreffende regel in dat bestemmingsplan maakte onder andere kantooractiviteiten op de locatie mogelijk. Artikel 5.30 Omvang en situering gebruiksactiviteit kantoor - algemeen Bij percelen met de functie kantoor kan het - vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties - nodig zijn de functie te beperken in omvang of bouwlaag. Door een omgevingsnorm wordt dat in dit artikel per perceel of gebied bepaald. LL Concept (van 29-6-2026 15:03) 27 Concept Voor sectie 5.9.1 worden twee secties ingevoegd, luidende: Paragraaf 5.9.1 Maatschappelijke activiteiten Artikel 5.31 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit maatschappelijk In dit artikel is gedefinieerd welke gebruiksactiviteiten onder het begrip maatschappelijke activiteiten in de meeste brede zin vallen.

Omdat niet overal in Dordrecht deze brede toepassing van maatschap- pelijk gewenst is, worden binnen deze afdeling locaties aangewezen waar een nadere inperking van dit brede begrip plaatsvindt. Voor een nadere toelichting op deze methodiek wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.15. Paragraaf 5.9.2 Gebruiksactiviteit maatschappelijk - algemeen Artikel 5.32 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit maatschappelijk - algemeen De locatie ‘maatschappelijk’ is toegekend aan percelen waar maatschappelijke activiteiten zonder beperkingen zijn toegestaan. Artikel 5.33 Toegestane gebruiksactiviteiten maatschappelijk - algemeen In dit artikel zijn geen uitzonderingen opgenomen ten opzichte van de brede omschrijving maat- schappelijk in het toepassingsbereik. Artikel 5.34 Omvang en situering gebruiksactiviteit maatschappelijk - algemeen Als op een perceel de functie maatschappelijk is toegedeeld kan het - vanuit een evenwichtige toe- deling van functies aan locaties - nodig zijn dit nader te beperken in omvang of bouwlaag. Door een omgevingsnorm wordt dat in dit artikel per perceel of gebied bepaald.

MM Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Paragraaf 5.9.1 5.9.3 Maatschappelijk Gebruiksactiviteit maatschappelijk - niet-milieugevoelig NN Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 5.18 5.35 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit maatschappelijk - niet-milieugevoelig OO Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 5.19 5.36 Toegestane gebruiksactiviteiten maatschappelijk - niet-milieugevoelig PP Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Concept (van 29-6-2026 15:03) 28 Concept Artikel 5.20 5.37 Omvang en situering gebruiksactiviteit maatschappelijk - niet-milieugevoelig QQ Voor sectie 5.11.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Paragraaf 5.11.1 Recreatie-activiteiten Artikel 5.38 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit recreatie In dit artikel is gedefinieerd welke gebruiksactiviteiten onder het begrip recreatie in de meeste brede zin vallen. Omdat niet overal in Dordrecht deze brede toepassing van recreatie gewenst is, worden binnen deze afdeling locaties aangewezen waar een nadere inperking van dit brede begrip plaats- vindt. Voor een nadere toelichting op deze methodiek wordt verwezen naar de artikelsgewijze toe- lichting bij artikel 5.15.

RR Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Paragraaf 5.11.1 5.11.2 Recreatie Gebruiksactiviteit recreatie - dagrecreatie SS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 5.21 5.39 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit recreatie - dagrecreatie TT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 5.22 5.40 Toegestane gebruiksactiviteiten recreatie - dagrecreatie De locaties waar dagrecreatie wordt toegestaan is gebaseerd op de gebiedsindeling uit de omge- vingsvisie. De locaties waar alleen vormen van dagrecreatie zijn toegestaan zijn opgenomen voor de locaties met een bestemming Recreatie uit de voorheen geldende bestemmingsplannen. UU Na sectie 5.22 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Artikel 5.41 Omvang en situering gebruiksactiviteit recreatie - dagrecreatie De locaties waar dagrecreatie wordt toegestaan is gebaseerd op de gebiedsindeling uit de omge- vingsvisie. VV De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Concept (van 29-6-2026 15:03) 29 Concept Afdeling 5.14 Wonen Paragraaf 5.14.1 Wonen Artikel 5.23 5.42 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit wonen algemeen Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor wonen. Het betreft hier de reguliere vorm van wonen met per woning een huishouden en beperkte mogelijkheden voor onzelfstandige woonruimte.

Afwijkende woonvormen zoals zorgwoningen of studentenhuisvesting worden niet onder wonen toegestaan. Daarvoor is een aanvullende functietoedeling nodig. In dit artikel is gedefinieerd welke gebruiksactiviteiten onder het begrip wonen in de meeste brede zin vallen. Het begrip wonen omvat diverse vormen van huisvesting, waaronder kamerverhuur aan personen die niet tot hetzelfde huishouden behoren, huisvesting van arbeidsmigranten, bedrijfswo- ningen, wonen in een zorgcomplex, wonen in woonwagens en woonschepen, short stay (langer dan 6 maanden). Omdat niet overal in Dordrecht deze brede toepassing van wonen gewenst is, worden binnen deze afdeling locaties aangewezen waar een nadere inperking van dit brede begrip plaatsvindt. Voor een nadere toelichting op deze methodiek wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.15. Paragraaf 5.14.1 5.14.2 Wonen algemeen- woningen Artikel 5.43 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit wonen - woningen Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor wonen in eengezinswoningen, al dan niet gestapeld. Artikel 5.24 5.44 Toegestane gebruiksactiviteiten wonen algemeen- woningen De locaties waar wonen algemeen wordt toegestaan is vooralsnog beperkt tot de nieuwe woning- bouwlocatie Bouwhuys.

De locaties waar ‘wonen-woningen’ wordt toegestaan is vooralsnog beperkt tot de nieuwe woning- bouwlocatie Bouwhuys en Schuttevaerkade 45 (ponsgebied). Het betreft hier de reguliere vorm van wonen met per woning een huishouden en beperkte mogelijkheden voor onzelfstandige woonruimte. Afwijkende woonvormen zoals zorgwoningen, huisvestiging arbeidsmigranten of studentenhuis- vesting worden niet onder 'wonen-woningen' toegestaan. Van een huishouden is sprake wanneer de bewoners in continuïteit samenleven, de intentie hebben hun samenwoning voor langere tijd voort te zetten, en in belangrijke mate gezamenlijk voorzien in het dagelijks huiselijk leven. Niet als huishouden worden aangemerkt: groepen personen zonder onderlinge verbondenheid of continuïteit, waaronder wisselend samengestelde groepen zoals arbeidsmigranten, seizoenarbeiders of andere vormen van groepsgewijze bewoning zonder gezamenlijk duurzaam huishouden. Woonvormen die gekoppeld zijn aan (maatschappelijke) zorg vallen eveneens niet onder 'wonen-woningen'. De ruimte die dit artikel biedt aan onzelfstandige woonruimte wordt overigens nader ingeperkt door de gemeentelijke Huisvestigingsverordening. Artikel 5.25 5.45 Omvang en situering wonen algemeen- woningen Per locatie is door een omgevingsnorm bepaald hoeveel woningen gebouwd mogen worden.

Artikel 5.26 5.46 Mantelzorg bij bestaand bouwwerkwonen - woningen Regel die beleidsneutraal is overgenomen uit de bruidsschat. Artikel 5.27 5.47 Gebruik hoofdgebouwen en bijgebouwen wonen - woningen Deze regel is beleidsneutraal overgenomen uit de bruidsschat. WW Concept (van 29-6-2026 15:03) 30 Concept De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 6.4 Wijze van meten Deze meetbepalingen sluiten aan bij de bepalingen 'wijze van meten' zoals opgenomen in de voorheen geldende bestemmingsplannen. b. Ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de aanduiding 'bouwvlak' of de aanduiding 'bestemmingsvlak' worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozij- nen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en reclame-uitingen, buiten beschouwing gelaten. Ook andere, niet-genoemde bouwdelen die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de hiervoor genoemde bouwdelen kunnen als ondergeschikte bouwdelen worden beschouwd.

Te denken valt dan aan: Liftopbouwen, schoorstenen, ventilatiekanalen, airco-units, luchtbehandelingsinstallaties, glazenwassersinstallaties, brandtrappen of bouwwerken die samenhangen met installaties binnen een gebouw (NvT 2014 bij artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II bij het Bor) / trappen, bordes- sen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen (opsomming VNG). Om als ondergeschikt bouwdeel aangemerkt te kunnen worden, is het van belang dat het bouwdeel qua omvang in verhouding staat tot het bouwwerk waartoe het bouwdeel behoort. Wanneer het bouwonderdeel het bouwwerk aanzienlijk overschrijdt, kan er niet worden gesproken over onder- geschiktheid. XX De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 8.38 Indieningsvereisten melding gebedshuizen Dit artikel bepaalt welke gegevens bij de melding verstrekt moeten worden aan de gemeente. Dit betreft het aanleveren van een beschrijving ten aanzien van de transformatieladder zoals is vastgelegd in de Kerkenvisie 'Tussen hemel en aarde – een visie op gebedshuizen in Dordrecht'. Zie verderop een uitsnede wat deze transformatieladder inhoudt. In deze beschrijving moet worden ingegaan op de opstaptrede c.q. begintrede.

Vervolgens moet beschreven worden per trap hoe de overstap wordt gemaakt naar de andere trede. Oftewel; alle treden in de richting moeten beschreven worden. Ook moet onderbouwd worden waarom een verder gebruik of een ander gebruik van het bestaande gebedshuis en omgeving niet mogelijk is en waarom sloop-nieuwbouw noodzakelijk is. Een volgend indieningsvereiste, dus een gegeven wat bij de melding moet worden aangeleverd, is een bouwhistorisch onderzoeksrapport. Dit bouwhistorisch onderzoek moet voldoen aan de ac- tuele richtlijnen voor bouwhistorie. Een vergelijkbare kwaliteit is alleen mogelijk in overleg met de bouwhistorisch deskundige. Zie https://www.stichtingerm.nl/kennis-richtlijnen/url2007. Concept (van 29-6-2026 15:03) 31 Concept YY Na sectie 8.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Afdeling 8.6 Molenbiotoop Paragraaf 8.6.1 Molenbiotoop Artikel 8.51 Toepassingsbereik molenbiotoop Binnen de gemeente bevindt zich de stellingmolen Kijck over den Dijck aan de Noordendijk 144. Deze molen is onder andere vanwege haar historische belang als Rijksmonument aangewezen en geniet daardoor de nodige bescherming op diverse vlakken. Een van de gronden op basis waarvan de molen wordt beschermd, ziet toe op de omgeving van de molen: de zogenaamde molenbiotoop.

Dit gebied rondom molens wordt om verschillende redenen ook van belang geacht, onder meer omdat ruimte rondom molens nodig is voor een vrije windvang en een vrij zicht op molens. Het omgevingsplan dient regels te bevatten die die belangen voor de omgeving van molens waar- borgen en in dit geval geldt dat specifiek voor Kijck over den Dijck, de enige molen binnen de ge- Concept (van 29-6-2026 15:03) 32 Concept meente. In deze afdeling wordt daarin voorzien door regels te stellen voor het verrichten van activi- teiten binnen de locatie van de molenbiotoop van Kijck over den Dijck. Het artikel waar deze toelich- ting betrekking op heeft, verklaart die regels van toepassing op activiteiten binnen die locatie. Artikel 8.52 Oogmerk molenbiotoop De regels over de molenbiotoop van de molen Kijck over den Dijck zijn opgesteld vanuit het oogpunt van cultureel erfgoed, en met name ter bescherming van een vrije windvang en het zicht op de molen. Dat oogmerk wordt in dit artikel nog nader benadrukt zodat helder wordt wat de achterlig- gende reden is voor het opstellen van de regels in deze paragraaf. Artikel 8.53 Algemene regel molenbiotoop Dit artikel stelt beperkende voorwaarden aan de hoogte voor bebouwing binnen de molenbiotoop.

Dit met het doel te voorkomen dat bouwwerken in dat gebied dusdanig in hoogte kunnen toenemen dat daardoor de vrije windvang en het zicht op de molen te veel wordt belemmerd. Het artikel ziet dus toe op het garanderen van de vrije windvang en het zicht op molens. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bepaalt de maximale hoogte waaraan in het omgevings- plan vastgehouden moet worden voor nieuwe bebouwing binnen de molenbiotoop. Bij molens in een bestaand stads- en dorpsgebied, zoals het geval is bij de molen Kijck over den Dijck, geldt dat per 30 meter de toegestane hoogte van een bouwwerk met 1 meter mag toenemen. De molenbiotoop heeft, berekend vanuit het middelpunt van de molen, een omvang van in totaal 400 meter. ZZ Na sectie 10.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Afdeling 10.4 Energieopslagsystemen Paragraaf 10.4.1 Energieopslagsystemen Artikel 10.10 Toepassingsbereik energieopslagsystemen Dit artikel bepaalt dat de regels in deze paragraaf gaan over het bedrijfsmatig in gebruik nemen en in gebruik houden (vergelijkbaar met exploiteren of het in bedrijf hebben en houden van de instal- latie) van een energieopslagsysteem (EOS) met een vermogen van 1 MW en meer en een opslagca- paciteit van 1 MWh en meer.

Door het woord bedrijfsmatig op te nemen richten deze regels zich op energieopslagsystemen met een zakelijk of commercieel doel en worden thuis- en (coöperatieve) buurtbatterijen uitgesloten. Het zal vooral gaan over energieopslagsystemen voor bedrijven op bedrijventerreinen. De regel geldt voor heel het grondgebied van de gemeente Dordrecht. Hierbij is een ondergrens van 1 MWh vastgelegd in het belang van veiligheid. De ondergrens is bepaald aan de hand van effectafstanden uit het scenarioboek Omgevingsveiligheid van het NIFV (Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid). Installaties met een lagere capaciteit zijn niet relevant voor externe veiligheid. Artikel 10.11 Oogmerken energieopslagsystemen Dit artikel geeft aan dat de regels zijn gesteld met het oog op bepaalde doelen. Deze doelen sluiten aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Dordrecht. Het gaat om doelen op het gebied van verduurzaming en energietransitie en op gebied van omgevingsveiligheid. Het tweede lid geeft aan dat de regels niet gesteld zijn met het oog op de energievoorziening. Dat oogmerk is voorbehouden aan de Energiewet.

Artikel 10.12 Vergunningplichtige gevallen energieopslagsystemen In dit artikel is bepaald dat een omgevingsvergunning is vereist voor het in gebruik nemen en in gebruik houden van een energieopslagsysteem met een vermogen van 1 MW of meer en een op- slagcapaciteit van 1 MWh of meer. Zie ook het toepassingsbereik. Concept (van 29-6-2026 15:03) 33 Concept Artikel 10.13 Aanvraagvereisten energieopslagsystemen In dit artikel is bepaald welke gegevens door de aanvrager aangeleverd moeten worden voor de aanvraag omgevingsvergunning voor een energieopslagsysteem. Bij de aanvraag om een vergunning worden gegevens over de locatie, een beschrijving van bepaalde onderdelen en gegevens ten aanzien van veiligheid geëist. De gemeente gebruikt deze informatie voor de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Onder a t/m d Vanuit de ruimtelijke verduurzamingsopgave is het belangrijk om gegevens te ontvangen over de grootte van de (toekomstige) aansluiting en het voorgenomen transportvermogen van de in gebruik te nemen en in gebruik te houden energieopslagsysteem/systemen. Dit vangen wij onder de term ‘energiehuishouding’. De grootte omvat onder andere het aantal MW vermogen en MWh capaciteit. Het transportvermogen omvat onder andere gegevens/cijfers over de afname en invoeding op het elektriciteitsnet.

Ook een onderdeel van de energiehuishouding vormen gegevens over de relatie van het energieopslagsysteem met de hoofdfunctie. Oftewel inzicht in hoe het energieopslagsysteem wordt gebruikt. Gegevens over transportschaarste worden gevraagd om inzicht te krijgen in mogelijk negatieve effecten van het energieopslagsysteem op de ruimtelijke verduurzamingsopgave voor het energienet. Oftewel gegevens of het energieopslagsysteem kan worden ingezet om stroomopwerkpieken op te vangen en/of afnamepieken te verkleinen. Wat bijvoorbeeld netcongestie veroorzaakt en daarmee de ruimtelijke ontwikkeling op slot zet is het opladen van een energieopslagsysteem tussen 16 en 21 uur (piek). Met deze gegevens wordt niet bedoeld enkel een verwijzing naar een contract voor flexibel regelvermogen, want dat is de Energiewet en de bevoegdheid van de netbeheerder. Ook wordt gevraagd om inzicht te geven via een situatietekening in de positionering en gegevens over de elektrische specificaties van het in gebruik te nemen en in gebruik te houden energieopslag- systeem. Ten aanzien van veiligheid moet een risicoanalyse met een aantal specifieke onderdelen worden aangeleverd.

Zie hiervoor de rekenmethode van het RIVM: Bepalen afstanden EOS'en en opslagen met lithiumhoudende energiedragers | RIVM In voorbereiding op de toekomstige regelgeving die door het rijk voor energieopslagsystemen wordt opgesteld is het tweede lid opgenomen. Wanneer voor standaard situaties vaste afstanden zijn vastgesteld door het rijk hoeft geen QRA te worden opgesteld. Zodra deze tabel met vaste af- standen als conceptregelgeving van het rijk wordt gepubliceerd kan hiernaar worden verwezen. De aanvraag moet wel aantonen dat invulling wordt gegeven aan een standaard situatie. Artikel 10.14 Beoordelingsregels energieopslagsystemen In dit artikel volgen de beoordelingsregels van het bevoegd gezag. Dit artikel maakt duidelijk onder welke voorwaarden het bevoegd gezag de vergunning kan verlenen of weigeren. Ook wordt aange- geven hoe gevolgen van activiteiten worden afgewogen. De gemeente heeft de ambitie om energieneutraal te zijn in 2040 en een belangrijk onderdeel daarvan is het bevorderen van het gebruik van duurzame energie. Energieopslagsystemen (EOS) kunnen in deze energietransitie lokaal een bijdrage leveren. Plaatsing kan gezien de eigenschappen van een EOS niet zonder meer en op iedere plaats. Daarom zijn de volgende beoordelingsregels opgenomen: Onder a is opgenomen dat het in gebruik nemen van een EOS de verduurzaming van bedrijfsactivi- teiten niet mag verhinderen.

Deze beoordelingsregel ziet op de doelstelling om bedrijven te verduur- zamen door middel van o.a. het gebruik van duurzame energie. Het verduurzamen van lokale bedrijven is belangrijk voor het tegengaan van klimaatverandering en het bevorderen van een goed woon- en leefklimaat en bedrijfsactiviteiten zijn daarnaast ook belangrijk voor de economisch-stedelijke ontwikkeling van de gemeente. Daarom is het noodzakelijk dat bedrijfsactiviteiten niet worden gehinderd door het in gebruik nemen en in gebruik houden van een EOS. Concept (van 29-6-2026 15:03) 34 Concept Onder b is opgenomen dat de vergunning wordt geweigerd als het een aanvraag betreft waarbij het energieopslagsysteem de hoofdfunctie is. Anders gezegd, het gaat om een stand-alone batterij of een energieopslagsysteem dat niet ten dienste staat van de functies zoals toegedeeld aan locaties in het omgevingsplan. Een EOS is op zichzelf niet een functie die we zelfstandig willen toestaan op een bedrijventerrein (vergelijkbaar aan andere functies zoals opslagbedrijven die we ook uitsluiten). Dat is alleen anders als de EOS ten dienste staat of bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan.

Bijvoorbeeld als voor het goed functioneren van een bedrijventerreinen een EOS nodig of wenselijk is, is sprake van een functie ten dienste van de toe- gestane bedrijven en kan een vergunning worden verleend. Onder c is opgenomen dat het in gebruik nemen van een EOS als doelstelling heeft om te voorzien in een plaatselijke behoefte van vraag en aanbod van elektra. In Dordrecht is er beperkt ruimte op het elektriciteitsnet terwijl de energietransitie naar duurzaam opgewekte energie veel van het elek- triciteitsnet gaat vragen. Vanuit de wens om op zo kort mogelijke afstand van elkaar vraag naar en aanbod van energie te realiseren en het ruimte geven aan lokale bedrijfsactiviteiten is het noodza- kelijk dat een EOS voorziet in lokale behoefte van vraag en aanbod in elektra. Onder d is opgenomen dat het in gebruik nemen van een EOS de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied niet in de weg moet staan. Door de beperkte aansluitcapaciteit op het elektriciteitsnet en de grote aanslag die een EOS daarop kan hebben, kunnen andere ruimtelijke en economische ontwik- kelingen in de stad verhinderd worden. Het is dus van belang dat er niet een wildgroei aan EOS ontstaat. Onder e t/m g is opgenomen dat een EOS in de exploitatiefase niet mag leiden tot externe veilig- heidsrisico's, geluidshinder en/of beperkingen voor de omgeving.

Voor het aspect externe veiligheid is het beoordelingskader van de omgevingsvisie 2.0 toegepast. Hierop zijn de beoordelingsregels gebaseerd. Kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn gedefinieerd in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 10.15 Advies energieopslagsystemen In dit artikel is bepaald dat in bepaalde gevallen voor een aanvraag voor het in gebruik nemen en in gebruik houden van een energieopslagsysteem advies wordt ingewonnen bij de organisaties Rijkswaterstaat en TenneT, zijnde beheerders van grote infrastructuur. Specifiek wanneer binnen 25 meter vanaf de rand van een rijks(snel)weg of een rijks water/vaarweg, waar ook constructies zoals viaducten en bruggen zijn geplaatst, een EOS wordt geplaatst vraagt het college om een advies van Rijkswaterstaat. Aanvullend worden in twee gevallen advies van TenneT gevraagd: - als binnen 25 meter vanaf het hekwerk van het hoogspanningsstation een EOS in gebruik wordt genomen; - als binnen 25 meter vanaf de buitenste geleiders van een bovengrondse hoogspanningsverbinding een EOS in gebruik wordt genomen.

AAA De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Uitleg artikel In de regio Zuid-Holland Zuid komt een omvangrijke diffuse bodemverontreiniging met PFOA voor met concentraties die aanzienlijk hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarde. Om hergebruik mogelijk te maken zijn lokale normen nodig. We willen grond en baggerspecie zo veel mogelijk hergebruiken, omdat dan storten van grond en winning van nieuwe grondstoffen (primair materiaal) minder nodig is. Dit is een invulling van het rijksbeleid voor duurzaam bodembeheer (Besluit bo- demkwaliteit en Handelingskader PFAS 2021). Ten behoeve van het lokale hergebruiksbeleid is een zone A en B gedefinieerd. In zone A worden over het algemeen gehalten PFAS (P95) verwacht die liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Concept (van 29-6-2026 15:03) 35 Concept Daarom gelden hier geen afwijkende kwaliteitseisen. In zone B komen gehalten voor die hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFOA en in mindere mate ook PFOS. Zie figuur 1. - - - - . - - - - Grondwaterbeschermingsgebieden (inclusief strategische reserve) - - - - . - - - - Grondwaterbeschermingsgebieden (inclusief strategische reserve) In onderdeel a van dit artikel staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen dan PFOA en PFOS aan de kwaliteitseisen moet voldoen.

In onderdeel b staat dat het gaat om grond afkomstig uit zone B en toegepast wordt in zone B van de PFAS-zonekaart. Voor de gebruiksfunctie landbouw/na- tuur en voor moestuinen en volkstuinen zijn afwijkende (soepelere) eisen gesteld voor de stof PFOA en PFOS. Voor de gebruiksfunctie wonen en industrie zijn de landelijke normen wat ruimer. De grond die nu aangeboden wordt in die gebieden voldoet in de meeste gevallen aan de landelijke norm, een regionale norm is hier niet nodig. Concept (van 29-6-2026 15:03) 36 Concept In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsveror- dening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In onderdeel c van dit artikel staan de lokale normen voor PFOA en PFOS voor de gebruiksfuncties landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen. De normen zijn een balans tussen de bescher- ming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Gezondheidsrisico's zijn hierbij uitgesloten.

Dit resulteert samengevat in het volgende overzicht van lokale en landelijke normen (weergegeven in µg/kg in plaats van in het artikel in mg/kg) voor hergebruik van PFAS-houdende grond: Tabel 1: Toepassen grond/baggerspecie Zone A – conform landelijk beleid Tabel 2: Toepassen grond/baggerspecie Zone B - lokaal beleid Kanttekening De kwaliteitseisen in dit artikel bieden voor grond uit zone B onvoldoende hergebruiksruimte. Dit is niet met een algemeen geldend artikel op te lossen. Met maatwerk kan wel ruimte worden geboden waar dit verantwoord is. In zone B kan daarom, onder voorwaarden, ruimte worden geboden voor maatwerk voor grond met hogere hergebruiksnormen. Per locatie kan hiervoor een maatwerkvoor- schrift worden aangevraagd. Het beleid is verder uitgewerkt in het beleidsstuk “hergebruik PFAS houdende grond en bagger Zuid-Holland Zuid”. Deze staat op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Reikwijdte De in dit artikel opgenomen Lokale Maximale Waarden gelden alleen voor grond en baggerspecie afkomstig uit de regio Zuid-Holland Zuid, die wordt toegepast in zone B. Het betreft niet het versprei- den van baggerspecie (en weilanddepots voor baggerspecie). Voor de overige PFAS zijn geen Lo- kale Maximale Waarden opgesteld, maar is het landelijke beleid geldig.

Ter plaatse van puntbronnen (bijvoorbeeld plaatsen waar met blusschuim is gewerkt) kunnen sterk verhoogde gehalten aan PFAS voorkomen in de bodem. Dit artikel geldt alleen voor grond met verhoogde gehalten als gevolg van de regionale diffuse verontreiniging met PFOA. Ook bij perceels- matching zijn verhoogde gehalten als gevolg van puntbronnen in zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem uitgesloten van de toets. Puntbronnen vallen onder andere regelgeving, zoals het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. BBB De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Concept (van 29-6-2026 15:03) 37 Concept Artikel 14.1 Toepassingsbereik gebouwen bouwen groenblauw Dit artikel stelt regels over de activiteit 'gebouw bouwen'. In artikel 1.1. is bepaald dat voor de defi- nities van bouwactiviteit, bouwen en gebouwen uitgegaan wordt van de definities onder de Omge- vingswet. Het betreft dezelfde activiteit die ook al in hoofdstuk 6 is opgenomen voor bepaalde delen van het grondgebied met de locatie ‘begrensd gebied’. Omdat de regels in dit hoofdstuk ook gelden voor de delen buiten het begrensd gebied is het toepassingsbereik van dit hoofdstuk het gehele grond- gebied. In dat geval is het niet nodig een locatie aan de activiteit te koppelen. Dit artikel stelt regels over de activiteit 'gebouw bouwen' uit hoofdstuk 6 voor het gehele grondgebied.

Alleen bouwplannengebouwen die in hoofdstuk 6 als vergunningplichtig zijn aangewezen en die op de grond staan, vallen onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. Voorbeelden van bouwplannen voor gebouwen die de grond niet raken zijn een dakkapel, dakopbouw en het optoppen van een bestaand gebouw. Voor een interne verbouwing of renovatie van woningen zal in veel gevallen geen vergunning groenblauw nodig zijn omdat geen sprake is van een vergunningplicht voor het bouwen van een gebouw. Zodra op grond van hoofdstuk een omgevingsvergunning nodig is voor het bouw van een gebouw zijn ook de regels in deze paragraaf van toepassing. CCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 14.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebouwen bouwen groenblauw Dit artikel koppelt een vergunningplicht aan de activiteit gebouw bouwen. Dit artikel koppelt een extra vergunningplicht aan de vergunning die nodig is voor de activiteit ge- bouw bouwen als bedoeld in afdeling 6.4 Gebouw bouwen. Op basis van overleg met de woning- bouwcorporaties in Dordrecht is het van belang te benadrukken dat de activiteit verduurzaming en renovatie niet onder het toepassingsbereik vallen. Het betreft hier de activiteit bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet onder de activiteit gebouw bouwen worden gerekend. Het gebouw staat er immers al.

Om te kunnen bepalen welke activiteiten wel of niet onder gebouw bouwen vallen, wordt teruggevallen op de begripsbepalingen dit het omgevingsplan. In artikel 1.1. is bepaald dat voor de definities van bouwactiviteit, bouwen en gebouwen uitgegaan wordt van de definities onder de Omgevingswet. In de Omgevingswet en BBL zijn de volgende begrippen omschreven, die daarmee ook voor het omgevingsplan van toepassing zijn: - bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; - bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; - gebouw (Bbl): bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Wanneer op een locatie nog niets gebouwd is en er wordt een gebouw gebouwd valt dit onder “geheel oprichten” binnen de definitie voor bouwen. Omdat het “vernieuwen, veranderen of ver- groten” ook onder de definitie voor bouwen valt, vallen gebouwen die er voor een gedeelte staan en worden uitgebreid met een bouwwerk dat als gebouw kan worden aangemerkt, ook onder gebouw bouwen verstaan. Als het gebouw er al staat en er niets aan wijzigt, dan valt de activiteit niet onder gebouw bouwen. Het valt wel weer onder gebouw bouwen als er sprake is van veranderingen aan de draagconstructie van het gebouw, want dit valt onder vernieuwen.

Voorbeeld: renovatie van bestaande gebouwen zonder veranderingen van de constructie en geen uitbreiding van het gebouw, vallen niet onder het toepassingsbereik gebouw bouwen. Worden aan de achterkant vergunningplichtige uitbouwen toegevoegd, dan is wel sprake van de activiteit gebouw bouwen. Concept (van 29-6-2026 15:03) 38 Concept DDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 14.5 Beoordelingsregels gebouwen bouwen groenblauw Een bouwplan moet voldoen aan de eis van een goede groenblauwe inpassing. Wat precies onder een goede groenblauwe inpassing wordt verstaan, is niet eenduidig vast te leggen en zal per situatie verschillend uitpakken. Bij een goede groenblauwe inpassing wordt gezocht naar inrichting die binnen redelijke eisen maximaal tegemoet komt aan oogmerken van deze groenblauwe regels. De opgestelde kwaliteitseisen in de welstandsnota geven daarbij houvast. Het eerste lid biedt daarbij de mogelijkheid voor maatwerk in het geval niet aan het tweede lid kan worden voldaan, bijvoorbeeld omdat de aanvrager denkt een betere oplossing te hebben of omdat de eisen in het tweede lid ten koste gaan van de haalbaarheid van het bouwplan of omdat er strij- digheid ontstaat met de eisen die het waterschap stelt. De bewijslast ligt dan wel bij de aanvrager, die moet zorgen voor een goede motivering.

In tweede lid is concreet aangegeven in welke gevallen in ieder geval sprake is van een goede groenblauwe inpassing. Per onderdeel is dat hieronder nader toegelicht: a. waterbergingseis. Met deze beoordelingsregel moet bereikt worden dat bouwwerkpercelen voldoende waterbergend vermogen hebben om afwenteling op het openbaar gebied en wateroverlast bij een hevige bui te voorkomen. Ieder bouwplan moet daar evenredig aan bijdragen. Bij volledige nieuwbouw geldt de eis voor het gehele gebouw, bij uitbreidingen van bestaande bebouwing geldt de eis alleen ten opzichte van de uitbreiding. De waterbergingseis houdt in dat een groot deel van de neerslag (60 mm) op privaat terrein wordt geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen in voorzieningen op privaat terrein. De minimale capa- citeit van de hemelwaterberging is 60 mm per m2 van het bebouwd oppervlak van het nieuw aan te brengen gebouw. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat: - deze een hevige regenbui van 60 mm in een uur kan opvangen; - deze binnen 48 uur na de neerslaggebeurtenis weer volledig beschikbaar is (bij hergebruik van het regenwater mag maximaal 20% langer vastgehouden worden t.b.v. het hergebruik/drinkwater- besparing); - maximaal 1.25 mm per uur wordt geloosd in de gemeentelijke riolering (vertraagde afvoer). Voorbeeld: Het bouwplan bevat 500 m2 bebouwd oppervlak.

De eis is een hemelwaterberging van 60 mm per m2 bebouwd oppervlak = 0.06 m* 500 m2 = 30 m3 (30.000 liter). In het geval dat een bouwwerkperceel al meer dan 60 mm waterberging per m2 kan opvangen, geldt nog steeds de eis dat bij toevoeging van bebouwing extra waterberging wordt gerealiseerd. Als die eis onredelijk uitpakt kan met toepassing van het eerste lid ook voor een andere oplossing worden gekozen. Het zelfde geldt voor percelen die buitendijks zijn gelegen en oppervlaktewater laten afstromen naar omliggende rivieren. De 60 mm eis is dan mogelijk te streng. Door toepassing van het eerste lid kan een andere oplossing worden gekozen die op andere onderdelen bijdraagt aan de doelen klimaatbestendig, biodiversiteit of gezondheid. Om kleine bouwplannen niet te veel te belasten met waterbergingseisen is een uitzondering gemaakt voor bouwplannen die een bebouwd oppervlak hebben tot 300 m2. b. Om te voorkomen dat water op straat nieuwe bebouwing in kan stromen, is het van belang de juiste hoogtepeilen te bepalen. Op grond van het artikel ‘Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil’ opgenomen in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan, stelt het college bij nieuwbouw het straatpeil vast. Ten opzichte van dat straatpeil moet nagegaan worden wat de gevolgen zijn bij water op straat.

Voorbeeld: Er wordt een woning gebouwd aan een weg, waarvan de wegas op een hoogte ligt van NAP -0.5 m. Bij 20 cm water op straat (water tot NAP -0.3 m) mag geen schade op- treden aan de woning. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil op minimaal NAP -0.3 m te zetten en/of een drempel toe te passen. Concept (van 29-6-2026 15:03) 39 Concept Bij het toepassen van een drempel moet wel de regel uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (maximaal 20 mm) in acht worden genomen. c. In een bouwplan wordt rekening wordt gehouden met de risico’s van overstromingen. Dat kan op verschillende manieren. In de welstandsnota zijn ontwerpprincipes opgenomen hoe dat concreet uitgewerkt kan worden. In een aantal situaties zal het immers lastig blijken om aan deze eis te voldoen, bijvoorbeeld als het hoofdgebouw op een laag punt in Dordrecht is gesitueerd waardoor de verdieping niet ‘droog’ is bij een overstroming of als het hoofdgebouw gebouwd wordt op locaties waar al voldoende vluchtplekken aanwezig zijn (voor woongebieden 60% van de woningen voor grote bedrijventerreinen geldt in veel gevallen helemaal geen percentage). In al die gevallen kan de toepassing van onderdeel c buiten toepassing blijven mits op andere wijze rekening is gehouden met overstromingsrisico’s. d. Bij ieder bouwplan wordt aan de hand van het bebouwd oppervlak de groenblauwe ruimte bepaald.

Bij een bebouwd oppervlak van 100 m2 moet 30% groenblauw worden ingericht, dat is dus 30 m2. Deze 30 m2 moet toegevoegd worden aan het al bestaande groen. Dat hoeft niet perse nieuw groen zijn, ook bestaand groen omzetten naar groen van hogere kwaliteit zodat dit bijdraagt aan de oog- merken van deze paragraaf, wordt gezien als toevoegen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de aanvulling van de welstandsnota. De groenblauwe inrichting van het bouwwerkperceel moet voldoen aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota met betrekking tot het creëren van mini- maal 3 biotopen voor 3 soorten of soortgroepen 'Biodiversiteit'. Aanvullend worden er in de wel- standsnota aanbevelingen gedaan voor de thema's 'Algemeen Groenblauw', 'Wateroverlast', 'Hitte' en 'Gevolgbeperking overstromingen'. Op deze thema's mag de commissie (vrijwillig) adviseren. e. De eis dat moet worden bijgedragen aan minimaal drie biotopen voor drie soorten of soortgroepen is overgenomen uit het handboek Natuurinclusief bouwen dat door de gemeenteraad is vastgesteld. Deze eis wordt al langere tijd (vrijwillig) aan bouwers meegegeven en krijgt nu een wettelijke grondslag. In de welstandsnota worden hiervoor kwaliteitseisen opgenomen.

De commissie ruim- telijke kwaliteit, die al langer (uit eigen beweging) adviseert op de eis van drie biotopen kan dat nu doen op basis van een wettelijke grondslag in het omgevingsplan en kwaliteitscriteria in de wel- standsnota. In de welstandsnota worden naast de kwaliteitscriteria ook ‘kwaliteitscriteria ontwerp- principes groenblauw’ opgenomen. De commissie kan op verzoek van de aanvrager, college of uit eigen beweging adviseren om een goede groene blauwe inpassing van bouwplannen voor de ontwerpen waterberging, hittestress en het tegengaan van risico’s op overstromingen. Artikel 25.4 (Aanwijzing besluiten optioneel advies) is hierop aangevuld. De kwaliteitseisen uit de aanvulling van de welstandsnota zijn te vinden op de website van de ge- meente: 3e wijziging omgevingsplan Dordrecht In de aanvulling is aangegeven hoe de toetsing aan de drie biotopen verloopt. Daarbij wordt ter toelichting verwezen naar het handboek NIBO dat tevens op deze website is te vinden. EEE De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 14.10 Aanvraagvereisten vergunning groenblauw ontwikkelgebied Dit artikel stelt eisen die bij de aanvraag omgevingsvergunning ingediend moeten worden. Per onderdeel wordt hier een toelichting op gegeven. a en b. Het ontwikkelplan betreft de gronden waar de aanvraag omgevingsvergunning betrekking op heeft.

Dat ontwikkelplan kan – bij gefaseerde planontwikkeling kleiner zijn dan de locatie ‘groenblauw ontwikkelgebied’. Het ontwikkelplan laat minimaal zien welke gronden ingericht worden tot nieuw openbaar gebied en indien tevens gebouwen worden gebouwd, op welke gronden gebou- wen worden gebouwd. c. Op de inrichtingstekening wordt aangegeven welke gronden binnen het ontwikkelgebied een groenblauwe inrichting gaan krijgen. Daarbinnen wordt aangegeven welke groenmaatregelen (bo- men, wadi, groen dak, de afstroming van het regenwater etc.) worden genomen en hoe die bijdragen aan de gestelde kwaliteitseisen. Op de tekening van hetzelfde blad een tabel met daarin: Concept (van 29-6-2026 15:03) 40 Concept A: Totaal oppervlak groenblauw ontwikkelgebied (m2); B: Totaal oppervlak ontwikkelplan (m2) – zonder fases vaak gelijk aan A; C: Oppervlak groenblauwe ruimtes in ontwikkelplan per categorie (c1 = natuurlijk groen oppervlak, c2 = natuurlijk water oppervlak, c3 = boomkronen, C4 = natuurlijk gevel- en dakgroen, C5- open verhardingen); D: Totaal oppervlak groenblauwe ruimte in ontwikkelplan(C1+C2+C3+C4+C5); E: Totaal percentage groenblauwe ruimte in ontwikkelplan ten opzichte van het totale groenblauwe ontwikkelplan(D/B * 100%).

Indien het ontwikkelgebied uit meerdere ontwikkelplannen/fases bestaat, ook toevoegen: F: Totaal percentage groenblauwe ruimte in groenblauw ontwikkelgebied ten opzichte van het totale groenblauwe ontwikkelgebied en bijdrage van het ingediende ontwikkelplan aan dat percentage. d. In een motivering wordt beschreven hoe voldaan wordt aan natuurinclusief bouwen en ontwerpen volgens het NIBO-handboek dat als bijlage bij de welstandsnota is opgenomen. Hiervoor wordt nog een formulier opgesteld. e. In het speel-, sport-, beweeg en ontmoetplan wordt beschreven hoe voldaan wordt aan 5% spelen, bewegen, sporten en ontmoeten. Het plan beschrijft hoe wordt voldaan aan de eis voor 5% ruimte voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten, waarvan 3% spelen en bewegen voor kinderen en jeugd ( 0 tot 19 jaar). Het bevat ten minste: - wat het gevraagde oppervlak voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten is (o.b.v. totaal ontwik- kelplan); - wat het gevraagde oppervlak voor spelen en bewegen voor kinderen en jeugd is (3% o.b.v. totaal ontwikkelplan); - een overzicht van de speel-, sport-, beweeg en ontmoetingsruimte (plekken en routes) in het project met daarbij de oppervlakken. f. Bij de aanvraag wordt een berekening toegevoegd gekoppeld aan de inrichtingstekening die aantoont wat de gevraagde totale waterbergingscapaciteit is (o.b.v.

het bebouwd oppervlak) en een overzicht van de waterberging(en) in het plan met daarbij de bergingscapaciteit en ledigingstijd. De berekening gekoppeld aan de inrichtingstekening toont aan: - dat er geen waterschade optreedt aan bebouwing en infrastructuur bij een bui die 1 x per 100 (T= 100) jaar kan voorkomen en dat vitale en kwetsbare functies beschikbaar blijven bij een bui die 1 x per 250 (T=250) jaar voor kan komen; - wat de gevraagde totale waterbergingscapaciteit is (o.b.v. bebouwd oppervlak gebouwen); - een overzicht van de waterberging(en) in het ontwikkelgebied met daarbij aangegeven hoe het regenwater in de waterberging terechtkomt, wat de bergingscapaciteit is en hoe er geledigd wordt en binnen welke tijd (ledigingstijd); - wat het gevraagde schaduwpercentage is (o.b.v. oppervlak ontwikkelplan en oppervlak aan speel- , sport-, beweeg- en ontmoetingsruimte); - een overzicht van de schaduw in het ontwikkelplan met daarbij wat het schaduwpercentage is; - wat het gevraagde aantal gebouwen met een vluchtplek is; - een overzicht van de gebouwen met een vluchtplek in het project met daarbij de aantallen. Voorbeeld van overzicht schaduw in plan incl. schaduwpercentage t.o.v. projectgebied: Concept (van 29-6-2026 15:03) 41 Concept Afbeelding Schaduw in plan Voorbeeld van overzicht schaduw in plan incl. schaduwpercentage t.o.v.

projectgebied Afbeelding Schaduw in plan Voorbeeld van overzicht schaduw in plan incl. schaduwpercentage t.o.v. projectgebied g. Indien sprake is van een bouwplan wordt een doorsnede van de bebouwing en aanliggende straat/straten met hoogtes aangegeven in NAP. Dit toont ten minste aan de hoogte van de vluchtplek in NAP en buitendijks hoe schade wordt voorkomen bij een buitenwaterstand van NAP +4,3 m. NAP hoogtes kunnen geraadpleegd worden op de AHN website: https://viewer.ahn.nl/ Concept (van 29-6-2026 15:03) 42 Concept h. Met een beheerplan of nadere motivering wordt aangetoond hoe de groenblauwe maatregelen in stand gehouden worden met het oog op de zorgplicht die in paragraaf 14.7.3 is opgenomen. FFF De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 21.1 Toepassingsbereik kwaliteit openbaar toegankelijk gebied De begripsomschrijving 'inrichten openbaar toegankelijk gebied' is overgenomen uit het Hand- boek ontwerp openbare ruimte. GGG De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Artikel 25.10 Afdoening onder verantwoordelijkheid adviescommissie Dit Lid 1 van dit artikel is overgenomen vanuit de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Dordrecht. Er hebben daarbij geen beleidswijzigingen plaatsgevonden.

Lid 2 is toegevoegd in de derde wijziging van het omgevingsplan en formaliseert een al bestaande uit- voeringspraktijk. HHH Na sectie 29.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende: Afdeling 29.3 Bouwwerken Artikel 29.5 Delegatie locatie bouwvlakken Dit artikel is opgenomen om bij ontwikkelprojecten voor woningbouw maatwerk te kunnen toepassen. Dat kan twee kanten op werken. Soms blijkt na de bouw van woningen dat te ruime bouwmogelijk- heden zijn opgenomen. Met toepassing van dit artikel kunnen de bouwvlakken door het college worden aangepast aan de feitelijke situatie. In andere gevallen kunnen tijdens de ontwikkelfase nieuwe stedenbouwkundige inzichten dwingen tot aanpassing van de bouwvlakken. Met deze be- paling kan het college, in plaats van de gemeenteraad, de bouwvlakken wijzigingen. Concept (van 29-6-2026 15:03) 43 Concept Motivering Deel I Motivering Concept (van 29-6-2026 15:03) 44 Concept

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1186/documents/50174