Rapport Data en duiding sociaal domein - Dordrecht 2016-2019 - oktober 2020.pdf
Tekst van het document
Data & Duiding
Sociaal Domein
Ontwikkelingen in het sociaal domein van Dordrecht 2016-2019
Liesbeth Heering, Bart van der Aa & Kristel Kuijstermans-Lambregts
Partner voor bestuur en beleid
Inhoudsopgave 1
Gebruik van de regelingen uit de drie wetten
2
Gebruik voorzieningen naar wijk, stadsdeel en leeftijd
3
Combinaties van voorzieningen uit de drie wetten
4
Verdieping Jeugdzorg
5
Verdieping Participatiewet
6
Verdieping Wmo
7
Sociaal medische indicatie (SMI) en voor- en vroegschoolse educatie (VVE) Partner voor bestuur en beleid
Inleiding Vanaf 2015 voeren gemeenten taken uit in het sociaal domein die vallen onder de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). In deze rapportage staat het gebruik van de voorzieningen centraal die onder deze wetten vallen. De ontwikkelingen worden vanaf 2016 weergegeven omdat de cijfers vanaf dat jaar betrouwbaar zijn. De data is geput uit verschillende dashboards van het Onderzoekcentrum Drechtsteden (OCD), de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) en de Service Organisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid (SOJ).
Jeugdwet In de Jeugdwet heeft de gemeente een grote rol gekregen in de zorg en hulp voor kinderen en jeugdigen. Jeugdhulp wordt gedefinieerd als de hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. Naast jeugdhulp vallen ook Jeugdbescherming en Jeugdreclassering onder de Jeugdwet.
Participatiewet Iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, valt onder de Participatiewet. De wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking. Het gaat daarbij om mensen die recht hebben op een bijstandsuitkering, een minima regeling of een regeling voor ouderen die werkloos zijn geworden IOAW/IOAZ. In deze rapportage vormen de regelingen een geheel (P-wet voorzieningen).
Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) schrijft voor dat gemeenten er voor moeten zorgen dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. De gemeente geeft ondersteuning thuis via de voorzieningen uit deze wet en is dus verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen die niet zelfredzaam zijn.
Leeswijzer De ontwikkeling in het aantal cliënten met voorzieningen uit de drie wetten staat centraal in het eerste deel van de rapportage, met uitsplitsingen naar wijk, stadsdeel en leeftijd. Ook bekijken we de combinaties van voorzieningen. In het verdiepende tweede deel kijken we in detail naar de ontwikkelingen in de jeugdzorg, Participatiewet en Wmo. Tot slot hebben we aandacht voor sociaal medische indicaties (SMI) en voor- en vroegschoolse educatie (VVE).
3
Partner voor bestuur en beleid
1
Gebruik van de regelingen uit de drie wetten Partner voor bestuur en beleid
Jeugdwet, Participatiewet en Wmo Aantal gebruikers van de voorzieningen uit de drie wetten In de tabel hieronder wordt per wet weergegeven hoeveel inwoners er gebruik maken van een voorziening uit zo’n wet en hoe het gebruik zich heeft ontwikkeld over de jaren. In 2016 heeft de P-wet in verhouding het grootste aantal gebruikers met bijna 7.800 personen. In 2019 voert de Wmo de lijst aan met ruim 9.000 inwoners met een voorziening.
Aantal gebruikers van de voorzieningen uit de Jeugdwet, de P-wet en de Wmo per 1.000 inwoners, 2016 -2019
100 90
Om de eerste grove vergelijking in het gebruik van de voorzieningen uit de drie wetten te maken, geven we eerst de aantallen gebruikers weer per 1.000 inwoners van de bevolking, ongeacht leeftijd in de figuur hiernaast en in de pagina’s hierna.
80
Voor het aantal gebruikers van de Jeugdwet is de vergelijking met de aantallen gebruikers van de andere wetten gemankeerd, omdat het bij de Jeugdwet gaat om gebruikers tot 23 jaar. Om die reden zijn de cijfers over gebruik van jeugdhulp naar wijk weergegeven per 1.000 jeugdigen tot 23 jaar.
50
70 60
40 30 20 10 0 2016
Aantal gebruikers van voorzieningen 2016 2017 2018 2019
Jeugdwet 2.693 2.443 2.663 2.764
P-wet 7.766 7.981 8.156 8.103
Wmo 6.711 8.054 8.368 9.102
2017
Jeugdwet
2018
P-wet
2019
WMO
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
5
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdwet, Participatiewet en Wmo Relatieve ontwikkeling in het aantal gebruikers Om de ontwikkeling in het aantal gebruikers van de voorzieningen uit de wetten te volgen in de tijd is het jaar 2016 gekozen als basis (=100) en worden de ontwikkelingen sindsdien daarmee vergeleken. In de tabel hieronder staan de getallen die ook in de figuur hiernaast staan.
Relatieve ontwikkeling van het aantal gebruikers met een voorziening uit de Jeugdwet, de P-wet en de Wmo, 2016-2019 (2016=100) 140
In 2019 is het aantal gebruikers van een Wmo voorziening 36% hoger (index 136) dan in 2016 (index 100).
Het gebruik van jeugdzorgvoorzieningen daalde tussen 2016 en 2017, en steeg vervolgens naar het huidige niveau met 3% naar index 103. Als we het aantal jeugdigen met een jeugdwetvoorziening betrekken op het aantal jeugdigen tot 23 jaar zien we dat het aantal gebruikers tussen 2018 en 2019 toeneemt van 8,9 % in 2018 naar 9,3% in 2019 (niet in figuur of tabel). Dit getal ligt iets onder het landelijk gemiddelde van 9,6% in 2019.
index (2016=100)
Het aantal gebruikers van de Participatiewet steeg ook, maar in bescheiden mate (index gaat van 100 naar 104).
130
120 110 100 90 80
70 60 2016
2017 Jeugdwet
Index aantal inwoners met een voorziening 2016 2017 2018 2019
Jeugdwet
P-wet
Wmo
100 91 99 103
100 103 105 104
100 120 125 136
2018 P-wet
2019 WMO
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
6
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdwet, P-wet en Wmo in de regio Aantal gebruikers van de voorzieningen uit de drie wetten in de regio Drechtsteden
Aantal gebruikers van de voorzieningen uit de Jeugdwet, de P-wet en de Wmo per 1.000 inwoners, 2016 -2019
Deze dia geeft het gebruik van de drie wetten in de regio Drechtsteden* weer. De tabel hieronder laat het totaal aantal gebruikers zien in de periode 2016-2019. In de figuren hiernaast zijn de aantallen weer omgerekend naar het aantal gebruikers per 1.000 inwoners. Op deze manier kunnen we een goede vergelijking maken met de gemeente Dordrecht.
Met betrekking tot de Jeugdwet zien we dat zowel het aantal gebruikers als de ontwikkeling in de tijd vergelijkbaar is tussen Dordrecht en de regio.
Jeugdwet
P-wet
Wmo
90
90
90
80
80
80
70
70
70
60
60
60
50
50
50
De verschillen in het Wmo-gebruik zijn gering. In 2016 en 2017 zagen we in Dordrecht een iets lager gebruik dan in de regio, vanaf 2018 is het gebruik in Dordrecht juist iets hoger. De ontwikkeling in het gebruik per 1.000 inwoners verloopt in de regio iets anders dan in Dordrecht, waar we enkel een stijgende lijn zien.
40
40
40
30
30
30
20
20
20
10
10
10
* In 2016 en 2017 exclusief Hardinxveld-Giessendam, in 2018 en 2019 inclusief Hardinxveld-Giessendam.
0
Het gebruik van de P-wet ligt in Dordrecht daarentegen veel hoger dan in de regio. In steden zien we doorgaans meer inwoners die ondersteuning nodig hebben.
0 2016
2017
2018
Drechtsteden
2019
Dordrecht
0 2016
2017
Drechtsteden
2018
2019
Dordrecht
2016
2017
Drechtsteden
2018
2019
Dordrecht
Aantal gebruikers in de Drechtsteden 2016 2017 2018 2019
Jeugdwet 6.158 5.953 6.654 6.894
P-wet 13.464 14.013 14.295 14.181
Wmo 15.839 18.750 19.442 21.035
Bron: Dashboard OCD, augustus 2020
7
Partner voor bestuur en beleid
2 Gebruik voorzieningen naar wijk, stadsdeel en leeftijd Partner voor bestuur en beleid
Jeugdzorg & wijk Aantal jeugdigen met een jeugdhulpvoorziening per 1.000 jeugdigen onder 23 jaar per wijk, 2016 - 2019 Aantal jeugdigen met een jeugdzorgvoorziening per 1.000 jeugdigen tot 23 jaar per wijk Het gebruik van jeugdhulpvoorzieningen per wijk betrekken we hier op de leeftijdsgroep waarvoor deze voorzieningen bedoeld zijn; jongeren tot 23 jaar. De verschillen tussen wijken zijn daarmee niet meer toe te schrijven aan verschillen in leeftijdsopbouw. In 2019 is het gebruik van jeugdzorg het grootst in Sterrenburg, Het Reeland en Crabbehof/Zuidhoven, met om en nabij de 100 gebruikers per 1.000 jeugdigen (= 10%). In Dubbeldam vinden we relatief gezien de minste jongeren met een jeugdzorgvoorziening (76 op de 1.000). In de figuur zien we eveneens verschillen tussen de wijken in de ontwikkeling in de tijd. Met name in de wijken Binnenstad, Staart, Sterrenburg en Crabbehof/Zuidhoven steeg het gebruik flink tussen 2018 en 2019. In andere wijken steeg het gebruik minder hard of daalde het zelfs licht.
120 100 80
60 2016
40
2017
2018
20
2019 0
Verschillen tussen wijken hebben te maken met de verschillen in het percentage eenoudergezinnen, een relatie die we ook in de landelijke cijfers zien. Uit de literatuur weten we dat verschillen in armoede, etniciteit, psychische problemen bij ouders en een laag geboortegewicht van baby's gerelateerd zijn aan jeugdhulpgebruik.
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
9
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdzorg & stadsdeel Aantal jeugdigen met een jeugdzorgvoorziening per 1.000 jeugdigen onder 23 jaar per stadsdeel, 2016 - 2019 Aantal jeugdigen met een jeugdzorgvoorziening per 1.000 jeugdigen tot 23 jaar per stadsdeel Op de vorige pagina zagen we duidelijke verschillen tussen wijken. Wanneer we de cijfers per stadsdeel bekijken, zijn de verschillen een stuk kleiner. Elk stadsdeel volgt bovendien dezelfde ontwikkeling, gelijk aan de beweging die we in geheel Dordrecht zien (zie hoofdstuk 1). Na een lichte daling tussen 2016 en 2017 zien we vanaf 2017 een stijging in het aantal jeugdigen met een jeugdzorgvoorziening.
100 90 80
70 60 50 40 2016
30
2017
20
.
2018 2019
10
0 Centrum
Toelichting:
West
Oost
Centrum = Binnenstad, Het Reeland, Noordflank en Staart West = Crabbehof/Zuidhoven, Nieuw Krispijn, Oud Krispijn en Wielwijk Oost = Dubbeldam, Stadspolders en Sterrenburg
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
10
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdhulp & leeftijd Leeftijdsverdeling van de gebruikers van een jeugdhulpvoorziening en van de Dordtse bevolking tot 23 jaar Jeugdigen kunnen tot 23 jaar gebruik maken van de jeugdwet. De figuur hiernaast geeft weer hoe de gebruikers zijn verdeeld over de verschillende leeftijdscategorieën. De meeste cliënten, ongeveer de helft, zijn tussen de 5 en 12 jaar oud. 39% is tussen de 13 en 17 jaar oud.
Leeftijdsverdeling van gebruikers van een jeugdhulpvoorziening en van de bevolking tot 23 jaar, per januari 2019, in %
Aandeel cliënten jeudwet
Aandeel in bevolking tot 23 jaar
Het aandeel cliënten in de jeugdzorg is afgezet tegen de leeftijdsverdeling in de Dordtse bevolking. In de jongste (0 t/m 4 jaar) en oudste (18 t/m 22 jaar) leeftijdscategorie vinden we een veel kleiner aandeel gebruikers dan in de middelste twee leeftijdscategorieën.
4 18-22
3 13-17
Cijfers zijn alleen hier gebaseerd op cliëntenaantal op basis declaraties ZiN én PGB en hebben bovendien alleen betrekking op de gebruikers van jeugdhulp (=80,4% van de jeugdwet gebruikers) en niet van jeugdbescherming (=16%) en jeugdreclassering (=3,5%).
60%
40%
20%
0%
2
5-12
1
0-4
0%
20%
40%
60%
Bron: Dashboard SOJ, september 2020
11
Partner voor bestuur en beleid
Participatiewet & wijk Aantal gebruikers van een voorziening uit de Participatiewet per 1.000 inwoners per wijk Het gebruik van de voorzieningen uit de Participatiewet is in zekere zin een afspiegeling van verschillen in welstand tussen wijken. Daarbij moet worden opgemerkt dat er natuurlijk ook verschillen in welstand tussen buurten en delen in wijken zijn, die we op deze manier niet in beeld hebben. De wijk Crabbehof/Zuidhoven bijvoorbeeld heeft in 2017 het hoogste percentage huishoudens met een laag inkomen. Ruim zes op de tien huishoudens in die wijk hebben een laag inkomen. Dit gegeven van relatieve lage welvaart verklaart mede haar hoge positie in de figuur hiernaast.
In Wielwijk en Nieuw Krispijn ligt het percentage huishoudens met een laag inkomen praktisch even hoog (beide 59%), toch is het beroep op P-wetvoorzieningen flink lager in Nieuw Krispijn en flink hoger in Wielwijk. In Wielwijk is 60% en Nieuw-Krispijn 50% van de woningen een huurwoning van een woningcoöperatie, terwijl het percentage in Dordrecht als geheel 30% is (bron: waar-staat-je-gemeente). Het percentage huurwoningen is een andere indicator voor relatieve welstand van een wijk en heeft daarmee ook een zekere samenhang met het gebruik van voorzieningen uit de Participatiewet.
Aantal gebruikers van een voorziening uit de Participatiewet per 1.000 inwoners per wijk, 2016 - 2019
120
100
80
60 2016 40
2017 2018
20
2019 0
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
12
Partner voor bestuur en beleid
Participatiewet & stadsdeel Aantal gebruikers van een voorziening uit de Participatiewet per 1.000 inwoners per stadsdeel, 2016 - 2019 Aantal gebruikers van een voorziening uit de Participatiewet per 1.000 inwoners per stadsdeel Het gebruik van voorzieningen uit de Participatiewet verschilt sterk per stadsdeel. In 2019 maakte 2% van de inwoners (20 van de 1.000) van stadsdeel Oost gebruik van een dergelijke voorziening, in West was dit ruim 7% (73 van de 1.000).
Ook de ontwikkeling in de tijd varieert per stadsdeel. In Centrum zien we een dalende trend, in Oost neemt het gebruik daarentegen licht toe tussen 2016 en 2019.
90
80 70 60 50
2016
40
2017 2018
30
2019
20 10
0 Centrum
Toelichting:
West
Oost
Centrum = Binnenstad, Het Reeland, Noordflank en Staart West = Crabbehof/Zuidhoven, Nieuw Krispijn, Oud Krispijn en Wielwijk Oost = Dubbeldam, Stadspolders en Sterrenburg
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
13
Partner voor bestuur en beleid
Participatiewet & leeftijd Leeftijdsverdeling van de gebruikers van een bijstandsuitkering of voorziening uit de IOAW/IOAZ en van de Dordtse bevolking
Leeftijdsverdeling van gebruikers van een P-wet voorziening en van de bevolking, per 1-1-2019, in %
De gebruikers van een bijstandsuitkering of voorziening uit de IOA/IOAZ zijn tussen de 20 en 67 jaar oud. Het gebruik is het grootst in de leeftijdscategorie 55 t/m 64 jaar.
Aandeel in bevolking
Bijna 30% van de mensen met een uitkering uit de Pwet zijn 55+er zijn daarmee kwetsbaar om in armoede te vervallen.
Aandeel cliënten P-wet
9
85+
8 75 t/m 85 7 65 t/m 74 6 55 t/m 64
5 45 t/m 54 4 35 t/m 44 3 25 t/m 34
2 18 t/m 24
De gebruikers van een minimaregeling zijn niet opgenomen in deze figuur. Er is geen data in de dashboards van de SDD beschikbaar waarmee we een totaal overzicht van het gebruik van de P-wet naar leeftijdscategorie kunnen laten zien.
1 30%
20%
10%
0%
<18 0%
10%
20%
30%
Bron: Dashboard SDD, augustus 2020
14
Partner voor bestuur en beleid
Wmo & wijk Aantal gebruikers van een Wmo-voorziening per 1.000 inwoners per wijk, 2016 - 2019 Aantal gebruikers van een Wmo-voorziening per 1.000 inwoners per wijk Het verschil in niveau van het gebruik van Wmo voorzieningen per wijk is het meest in het oog lopend in de figuur hiernaast. De ontwikkeling in het aantal gebruikers van elke wijk over de jaren gaat overal omhoog. Met een stijging van 8,8% tussen 2018 en 2019 voor Dordrecht als geheel, is dat geen verrassing. In de wijken Crabbehof/Zuidhoven, Staart en Wielwijk wordt het grootste beroep gedaan op Wmovoorzieningen, met meer dan 100 gebruikers per 1.000 inwoners. Het gebruik is het laagst in Het Reeland en Stadspolders. De ontwikkeling in het gebruik tussen 2016 en 2019 volgt in alle wijken hetzelfde patroon. De leeftijdsopbouw van een wijk is cruciaal om verschillen in niveau te verklaren, net als bij de het gebruik van jeugdzorgvoorzieningen, alleen nog sterker.
Zowel het gebruik van voorzieningen uit de P-wet als het gebruik van voorzieningen uit de Wmo ligt hoog in de wijken Crabbehof/Zuidhoven en Wielwijk.
140
120
100
80 2016
60
2017 2018
40
2019 20
0
Bron: Dashboard OCD, mei 2020 15
Partner voor bestuur en beleid
Wmo & stadsdeel Aantal gebruikers van een Wmo-voorziening per 1.000 inwoners per stadsdeel, 2016 - 2019 Aantal gebruikers van een Wmo-voorziening per 1.000 inwoners per stadsdeel Het aantal gebruikers van een Wmo-voorziening verschilt per stadsdeel, al zijn de verschillen niet zo groot als bij het gebruik van voorzieningen uit de Participatiewet. In stadsdeel West vinden we relatief gezien de meeste inwoners met een Wmo-voorziening, in Oost de minste. Het aantal inwoners met een Wmo-voorziening ontwikkelt zich in alle drie de stadsdelen vergelijkbaar.
120
100
80 2016 2017
60
2018 2019
40
20
0 Centrum Toelichting:
West
Oost
Centrum = Binnenstad, Het Reeland, Noordflank en Staart West = Crabbehof/Zuidhoven, Nieuw Krispijn, Oud Krispijn en Wielwijk Oost = Dubbeldam, Stadspolders en Sterrenburg
Bron: Dashboard OCD, mei 2020 16
Partner voor bestuur en beleid
Wmo & leeftijd Leeftijdsverdeling van de gebruikers van een WMO voorziening en van de Dordtse bevolking
Leeftijdsverdeling van gebruikers van een WMO voorziening en van de bevolking in Dordrecht, per 1-1-2019, in %
Ouderen vormen de grootste, maar niet de enige groep voor de Wmo voorzieningen. Onder de Wmo vallen ook voorzieningen als beschermd wonen en individuele begeleiding.
Aandeel in bevolking
Aandeel wmo-clienten 9
85+
8 75t/m 85
7 65 t/m 74 6 55 t/m 64 5 45 t/m 54
4 35 t/m 44 3 25 t/m 34 2 18 t/m 24 1
30%
20%
10%
0%
<18 0%
10%
20%
30%
Bron: Dashboard SDD, augustus 2020
17
Partner voor bestuur en beleid
3 Combinaties van voorzieningen uit de drie wetten Partner voor bestuur en beleid
Combinaties van voorzieningen Relatieve ontwikkeling van de combinaties van voorzieningen per huishouden, 2016 – 2019 (2016 =100) Relatieve ontwikkeling van de combinaties van voorzieningen uit de drie wetten
220
Deze figuur toont de relatieve ontwikkeling van het aantal toegekende voorzieningen en de voorkomende combinaties per huishouden, met 2016 als basis voor de vergelijking.
Opgemerkt moet worden dat de combinatie Wmo en Jeugdwet wel een overschatting zal zijn van de werkelijkheid. Op de leeftijd van 18 jaar stromen jeugdigen door van de Jeugdwet naar de Wmo. Op dit moment wordt de overdracht van Jeugdwet naar Wmo in het dashboard echter ook geteld als combinatie. Het aandeel huishoudens waaraan alle drie voorzieningen worden verstrekt, neemt ook duidelijk toe (+55% sinds 2016). Oftewel, van 55 naar 85 huishoudens. Het aandeel huishoudens waarin alleen de Participatiewet, alleen de Jeugdwet en zowel de Participatiewet als de Jeugdwet wordt gebruikt, ligt in 2019 wat lager dan in 2016.
180
index (2016=100)
De grootste toename zien we in de combinatie van Wmo en Jeugdwet. Binnen vier jaar is het aandeel huishoudens met deze combinatie verdubbeld. In absolute aantallen is het een toename van 90 naar 195 huishoudens. Er zijn steeds meer huishoudens waarbij zowel ouder als kind in één gezin begeleiding krijgen.
200
160
140
120
100
80 2016
2017
2018
2019
alleen Jeugdwet
alleen Participatiewet
alleen WMO
Participatiewet en Jeugdwet
WMO en Jeugdwet
WMO en Participatiewet
WMO, Participatiewet en Jeugdwet
Bron: Dashboard OCD, mei 2020
19
Partner voor bestuur en beleid
4
Verdieping Jeugdzorg Partner voor bestuur en beleid
Jeugdzorg & kostenontwikkeling Relatieve ontwikkeling in de kosten van de jeugdzorg
Relatieve ontwikkeling in de kosten van de jeugdzorg in 2016begin 2020 (feb 2016=100)
In de tabel hieronder staan de bedragen die per jaar zijn uitgegeven aan jeugdhulpvoorzieningen voor Zorg in Natura (ZiN) in Dordrecht. De kosten voor de zorg van de Jeugdprofessional in het sociaal wijkteam zijn hier niet in betrokken, wel de zorg die voorkomt uit de verwijzingen die zij doen.
Aangezien het aantal jongeren dat via de Jeugdwet wordt geholpen sinds 2016 min of meer gelijk is gebleven (zie pagina 5), kunnen we concluderen dat de kosten per jongere die via de Jeugdwet wordt geholpen duidelijk toenemen.
140
120
Index (feb 2016=100)
In 2019 wordt bijna 20% meer uit gegeven aan jeugdzorgvoorzieningen dan in 2016. Om de kosten door de tijd te kunnen volgen is de maand februari 2016 gekozen als basis voor de maandelijkse kosten voor de Jeugdwet en wordt de ontwikkeling sindsdien daarmee vergeleken. In de figuur hiernaast zien we dat, hoewel de kosten per maand wat variëren, er wel een duidelijke toename in de kosten is door de tijd (gestippelde lijn geeft de trend weer). In vakantieperiodes is de inzet van zorg vaak minder, terwijl in de periode daarvoor en daarna er meer inzet is.
160
100
80
60
40
20
Totale kosten in euro’s per jaar 2016 2017 2018 2019
Kosten in miljoen euro’s 23.888 22.719 24.731 26.496
0
jan-16 apr
juli
okt jan-17 apr
juli
okt jan-18 apr
juli
okt jan-19 apr
juli
okt jan-20
Bron: Dashboard SOJ, mei 2020
21
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdzorg & type voorziening Ontwikkeling van het aantal jeugdigen naar type jeugdzorgvoorziening
Ontwikkeling van het aantal cliënten in de jeugdhulp naar type jeugdhulpvoorziening, 2016-2019
Het gebruik van de voormalige AWBZ voorzieningen neemt nog behoorlijk toe onder Dordtse jeugdigen in de loop van de jaren, terwijl het beroep op de BGGZ voorzieningen afneemt. EED is relatief klein net als LTA en vervoer. Het beroep op J&O nam eerst af en daarna in 2019 weer toe. Pleegzorg in combinatie met uit huis geplaatste kinderen blijft ongeveer gelijk. De gespecialiseerde GGZ kent het grootste aantal cliënten.
1600 1400 1200 1000
800 600
Afkortingen voorzieningen AWBZ
Omschrijving Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BGGZ
Basis Geestelijke Gezondheidszorg
EED
Ernstige Eenvoudige Dyslexie tot 13 jaar
J&O
(Ambulante) Jeugd- en Opvoedingsproblematiek
JBJR
Jeugdbescherming & Jeugdreclassering
LTA
Landelijk Transitie Arrangement
Pleegzorg bij uit huis plaatsingen
SGGZ
Gespecialiseerde Geestelijke Gezondheidszorg
400
200 0 AWBZ
BGGZ
EED
J&O 2016
JBJR 2017
2018
LTA
Pleegzorg
SGGZ
Vervoer
2019
Bron: Dashboard SOJ, mei 2020 22
Partner voor bestuur en beleid
Kosten & type voorziening Ontwikkeling van de kosten van de jeugdzorg naar type voorziening
Ontwikkeling van de totale kosten naar type jeugdzorgvoorziening in miljoenen, 2016 -2019
De combinatie van pagina 21 en 22 levert een interessant beeld op. De hoogste bedragen worden niet uitgegeven aan de zorg met de meeste cliënten. De kosten van de gespecialiseerde GGZ – met de meeste cliënten – zijn lager dan die voor Jeugd en Opvoed ondersteuning (J&O). De reden daarvoor is dat het overgrote deel van de 24 uurszorg onder J&O valt. Het gaat dan om behandelplekken, gesloten jeugdzorg en gespecialiseerde woonvoorzieningen. De kosten voor deze trajecten liggen tussen €50.000 en €100.000 per jaar en zijn daarmee vele malen duurder dan een ambulant SGGZ traject.
Miljoenen
De kosten voor voormalige AWBZ zorg stijgen flink met name in het laatste jaar van deze reeks. De kosten voor gespecialiseerde GGZ stijgen ook, maar minder snel. Dit komt mede doordat het aantal cliënten steeg. 9 8 7 6
5 4 3
Afkortingen voorzieningen
2
AWBZ
Omschrijving Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
1
BGGZ
Basis Geestelijke Gezondheidszorg
0
EED
Ernstige Eenvoudige Dyslexie tot 13 jaar
J&O
(Ambulante) Jeugd- en Opvoedingsproblematiek
JBJR
Jeugdbescherming & Jeugdreclassering
LTA
Landelijk Transitie Arrangement
AWBZ
BGGZ
EED
J&O 2016
JBJR 2017
2018
LTA
Pleegzorg
SGGZ
Vervoer
2019
Pleegzorg bij uit huis plaatsingen SGGZ
Gespecialiseerde Geestelijke Gezondheidszorg
Bron: Dashboard SOJ, mei 2020 23
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdzorg & verwijzers Ontwikkeling in het aantal jeugdigen met jeugdzorg naar type verwijzer De cijfers in de figuur hiernaast zijn gebaseerd op declaraties. Bij de gecertificeerde instelling gaat het veelal om gerechtelijke instanties zoals rechters, officieren van Justitie en functionarissen van justitiële jeugdinrichtingen, maar ook om jeugdbeschermers. Deze instellingen zijn flink meer gaan verwijzen in de afgelopen jaren. Bij de verwijzingen van het sociaal wijkteam is het de jeugdprofessional die een verwijzing regelt. Een toename in verwijzingen door het sociaal wijkteam hoeft overigens niet te betekenen dat er ook hogere kosten zijn gemaakt. De groep medisch verwijzers bestaat voor het grootste deel uit huisartsen en voor een veel kleiner maar groeiend deel uit medisch specialisten. De figuur laat een stijging in het aantal verwijzingen zien. Het gaat hierbij echter vaak om verlengingen.
De categorie overig is van 2016 naar 2017 sterk afgenomen door administratieve redenen. Er is in 2016 een tijd lang verkeerd geregistreerd in het beschikkingssysteem.
Ontwikkeling van het aantal jeugdigen met een verwijzing naar jeugdzorg, naar verwijzer 2016-2019 1800
1600 1400 1200
1000 800 600
400 200 0 Gecertificeerde instelling
Sociaal Wijkteam 2016
2017
Medisch verwijzer 2018
Overig
2019
Bron: Dashboard SOJ, mei 2020
24
Partner voor bestuur en beleid
Jeugdzorg & aanbieders Ontwikkeling van het aantal aanbieders in de jeugdhulp In de figuur hiernaast zien we de ontwikkeling van het aantal aanbieders van jeugdzorg. In de jaren 2016 – 2019 neemt bijna alles toe: het totaal aantal aanbieders, het aantal middelgrote en grote aanbieders en ook – in de eerste drie jaren – het aantal kleine aanbieders. Tegen deze achtergrond kijken we op de volgende pagina naar andere aspecten van die aanbieders.
Ontwikkeling van het aantal aanbieders van jeugdzorg naar grootteklasse van de aanbieder, 2016-2019
140
8
120
10
7
100
80
7
37
43
80
77
2018
2019
35 35
60
40 59
68
20
0 2016 minder dan 10 jongeren
2017
10 tot en met 99 jongeren
100 of meer jongeren
Bron: Dashboard SOJ, mei 2020 25
Partner voor bestuur en beleid
Kosten & grootte van aanbieder Grootte van aanbieders en gemiddelde jaarlijkse kosten Wat zijn de kosten per cliënt als er rekening wordt gehouden met de grootte van de aanbieder? Met andere woorden, zijn zorgverleners die veel jongeren helpen relatief duur of goedkoop? En hoe ontwikkelt zich dit? De figuur hiernaast is bedoeld om op die vragen antwoorden te geven. Er is een duidelijke trend zichtbaar: bij de kleine aanbieders zijn kosten hoger, en deze stijgen ook duidelijk. Bij de grotere aanbieders dalen de kosten juist. Op basis hiervan zonder meer conclusies trekken kan niet, omdat we niet weten wat voor soort zorg de kleine aanbieders bieden. Misschien bieden deze organisaties zeer specialistische hulp, waardoor ze per definitie duur(der) zijn.
Gemiddelde jaarlijkse kosten per cliënt naar grootteklasse van jeugdzorgaanbieder in euro’s, 2016 - 2019
25.000
20.000
15.000
10.000
5.000
0 2016 minder dan 10 jongeren
2017 10 tot en met 99 jongeren
2018
2019
meer dan 100 jongeren
Bron: Dashboard SOJ, mei 2020
26
Partner voor bestuur en beleid
5
Verdieping Participatiewet Partner voor bestuur en beleid
P-wet & kosten Relatieve ontwikkeling in de uitgaven aan voorzieningen Pwet, 2016-2019 (2016 = 100)
Relatieve ontwikkeling in de uitgaven aan voorzieningen uit de P-wet We onderscheiden in de figuur hiernaast en in de tabel hieronder drie voorzieningen binnen de P-wet: inkomensondersteuning, participatiebudget en minimabeleid. De tabel laat zien dat de uitgaven voor inkomensondersteuning verreweg het hoogst zijn, zo’n 60 miljoen euro per jaar. Deze kosten blijven vrijwel gelijk in de periode 2016-2019. Met het participatiebudget en het minimabeleid zijn minder kosten gemoeid. Deze kosten nemen af tussen 2016 en 2019. De uitgaven aan het participatiebudget dalen met 36% tot 4,7 miljoen euro in 2019. De kosten voor het minimabeleid bedragen in 2019 ruim 3 miljoen euro en dat is 25% lager dan in 2016.
120
110
100
90
80
70
60
50
40 2016
Uitgaven aan voorzieningen P-wet (in miljoenen euro’s) 2016 2017 inkomensondersteuning 60,2 61,0 participatiebudget 7,4 7,4 minimabeleid 4,4 5,0
2017
inkomensondersteuning
2018 60,0 4,2 3,3
2019 58,7 4,7 3,3
2018
participatiebudget
2019
minimabeleid
Bron: jaarverslagen SDD
28
Partner voor bestuur en beleid
Schuldhulpverlening Aantal unieke klanten schuldhulpverlening
Aantal unieke klanten met een aanvraag schuldhulpverlening, 2017-2019
Tussen 2017 en 2019 groeit het aantal inwoners dat een aanvraag doet voor schuldhulpverlening. In 2017 waren dit er 638, in 2019 is dit met 23% gegroeid tot 786.
1000
800
600
769
786
2018
2019
638
400
200
0 2017
Bron: SDD
29
Partner voor bestuur en beleid
6
Verdieping Wmo Partner voor bestuur en beleid
Wmo & type indicatie Ontwikkeling van het aantal indicaties per type Wmo-voorziening De figuur hiernaast laat zien hoe het aantal indicaties zich heeft ontwikkeld tussen 2016 en 2019 voor de acht WMO voorzieningen met de meeste indicaties. Vervoer kent verreweg de meeste indicaties. Opgemerkt moet worden dat een groot deel van deze indicaties bestaat uit de voorziening Drechthopper. Ook voor hulp in het huishouden worden veel indicaties afgegeven. Vanaf januari 2019 zien we een sterke stijging in het aantal indicaties, waarschijnlijk als gevolg van de invoering van het abonnementstarief. Over het algemeen neemt voor alle voorzieningen het aantal indicaties toe tussen 2016 en 2019.
Ontwikkeling van het aantal indicaties per type Wmovoorziening, 2016-2019 6.000
5.000
4.000
3.000
2.000
1.000
0 jan-16
jul-16
jan-17
jul-17
jan-18
jul-18
jan-19
jul-19
hulp bij huishouden
vervoer
begeleiding
beschermd wonen
dagbesteding
rolstoel
opvang
woonvoorziening
jan-20
Toelichting: voor beschermd wonen werkt de SDD vanaf juli 2017 met nieuwe productcodes, voor dagbesteding vanaf december 2019. De data voor deze maanden zijn niet in de figuur opgenomen vanwege dubbeltellingen in deze maanden.
Bron: Dashboard SDD, augustus 2020
31
Partner voor bestuur en beleid
Combinaties binnen de Wmo (1) Meest voorkomende combinaties van Wmo-voorzieningen De figuren hiernaast geven weer welke combinaties van voorzieningen binnen de Wmo het meest voorkomen. We kijken op deze pagina naar de twee voorzieningen met de meeste indicaties: vervoervoorzieningen en hulp bij het huishouden. Per voorziening is weergegeven welke drie combinaties het meest voorkomen.
Meest voorkomende combinaties van Wmo-voorzieningen, 2019
5048
totaal vervoervoorziening 2088
vervoervoorziening
hulp bij huishouden
800
rolstoel woonvoorziening
628
Van de 5.048 cliënten met een vervoervoorziening in 2019, maakten 2.088 cliënten ook gebruik van hulp in het huishouden. 800 cliënten hadden naast hun vervoervoorziening een rolstoel en 628 een woonvoorziening. In de figuur over hulp bij het huishouden zien we dezelfde combinaties terug.
0
1.000
2.000
3.000
4.000
Door deze combinaties van voorzieningen kunnen cliënten langer zelfstandig blijven wonen.
5.000
6.000
3954
totaal hulp bij huishouden 2088
hulp bij huishouden
0
vervoervoorziening
455
woonvoorziening
438
rolstoel
1.000
2.000
3.000
4.000
5.000
Toelichting: de figuren bevatten unieke cliënten
Bron: Dashboard SDD, augustus 2020
32
Partner voor bestuur en beleid
Combinaties binnen de Wmo (2) Meest voorkomende combinaties van Wmo-voorzieningen Op deze pagina kijken we naar de drie Wmovoorzieningen die relatief duur zijn.
Meest voorkomende combinaties van Wmo-voorzieningen, 2019 1640
totaal begeleiding 396
hulp bij huishouden
begeleiding
Van de 1.640 cliënten met begeleiding heeft bijna een kwart ook een indicatie voor hulp in de huishouding en een op de vijf een indicatie voor een vervoervoorziening.
318
vervoervoorziening dagbesteding
185
0
500
1.000
1.500
Bijna een vijfde (174) van de mensen met een indicatie beschermd wonen (876) heeft er een andere voorziening binnen beschermd wonen bij. De overige twee combinaties zijn heel klein in getal. Het talrijkst zijn de combinaties van mensen met een indicatie dagbesteding (658 in het totaal); 58% maakt ook gebruik van een vervoerdienst, 41% van een vervoervoorziening en 38% heeft hulp bij het huishouden.
2.000
totaal beschermd wonen
876
overige beschermd wonen en opvang
174
beschermd wonen
63
begeleiding
49 0
vervoervoorziening 250
500
750
1.000
658
totaal dagbesteding
384
dagbesteding
vervoerdienst
271
vervoervoorziening hulp bij huishouden
249 0
250
500
750
1.000
Toelichting: de figuren bevatten unieke cliënten
Bron: Dashboard SDD, augustus 2020
33
Partner voor bestuur en beleid
Wmo & kosten Relatieve ontwikkeling in de uitgaven aan Wmo-voorzieningen, 2016-2019 (2016 = 100)
Relatieve ontwikkeling in de uitgaven aan Wmo-voorzieningen In de figuur hiernaast en de tabel hieronder zien we dat de voorzieningen met de meeste indicaties niet zondermeer de voorzieningen zijn met de hoogste kosten. Deze informatie is afkomstig uit de jaarverslagen van de SDD. De hoogste bedragen binnen de Wmo worden uitgegeven aan begeleiding & kortdurend verblijf en huishoudelijke ondersteuningshulp. Voor begeleiding worden naar verhouding echter weinig indicaties afgegeven. Een sterke toename van het aantal en de zwaarte van de indicaties zorgden voor een toename in de lasten (bron: jaarverslag 2018 SDD).
160 150 140 130 120
110 100 90 80 2016
Uitgaven aan Wmo-voorzieningen (in miljoenen euro’s) 2016 2017 begeleiding en kortdurend verblijf 7,0 8,9 huishoudelijke ondersteuningshulp 6,6 6,4 Drechthopper 1,7 2,0 individueel vervoer 0,8 0,8 hulpmiddelen: wonen 0,5 0,6 hulpmiddelen: rolstoelen 0,7 0,7
2018 10,1 6,8 2,3 0,9 0,6 0,7
2019 10,8 8,0 2,5 1,0 0,8 0,7
2017
2018
2019
huishoudelijke ondersteuningshulp
hulpmiddelen: rolstoelen
hulpmiddelen: wonen
begeleiding en kortdurend verblijf
individueel vervoer
Drechthopper
Bron: jaarverslagen SDD
34
Partner voor bestuur en beleid
7
Sociaal medische indicatie (SMI) en voor- en vroegschoolse educatie (VVE) Partner voor bestuur en beleid
Sociaal medische indicatie Aantal afgegeven sociaal medische indicaties, 2019 Sociaal medische indicatie (SMI) Ouders die om sociale en/of medische redenen tijdelijk niet in staat zijn om voor hun kind(eren) te zorgen, kunnen in aanmerking komen voor een sociaal medische indicatie (SMI). Met een SMI krijgen kinderen de mogelijkheid om tijdelijk naar de kinderopvang te gaan om ouders te ontlasten. Tot en met 2018 werden de sociaal medische indicaties door de Sociale Dienst Drechtsteden afgegeven. In 2019 is deze taak overgedragen aan de gemeenten. Op dit moment hebben we alleen cijfers over 2019 beschikbaar.
9
19 gezinnen
In 2019 zijn 29 indicaties afgegeven, waarvan 9 verlengingen. In totaal ontvingen 19 gezinnen een indicatie, waarbij het ging om 24 kinderen.
20
nieuwe indicatie
verlenging
24 kinderen
Bron: gemeente Dordrecht 36
Partner voor bestuur en beleid
Voor- en vroegschoolse educatie Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) Kinderen tot 4 jaar met een (risico) op onderwijsachterstand kunnen via het consultatiebureau een VVEindicatie krijgen. Op de kinderopvang kunnen deze kinderen voorschoolse educatie volgen om onderwijsachterstanden te voorkomen of te verminderen.
In 2018 werden in totaal 546 VVE-indicaties afgegeven. In 2019 waren dit er 641, een stijging van 17%. De figuur hiernaast laat per wijk zien hoeveel 0 t/m 3 jarigen een indicatie kregen. De meest voorkomende redenen voor het afgeven van een VVE-indicatie zijn anderstalige ouders met onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal, een laag opleidingsniveau van beide ouders of een achterstand in taal/spraakontwikkeling (zie tabel hieronder). Een combinatie van de eerste twee redenen komt regelmatig voor. Niet alle VVE-indicaties worden verzilverd. Ouders geven aan geen interesse hiervoor te hebben of kinderen gaan al naar een kinderopvang waar geen vveprogramma wordt aangeboden. Betrouwbare cijfers over het aantal indicaties dat niet gebruikt wordt zijn niet beschikbaar.
Aandeel 0 t/m 3 jarigen met een VVE-indicatie, per wijk, 20182019 (%) 30
20
10
2018 2019
0
Belangrijkste redenen voor VVE-indicatie thuistaal opleiding ouders taalspraak
2018
2019
55% 30% 15%
61% 25% 13% Bron: Consultatiebureaus Careyn
37
Partner voor bestuur en beleid
Contact Data & duiding in het sociaal domein Onderzoekcentrum Drechtsteden 6 oktober 2020 Industrieweg 11 3361 HJ Sliedrecht
Postbus 619 3300 AP Dordrecht Telefoon 078 770 3905
Website onderzoekcentrumdrechtsteden.nl
Partner voor bestuur en beleid