Plan van aanpak moestuinen 261124.pdf
Tekst van het document
Het grootste verschil bestaat hieruit dat is overgegaan van een zone indeling in cirkels rondom het emissiepunt naar meer ellipsvormige zones, die zijn afgestemd op de overheersende windrichtingen.
Arcadis Nederland B.V., Mercatorplein 1, 5223 LL 's-Hertogenbosch
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - Public
www.arcadis.com
Figuur 1: Overzicht onderzochte moestuinclusters en adviezen In het kort komen de adviezen hierop neer: • Binnen de rode stippellijn wordt consumptie van gewassen en het gebruik van slootwater afgeraden (RIVM; tot 1 km noordoostelijk van Chemours); • Binnen de veel grotere zone van de oranje stippellijn wordt geadviseerd om groenten en fruit uit de tuin af te wisselen met groenten en fruit uit de winkel. • In de gearceerde zone wordt geadviseerd slootwater met mate te gebruiken voor beregening en irrigatie. • In het RIVM-advies wordt alleen ingegaan op de concentraties PFAS in de gewassen, en de wekelijkse inname van PFAS. In het Arcadis advies wordt ingegaan op de relatie tussen concentraties in de bodem en in de gewassen. Als belangrijke kanttekeningen moeten worden geplaatst: • In het gebied zijn veel meer moestuinen aanwezig dan zijn onderzocht, en de concentraties kunnen grillig zijn verdeeld. • De concentraties in de grond van de moestuinen (gewasbedden) blijken significant lager dan de concentraties in de omringende grond. Waarschijnlijk een gevolg van intensieve bewerking, opname, compostering, en doorspoeling van de gewasbedden. • De begrenzingen van de zones zijn globaal en zullen nader moeten worden onderzocht.
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
2
Advies maatregelen en zonering Voor het opstellen van dit advies zijn we uitgegaan van de RIVM-adviezen (2021 en 2022), en het Arcadis rapport van januari 2023 dat ingaat op de relatie tussen concentraties in de grond en in de gewassen. Omdat gaandeweg tijdens deze onderzoeken meer informatie beschikbaar is gekomen, kan het voorkomen dat zoneringen en maatregelen die worden voorgesteld licht afwijken van eerdere adviezen. Tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen moet het mogelijk zijn om op basis van de concentraties in de grond te beslissen welke maatregelen gewenst zijn. Voor de aanpak stellen we uiteindelijk een indeling in 3 zones voor (zie figuur A in bijlage A), die voortbouwt op het gebruiksadvies moestuinen uit 2023 (website OZHZ en figuur 1). Hierna volgen allereerst de door ons gehanteerde uitgangspunten met daarbij een inhoudelijke toelichting en vervolgens het advies voor: • Zonering met bijbehorende criteria; • Toelichting maatregelen (ontgraving, aanvulling en onderzoek); • Irrigatie- en beregeningswater; • Fruitbomen.
Uitgangspunten De beschikbare informatie heeft geresulteerd in een aantal uitgangspunten voor de keuze van maatregelen (in bijlage C is een meer gedetailleerde inhoudelijk onderbouwing gegeven op basis van inname): •
De aanpak moet er minimaal in resulteren dat de gebruikers van de moestuinen bij een hoge consumptie uit de moestuin geen beperkingen ondervinden, oftewel niet te veel PFAS binnenkrijgen.
•
In moestuinen met een concentratie PFOA in de grond van 2,3 μg/kgds (gecorrigeerd naar bodemtype) of lager gelden geen beperkingen omdat: – De gemiddelde concentratie in de referentietuinen en de clusters G en H ongeveer 2,3 μg/kgds bedraagt, en de inname vergelijkbaar is met locaties die niet zijn gelegen bij een bron van PFAS in de buurt. – Het RIVM heeft in 2021 een indicatieve maximale waarde voor hergebruik in moestuinen afgeleid van 2,3 μg/kgds (RIVM 2021) op basis van 50% inname van de toegestane hoeveelheid PFOA. Het RIVM noemt specifiek voor moestuinen deze waarde indicatief, en beveelt locatiespecifiek onderzoek aan.
•
Tijdens het moestuinonderzoek van Arcadis is vervolgens een locatiespecifieke advieswaarde moestuinen afgeleid van 4,6 μg/kgds (zie bijlage C en Arcadis rapport blz. 55), eveneens op basis van 50% inname (bijlage C). Er blijkt een verschil tussen modelberekeningen (RIVM) en de feitelijke concentraties (Arcadis). Gebruikers van moestuinen met een concentratie PFOA in de grond tussen 2,3 en 4,6 μg/kgds krijgen in de woorden van het RIVM 2022 “niet te veel PFAS binnen, maar wel meer dan via gewassen uit moestuinen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen”. Ze kunnen hun zelfgeteelde gewassen blijven eten, maar het wordt aangeraden deze groenten en fruit af te wisselen met producten uit de winkel. Bij concentraties boven 4,6 μg/kgds zijn maatregelen hoe dan ook aanbevolen, om te voorkomen dat te veel PFAS worden ingenomen.
•
Tussen 2,3 en 4,6 μg/kgds is het in principe ook wenselijk om de inname terug te dringen door maatregelen. Echter, omdat elke aanpak ook overlast en negatieve effecten op kan leveren, terwijl de berekende consumptie van PFAS aan de toetsingswaarde voldoet, en de inname makkelijk te reduceren is door minder uit de tuin te eten, is het mogelijk om een keuze te maken voor het al dan niet treffen van maatregelen. Indien er voor gekozen wordt om geen maatregelen te treffen, blijft het gebruiksadvies (afwisselen met producten uit de winkel) van kracht.
•
Alle moestuinen waar maatregelen plaatsvinden krijgen een nieuwe toplaag en daarmee minimaal de kwaliteit van de referentietuinen of tuinen van de clusters G en H (figuur 1). Dat zijn tuinen die vergelijkbaar zijn met moestuinen die niet in de buurt van een bron van PFAS liggen.
•
Voor het wegnemen van de blootstellingsrisico’s is het niet in alle gevallen mogelijk of zinvol om voorafgaand aan het aanbrengen van een nieuwe toplaag de grond te ontgraven. Daarom zal het wel of niet afgraven van grond
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
3
sterk afhangen van de wens van de eigenaren en de lokale omstandigheden. In de volgende situaties is het sowieso niet wenselijk om grond af te graven: – Ontgraving en het aanbrengen van een nieuwe teeltlaag onder of nabij grondwaterniveau is niet zinvol vanwege herverontreiniging. Voor ontgraving wordt een marge van 0,1 m ten opzichte van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) aangehouden omdat incidenteel hogere grondwaterstanden mogelijk zijn, capillaire opstijging optreedt en het oppervlak nooit helemaal vlak is. – Vaak heeft de onderliggende laag hogere concentraties PFOA dan de bestaande toplaag. Afgraven van de toplaag met lagere concentraties wordt dan weinig zinvol geacht. •
Dit advies wordt gegeven zonder dat aanvullende metingen zijn uitgevoerd en loopt vooruit op de uitvoering van de pilot aanpak moestuinen. De hierna voorgestelde zone indeling is gebaseerd op de metingen van het Arcadis onderzoek 2023 (zie figuur A in bijlage A en tabel in Bijlage D). De voorgestelde maatregelen zijn nog generiek, de exacte aanpak van maatregelen zal uiteindelijk locatiespecifiek zijn en is onder meer afhankelijk van de ervaringen tijdens de pilot en het aanvullende onderzoek in zone 2 en 3.
•
Ook tussen moestuinen onderling kunnen sterk fluctuerende meetgegevens voorkomen, als gevolg van heterogeniteit, en ook tuinen buiten de zones kunnen verhoogde gehalten bezitten. Er is daarom behoefte aan een eenduidige, robuuste aanpak, waarbij de zones zodanig zijn gekozen dat de kans dat achteraf van de indeling moet worden afgeweken zo klein mogelijk is.
Opzet zonering en generieke maatregelen Bij de opzet van de zones is gestreefd naar maximale betrouwbaarheid en een zo efficiënt mogelijke uitvoering. In figuur A in bijlage A zijn daartoe drie zones aangegeven. In zone 1 wordt naar alle waarschijnlijkheid de toelaatbare wekelijkse inname overschreden, en is aanvullend bodemonderzoek minder noodzakelijk (zie ook bijlage D in combinatie met figuur A). Om maatwerk mogelijk te maken, en vanwege het geringe aantal tuinen, wordt echter ook in zone 1 bodemonderzoek voorgesteld. In deze zone worden maatregelen voorgesteld, die zullen leiden tot een kwaliteit die vergelijkbaar is met moestuinen zonder de impact van Chemours (zie bijlage C hiervoor). Ook in zone 2 wordt verwacht dat bij maximaal gebruik de gebruikers te veel PFOA binnenkrijgen. Zone 3 is minder verontreinigd en het is minder duidelijk of, en welke, actie gewenst is. In zone 2 en 3 is aanvullend onderzoek nodig om dit duidelijk te maken. De vorm van de zones (ellips) is in analogie van het moestuinonderzoek van Arcadis 2023 afgestemd op de overwegende windrichtingen en de gemeten concentraties in de clusters uit het moestuinonderzoek. Zone 3 is vervolgens beperkt aangepast aan de roze zone uit de achtergrondwaarden kaart van de provincie Zuid-Holland en OZHZ. Het slootwater houdt zich minder aan de zonering, en wordt verderop apart behandeld.
Aldus worden de volgende 3 zones onderscheiden (zie figuur A in bijlage A): Zone 1; rode zone (Binnen rode ellips nabij Chemours). Hier is waarschijnlijk sprake van te veel inname van PFAS, en wordt een schone teeltlaag van 0,5 m aangeraden. Indien mogelijk wordt vooraf ontgraven om hoogteverschillen tegen te gaan. Als de hoogste grondwaterstand minder diep is dan 0,3 meter, dan is ontgraven minder zinvol, en wordt er zo maximaal mogelijk opgehoogd (0,3-0,5 meter). Indien 0,3 m wordt opgehoogd, dan wordt een signaallaag aangebracht. Zone 2; blauwe zone (tussen blauwe en rode ellips). Hier is de kans groot dat sprake is van te veel inname van PFAS bij maximale consumptie, en een nieuwe teeltlaag is nodig om de wekelijkse inname te reduceren. De exacte uitvoering (0,3 m met signaallaag, of 0,5 m zonder signaallaag), al dan niet met ontgraving, of alleen ophoging zal volgen uit aanvullend onderzoek. Zone 3; oranje zone (tussen blauwe en oranje ellips). Het is mogelijk dat gebruikers niet te veel PFAS binnenkrijgen, en in deze zone zijn waarschijnlijk tuinen aanwezig die al voldoen aan het referentieniveau (2,3 μg/kgds). Aanvullend onderzoek is nodig om vast te stellen of maatregelen voor de grond zinvol of nodig zijn.
Toelichting maatregelen grond Voor moestuinen waarvan wordt verwacht dat de gebruikers te veel PFOA binnenkrijgen bij maximaal gebruik (100% consumptie uit eigen tuin), wordt in algemene zin een “schone” laag van 50 cm een effectieve wijze geacht om de
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
4
beperkingen ten aanzien van het telen van gewassen weg te nemen, en de wekelijkse inname terug te brengen naar referentieniveau. De meeste gewassen wortelen niet dieper dan 20 cm, enkele zullen tot 30-40 cm reiken, en ook bij omspitten is 30 cm nodig. Met 50 cm wordt een extra marge aangehouden. In een aantal situaties zal het niet mogelijk of lastig zijn om 50 cm aan te brengen. In een groot deel van het gebied is sprake van een zettingsgevoelige bodem en een hoge grondwaterstand, en in die gevallen wordt een laag van 30 cm met een onderliggende signaallaag in de vorm van een gaas of net geadviseerd. 50 cm grond heeft een groot gewicht, en kan leiden tot versnelde bodemdaling of zettingsverschillen. Vooraf ontgraven om dit tegen te gaan, kan gecompliceerd zijn vanwege een hoge grondwaterstand of een hoog slootwaterniveau. Niet alleen spelen in dat geval zorgen over de stabiliteit, ook herverontreiniging door opkomend grondwater moet worden voorkomen. Kortom, per locatie zal bekeken moeten worden wat haalbaar is. Door de aanvulling met een goede kwaliteit aanvulgrond zal de wekelijkse inname van PFAS door de aanvulling dalen tot het niveau van moestuinen die niet zijn gelegen bij een bron van PFAS. Als kwaliteit voor aanvulgrond wordt voorgesteld dat de concentratie PFOA lager moet zijn dan 2,3 μg/kgds.
Deze waarde is door het RIVM aangemerkt als hergebruikswaarde voor moestuinen.
Aanvullend onderzoek Het al dan niet treffen van maatregelen is afhankelijk van de concentraties in de grond die worden gemeten bij aanvullend bodemonderzoek. Om maatwerk mogelijk te maken wordt voorgesteld om in zone 1 en 2 alle tuinen te onderzoeken. Deze onderzoeken richten zich daarnaast ook op de grondwaterstand, slootniveau en technische mogelijkheden. In zone 3 zijn veel moestuinen aanwezig. Daarom wordt voorgesteld om in zone 3 aan de hand van een steekproef van ongeveer 150 tuinen de verdere aanpak nader te bepalen. Als sprake blijkt van een relatief eenduidige verdeling, dan volstaat wellicht deze beperkte steekproef, maar mogelijk blijkt dat onderzoek in vrijwel alle moestuinen nodig is.
Beslisschema grond Op basis van de voorgaande informatie is een beslisschema opgesteld aan de hand waarvan een eerste beoordeling kan worden uitgevoerd van de resultaten van de bodemonderzoeken. Zie hiervoor bijlage B. De voornaamste keuzes in dit schema zijn: a. Concentratie < 2,3 μg/kgds PFOA (gecorrigeerd naar bodemtype), geen actie nodig; b. Concentratie 2,3 - 4,6 μg/kgds, er is keuze mogelijk1. De gebruiker krijgt via de moestuin niet te veel binnen, maar vanwege de achtergrondblootstelling wordt naar verwachting wel de TWI voor PFOA overschreden. c. Concentratie > 4,6 μg/kgds, aanvulling met een nieuwe laag grond (al dan niet na ontgraving) wordt aangeraden. Omdat maatregelen mogelijk ook overlast veroorzaken en andere negatieve effecten kunnen hebben in de omgeving, wordt voor situatie b. een keuze overgelaten aan de gebruiker/eigenaar. Immers, de gebruikers krijgen in de woorden van het RIVM 2022 “niet te veel PFAS binnen, maar wel meer dan via gewassen uit moestuinen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen”. Ze kunnen hun zelfgeteelde gewassen blijven eten, maar het wordt aangeraden deze groenten en fruit af te wisselen met producten uit de winkel. Daarbij dient men zich te realiseren dat de aanvulgrond tot 2,3 µg/kgds mag bevatten, en dat de concentraties in de moestuin door bemesting en bewatering in de loop der tijd waarschijnlijk zullen dalen.
Aanpak beregenings- en irrigatiewater Risicogrens en overschrijdingen RIVM heeft recent een kennisnotitie opgesteld (kennisnotitie KN-2024-0016) waarin een voorlopige risicogrens voor irrigatiewater is afgeleid van 0,35 µg/l PEQ (PFOA-equivalenten). Bij de berekening van PFOA Equivalenten worden 1 Indien er voor gekozen wordt om geen maatregelen te treffen, blijft het gebruiksadvies (afwisselen met producten uit
de winkel) van kracht.
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
5
ook PFAS-componenten zoals PFOS en PFNA meegerekend in de totale toxiciteit van het monster (zie bv. RIVM PEQ-tool v2 16 mei 2024). Het slootwater in de moestuinclusters B-S en B-P uit het eerdere moestuinonderzoek voldoet niet aan deze nieuwe toetsingswaarde. Ook het grondwater in een aantal complexen/tuinen (o.a. SBA, SBC en PT1) voldoet niet aan de risicogrens voor irrigatiewater. Daarnaast is gebleken dat de beïnvloeding van de waterkwaliteit in de sloten niet 1 op 1 correspondeert met de bodemkwaliteit binnen en buiten moestuinen, water komt immers vaak van elders (bovenstrooms van de meetlocatie). Uit gegevens van het waterschap Rivierenland volgt dat ook verderop in de polder oppervlaktewaterconcentraties voorkomen boven of nabij deze indicatieve grens. Ook is zichtbaar dat de concentraties in het oppervlaktewater sterk kunnen fluctueren in de tijd. Het is daarom niet zeker op welke plaatsen de waterkwaliteit voldoet aan de gestelde eis. Dit vraagt allereerst om een uitgebreidere inventarisatie van watergegevens en meer waarschijnlijk aanvullende bemonsteringen, al dan niet in verschillende jaargetijden (droog-nat), vooraleer kan worden overgegaan op maatregelen. Opgemerkt wordt dat de RIVM-risicogrens alleen kan worden gehanteerd voor het gebruik als beregenings- of irrigatiewater.
Het staat los van algemene kwaliteitseisen die mogelijk worden gesteld aan oppervlaktewater. Dit betekent dat in een ander kader mogelijk eisen gesteld kunnen gaan worden aan de waterkwaliteit. In dit memo wordt alleen ingegaan op maatregelen, bedoeld om de belemmeringen voor gebruik als moestuin tegen te gaan.
Metingen en maatregelen Tijdens de hierboven genoemde bodemonderzoeken wordt ook het slootwater onderzocht. Dit is de meest waargenomen bron van irrigatiewater. Er worden minimaal twee metingen uitgevoerd, verdeeld over het jaar. Als maatregelen worden voorgesteld: • •
Vervangen oude regentonnen of regenwatertanks. Indien het regenwater afkomstig is van een oud dak van een kas of tuinhuis, moet worden overwogen om deze eveneens te vervangen. Indien de risicogrens in het slootwater wordt overschreden, wordt voorgesteld om een aansluiting te realiseren op de openbare watervoorziening.
Indien gebruik van de openbare watervoorziening op bezwaren stuit, dan zijn mogelijke alternatieven een koolstoffilter voor het slootwater of een diepe grondwaterbron. Bij een diepe grondwaterbron moet allereerst de grondwaterkwaliteit worden gecontroleerd. Een koolstoffilter heeft vooralsnog echter niet de voorkeur. Een koolstoffilter beschouwen we als een minder robuuste en onderhouds- en storingsgevoelige oplossing. De (diepere) grondwaterkwaliteit is onzeker en vraagt onderzoek. Indien wordt uitgeweken naar een koolstoffilter of een grondwaterbron is regelmatig controleren van de kwaliteit van het water op de aanwezigheid van PFAS nodig.
Aanpak fruitbomen Fruit is tijdens het moestuinonderzoek in 2022 onderzocht in de categorieën klein fruit, pitvruchten en steenvruchten. Uit de resultaten (zie figuur 2) volgt dat deze categorieën samen maar een zeer klein deel van de berekende inname van PFAS vormen. De concentraties in fruit zijn bovendien relatief laag. De hoogste concentraties worden aangetroffen in pruimen. Daarnaast valt op dat in fruit voornamelijk GenX is gemeten, een verbinding die vanwege de lagere relatieve toxiciteit (RPF factor) minder tot uitdrukking komt in het totaal gehalte aan PFOA Equivalenten (PEQ). Dit kan erop duiden dat fruitbomen makkelijker GenX opnemen dan PFOA, of dat toch sprake is van opname uit de lucht. De metingen dateren alweer van 2 jaar geleden, en we gaan er van uit dat de luchtemissies inmiddels verder zijn teruggebracht. In de berekeningen van de inname door RIVM heeft fruit een vrijwel te verwaarlozen invloed, en in algemene zin kan worden gesteld dat om die reden weinig tot geen actie nodig is voor fruitbomen. Het is wel nodig om na te gaan of de fruitbomen ontgraving of ophoging in de weg staan of mogelijk worden getroffen door deze activiteiten, en om deze reden mogelijk moeten worden vervangen. Volwassen bomen kunnen niet eenvoudig worden vervangen door bomen
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
6
met een vergelijkbare opbrengst. Vervanging is voor wat betreft de reductie van inname van PFOA ook niet noodzakelijk. Het is wel onbekend wat het PFAS-gehalte in de stam is als gevolg van historische belasting. Het kan zo zijn dat de fruitbomen bij rooien moeten worden afgevoerd als afval. Daarom stellen we voor om in zone 1 steekproefsgewijs stammen te onderzoeken op PFAS. Mogelijk volgt hieruit dat overwogen moet worden om de bomen tijdens de sanerende werkzaamheden af te voeren, e.e.a. in overleg met de eigenaar.
Figuur 2. Bijdrage van gewasgroepen aan de gemiddelde inname van PFAS (in ng PEQ/kgbw week)
Slotopmerking De grond die wordt ontgraven voldoet in veel gevallen waarschijnlijk aan de gebiedsspecifieke hergebruikswaarde (niet zijnde moestuinen). Hergebruik van deze teelgrond kan in dat geval worden toegestaan, maar bij voorkeur niet in particuliere tuinen, speeltuinen of groen waar regelmatig contact optreedt met de mens. Voorgesteld wordt om de ontgraven grond op te slaan in een centraal depot, beheerd door een daarvoor gecertificeerde partij, waar vervolgens na bemonstering en analyse een geschikte bestemming wordt gezocht, bijvoorbeeld in infrastructurele werken.
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
7
Bijlage A: Figuur A, locaties onderzochte moestuinen en zonering
Arcadis Nederland B.V., Mercatorplein 1, 5223 LL 's-Hertogenbosch
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - Public
www.arcadis.com
Bijlage B: Beslisschema’s
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
9
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
10
Bijlage C: INHOUDELIJKE TOELICHTING keuze 2,3 en 4,6 μg/kgds Introductie: De beoordeling of wel of niet maatregelen nodig zijn in de moestuinen wordt gebaseerd op de getalswaarden 2,3 en 4,6 μg/kgds in grond. Deze waarden zijn specifiek voor moestuinen in de regio afgeleid in lijn met het RIVM memo “Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie” uit 2021: • In dit memo wordt door het RIVM een indicatieve hergebruikswaarde voor PFOA afgeleid; 2,3 μg/kgds. Het betreft een hergebruikswaarde, gebaseerd op 50% inname van de maximale hoeveelheid PFOA. Een hergebruikswaarde is een veilige waarde voor het toepassen van grond, en ligt ruim onder de risicogrens. Een risicogrens voor de bepaling van INEVs is specifiek voor moestuinen niet afgeleid (RIVM 2021), maar zou bij 100% inname op 4,6 µg/kgds uitkomen, hetgeen overigens wel uit de toepassing van SANSCRIT volgt. • In het memo over hergebruik geeft het RIVM een disclaimer bij de advieswaarden voor hergebruik specifiek voor moestuinen. Deze waarden mogen alleen indicatief worden toegepast. RIVM beveelt locatiespecifiek onderzoek aan om de werkelijke blootstelling te bepalen, door daadwerkelijk PFAS te meten in de gewassen in de moestuinen in de regio.
RIVM heeft tijdens het moestuinonderzoek van 2021/2022 geen metingen in de vaste bodem ofwel grond uitgevoerd. Dat is gebeurd in het parallelle onderzoek van Arcadis. Tijdens dit onderzoek is in een grote steekproef vastgesteld dat bij een concentratie PFOA lager dan 4,6 µg/kgds in de grond, bij maximale consumptie uit eigen tuin, gebruikers minder dan 50% van de toegestane maximale hoeveelheid PFAS (niet alleen PFOA maar ook andere PFAS) binnenkrijgen. (Arcadis, 2023). De afleiding van deze concentratie wordt hieronder toegelicht. De bovenstaande argumenten hebben geleid tot het standpunt dat gebruikers die maximaal consumeren uit de moestuin, bij concentraties in de grond tussen 2,3 en 4,6 µg/kgds, niet te veel PFOA binnenkrijgen, maar wel meer dan gebruikers van tuinen die niet in de buurt van een bron van PFAS zijn gelegen. Maximale inname Zoals aangegeven heeft in Dordrecht uitgebreid moestuinonderzoek plaatsgevonden, niet alleen in gewassen, maar ook met metingen van PFAS in de grond. Hiermee kan de situatie locatiespecifiek worden beoordeeld. In figuur B is voor de onderzochte moestuinclusters aangegeven wat de wekelijkse inname som PFAS is bij maximale consumptie uit de tuin, uitgezet tegen de gemeten concentratie PFOA in de grond.
Bij deze beschouwing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De data uit de moestuinonderzoeken zijn beoordeeld op basis van de P95 (hoge consumptie uit eigen tuin), bij een laag concentratieniveau, zoals aangegeven in de risicobeoordeling van RIVM (rapport 2022-0010); “De hoge inname is hiervoor gebruikt, omdat moestuinhouders zeer waarschijnlijk de door hen zelf geteelde gewassen in grotere hoeveelheden eten dan de gemiddelde Nederlander”. • “De inname volgens een laag concentratieniveau is gebruikt, omdat deze het meest realistisch is”. Het hoge en lage concentratieniveau hebben betrekking op het al dan niet rekening houden met mogelijke concentraties verontreiniging onder de detectielimiet van de chemische analyses. RIVM geeft met bovenstaande quote aan dat niet rekening houden met deze eventuele concentraties het meest realistische beeld geeft. Dat kon in dit geval omdat er geanalyseerd is met hele lage detectiegrenzen. Daaruit volgt dat, uitgezonderd cluster A, moestuinen met een grondconcentratie PFOA lager dan 4,6 μg/kgds minder dan 50% van de TWI opvullen. In het Arcadis onderzoek (2023) wordt deze waarde ook wel de regionale advieswaarde moestuinen genoemd. (Cluster A is een uitzondering. Onder meer een onverklaarbaar hoge concentratie PFUnDA in een enkele tomaat vertekent de score voor dit cluster).
Uit de figuur kan daarmee ook worden afgeleid dat PFOA voldoende maatgevend is om geen rekening te hoeven houden met de concentraties van andere PFAS in de grond (tenzij de concentraties afwijken van het beeld zoals gevonden in het moestuinonderzoek). De gemeten waarde 4,6 μg/kgds is een factor 2 hoger dan de door het RIVM berekende waarde voor alleen PFOA (2,3 μg/kgds). Een mogelijk oorzaak voor dit verschil wordt gezocht in het feit dat de RIVM-waarde is gebaseerd op literatuurwaarden en laboratoriumonderzoeken. De verontreiniging in het veld in de omgeving van Dordrecht is ouder, sterker gebonden en zal minder snel uitlogen of minder goed worden opgenomen door de gewassen. Additioneel merken we op dat moet worden uitgegaan van de gecorrigeerde waarde voor PFOA in de grond.
Arcadis Nederland B.V., Mercatorplein 1, 5223 LL 's-Hertogenbosch
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - Public
www.arcadis.com
Figuur B: Grondconcentraties en Wekelijkse inname PFAS in moestuincomplexen (Arcadis 2023) Spreiding ondervangen door onderzoeksaanpak In het veld zal niet sprake zijn van een homogene concentratieverdeling. De concentraties in de grond kunnen (sterk) variëren. Als echter de gemiddelde concentratie op een perceel lager is dan 4,6 μg/kgds, dan is het niet waarschijnlijk dat de 50% TWI wordt overschreden, immers gewassen worden verspreid over een perceel geteeld. Een extra marge is aanwezig als sprake is van gemiddelde consumptie ipv een hoge consumptie (100% uit eigen tuin).
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
12
Bijlage D: Gemiddelde concentraties PFOA en GenX in grond (bron: Arcadis)
Onze referentie: HSL/TP 251124 - Datum: 25 november 2024 - Public
13
Pagina 29 van 29
Bijlage 2: Monsternamestrategie Tritium
Boor-/monsternamestrategie aanvullend bodemonderzoek PFAS Documentkenmerk 2402299BU-N1, versie conceptB Datum 12 november 2024 Betreft Notitie: Boor-/monsternamestrategie aanvullend bodemonderzoek PFAS moes-/volkstuincomplex en individuele moestuinen
1.
Inleiding
In het kader van het Project Moestuinherstel wordt aanvullend bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Dit om een vervolgaanpak voor de moestuinen en de moes-/volkstuincomplexen te bepalen. De boor- en monsternamestrategie voor het onderzoek is in overleg met Arcadis bepaald. Aanleiding en doel van het aanvullend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele PFOA-concentraties in de grond en het oppervlakte(-/irrigatie)water. Deze notitie beschrijft de boor-/monsternamestrategie voor het aanvullend bodemonderzoek PFAS. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de onderzoeksstrategie voor moes-/volkstuincomplexen en de individuele moestuinen.
2.
Algemeen
2A.
Kwalibo
Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. De werkzaamheden worden (indien van toepassing) uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocol 2001 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer.
2B.
Overige protocollen
Bemonstering vindt plaats volgens de handreiking PFAS bemonsteren (juni 2020) van het Expertisecentrum PFAS. Voor de bemonstering van irrigatiewater (indien van toepassing) wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de NEN 6600-1 en 2.
2402299BU-N1, versie conceptB pagina 1 van 4
2C.
Analyses
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. De monsters worden voor zover mogelijk conform AS3000 voorbewerkt. Voor water (indien van toepassing) worden de analyses op PFAS uitgevoerd met een detectiegrens van 1 ng/l. Voor grond wordt de detectiegrens 0,1 µg/kg gehanteerd. De monsters worden 4 weken bewaard op het laboratorium. Er worden geen analyses op GenX verricht. Dit omdat op basis van de eerdere onderzoeken PFOA leidend is voor de herstelmaatregel.
3.
Vooronderzoek/terreinverkenning
Er wordt gelet op de aanleiding en doelstelling van het onderzoek, geen volledig vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. De aanleiding en doelstelling van dit onderzoek beperkt zich namelijk tot het vaststellen van de bodemkwaliteit met betrekking tot één specifieke stofgroep (PFAS) en aangezien deze stof al als verdacht wordt beschouwd, wordt direct overgegaan tot analytisch onderzoek van deze stof. Een volledig vooronderzoek conform de NEN 5725 is breder van opzet en richt zich op een beoordeling van de algehele bodemkwaliteit. De te beantwoorden onderzoeksvragen in de NEN 5725 zouden niet aansluiten bij de aanleiding en het doel van het onderhavige onderzoek. In het kader van het bepalen van mogelijke herstelmaatregelen wordt derhalve een beknopt vooronderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5725. Hierbij worden de volgende onderdelen meegenomen: -
Locatiegegevens en huidig gebruik;
-
Enquête/vragenlijst met de eigenaar (specifieke vragen over moestuin/gewassen, grondverzet, eventueel eerder onderzoek, dit om eventueel afwijkende PFAS resultaten te kunnen verklaren);
-
Bodemopbouw, geohydrologie en waterhuishouding;
-
Terreinverkenning (specifiek op moestuingebied en gebruik, dus niet ten aanzien van overige niet PFAS-gerelateerde activiteiten).
Indien ten behoeve van de herstelmaatregel ontgraving van grond plaats gaat vinden, wordt een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. Als namelijk blijkt dat sprake is van onverdachte locatie kan de bodemkwaliteitskaart mogelijk dienen als milieuhygiënische verklaring voor de bodemkwaliteit. Als sprake is van een verdachte locatie dient voorafgaand aan graafwerkzaamheden de milieuhygiënische kwaliteit van de grond te worden vastgesteld. Toelichting Voorafgaand aan het plaatsen van de boringen wordt een terreinverkenning uitgevoerd. De situatie in het veld wordt hierbij met foto’s vastgelegd. De terreinverkenning heeft als doel de boor/monsternamestrategie bij te stellen op basis van de locatiespecifieke omstandigheden indien dit noodzakelijk is. Aan de hand van de terreininrichting wordt een vakindeling gemaakt waarna de boor- en monsternamestrategie wordt bijgesteld. Bij de vakindeling wordt o.a. rekening gehouden met de aanwezigheid van kassen en verhoogde bakken. Op basis van eerdere resultaten wordt verwacht dat de bodemkwaliteit in de kas afwijkt met het overige deel van de moestuin. Ook de grond in verhoogde bakken kan een andere herkomst hebben en als gevolg hiervan van afwijkende kwaliteit zijn.
2402299BU-N1, versie conceptB pagina 2 van 4
Daarnaast wordt voorafgaand aan de veldwerkzaamheden (indien mogelijk/wenselijk) een vragenlijst afgenomen bij de moestuingebruiker. Dit om aanvullende informatie vast te leggen over bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmiddelen of grondroerende werkzaamheden. Deze informatie kan worden gebruikt voor verdere interpretatie van de analyseresultaten.
4.
Onderzoeksopzet individuele moestuinen
Door Arcadis is een onderzoeksopzet voorgesteld waarbij onderzoek naar individuele moestuinen in zone 3 plaatsvindt in 13 clusters van circa 10 moestuinen. Hiermee wordt getracht een zo goed als mogelijk representatief beeld te krijgen in de spreiding en verdeling van de bodemkwaliteit van de tuinen. Rekening houdend met verschillende afstanden zowel beneden- als bovenwinds en in verschillende soorten gebieden (stedelijk, landelijk, lintbebouwing etc.). Het is de bedoeling dat aan de hand van de onderzoeksresultaten kan worden ingeschat of alle tuinen moeten worden onderzocht, of dat op basis van algemene kenmerken een voldoende nauwkeurige inschatting mogelijk is van de bodemkwaliteit en de noodzaak van maatregelen. Voor zone 2 is geen indeling in clusters gemaakt, maar van de tuinen waar nog geen onderzoek beschikbaar is, wordt de tuin separaat onderzocht. Omdat de exacte oppervlakten van de locaties nog niet bekend zijn is de onderzoeksstrategie in de volgende paragrafen op basis van oppervlakte eenheid weergegeven.
4A.
Onderzoeksstrategie
Het aanvullend bodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens een maatwerkstrategie en is gebaseerd op de NEN 5740. Een overzicht van de werkzaamheden per tuin is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.1: strategie bodemonderzoek PFAS (individuele moestuinen) oppervlakte
strategie 1)
boringen (diepte in m-mv) 0 - 100 m2
(chemische) analyses 2)
veldwerkzaamheden
MW: VED-HE-NL
3, 4)
grond 2 x PFAS (30), L+H 5)
4 x (1,0)
100 - 500 m2
5 x (1,0)
> 500 m2
- 6)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: MW: VED-
:
HE-NL
de onderzoeksstrategie betreft maatwerk en is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig.
2)
verklaring analyses: PFAS (30)
:
L+H
:
uitgebreid analysepakket met 30 perfluorverbindingen volgens de advieslijst d.d. 12 juli 2019 van het Tijdelijk handelingskader (detectiegrens 0,1 µg/kg d.s. voor grond).
3)
lutum + humus (organische stof).
De grond wordt bemonsterd in de laag van 0,0 - 0,3 m-mv (bodemlaag 1), 0,3 - 0,5 m-mv (bodemlaag 2) en 0,5 - 1,0 m-mv (bodemlaag 3).
4)
Dit betreft de minimale onderzoeksinspanning. Het definitief aantal te plaatsen boringen en uit te voeren analyses is mede afhankelijk van de terreinverkenning voorafgaand aan het veldwerk.
5)
Voor bodemlaag 1 en 2 wordt minimaal één mengmonster per bodemlaag samengesteld. Dit is mede afhankelijk van de bodemopbouw (zand, klei of veen). Bodemlaag 3 wordt alleen geanalyseerd als de resultaten hiertoe aanleiding geven.
6)
Voor grotere oppervlakten is vooralsnog geen strategie voorzien. Hierbij zal eveneens worden aangesloten bij de NEN 5740 en de randvoorwaarden/uitgangspunten zoals van toepassing op de overige oppervlakten.
2402299BU-N1, versie conceptB pagina 3 van 4
Oppervlakte (-/irrigatie)water Indien oppervlaktewater als irrigatiewater wordt gebruikt, wordt ook een monster van dit water genomen. Aan de hand van de beschikbare gegevens van het oppervlaktewater en de PFAS gehalten in de grond, wordt beoordeeld of een analyse hierop zinvol/noodzakelijk is.
5.
Onderzoeksopzet moes-/volkstuincomplexen
5A.
Onderzoeksstrategie
Het aanvullend bodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens een maatwerkstrategie en is gebaseerd op de NEN 5740. Het aantal te verrichten boringen en analyses wordt in eerste instantie bepaald door het aantal tuinen dat aanwezig is op het moes-/volkstuincomplex. Vervolgens wordt beoordeeld of het aantal boringen en analyses voldoet aan de strategie op basis van het oppervlak voor het gehele moes-/volkstuincomplex. Een overzicht van de werkzaamheden per 4 tuinen is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 5.1: strategie bodemonderzoek PFAS (moes-/volkstuincomplex) aantal tuinen
strategie 1)
boringen (diepte in m-mv) per max. 4 tuinen 5)
(chemische) analyses 2)
veldwerkzaamheden
MW: VED-HE-NL
3, 4)
4 x (1,0)
grond 2 x PFAS (30), L+H
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: MW: VED-HE-
: de onderzoeksstrategie betreft maatwerk en is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een
NL
verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig.
2)
verklaring analyses: PFAS (30)
: uitgebreid analysepakket met 30 perfluorverbindingen volgens de advieslijst d.d. 12 juli 2019 van het
L+H
: lutum + humus (organische stof).
Tijdelijk handelingskader (detectiegrens 0,1 µg/kg d.s. voor grond). 3)
De grond wordt bemonsterd in de laag van 0,0 - 0,3 m-mv (bodemlaag 1), 0,3 - 0,5 m-mv (bodemlaag 2) en 0,5 - 1,0 m-mv (bodemlaag 3).
4)
Dit betreft de minimale onderzoeksinspanning. Het definitief aantal te plaatsen boringen en uit te voeren analyses is mede afhankelijk van de terreinverkenning voorafgaand aan het veldwerk.
5)
Per tuin/gebruiker op een complex wordt 1 boring verricht. In eerste instantie worden analyses uitgevoerd op basis van mengmonsters van boringen van maximaal 4 verschillende tuinen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bodemlaag 1 en 2. Indien de resultaten er aanleiding toe geven vindt mogelijk uitsplitsing van de mengmonsters plaats.
Oppervlakte (-/irrigatie)water Indien oppervlaktewater als irrigatiewater wordt gebruikt, wordt ook een monster van dit water genomen. Aan de hand van de beschikbare gegevens van het oppervlaktewater en de PFAS gehalten in de grond, wordt beoordeeld of een analyse hierop zinvol/noodzakelijk is.
2402299BU-N1, versie conceptB pagina 4 van 4