CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbesluit tweede wijziging omgevingsplan gemeente Dordrecht (besluitdocument).pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 3 juni 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen tweede wijziging omgevingsplan voor bodem, Bouwhuyslocatie, Zuidbuitenpoldersekade en bedrijventerreinen - Raadsvoorstel44.046 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

71

melding en het aanleveren van een bouwhistorisch onderzoek om zo het historisch belang van de gemeente te documenteren. Het uitgangspunt voor deze regels is documentatie. Met dit artikel 8.31wordt duidelijk gemaakt dat de regels in deze paragraaf alleen van toepassing zijn op het verrichten van sloopactiviteiten met cultuurhistorische waarden. Deze meetbepalingen sluiten aan bij de bepalingen 'wijze van meten' zoals opgenomen in de voorheen geldende bestemmingsplannen. HHHHHH De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.32 Meldingsplichtige gevallen cultuurhistorische waarden 6.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat degene die een pand met cultuurhistorische waarden binnen het werkingsgebied wil slopen minimaal 4 weken van te voren een melding moet doen bij de gemeente. Pas na het verstrijken van deze 4 weken en het ontvangen van een reactie van de gemeente, mag desbetreffende persoon zijn sloopactiviteit uitvoeren. Voorbeelden 1. Iemand wil een cultuurhistorisch waardevolle boerderij verbouwen en is daarbij voornemens om de bestaande kap te vervangen. Hiervoor moet de huidige kap eraf gesloopt worden. Daarvoor moet een melding gedaan worden. Na 4 weken weet de persoon in kwestie of hij de kap eraf mag slopen. 2. Stel: Iemand wil op een pand zonder kap, een kap plaatsen en hoeft daarvoor niet te slopen. In dat geval is geen melding vereist. Dat hoeft ook niet omdat het pand ook na het plaatsen van de kap blijft bestaan en gedocumenteerd kan worden. 3. Een melding geldt ook bij het dempen van sloten, want de sloot wordt zogezegd verwijderd en daarvoor komt grond in de plaats. Deze situatie valt dus ook onder de sloop-meldplicht voor cultuurhistorische waarden.

Lid 2 Het slopen van bouwwerken met cultuurhistorische waarden is niet toegestaan, tenzij daar minimaal 4 weken van tevoren een melding van is gemaakt, zoals in het eerste lid is aangegeven. Dit is een verplichte termijn. Het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt in artikel 7.10 echter dat er in specifieke gevallen een kortere termijn van minimaal 1 week aangehouden moet worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om activiteiten waarbij asbest en/of asbesthoudende materialen verwijderd worden. In het huidige lid is bepaald dat de termijn van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, van 1 week, geldt als zich een situatie voordoet als bedoeld in die bepaling. Dit om te voorkomen dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag of de in eerste lid genoemde termijn van minimaal 4 weken geldt of de termijn van minimaal 1 week wanneer er sprake is van een geval zoals omschreven in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit artikel is overgenomen uit de Bruidsschat. IIIIII De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.33 Indieningsvereisten melding cultuurhistorische waarden 6.6 Voorrangsbepaling Dit artikel bepaalt welke gegevens bij de melding verstrekt moeten worden aan de gemeente. Dit betreft het aanleveren van een bouwhistorisch onderzoeksrapport. Dit bouwhistorisch onderzoek moet voldoen aan de actuele richtlijnen voor bouwhistorie. Een vergelijkbare kwaliteit is alleen

72

mogelijk in overleg met de bouwhistorisch deskundige. Zie https://www.stichtingerm.nl/kennisrichtlijnen/url2007.

Voorbeeld: bouwhistorisch onderzoek naar de kap van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Dit artikel regelt dat de regels in dit hoofdstuk, voor zover gelegen binnen de locatie 'begrend gebied', voor gaan op de regels opgenomen in hoofdstuk 22 (de Bruidsschat) die gaan over bouwwerken. Alleen als expliciet anders is aangegeven (zoals de verwijzing naar vergunningvrij bouwen) gelden de regels in hoofdstuk 22.2 toch. JJJJJJ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.34 Voorrangsregeling 6.7 Toepassingsbereik bouwwerk in stand houden Dit artikel regelt dat de bepalingen in dit hoofdstuk voorgaan op de regels gesteld over bouwwerken met cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Deze paragraaf ziet op situatie na de activiteit bouwen. Als het bouwwerk eenmaal staat gelden de regels in deze paragraaf. KKKKKK De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.34 Maatwerkvoorschriften 6.8 Algemene regel instandhouding bouwwerk Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te kunnen stellen na melding van een bouwhistorisch onderzoek bij panden met cultuurhistorische waarden. Een maatwerkvoorschrift kan aan de orde zijn als uit het bouwhistorisch onderzoek blijkt dat het bouwhistorisch onderzoek niet volgens de richtlijnen is opgesteld en concreet een aanvulling van de melder wordt gevraagd. Dit artikel houdt een verbod in om een bouwwerk dat gebouwd is zonder vergunning in stand te houden. LLLLLL De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.36 Toepassingsbereik 6.9 Voorrangsbepaling De regels in deze afdeling zijn nieuw; er is hier sprake van beleidsvernieuwing. In het najaar van 2023 is door het College de Kerkenvisie 'Tussen hemel en aarde – een visie op gebedshuizen in Dordrecht' vastgesteld. Gebedshuizen omvatten religieuze gebouwen zoals een kerk, synagoge en moskee. In deze visie staat de bouwhistorische geschiedenis van gebedshuizen centraal. Om te zorgen dat onze bouwhistorische geschiedenis van gebedshuizen niet verloren gaat is een omgevingsplanregel geformuleerd ten aanzien van het slopen van gebedshuizen. Met dit artikel artikel 8.36wordt duidelijk gemaakt dat de regels in deze paragraaf alleen van toepassing zijn op gebedshuizen die zijn aangewezen in het werkingsgebied met de functie-aanduiding 'Gebedshuizen'. Het betreft gebedshuizen die als zodanig zijn gebouwd (dus voor gebruik kerk). Dordrecht kent meer gebedshuizen, maar niet alle gebedshuizen zijn in dit werkingsgebied opgenomen. Op deze gevallen zijn deze regels in deze afdeling dus niet van toepassing. Alleen op de aangewezen gebedshuizen. Dit artikel sluit de werking van de Bruidsschat uit voor zover het gaat om het in stand houden van bouwwerken.

73

MMMMMM De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.37 Meldingsplichtige gevallen gebedshuizen 6.10 Toepassingsbereik gebouw bouwen Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat degene die een gebedshuis (opgenomen in het werkingsgebied gebedshuizen) geheel of gedeeltelijk wil slopen 4 weken van te voren een melding moet doen bij de gemeente. Pas na het verstrijken van deze 4 weken en het ontvangen van een reactie van de gemeente, mag diegene zijn sloopactiviteit uitvoeren. Onder slopen valt ook het gedeeltelijk slopen, zoals het verwijderen van dakpannen. We zoeken hierbij aansluiting bij de praktijk; slopen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, voorheen Bouwbesluit. Lid 2 Het slopen van gebedshuizen is niet toegestaan, tenzij daar minimaal 4 weken van tevoren een melding van is gemaakt, zoals in het eerste lid is aangegeven. Dit is een verplichte termijn. Het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt in artikel 7.10 echter dat er in specifieke gevallen een kortere termijn van minimaal 1 week aangehouden moet worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om activiteiten waarbij asbest en/of asbesthoudende materialen verwijderd worden. In het huidige lid is bepaald dat de termijn van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, van 1 week, geldt als zich een situatie voordoet als bedoeld in die bepaling.

Dit om te voorkomen dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag of de in eerste lid genoemde termijn van minimaal 4 weken geldt of de termijn van minimaal 1 week wanneer er sprake is van een geval zoals omschreven in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze afdeling gaat over de activiteit gebouw bouwen. Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en andere gebouwen. Ieder bouwwerk dat voldoet aan de definitie van een gebouw zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving valt onder het toepassingsbereik van de regels in deze afdeling. NNNNNN De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.38 Indieningsvereisten melding gebedshuizen 6.11 Algemene regels gebouw bouwen Dit artikel bepaalt welke gegevens bij de melding verstrekt moeten worden aan de gemeente. Dit betreft het aanleveren van een beschrijving ten aanzien van de transformatieladder zoals is vastgelegd in de Kerkenvisie 'Tussen hemel en aarde – een visie op gebedshuizen in Dordrecht'. Zie verderop een uitsnede wat deze transformatieladder inhoudt. In deze beschrijving moet worden ingegaan op de opstaptrede c.q. begintrede. Vervolgens moet beschreven worden per trap hoe de overstap wordt gemaakt naar de andere trede. Oftewel; alle treden in de richting moeten beschreven worden. Ook moet onderbouwd worden waarom een verder gebruik of een ander gebruik van het bestaande gebedshuis en omgeving niet mogelijk is en waarom sloop-nieuwbouw noodzakelijk is. Een volgend indieningsvereiste, dus een gegeven wat bij de melding moet worden aangeleverd, is een bouwhistorisch onderzoeksrapport. Dit bouwhistorisch onderzoek moet voldoen aan de actuele richtlijnen voor bouwhistorie. Een vergelijkbare kwaliteit is alleen mogelijk in overleg met de bouwhistorisch deskundige. Zie https://www.stichtingerm.nl/kennis-richtlijnen/url2007.

74

Dit artikel stelt algemene regels aan het (ver)bouwen van een gebouw, voor zover niet vergunningvrij. De regels gelden dus niet voor een gebouw dat al gebouwd is. Voor zover zo'n gebouw afwijkt van de eisen in dit artikel mag dat in stand gehouden worden conform een eerder verleende onherroepelijke omgevingsvergunning. OOOOOO De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.39 Specifieke zorgplicht 6.12 Uitzonderingen op de algemene regels In dit artikel wordt in aanvulling op de algemene zorgplicht een aanscherping gemaakt voor het beschermde stadsgezicht van Dordrecht. Daarmee willen we bereiken dat een ieder zich ervan bewust moet zijn dat er sprake is van een beschermd stadsgezicht en dat dit bijzondere zorg vraagt van degene die activiteiten verricht die het beschermd stadsgezicht kunnen aantasten. Dit artikel voorziet in de uitzonderingen op algemene regels die gelden voor het bouwen van gebouwen. De uitzonderingen betreffen de aangewezen vergunningvrije bijbehorende bouwwerken, voor zover het gebouwen zijn. Voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken die geen gebouw betreffen gelden de regels in paragraaf 6.6.1 (andere bouwwerken). Vooralsnog is alleen onderdeel a uit artikel 22.36 overgenomen. Het betreft de mogelijkheid vergunningvrij bijgebouwen bij een woning te bouwen, al dan niet aangebouwd. Deze regel geldt vooralsnog alleen binnen de locatie 'begrensd gebied' en dus nog niet voor de gehele gemeente. Voor de locatie 'begrensd gebied' zijn de regels voor vergunningvrij bouwen in Bruidsschat niet van toepassing. Voor gronden buiten het begrensd gebied blijft de Bruidsschat wel van toepassing.

Hoofdstuk 6 ziet toe op het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken (gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, geen gebouw zijnde). De regels in hoofdstuk 6 zijn dan ook met het oog, en enkel met het oog, daarop gesteld. Rondom bouwwerken kunnen echter ook nog allerlei andere kwesties spelen. Daar zullen dan ook regels voor gesteld worden. In dit omgevingsplan is een strikte scheiding aangebracht in de verschillende soorten regels die kunnen gelden voor bouwwerken en is er in de afzonderlijke hoofdstukken voor gekozen om de regels per hoofdstuk beperkt te houden tot het thema van het betreffende hoofdstuk. Dat betekent dat er in hoofdstuk 6 regels zijn vastgesteld voor het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken, en het vergunningvrij kunnen bouwen van bouwwerken, zoals beschreven in de artikel 22.27 en artikel 22.36 van de Bruidsschat. In de Bruidsschat wordt ook een uitzondering gemaakt op die mogelijkheden om vergunningvrij te kunnen bouwen op grond van de artikelen 22.27 en 22.36, bijvoorbeeld wanneer het gaat om cultureel erfgoed (artikel 22.28 en 22.38 van de Bruidsschat) of externe veiligheid (artikel 22.39 van de Bruidsschat).

Deze uitzonderingen op de vergunningvrije bouwmogelijkheden, die dus betekenen dat er alsnog een vergunningplicht geldt, worden echter niet geregeld in hoofdstuk 6, maar in de hoofdstukken die over deze onderwerpen gaan. Daardoor zou zich bijvoorbeeld de situatie kunnen voordoen dat het bouwen van een bouwwerk onder

75

voorwaarden op basis van de regels in hoofdstuk 6 (de artikelen 6.15 en 6.18) vergunningvrij kan zijn, terwijl er wel een vergunningplicht kan gelden voor bouwactiviteiten aan datzelfde bouwwerk als het bouwwerk bijvoorbeeld een pand met een monumentale status is. Die vergunningplicht is dan niet geregeld in hoofdstuk 6, maar in hoofdstuk 8 van het omgevingsplan, omdat dat hoofdstuk specifiek gaat over cultureel erfgoed. Op dezelfde wijze worden ook vergunningplichten die gelden voor de externe veiligheid van bouwwerken niet geregeld in hoofdstuk 6, maar in het hoofdstuk dat toeziet op externe veiligheid (hoofdstuk 13). PPPPPP De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.39 Maatwerkvoorschriften 6.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebouw bouwen Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te kunnen stellen na melding van een bouwhistorisch onderzoek bij gebedshuizen. Een maatwerkvoorschrift kan aan de orde zijn als uit het bouwhistorisch onderzoek blijkt dat de transformatieladder uit de kerkenvisie niet goed doorlopen is. Het college kan dan een aanvulling van de rapportage opleggen. Dit artikel ziet op een beleidsneutrale omzetting van de regel dat gebouwen pas gebouwd worden als voldaan wordt aan de eis van redelijke eisen van welstand, voor zover niet gelegen in een welstandsvrij gebied. De term 'redelijke eisen van welstand' is overgenomen uit de huidige welstandsnota. Het tweede lid is een vergunningplicht als het gebouw gebouwd wordt op een locatie ontwikkelgebied. Het betreft hier de gebieden waar grote ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. In het geval het college wil afwijken van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit zal dat net als voorheen gemotiveerd mogelijk zijn via de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. QQQQQQ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.40 Toepassingsbereik 6.14 Aanvraagvereisten gebouw bouwen De regels in deze afdeling komen in de plaats van de regels die nu nog gesteld zijn in de bestemmingsplannen in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan over het rijksbeschermd stadsgezicht. Dordrecht heeft formeel twee rijksbeschermde stadsgezichten: de binnenstad en de Schil. In vervolg te noemen het rijksbeschermd stadsgezicht. In de huidige situatie is voor het beschermd stadsgezicht een dubbelbestemming 'Waarde – Beschermd Stadsgezicht' opgenomen. Daarnaast is op de verbeelding een structuurbepalende lijn opgenomen. Ter plaatse van die lijn is wijziging van de bestaande bebouwing slechts toelaatbaar met behoud en zo nodig verbetering van de structuur van de gevelwand. Nieuwe gewijzigde bebouwing dient in schaal, gevelgeleding, hoogte differentiatie, kapvorm, silhouetvorming en rooilijn aan te sluiten op de bestaande omgeving. Het college is bevoegd nadere eisen te stellen, nadat eerst de Welstands- en monumentencommissie om advies is gevraagd. Burgemeester en wethouders kunnen tevens ter plaatse van de overige gronden nadere eisen stellen. Die laatste bepaling is door de rechtbank buiten toepassing verklaard in de uitspraak Houttuinen[1]. In deze eerste wijziging van het omgevingsplan wordt een vergelijkbare regeling opgenomen, maar vervalt de structuurbepalende lijn.

De aanvullende bouwbepaling wordt vervangen door een verbodsbepaling om zonder vergunning een pand in een beschermd stadsgezicht te slopen, nieuw te bouwen of te wijzigen. Om de vergunningaanvraag goed te kunnen beoordelen is een nader uitgewerkt toetsingskader opgesteld. Daarbij wordt ook rekening gehouden met panden met een vastgestelde bouwhistorische verwachting, voor zover een pand staat gemarkeerd op de Bouwhistorische Verwachtingenkaart of in een gebied ligt met hoge bouwhistorische verwachting. Een vergunning wordt verleend als de aanvrager aantoont dat aansluiting wordt gezocht bij de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden uit de bestaande omgeving, naast de waarden van het pand zelf met betrekking tot gevelindeling, schaal, kapvorm en dergelijke. Voordat het col-

76

lege beslist over de vergunning moeten de bouwhistorische waarden zijn aangetoond en wordt eerst advies ingewonnen van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Met dit artikel 8.40 wordt duidelijk gemaakt dat de regels in deze paragraaf alleen van toepassing zijn op het verrichten van activiteiten op in het omgevingsplan aangewezen locaties met de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het beschermd stadsgezicht Binnenstad en het beschermd stadsgezicht Schil. Dit artikel bepaalt welke gegevens - in aanvulling op de aanvraagvereisten uit de Omgevingsregeling - bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten worden ingediend. RRRRRR De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.40 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen rijksbeschermd stadsgezicht 6.15 Beoordelingsregels gebouw bouwen In dit artikel wordt het – anders dan in de huidige situatie – verboden om in een beschermd stadsgezicht zonder vergunning bouwactiviteiten te verrichten. In de huidige situatie gold een aanvullende bouwbepaling die via een omgevingsvergunning voor het bouwen doorwerkte, en dus niet voor slopen. In de systematiek van de Omgevingswet is het logisch om de bouw- of sloopactiviteit los te koppelen van het bouwen en zelfstandig vergunningplichtig te maken. Dit artikel is een beleidsneutrale omzetting van de welstandsadvisering uit de voorheen geldende bestemmingsplannen en voegt daar voor ontwikkelgebieden een extra beoordelingsregel aan toe. Het college zal in dat geval ook moeten toetsen of het gebouw past in het stedenbouwkundig beeld dat voor het ontwikkelgebied bepaald is. De opgestelde beleidsregels vullen nader in hoe die stedenbouwkundige kwaliteit beoordeeld wordt. In die beleidsregels is per ontwikkelgebied bepaald welke ruimtelijke kwaliteitseisen van toepassing zijn. SSSSSS De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.41 Vergunningvrije gevallen rijksbeschermd stadsgezicht 6.16 Advies Dit artikel maakt een uitzondering voor vergunningvrije bouwwerken zoals opgenomen in Besluit bouwwerken leefomgeving en het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van de welstandsadvisering. Voor de beoordeling van de stedenbouwkundige kwaliteit is geen advies voorgeschreven. De stedenbouwkundige eisen zoals opgenomen in de beleidsregels 'stedenbouwkundige voorwaarden ontwikkellocaties' zijn al mede tot stand gekomen op basis van het advies van de commissie. TTTTTT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.44 Aanvraagvereisten vergunning rijksbeschermd stadsgezicht 6.17 Toepassingsbereik De aanvraagvereisten zijn hier zo beperkt mogelijk gehouden. De aanvrager is verplicht een motivering op te nemen waarom de bouw- of sloopactiviteit bijdraagt althans geen afbreuk doet aan het beschermd stadsgezicht. Indien een bouwplan een pand met een bouwhistorische verwachting betreft, dan geldt een aanvullende aanvraagvereiste in de vorm van een bouwhistorisch rapport. De vraag om een bouwhistorisch rapport maakt deel uit van de aanvraagvereisten om te voorkomen dat voor de stad belangrijke historische informatie verloren gaat. In de praktijk zal relatief eenvoudig aan deze eis

77

voldaan kunnen worden door in overleg met de gemeente de aanwezige waarden vast te leggen in een rapportage. De indiener/verstoorder is verantwoordelijk om hierin initiatief te nemen en de kosten op zich te nemen. Deze afdeling gaat over de activiteit bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bouwen (= ander bouwwerk bouwen). Ieder bouwwerk dat geen gebouw is, en niet vergunningvrij is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, valt onder het toepassingsbereik van de regels in deze afdeling. UUUUUU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.44 Advies 6.18 Verbod ander bouwwerk bouwen Dit artikel regelt de verplichte advisering door de commissie ruimtelijke kwaliteit. Voordat het college beslist over de vergunning wordt advies ingewonnen bij de commissie ruimtelijke kwaliteit. Dit omgevingsplan voorziet in een verbod op andere bouwwerken, tenzij hierna uitgezonderd. Buitenplans kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van dit verbod, mits sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. VVVVVV De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.45 Beoordelingsregels vergunning rijksbeschermd stadsgezicht 6.19 Uitzonderingen op het verbod ander bouwwerk bouwen De in dit artikel opgenomen beoordelingsregels zijn bedoeld om duidelijk te maken hoe het college bouwplannen in het rijksbeschermd stadsgezicht zal toetsen. Een vergunning wordt verleend als de aanvrager aantoont dat aansluiting wordt gezocht bij de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden in de bestaande omgeving en de waarden van het pand zelf met betrekking tot gevelindeling, schaal, kapvorm en dergelijke. Deze zorgen voor een continuering en/of verbetering van het (straat)aanzicht vanuit de openbare ruimte. De regels in dit omgevingsplan zijn zo opgeschreven dat er geen ruimte is om een binnenplanse vergunning te verlenen als sprake is van een aantasting van het beschermd stadsgezicht. Ook niet als het college toch een vergunning wil verlenen vanwege andere belangen. In dat geval zal een buitenplanse omgevingsvergunning verleend moeten worden. Hiervoor gelden niet de beoordelingsregels van artikel 8.45, maar de beoordelingsregels op basis van artikel 8.0 Bkl. Echter is dit een zwaardere beoordeling omdat getoetst moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en instructies. Dit artikel maakt het mogelijk om zonder vergunning straatmeubilair of een erfafscheiding te bouwen.

Deze regel was voorheen opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (artikel 2) en komt in de plaats van de regels in de Bruidsschat. De uitzonderingen op het verbod zijn grotendeels overgenomen uit de artikelen 22.27 en 22.36 van het tijdelijk deel in hoofdstuk 22 (de Bruidsschat). Straatmeubilair, dat wil zeggen bouwwerken die bedoeld zijn voor het goed functioneren van het openbaar gebied of die bedoeld zijn het aanzien / de kwaliteit van het openbaar gebied te verbeteren, kunnen altijd zonder vergunning gebouwd worden. De gemeente is hier in de regel degene die de activiteit uitvoert of laat uitvoeren. Daarbij is het handboek Kwaliteit Openbare Ruimte leidend. Dit handboek krijgt nog een juridische grondslag in dit omgevingsplan en maakt het overbodig om hier ook nog regels in het hoofdstuk bouwwerken te stellen. Voor buisleidingen geldt een vergelijkbare motivering. Deze activiteit wordt nu gereguleerd met een vergunningplicht in de Leidingenverordening, die komende jaren beleidsneutraal wordt over-

78

gezet naar het omgevingsplan. Een nadere beoordeling op de ruimtelijke kwaliteit is in aanvulling op de Verordening niet noodzakelijk. De regeling voor erfafscheidingen is overgenomen uit de Bruidsschat. WWWWWW De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.45 Intrekking 7.1 Toepassingsbereik inrichten openbaar toegankelijk gebied De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het rijksbeschermd stadsgezicht zich verzet tegen instandhouding van de vergunning. Deze afdeling is opgenomen om activiteiten die een nieuwe inrichting van het openbaar gebied betreffen aan regels te binden. De locatie 'ontwikkelgebied' betreft de gronden binnen de gemeente waar dit omgevingsplan beoogd nieuw openbaar gebied aan te leggen. Deze gronden zijn daarom onder het toepassingsbereik van dit hoofdstuk gebracht. Zodra het openbaar gebied is aangelegd gelden de regels in deze paragraaf niet meer. XXXXXX De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.46 Voorrangsregeling 7.2 Oogmerken inrichten openbaar toegankelijk gebied Met dit artikel wordt bepaald dat de regels opgenomen in de bestemmingsplannen Historische Binnenstad, Schil en Reeland buiten toepassing blijven voor zover het betreft de artikelen "Waarde – Beschermd Stadsgezicht". De oogmerken komen voort uit het doel aantrekkelijke en bereikbare stad zoals bedoeld in de omgevingsvisie. Andere oogmerken zoals behoud biodiversiteit, voldoende speelplekken en klimaat kunnen als afgeleide ook doorwerken in de toepassing van de regels in deze paragraaf. YYYYYY De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 7.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen inrichten openbaar toegankelijk gebied Eerste lid In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de: • voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

79

•

de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van 'strijd' omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet 'strijd' in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van 'strijd' met een hogere regeling. Subparagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten.

Als subparagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk. Tweede lid Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo'n vergunningvoorschrift geldt.

De uitdrukking 'voor zover' betekent 'in de mate dat'. Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing. Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan: • paragraaf 22.3.2 Energiebesparing • paragraaf 22.3.3 Zwerfafval • paragraaf 22.3.4 Geluid • paragraaf 22.3.5 Trillingen • paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortelparagraaf 22.3.11 Uitwassen van beton • paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal • paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan.

Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling. Dit artikel maakt de aanleg van nieuw openbaar gebied vergunningplichtig. Voor het begrip bouwen woonrijp maken is aangesloten op de omschrijving zoals voorheen in bestemmingsplannen werd gebruikt. ZZZZZZ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

80

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 7.4 Aanvraagvereisten inrichten openbaar toegankelijk gebied In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 22.12 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen.

Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden. In de aanvraag omgevingsvergunning moet door middel van een (inrichtings)tekening duidelijk worden gemaakt hoe de inrichting van het openbaar gebied er uit komt te zien. In geval van gefaseerde ontwikkeling in deelplannen zal ook inzichtelijk gemaakt moeten worden hoe het deelgebied zich verhoudt met het gehele ontwikkelgebied. Voorkomen moet worden dat bijvoorbeeld speelplekken steeds doorgeschoven worden naar een volgende fasen. Per deelplan moet duidelijk gemaakt worden hoe dat bijdraagt aan de eis van voldoende speelplekken. AAAAAAA De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil 7.5 Beoordelingsregels inrichten openbaar toegankelijk gebied In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn. Het college zal de afweging moeten maken of de aangevraagde inrichting past binnen de stedenbouwkundige kwaliteit zoals per ontwikkelgebied is uitgewerkt in de beleidsregel 'stedenbouw'. Het college betrekt daarbij het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit. BBBBBBB De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7 Repressief welstand 8.1 Toepassingsbereik Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo'n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel

81

22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen. Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7, tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (artikel 22.29, tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29. De regels in deze afdeling zijn zo veel mogelijk beleidsneutraal overgenomen uit de bestemmingsplannen in het tijdelijk deel omgevingsplan. De enige uitzondering betreffen de bepalingen die zien op een vergunningplicht voor grondwerkzaamheden tot een bepaalde oppervlakte1. Deze vergunningplicht is onbedoeld in een aantal bestemmingsplannen opgenomen en is uit oogpunt van behoud van cultuurhistorie een onnodig beperkende bepaling. Daarbij zijn de verschillende regelingen opgenomen in bestemmingsplan samengevoegd en geüniformeerd volgens de laatste inzichten en is vastgesteld in Beleidsnota Archeologie 2012. Voor enkele locaties in Dordrecht ontstaat daardoor een minder beperkend regime. In sommige bestemmingsplannen was een verstoringsdiepte van meer 30 cm vergunningplichtig, dat is nu overal meer dan 40 cm geworden. Met dit artikel 8.1 wordt duidelijk gemaakt dat de regels in deze paragraaf alleen van toepassing zijn op het verrichten van activiteiten op archeologisch waardevolle locaties.

Het gaat dan alleen om de locaties die zijn opgenomen in het werkingsgebied met de functie-aanduiding 'archeologische waarden'. CCCCCCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 8.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwerkzaamheden archeologie Algemene toelichting distributienetten

De regels over aansluitingen op de diverse distributienetten en waterafvoervoorzieningen en over voorzieningen in het kader van hulpverlening kunnen gezien deze relatie met de omgeving waarin het bouwwerk zich bevindt goed in het omgevingsplan geregeld worden. Als er bijvoorbeeld geen distributienet binnen een bepaalde afstand aanwezig is, kan een bouwwerk daar niet op worden aangesloten. Ook de invulling van de manier waarop in bluswater kan worden voorzien en waar een opstelplaats voor een brandweerwagen het beste kan worden gerealiseerd, is sterk afhankelijk van lokale omstandigheden om het bouwwerk heen. Vanwege deze relatie met de omgeving, het feit dat de inhoud van de regels verder strekt dan alleen het bouwwerk zelf en om geen gat te laten vallen in de verplichtingen zoals die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn deze regels voortaan opgenomen in dit omgevingsplan.

1

82

Uitspraak voorzieningenrechter 21 februari 2022 over de archeologieregels in het bestemmingsplan 'Nieuwe Dordtse Biesbosch' Bij het bouwrijp maken van de gronden bleek een vergunningplicht te ontstaan waar dat volgens de gemeente niet bedoeld was (ROT 22/ 148 WABOO HO03).

Opgemerkt wordt dat het afsluiten van gebouwen van het distributienet voor gas en aansluiten op een alternatieve warmtevoorziening één van de onderdelen is van de energietransitie in de gebouwde omgeving, en als zodanig is benoemd in het Klimaatakkoord gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord zal in de komende periode worden uitgewerkt, waarbij wordt bezien welke rol wet- en regelgeving kan spelen om te komen tot het afsluiten van gebouwen van het aardgas en het aansluiten op duurzame energiebronnen. Deze nieuwe regels zouden worden gesteld met als doel het fossielvrij maken van de energievoorziening in de gebouwde omgeving, en hebben daarmee dus een ander oogmerk dan de in dit omgevingsplan opgenomen aansluitplichten die met het oog op veiligheid en in gevallen gezondheid zijn gesteld. Regels over de aansluiting op aardgas met het oog op bescherming van het milieu en klimaat zullen in de toekomst mogelijk in het Bbl opgenomen gaan worden en waar nodig voorzien van gemeentelijke maatwerkmogelijkheden. Daarnaast zullen er in hetzelfde kader mogelijk regels gesteld gaan worden over de aansluiting van bestaande bouwwerken op warmtenetten, deze regels strekken verder dan de aansluitplicht voor nieuwe gebouwen zoals deze in artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte.

Artikelgewijze toelichting artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling 'aansluitafstand'. De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract. Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten. Dit artikel legt een verbod op het uitvoeren van grondwerkzaamheden op locaties met archeologische verwachting zonder vergunning. Dus voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden moet eerst een vergunning aangevraagd en verleend worden. Dit artikel is vergelijkbaar met de regeling in de voorheen geldende bestemmingsplan. Hierin zijn diverse werkzaamheden die de grond verstoren vergunningplichtig gemaakt. Zoals het bouwen en diverse grondwerkzaamheden. Daarbij is wel een vereenvoudiging doorgevoerd in de opsomming van diverse grondwerkzaamheden: "activiteiten waaronder ook worden gerekend het woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, en aanleggen, vergraven of verruimen van sloten, vijvers en andere waterpartijen" is vervangen door alleen grondwerkzaamheden. Alle grondwerkzaamheden vallen dus onder de vergunningplicht tenzij uitgezonderd in het artikel vergunningvrije gevallen. Er is daarbij voor gekozen om geen nadere begripsbepaling op te nemen.

De term grondwerkzaamheden spreekt voor zich. De activiteit bouwen archeologie is daarom niet als activiteit aangemerkt die op zichzelf vergunningplichtig is. Zolang het bouwen niet tot extra verstorende grondwerkzaamheden leidt, kan dit zonder beperkingen toegestaan worden. Zodra een bouwplan tevens grondwerkzaamheden omvat dient na te worden gegaan of naast een omgevingsvergunning bouwen een omgevingsvergunning voor archeologie nodig is. DDDDDDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

83

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 8.3 Vergunningvrije gevallen grondwerkzaamheden archeologie Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt. In dit artikel zijn de gevallen uitgewerkt die niet onder de vergunningplicht vallen. Voor deze gevallen is geen vergunning nodig en mag je direct uitvoeren. Voor grondwerkzaamheden betreft het de volgende gevallen: • Normale onderhoudswerkzaamheden: dat wil zeggen de werkzaamheden die horen bij het instandhouden van de functie die een gebouw of gebied heeft. Bijvoorbeeld het onderhoud van een tuin of een huis. Voorbeeld: funderingsherstel van een woning dat noodzakelijk is om de woning in stand te houden maar dat wel grondwerkzaamheden noodzakelijk maakt.

• Funderingspalen/heiwerkzaamheden: mits niet te intensief geheid wordt, nader bepaald op maximaal 5% van het te bebouwen oppervlak. • Grondwerkzaamheden tot een diepte van 40 cm, 70 cm of 100 cm onder maaiveld, afhankelijk van het werkingsgebied. • Het vervangen van bestaanderiolering en ondergrondse leidingen mits de grondwerkzaamheden niet ingrijpender zijn dan uitgevoerd ten behoeve van de bestaande leidingen. • Het verrichten van archeologisch onderzoek door een gecertificeerd opgravingsbedrijf. Op basis van deze vergunningvrije gevallen is het bijvoorbeeld mogelijk een gebouw te slopen en hier een nieuw gebouw terug te bouwen mits hiervoor geen grondwerkzaamheden nodig zijn die meer grond verstoren. Voor de activiteit waterpeil verlagen gelden geen uitzonderingen. Hiervoor zijn de regels in paragraaf 8.1.2 van toepassing. EEEEEEE De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 8.4 Aanvraagvereisten vergunning grondwerkzaamheden archeologie Zie 'Algemene toelichting distributienetten' bij artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit.

Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening

84

moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen.

Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo'n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan. De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012.

Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht. Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten. Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar.

Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 22.10, eerste lid, is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend. Dit artikel regelt welke informatie nodig is om te kunnen beoordelen of een vergunning kan worden verleend. Dat betreft in dit geval alleen een archeologisch onderzoeksrapport. Dit rapport moet de archeologische waarde van de locatie vaststellen. FFFFFFF De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater 8.5 Beoordelingsregels vergunning grondwerkzaamheden archeologie Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Ove-

85

rigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan. Deze beoordelingsregel vloeit voort uit artikel 7.70 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarin is aangegeven dat een omgevingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde regels dient te bevatten die de bekende archeologische waarden beschermen. Grondwerkzaamheden die de ter plaatse bekende archeologische waarden aantasten zijn niet toegestaan. In het omgevingsplan is aan deze instructieregel uitvoer gegeven door in artikel 8.5 op te nemen dat een omgevingsvergunning enkel wordt verleend als grondwerkzaamheden archeologische waarden niet direct of indirect aantasten dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden verkleinen. GGGGGGG De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 8.6 Advies In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd.

Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.4. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 22.4 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk. In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer).

In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien. De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien.

86

Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling. Dit artikel regelt dat voordat de vergunning wordt verleend eerst advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige. Dat verplicht het college om bij de afweging om een vergunning te verlenen de resultaten uit het onderzoeksrapport mee te wegen. Afwijken van de aanbeveling in het onderzoeksrapport is mogelijk, maar alleen als dit onderbouwd is in het advies van de archeologisch deskundige. HHHHHHH De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 8.7 Intrekking Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is. Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1020/documents/40117